Gedichten

Laat hij trots het lichaam zien

hij bewaart zijn lichaam in een zak
van kleren – zodat het niet vlekt in de zon
of nat wordt als het regent

‘s avonds legt hij het voorzichtig in bed
het is z’n beste herinnering aan vroeger

als er vrienden komen of familie laat hij
trots het lichaam zien –
rechtop op een mooie stoel

jonge neven gapen en wijzen op defecten
maar oude vrienden glimlachen

zij hebben er thuis ook één


De laatste week van het jaar

1

je bent opgestaan en hebt ontbeten
je hebt gedoucht en je tanden gepoetst
met tandpasta die smaakt naar klei en pepermunt

je kleedt je aan drinkt nog één slok lauwe koffie
en fietst naar je werk (het regent niet)
je bent er niet vroeger dan je hoeft te zijn

je leest je emails beantwoordt sommige
je rookt met collega’s praat drinkt koffie
tot je om zes uur weer naar huis toegaat

je weekenden spoelen als walvissen aan
ademloos te zwaar voor hun ribben

2

soms denk je op de vloedlijn tussen waak en slaap
als het oorlog was geweest of jij een zeeman
was je zonder excuses op een hoer gedoken

soms droom je van zwellende mensenzeeën
die zich door nauwe straten dwingen
wel praten met elkaar maar nooit met anderen

waarin je iemand zoekt maar haar gezicht niet kent
haar stem niet kent haar geur niet kent van wie
je niet kan dromen maar wie je in je slaap kan

voelen als zout in de wind op het strand
en je zakken vol stukjes hout en schelpen steekt

3

wakker worden heeft maar weinig pijn gedaan
er is weinig verloren vannacht
je betast de striemen van je spiegelbeeld

in een andere stad had je gewond kunnen raken
bedenk je als je koffie zet en verdacht en naamloos
had je kinderen verloren en toekomst en land

en je dood en leven dwarrelen door de straat
van de laatste week van het jaar al het licht
flakkert rusteloos voor boeddha op het altaar

je ademt en je adem bevriest je zit
en de kou krult om je benen als een kat