Jaren na de nominatie (1)

De laatste voorronde van de Meander Dichtersprijs 2017 is bijna afgelopen. Al eerder, in de jaren 2008 t/m 2010, was er een Meander Dichtersprijs. In die jaren werden uit een jaargang Meander door een jury de zes beste dichters geselecteerd. In totaal waren er in die drie jaar dus achttien genomineerden, waarvan er drie winnaar werden. Hoe verging het de genomineerden? Zijn zij nog met poëzie bezig? En op welke manier dan? Alja Spaan vroeg het hen.
De reactie van sommigen, zoals Jurre van den Berg, die in 2010 was genomineerd, was kort: “Ik schrijf geen gedichten meer.” Bij anderen, zoals bij Ingeborg Klarenberg en An Vandesompele, is er niet altijd tijd meer voor poëzie. Carl de Strycker besteedt er juist wel veel tijd aan, maar dan niet om gedichten te schrijven. Gert de Jager is nog actief als dichter en Hedwig Selles is naast gedichten andere dingen gaan schrijven.

Gert de Jager
wedstrijd 2008

“Mijn recente activiteiten op poëziegebied? Na de bundel ‘Sterk zeil’, die in 2010 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, schreef ik stug door en dat leidde in 2015 tot de bundel ‘Een ernstig gezicht’. En nog steeds schrijf ik stug door: een gemiddelde van rond de tien gedichten per jaar zou rond 2020 zomaar eens tot tot een derde bundel kunnen leiden.”

 

Voorbestemd

Neem ouders: elke dag verbergen ze hun kind,
stoppen het in ruimtes waar ze het alleen laten
om hun eigen, ouderlijke weg
te gaan. Elke dag tot het terugkomt in een ruimte
die leeg was
en voorbestemd.
Daar is het: elk moment opnieuw.

Nee,
dan de kinderen.
Wat ze zeggen en denken als ze de stille lanen
op- en afgaan:
dit is een lege laan.
Dit is de orde der dingen.

Uit: Gert de Jager, Een ernstig gezicht, Stanza 2015.

Ingeborg Klarenberg
wedstrijd 2009

“Ik denk dat de nominatie zeker bijgedragen heeft aan publiciteit en naamsbekendheid. Een tijd lang werd ik af en toe gevraagd om voor te komen dragen. Maar het is moeilijk te zeggen of dat direct het gevolg is geweest van de nominatie voor de Dichtersprijs. Alles bij elkaar motiveerde mij om door te gaan met schrijven. Toch is mijn schrijven verwaterd de afgelopen jaren. Misschien omdat ik me meer op fotografie richtte. 
Sinds kort woon en werk ik op IJsland. Ik doe een promotieonderzoek naar het effect van klimaatverandering op bacteriën in het Arctische gebied. Het onderzoek zelf is weinig poëtisch, maar ik hoop dat IJsland, andere koude plekken die ik voor mijn onderzoek mag bezoeken en de mensen die ik ontmoet uiteindelijk een inspiratiebron zijn voor nieuwe poëzie (of proza wellicht).
Meander ontvang ik nog altijd en ik lees het soms, als er in mijn hoofd ruimte is voor poëzie.

Een heel kort gedichtje van ongeveer een jaar oud en ongepubliceerd:”

Precies tussen mijn gespreide vingers prikken
op de zere plek
een mug doodslaan
 
ik wil een eindeloze slaap
een vlakke zee

Hedwig Selles
wedstrijd 2008

“Meander heeft veel voor me betekend, de herkenning van talent en het rondzenden van prachtige poëzie! Zelf ben ik nu steeds meer een schrijver aan het worden doordat ik mijn speelveld verbreed heb en nu werk aan een roman, en ook columns schrijf en essays en bezig ben met de ontwikkeling van een literaire game.
Ik ben altijd ontroerd hoe de mensen van Meander (bijv. Rob de Vos) als pionier begonnen zijn zoveel jaar terug, toen internet ook nog beetje in kinderschoenen stond, en nog altijd zo vol motivatie en trouw aan Meander zijn.”

Wissewasjes
 
Alles is meteen zoveel
als je betrouwbaar wilt zijn en
voorspelbaar voor je kinderen
 
alles is meteen zoveel
als je fles bent naast de glasbak in
die lusteloze meervoudigheid
 
alles is meteen zoveel,
als je naakt geboren iemand
in het leven worden moet
 
als daad van onverzettelijkheid
hetzelfde twee keer lezen
hetzelfde twee keer lezen.

eerder gepubliceerd in Hollands Maandblad

Carl de Strycker
wedstrijd 2010

“Ik heb sindsdien geen poëzie meer gepubliceerd of geschreven. We heb ik een proefschrift op het gebied van de Nederlandse poëzie verdedigd in 2011:  Celan auseinandergeschrieben. Paul Celan en de Nederlandse literatuur (handelseditie 2012 bij Garant).
Ik ben sinds augustus 2012 directeur van Poëziecentrum in Gent en was gastdocent voor poëzievakken aan de KU Leuven en de Vrije Universiteit Brussel. Sinds 1 oktober 2016  ben ik tevens praktijkassistent moderne Nederlandse letterkunde aan de UGent.”

An Vandesompele
wedstrijd 2010

“Die Meander Dichtersprijs, ja, daar heb ik erg fijne herinneringen aan. Het was een eer om tweede te worden. En ja hoor, Meander lees ik nog geregeld met plezier.
2010 ligt al een tijd achter ons, maar erg veel heb ik niet gedaan met poëzie in de voorbije jaren. Af en toe heb ik nog wat gedichten op mijn blog Issues&tissues gepubliceerd, maar het zijn helaas geen bijzonder productieve jaren geweest op dat vlak… Ik heb vooralsnog ook geen bundel uit. 
Ik ben in de afgelopen jaren meermaals geëmigreerd (Italië – Spanje – en dan terug naar België) en heb een erg woelig en hectisch werkleven gehad, dat zit er ook wel voor iets tussen. 
Het laatste poëzie-evenement waar ik aan deelgenomen heb was Dichters in de Prinsentuin, ook in 2010. Via dat festival was ik ook geselecteerd om deel te nemen aan het talentenprogramma ‘Parels kweken’, waar ik toen uitstekende feedback gekregen heb. 
Issues&tissues blijft sowieso mijn hoofdkanaal voor mijn nieuwste werk. ‘Maankater’ is een gedicht van afgelopen september.”

Maankater

Deze dag die kermt en sleept en zich niet
laat temmen, ik wil ‘m vangen tussen
m’n vingertoppen, zacht masseren tot
kauwgombal nog warm van speeksel,
zorgvuldig in positie brengen en met
een elegante vingerknip feilloos
door een kier van het raam knikkeren.

Geeft niet als hij er triest in de regen
blijft liggen, overreden wordt door
fietsers of vergulzigd door honden.

Het is altijd wat, je zucht te luid of
knikt te traag, er is iets in je blik
dat hen niet ontgaat en hoe hard je ook
je best doet om niet te stamelen, om je
glimlach licht te geven, het lukt nooit
goed genoeg om de leegte in je buikholte
te vullen met maanlicht en warme grond.

Hoe maak je plaats om te passen in wat
niet voor jou is? Hoe adem je in en uit
die lucht die toch nooit de jouwe zal zijn?

Gedichten Hedwig Selles

WIE HIER BINNENTREEDT DOET EERST EEN WENS

Het is stil op de bodem van het meer
een flinterdunne slaap,ik draai
mijn gezicht naar de muur
je wilt toch iets in de buurt hebben
naast roodwier en troosteloze poezie
maar ik zie mogelijkheden

voor vissen met luie onderlippen
sereen samengaan de diepe
duisternis in ook al is
een afscheid op den duur niet te vermijden

gezien mijn verlangen naar schoonheid ijdel
en onuitwisbaar is.

TUSSEN THEATER EN WAARHEID

Er hing ernst in de lucht, een lege boom
keek om zich heen alsof hij nog iets of iemand verwachtte
een windvlaag misschien in een smalle laan

ik zweeg, ik deed, jij en ik, het zou goed zijn om af en toe
eens samen op te trekken want de meest onwaarschijnlijke dingen
ondergaan de meest onwaarschijnlijke veranderingen

de jonge boom deelde geen dromen met vreemden,
maar wel zachte regen die takken doet openspringen
en broze katjes laat neerploffen in je hart

het soort sentiment dat onvolwassenheid
verried en in je geheugen is gekerfd en waaraan je bent overgeleverd

onschadelijke beestjes, blaadjes die bewondering verdienen
omdat ze hun prettigste glimlach tevoorschijn halen
zonder besef geen woord uitbrengen en toch bestaan.

BLADWIJZER

woorden om aan de wereld te onttrekken
om je weg te vinden, de bladwijzer neer te leggen
niet meer naar het eiland staren

of zeggen ik bouw een boot en stik een zeil.

Karakter dat zich voorneemt op te klimmen
langs de strengen van een verrukkelijke vlecht
naar het gloeiende dat van onzuiverheden reinigt.

Ik voelde welgevormde warmte op mijn vleugels.

Er is geen weg dan in het gistend
gezelschap van kiemend zaad
jezelf in de aarde te storten.

Recensie van Wie hier binnentreedt - Hedwig Selles

Het ontbreken van een kattenluikje

Hedwig Selles
Wie hier binnentreedt
Uitgever: Vrijdag
2015
ISBN 9789460013744
€ 18,50
44 blz.

Ik neem de bundel in handen en bekijk het voorplat. Blauwzwarte achtergrond, een zwak beschenen bakstenen muur in het midden met daarin omlijst door witte posten een deur. Potdicht. Hoe naar binnen te komen? Zelfs het kattenluikje, de doorgang die de Hedwig Selles in een interview adviseert, ontbreekt.
Ik denk aan Dante en Gerard Reve: ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt’.
Wat staat de lezer te wachten? Hermetische poëzie, cryptogrammen?

De achterkant van de omslag, doorgaans de bewieroking van de inhoud, stelt maar ten dele gerust: ‘Deze poëzie bevoelt het lichaam, graaft door de huid en vertoeft lang tussen de ingewanden, om dan, in galop door te stoten naar een weids, zonbeschenen landschap’, schrijft Annelies Verbeeke . Bloemrijk, maar ook verdacht.

De colofon is summier, de inhoudsopgave kondigt het eerste gedicht aan op pagina 1, in werkelijkheid staat het op pagina 4 en die scheefloop wordt volgehouden tot het eind. Slordig.

Maar dan. Ik begin aan het titelgedicht, haal opgelucht adem, en na nog enkele daaropvolgende gedichten te hebben gelezen is mijn twijfel totaal verdwenen , geef ik me over, op het euforische af: sprankelende fantasie, prachtige beelden, en hoe subtiel de humor.
Oordeel zelf.

WIE HIER BINNENTREEDT DOET EERST EEN WENS

Het is stil op de bodem van het meer
een flinterdunne slaap, ik draai
mijn gezicht naar de muur
je wilt toch iets in de buurt hebben
naast roodwier en troosteloze poëzie
maar ik zie mogelijkheden

voor vissen met luie onderlippen
sereen samengaan de diepe
duisternis in ook al is
een afscheid op den duur niet te vermijden

gezien mijn verlangen naar schoonheid ijdel
en onuitwisbaar is.

Eenmaal binnen in de surreële wereld van Hedwig Selles blijf ik nog even in die goede stemming, hoewel de redacteur mijns inziens de dichter had kunnen waarschuwen voor overbodig gebruik van adjectieven. (‘het waren sprakeloze zielen, vriendelijke snaren / met een felle dorst / die ook de lente heidens overviel’. En ‘het gesprek gleed van me af als een wollen deken door de lichte wind’).
Hierna worden de gedichten ernstiger van toon en verflauwt de brille van het begin. Enkele ervan ontberen spanning en de meeste missen de poëtische kracht van het eerste deel. Wel intrigerende titels: ‘Deugdzaamheid/korte poten’, ‘Weerbericht voor sidderende hazen’, ‘Eccomi’, ‘Op last van zelfverbetering’.

Achter in de bundel staan de meest indringende verzen, die weliswaar niet vrolijk stemmen, maar nergens larmoyant zijn, en die zo nu en dan weer de lichte toets van de openingsgedichten bevatten.

BONKERS EN KATTENOGEN

Wij zijn twee knikkers
wij kunnen niet dichter in elkaar
dan tegen elkaar aan

wat tegendruk niet uitsluit
maar langs een lus van licht
de gladste vonken wegschiet naar een nis

dit ging over ons bonkers en kattenogen

jij sprong om jezelf vorm te geven
ik waagde alles behalve mezelf blind
tegen je aan te stoten.

als dit het niet is wat dan wel?

Zo moeilijk het binnentreden, zo moeilijk is het om de (onder)wereld van Hedwig Selles weer te verlaten.
Ik raad haar aan in een volgende druk de deur op het voorplat minstens op een kier te zetten maar wijd open zal ook zeker niet misstaan.

Gedichten

Experimentele wetenschap

Als kind liep ik vaak weg
om mijn moeder op de proef te stellen

ik kon niet weten wat ik zeker wist
daarboven is er niets,

daarboven is er niets ik vond het prachtig
ik sloot het raam,
om de hemel gerust te stellen

mijn moeder deed geen wetenschap,
wist weinig over de eigenschappen
van ontreddering

het is zo, dus moest het zo zijn
ook toen ik niet terug keerde

Commedia del arte

Ook op waarheid kun je fantasie loslaten,
een dorp, een huis, een deken in de voortuin
meer heb ik niet nodig voor de huivering
dus zeg ik au revoir acrobaat, jouw circus aan kunstgrepen
wordt bij die ene afsprong te voorschijn getoverd,
buiten de volgspot een doodsmak maken,
dan help ik je daar
om aan de eisen van het inslapen te voldoen

Volgens schema

De tanden zijn gewisseld en als heilige voorwerpen in een ark gelegd,
ik ben verenigd in een permanent lichaam

de man op zijn boot met een vlassige baard, moest ik nog ontmoeten,
hij kijkt met een ernstige regelmaat mij aan

(- het absoluut brandpunt – verdenk ik) of even verderop
en je weet dat er iets gaat gebeuren

maar de kamers van schuld en schaamte
moeten eerst nog worden schoon gemaakt

Recensie van Schadenfreude - Hedwig Selles

Een autonoom dichterschap

Hedwig Selles
Schadenfreude
Uitgever: Uitgeverij P
2011
ISBN 9789079433629
€ 15,00
40 blz.

Hedwig Selles (1968) debuteerde in 2001 met de bescheiden bundel Jaarringen. Uitgever de Beuk liet aantekenen: ‘[zij] onttrekt in haar poëzie alledaagse momenten aan het normale […] en maakt gebruik van originele invalshoeken.’ Dat is inderdaad een belangrijk aspect van de bundel. De lezer wordt vrijwel steeds midden in een bepaalde handeling of beschrijving geplaatst, die indringend en suggestief wordt weergegeven en vrij abrupt eindigt. Omdat het in de in het algemeen korte, nauwelijks uitgewerkte, bijna fragmentarische gedichten zijn, soms niet meer dan een observatie of notitie, moet de lezer zelf de context opbouwen waarbinnen deze teksten functioneren. Afkomst, milieu, het gezin van herkomst (met name de vader en de zuster) en ook het geloof spelen een belangrijke rol en er zijn verwijzingen naar relaties, liefde en seksualiteit. Op de achtergrond is er voortdurend de ruis van een sterk existentiële lading, die tot uiting komt in gevoelens van eindigheid, gebondenheid en geslotenheid. ‘Jaarringen’ suggereren groei, maar hier duiden ze op een vorm van stilstand die tot bijna over de rand van de werkelijkheid voert. Niet voor niets is het laatste woord van de bundel ‘slaap’.
In deze gedichten, waarin het duidelijk is dat een dichter zichzelf als dichter aan het uitvinden is, is er volop ruimte voor de uiting van allerlei gevoelens, expliciet benoemd als diepe vermoeidheid en pijn, passend bij de doodsgedachten die een enkele keer worden uitgesproken en bij het gevoel van depersonalisatie waarvan soms sprake lijkt te zijn – bij de noodzaak ‘de gaten in mijn hart’ te dichten.

De opvolger liet geruime tijd op zich wachten. Pas in 2008 verscheen in de Windroosreeks van uitgeverij Holland IJzerbijt, met 27 gedichten wederom een dunne bundel. Het is qua toon duidelijk een voortzetting van het debuut, maar Selles kiest haar onderwerpen nu ruimer (al zijn de vader, de zuster en het geloof weer aanwezig) en werkt de gedichten meer uit, zonder daarbij veel concessies aan de toegankelijkheid te doen. Ieder gedicht opnieuw zoekt op een ongeforceerde manier de balans tussen een zekere raadselachtigheid en verstaanbaarheid, waardoor ze blijven intrigeren.
Veel gedichten kennen een sterke persoonlijke urgentie, wat haar regels ingeeft als ‘ik moet mezelf/ beluisteren in lichaam en in bloed/ voordat mijn gedachten klonteren,// eer de rest van mij gestold is’; ‘zonder gevecht geen woorden’, schrijft zij ook, en ‘in het hart der dingen is men blind’. Ieder gedicht bouwt zich op tot een eigen wereld, die bepaald lijkt te worden door een zekere zwijgzwaamheid die voorbij lijkt te gaan aan iets onuitgesprokens. Als zij schrijft ‘ik heb mezelf nog nooit/ op waarheid kunnen betrappen’, is dat inderdaad in diepste zin waar.
Ettelijke gedichten uit de bundel verdienen het om tot in lengte van jaren gebloemleesd te worden, zoals ‘Een zoete vader is geen lieve vader’ en vooral ook het titelgedicht. (Lees ‘IJzerbijt‘ hier.)

Bij de Leuvense uitgever P verscheen dan dit jaar Selles’ derde: Schadenfreude. Het is met 37 gedichten de dikste, maar zeven gedichten stonden al eerder in IJzerbijt. Inhoudelijk zijn er geen verschillen, maar er staan nu hoofdletters waar ze horen, de interpunctie is aangepast, hier en daar wijkt de strofe-indeling af en zijn titels aangebracht. Selles is duidelijk preciezer geworden. Zij lijkt ook aan zelfvertrouwen gewonnen te hebben, want zij schrijft onbekommerd vanuit een eigen, hoogst individuele perceptie. Alsof zij zich vanuit een gevoel van onthechting volstrekt vrij voelt om over háár werkelijkheid te beschikken en zich daardoor met grote vanzelfsprekendheid kan loszingen van de ‘gewone’ alledaagse wereld, die zij meer dan eens laat desintegreren. De beheersing die zij daarbij toont is indrukwekkend. Hier is een dichteres aan het woord die leeft in haar taal en daarin volstrekt haar eigen gang gaat. Toch is het beslist niet zo, dat Selles zich buiten de realiteit plaatst. Zij heeft ook een maatschappelijk georiënteerde, zelfs geëngageerde kant, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het gedicht over Sarajevo

De bundel wordt door de uitgever aangeprezen met de slogan ‘een rollercoaster van gevoelens die elke lezer zal raken.’ Een roetsjbaan is het zeker; niet zozeer van emoties als wel van ervaringen, benaderingen, verwerkingen. ‘Lezer, houd je goed vast’, had P er nog als leesadvies bij kunnen zetten.

De bundel opent met het bijna surrealistische ‘Ontologische vos’, dat op een wonderlijke manier de zijnskwestie aan de orde stelt en daarbij ook de taal ontregelt: ‘Ik zag een vos vannacht/ bij ons in de straat/ hij bleef merkwaardig lang staan/ midden op de weg// ik was verbaasd/ dat het na al dat licht/ en metafysica/ weer zo snel winterstil/ kon worden’. Het is een gedicht over de behoefte aan contact, het schenden van afspraken en de vele vormen van realiteit. Het eindigt met het tussen haakjes geplaatste ‘overal loert redding’; voor de ikfiguur blijkt gevaar dus uit wel zeer onverwachte hoek te kunnen komen. Vandaar misschien ook wel de grondhouding van argwaan die te constateren valt:

Bokito baywatch

Het is een stralende dag, een dag om
zonder argwaan aan te beginnen, om
wonderbaarlijk vrolijke kinderen op te tillen
en te vermaken met mamawolken

‘want daar hangen borsten aan’
ik klop het af, (ook dat ik meestal lief ben
voor dingen die er niets aan kunnen doen
zoals mijn eerste vlug verkering

om later toch weer uit te vallen
tegen deze en die en tegen
bordkartonnen dozen)
daarna ben ik vrij te denken wat ik wil,

dat ik aanwijzingen kan vinden;
oplossingen voor orkanen en cyclonen
en dat als ik wegren
de anderen mij zullen volgen

Over dat gevolgd willen worden zegt ze in een gedicht dat al eerder in IJzerbijt stond het volgende:

‘Ik zou een bezem willen zijn
bijvoorbeeld op de binnenplaats.’

nee, dat zou ik niet ik ben een paard
dat van zijn ruiter ontdaan
met zijn hoeven luid muziek
uit de stenen zal slaan,

voort, voort, het bezempaard
lees volbloed arabier, hoort
het gejuich, de ogen van de djin
op de oorsprong gericht
jij, ik, wij hebben nooit bestaan
kom, volg mij

Het is verleidelijk erin te lezen dat iemand hier een oud en misschien wel bevuild verleden afwerpt en trots en zelfbewust – volbloed arabier – voor een eigen weg kiest. In andere gedichten is deze zekerheid ver te zoeken. In ‘Foto van een anti-ik,’ staat: ‘Geef ons een lichaam […] // want wij weten niet/ wat wij met onszelf moeten beginnen,/ […] om het verborgene los te laten// […] waar is iedereen?’
In ‘Kersttoespraak’ staat de remedie verwoord die in ieder geval altijd beschikbaar is: ‘want als de werkelijkheid/ het af laat weten/ moet ik zo diep mogelijk zien/ door te dringen in de verbeelding’. Vandaar dat ze in ‘Overdracht’ kan schrijven: ‘dat ik ook alles en iedereen kan zijn,/ een geelrode baboesjka,/ met roze bloemen; zevendelig en compleet vanbinnen’.

Een van de kerngedichten is ‘Terar dum prosim’, de lijfspreuk van Calvijn, later nog gebruikt door Domela Nieuwenhuis. Het betekent ‘ik mag verteren (ten onder gaan), als ik maar tot zegen (nuttig) ben.’

Terar dum prosim

Mijn waakzaamheid lag plat in een kom,
lepeldiep verschanst in wat mij toebehoort
maar wat is hier van mij als het alleen
van boven waarneembaar is?

een halfvergaan offer,
dat stukgedacht is in de diepgang van een doorkijkland,
ik bedoel: wat als ik niets bezit behalve onwankelbare trouw
aan de tweetand van schuld en schaamte,
tussen mijn benen op mijn schoot voor in mijn mond,
distels en nog meer soorten spuug
en spitsarig lelijke dingen;

terar dum prosim
bevestig mij, zo ik nuttig ben,
verteer mij, zo ik week ben
want ik ben al meer dan honderd jaar met droefenis besmet

‘onwankelbare trouw/ aan de tweetand van schuld en schaamte’ – schrijnender kan iets wat verborgen blijft, niet gezegd worden. ‘Mijn kleine oorlog’ levert de verklaring met ‘want schrijven moet je toch/ je eigen dunne dwarsdoorsnee’, een schitterende formulering, die op alle niveaus waar is. Dat Selles hierbij werkelijk het boek van Louis Paul Boon voor ogen had, blijkt uit het noemen van Franske [Wauters], door Boon aldus in het begin van Mijn kleine oorlog opgevoerd: ‘[…] die in Kassel de brieven voor de vreemde arbeiders moest ronddragen en onder het bombardement in een afvoerbuis voor vuil water gekropen was en, er uitkomende, Kassel niet meer zag…’
Er is dus de suggestie van een oorlog die in haar gewoed heeft, en als die voorbij is, blijkt de wereld zoals die was niet meer te bestaan. Wie verschrikkingen overleeft, ziet de wereld daarna onomkeerbaar veranderd.

Er staan veel voortreffelijke gedichten in de bundel. ‘Inzichten over de werkelijkheid’ bijvoorbeeld, en ‘IJs’ en ‘Khamsin’, dat de naam voor een hete woestijnwind is: ‘wie zegt dat ik besta/ oh kom, vernietig mij’.

Selles heeft ook een ander, lichter register. In het aantrekkelijke ‘Hugo Claus’ theater’ zegt ze te weten hoe het er daar aan toegaat: ‘het ruist, meisjes in zwart ondergoed met terzinen voetjes’. Claus zou tevreden zijn geweest.
Maar ook als zij lichtvoetig schrijft, zwemen de gedichten naar een ondefinieerbare zwaarte, alsof ze iets verborgen houden. Het zou best kunnen, dat ze daarom Schadenfreude gebruikt heeft als bundeltitel. Alsof ze een stil leedvermaak heeft om wat zich aan het begrip moet onttrekken van wie voor deze poëzie niet het juiste fingerspitzengefühl heeft. Alsof ze zegt: Je leest me en ik laat me kennen. Maar je kent me niet.
Zo wil je wel ‘die Kaninchen/ in den Gemüsegarten der Nachbarn jagen’. Maar de fijnproever blijft.