‘Vincent, Homesick for the Land of Pictures’, een muzikale poëziereis door de kleuren van Van Gogh

Tijdens Poetry International 2014 speelde Trio Scordatura de wereldpremière van Samuel Vriezens compositie ‘Vincent, Homesick for the Land of Pictures’, naar een gedicht van festivaldichter Peter Gizzi. Peter Gizzi droeg het gedicht zelf voor. Zie de site van Poetry voor het gedicht, de vertaling en audio.
Samuel en Peter beleefden veel plezier aan dit programmaonderdeel en vertellen Meander meer over hun werkwijze en bevindingen.

Interview with Peter Gizzi

Peter Gizzi en Samuel VriezenWhat did you like best of the program ‘Vincent’ during Poetry International Festival?
It was a joy to get to hear the work of Samuel Vriezen live. I have some recordings of his work that I admire but the first pleasure was to get to hear it live. He is a brilliant composer.

How did it feel to recite your poem first and then hear the composition? Were you surprised by the version of Trio Scordatura?
After hearing Samuel’s piece I wondered if I should have read my poem. His piece followed every word and syllable and I was surprised it was in English. But I did enjoy reading it at the festival and I was glad for the opportunity. 

During the interview afterwards you told us that you worked one day at the poem, where Samuel Vriezen worked 2 years on the music piece. You both had to laugh when you discovered this. It is true; did you write the poem in one day?
I was away on a writers retreat in the dead of winter in New Hampshire 2005. I had been working on another series at the time. 

Then, I picked up a copy of van Gogh’s letters and began reading them. He is a great writer and the verbal energy took hold of me. I was moved by his life, his striving and suffering, and questing and questioning everything about art and existence. So this poem was born out of a reading experience rather than a visual one. 

I wrote a draft of it in a single go and wasn’t sure if I could pull it off but kept pushing. A voice came to me. I went to bed and woke up the next day and read it out loud, and then when I finished I began to read it backward as I kind of response to an unanswered letter and it was an astonishing experience as it worked perfectly and made the poem bigger than the sum of its parts or any given line. 

Then I spent six months making micro tonal edits.

You are working on a special project with hand printer Marc Vleugels, can you tell us more about this project?
I am extremely delighted that Marc is going to produce a chapbook of this poem with Samuel’s expert translation. Marc’s books are beautiful works in and of themselves and lovingly made. 

I am also happy that poets and audiences in The Netherlands appreciate this poem. I say this because van Gogh is so ubiquitous, he is like the sky, and has become somewhat invisible in plain sight. I wanted to rescue this dear, devotional, and suffering visionary man, from being simply a cultural industry, made into scarves and mugs and tote bags. 

Every sentence of his writing and every brushstroke on his canvas is a lived experience. I feel his is the true way and I identify. I hope the audience will experience joy and discovery while listening.

What is your favorite part of the poem, which line is precious to you, why?
There are many lines I love, in the end I favor the over all sound scape it makes. 

Interview met Samuel Vriezen

Vertel, hoe was het om jouw compositie in première te zien gaan?
Het is altijd geweldig om een nieuwe compositie voor het eerst in uitvoering te horen. Maar het is helemaal fantastisch als de dichter zelf erbij kan zijn, zeker als het er een is die normaal gesproken op een ander continent rondwaart.

Peter Gizzi heb ik vier jaar geleden ontmoet tijdens een programma in Perdu, georganiseerd door Wolfram Swets, die net een bibliofiele uitgave van Gizzi had gepubliceerd met zijn Tungsten Press. Bij die gelegenheid had ik een gesprek met Peter dat heel plezierig verliep, hij bleek een fijne, erudiete en vooral ook bijzonder warme, genereuze man. Ook was het bij die gelegenheid dat hij het gedicht, ‘Vincent, Homesick for the Land of Pictures’ voor het eerst voordroeg, op mijn verzoek. Dat bleek een schot in de roos: Peter had het gedicht nooit als een voordrachtsstuk gezien, maar het heeft juist een enorme uitvoerkracht. Inmiddels heeft hij het vaak voorgedragen, en steeds zijn mensen onder de indruk.

Nu, vier jaar later, bij Poetry International 2014 was de tweede keer pas dat ik Peter ontmoette. In die tussentijd had ik gewerkt aan een vertaling van dat gedicht en aan de zetting ervan voor het ensemble Trio Scordatura (uitgebreid dus met een basklarinet tot kwartet) in opdracht van het Fonds Podiumkunsten.
Dat stuk werd in voorjaar 2013 voltooid, maar Scordatura zag op dat moment nog geen mogelijke concerten om het in premiere te brengen.
Maar toen bleek Peter gast te zijn in het festival van 2014. Die gelegenheid konden we natuurlijk niet voorbij laten gaan: het stuk kon niet alleen gespeeld worden, maar Peter zou er nog bij zijn ook!

Wat is er volgens jou zo goed en bijzonder aan het ‘Vincent’-gedicht van Peter Gizzi?
Het is tegelijk hoogromantisch én streng geconstrueerd, het spreekt indringend over wat het is om te werken, te zien, (te schrijven!), te leven, te midden van kleur en natuurkrachten, die doorwerken in kunst en leven. Het grootste en het kleinste, het binnenste en het buitenste lijken in elkaar over te vloeien in dit gedicht. En dan vooral: hoe dat alles stroomt. Het stuwt steeds voort, van regel naar regel, maar tegelijk is elke regel een soort still, een moment van de eeuwigheid.

Je werkte aan de vertaling en de compositie. Kun je vertellen hoe dit proces verliep?
Het zetten van een gedicht op muziek is een totaal ander soort opgave dan het schrijven van een gedicht, of het vertalen van een gedicht.

Ik denk dat het grootste probleem bij het schrijven van een gedicht vaak is om te bepalen dat het af is, dat het een gedicht is dat in je oeuvre een plek mag krijgen, dat het de wereld in mag. Dichten is daarmee een ‘existentiële’ opgave. Als Peter het gedicht in principe in één dag geschreven heeft, gaat het alleen over die schrijfarbeid zelf, maar dat is maar een klein deel van het dichterschap, denk ik.

Je moet wat je gemaakt hebt dan ook een plaats geven. (En hoe lang, hoeveel ontwikkeling heeft Peters dichterschap nodig gehad voor hij een gedicht als dit in een dag kon maken?)

Vertalen is een andere opgave – veel technischer – en op muziek zetten weer een andere. Bij het vertalen was ik heel erg op detailniveau met de tekst bezig. Het gaat er dan om om de flow van de tekst te reproduceren in een taal die net een andere ritmische balans heeft. En zo precies en getrouw mogelijk te zijn aan het origineel, als het even kan. Hoewel, Peter zelf gaf me als opdracht mee om er een beter gedicht van de maken in het Nederlands dan het in het Engels was! Voor hem is dat wat een vertaler doet. (Als ik ook maar een beetje in die opgave geslaagd ben, is dat mede dankzij de grondige redactie en suggesties van Hester, mijn levensgezel.)

Over wezenlijke vormproblemen hoef je je als vertaler weinig zorgen te maken. Het is een gedicht van twee keer zeven strofen van elk regels: die beslissing ligt al vast. Dus richt je je op ritme, op klankbalans, op het juiste register, en natuurlijk op de technische oplossing in het Nederlands voor de palindroomvorm: het gedicht keert halverwege om, de tweede helft zijn alle regels van de eerste helft maar dan in omgekeerde volgorde. In het Engels is dat bijna volkomen streng – alleen de interpunctie blijft niet helemaal gelijk. In het Nederlands heb ik dat zoveel mogelijk proberen te handhaven, maar soms lukt dat nét niet om syntactische redenen.

Als componist zat ik weer met totaal andere problemen. Sommige hebben te maken met het specialisme van het ensemble waar ik voor schreef: microtonaliteit en alternatieve stemmingssystemen. Ik wilde voor het stuk een eigen stemmingssysteem ontwerpen, dat bovendien logisch past bij de vorm van het lied – dus bij die strofische vorm en die palindroom in het gedicht.

Als ik als vertaler erg met de details van de tekst bezig was, was ik dat als componist nauwelijks. Het klinkt misschien gek, maar als componist wil ik me vrijwel niet bezighouden met de betekenis van de woorden. Ik bedoel, ik ga niet proberen om een woord als ‘klimplant’ zo klimplant-achtig mogelijk op muziek te zetten of zo. Ik zoek eerder naar een sfeer, een soort omgeving van harmonieën en lijnen en tijd waarin de tekst tot klinken mag komen. Een die bovendien interessant is, uitdagend én uitnodigend, voor de musici.

Veel meer had ik als componist een vormprobleem. Als vertaler hoef je niet je hoofd te breken over ‘twee keer zeven strofen’, dat is gewoon een gegeven. Als componist daarentegen moet je dat ‘twee keer zeven’ als het ware opnieuw uitvinden. Er moet een muzikale logica komen die zo’n structuur net zo sterk weet te dragen, net zo noodzakelijk maakt, als het gedicht zelf dat doet. Eén van de vragen waar ik me flink het hoofd over heb gebroken was in hoeverre de verschillende strofen met elkaar moesten contrasteren, danwel juist een continuum moesten vormen. Wordt het één doorlopende stroom? Of worden het bij wijze van spreken twee keer zeven aparte ‘scènes’, zodat je quasi een liedcyclus krijgt? Ik wilde iets daartussenin vinden. En dat dus óók in overeenstemming brengen met de microtonale harmonische structuur. Uiteindelijk kwam ik op een soort variatieprincipe, waarbij de opzet van elke strofe steeds hetzelfde is, maar met per strofe een andere melodie centraal gesteld, en een ander soort harmonie. Zo krijg je een balans tussen continuïteit en variatie.

Over welk woord/welke zin uit je vertaling ben je het meest tevreden, waarom?
Het gaat niet over een woord of een zin: zeker bij dit gedicht moeten ze allemaal even goed zijn, omdat er niets uit mag springen. Het gedicht herhaalt 77 keer hetzelfde gebaar: een dichtregel, die voortgaat naar de volgende dichtregel. En daarna keert het al die gebaren om.
Alles gaat om die continuïteit. Zwoegen en denken en teruggaan en schilderen. Om er toch wat regels uit te lichten: voor mij waren deze regels halverwege de vierde (en de elfde) strofe vooral belangrijk:

Het duister draagt een glans nog niet door helderheid gestraft
maar misschien een diepte die helderheid overschittert en waar is.
Het donker staat dicht bij twijfel en daarom dicht bij de zon
tenminste wat de oude boeken wetenschap noemden of eerbiedigden.
Het donker is geen kwaad want er zit indigo en kobalt in
en laten we het indigo nooit vergeten en de warmte ervan
de warmte van de geest weerspiegeld in een donkere tijd
in de tijd van schilderingen en gebroken licht.
 
Arjen Duinker

Ik conformeer me niet. Waar is dat voor nodig?

 

Op poëziefestival StAnza in Schotland trad ook een Nederlandse dichter op. Arjen Duinker, die al vanaf de jaren negentig met zijn poëzie naar het buitenland trekt. Hij reist met gemak overal naartoe en beheerst het Engels, Duits, Spaans, Portugees, Frans en Italiaans. Meander spreekt taalvirtuoos Duinker net voordat hij terugkeert naar Nederland.

‘Ik blijf nooit lang na een optreden,’ legt Arjen uit. Hij schudt zijn lange haar uit zijn gezicht. ‘Die rush of blood daar houd ik van, dat snelle.’ Enthousiast: ‘Het heeft iets merkwaardigs! ’s Ochtends drink je koffie in je woning in Delft en ’s middags sta je in een compleet andere wereld, ergens waar je normaliter nooit zou komen!’ Hij kijkt om zich heen, schudt handen van mensen die hem bedanken voor zijn optreden en glimlacht bescheiden. ‘Je stapt hier vanuit het niets naar binnen. Alles is nieuw maar op een bepaalde manier ook alledaags.’

Arjen DuinkerAlles is nieuw maar op een bepaalde manier ook alledaags… Zoals in het gedicht over Stellenbosch dat je voordroeg?
‘Precies zo! Ik had net een pokkeneind gevlogen en stapte uit bij het hotel waar ik zou slapen. Nou, dat was een totaal idiote sensatie: het voelde alsof ik een Baarn was! Dat gevoel heeft me de hele week niet los gelaten. Het stond zo in contrast met de townships, waar het totaal anders was. Het was daar zo een kaalslag, er was zoveel armoe. Ik begon te trillen toen ik het zag. De feitelijkheid slaat je om de oren. Die mensen wónen daar. Ik heb hun gezichten gezien, hun verhalen gehoord. Ik krijg nog steeds kippenvel als ik eraan denk. Als ik dit gedicht voordraag, heb ik dat ook. ’

Je las het gedicht voor in het Nederlands. Waarom deed je dat?
‘Ik pas me aan aan wat de festivalorganisatie wil, maar als ik zelf mag kiezen, lees ik altijd wel iets voor in de originele taal. Het publiek waardeert dat meestal wel. Zelf vind ik dat ook bijzonder. In Coïmbra woonde ik eens een festival bij waar dichters alleen voordragen in de originele taal, er zijn geen vertalingen. Dit dwingt je om naar de klank en de muziek van de taal te luisteren. Ik wil mijn publiek ook het geluid van de Nederlandse taal laten horen. Het is een mooie taal, waar ik trots op ben. Het woord ‘mooi’ alleen al, dat is een goed woord, vind je niet?’ Hij spreekt het woord een aantal keren uit. ‘Een zachte, fijne klank. Een beter woord met die betekenis hadden we niet kunnen kiezen.’

Ga je straks als je thuis bent schrijven?
‘Dat verwacht ik wel. Ik schrijf enkel wanneer ik me goed voel en deze optredens gaven me energie. Daarnaast ben ik erg aan mijn eigen woonplek gehecht, dat zou je misschien niet verwachten van een reislustig type. Thuis ben ik het productiefst. Ik schrijf veel, gebruik lang niet alles, maar voel zelf aan wanneer het af is. Soms neem ik me voor om veertig regels te schrijven, doe ik dat en weet ik ineens dat het gedicht ook al af is.’

Er is geen meelezer die je van kritische aantekeningen of aanwijzingen voorziet? Of een gesprekspartner die mee brainstormt?
‘Nee. Nou ja, in een heel laat stadium laat ik het wel eens zien aan mijn goede vriend Kees ’t Hart. Hij mag het tot op het bot afkraken – dat mag ik ook bij zijn werk – en dan ga ik handenwrijvend verder om hem wel eens even iets te laten zien. Maar praten over mijn poëzie, dat doe ik liever niet. Ik produceer, maar benoem het nooit. Ik stond er ook van te kijken toen iemand eens een scriptie wijdde aan mijn poëzie. De bevindingen waren heel goed en waarschijnlijk, hij legde de vinger op iets wat in mijn gedichten zat, maar wat ik zelf nooit een naam had gegeven.’

Toch sprak je over jouw poëzie en over poëzie in het algemeen hier op StAnza. Op prikkelende wijze. Tegenover een zaal vol Brits publiek zei jij: ‘Ik heb met veel talen iets, maar de poëzie uit Engeland kan me niet raken.’ Er werd gegrinnikt om je lef. Hoe kan het dat je met een dergelijk antwoord wegkomt?
‘Omdat ik meen wat ik zeg. Ik conformeer me niet. Waar is dat voor nodig? Ik houd van openheid en eerlijkheid. Het is ook niet vervelend bedoeld, die opmerking dat ik niets met die poëzie heb.
Ik houd van de mensen in Engeland, van hun taal en accent, van reizen door hun land, maar de poëzie weet me niet te raken.Schotse weer wel! En poëzie uit Ierland en Wales vind ik ook interessant. Ik wil er meer van weten, van en over lezen. Het lezen van gedichten, het lezen en maken van vertalingen, dat is toch zo geweldig. De woorden op je tong proeven, grammatica’s proberen te begrijpen, nieuwe woorden onthouden en uitspreken. Pret is het! En dat heb ik in die panels ook willen benadrukken. Het is toch fantastisch dat je een Tsjechisch gedicht in het Engels kunt lezen, omdat iemand met kennis van taal en liefde voor taal zich op de vertaling stortte? Als het vertaaldomein gesteund moet worden, dan niet door voorschriften, maar door de zin in andere talen te vergroten. In Nederland kun je steeds minder kleine talen studeren, dat vind ik jammer. Ik ben een blinde optimist, zou dol zijn op een vrijgevige regering, die dit soort studies mogelijk zou maken. Waarom niet op de universiteiten het Sanskriet bestuderen of het IJslands?’

Hoe komt het dat jijzelf zo veel talen beheerst?
‘Die talen heb ik geleerd vanuit nieuwsgierigheid. Door in het land zelf te zijn, door te luisteren. Ik heb ooit overwogen om tolk Frans-Russisch te worden. Ik wilde naar de Sorbonne-universiteit in Parijs en erna naar de vertaalacademie in Genève. Maar ik was te verlegen en luisterde bovendien goed naar het advies van mijn ouders, die me zo’n gewaagde stap niet aanraadden, en dus heb ik dat plan afgeblazen.’ Hij pauzeert even, denkt na, vertelt dan. ‘Op de middelbare school moest je destijds Engels laten vallen om Frans en Duits te kunnen kiezen. Dat heb ik gedaan. Engels vond ik niet spannend, die taal beheerste ik al: het ging mij om die andere talen. Het onbekende.’ En dus ging hij erop af, hij reisde naar landen waar hij de taal nog onder de knie moest krijgen. In Spanje en in Frankrijk ontmoette hij vakantieliefdes waar hij veel mee correspondeerde. En in Portugal praatte hij urenlang met de eigenaren van het pension waar hij verbleef. ‘Ik wilde die aparte klanken zo graag onder de knie krijgen dat ik eindeloos de klanken heb geoefend op mijn kamer. Dat weet ik nog goed.’

Die verlegenheid had je van je af weten te schudden…?
‘Dat is het gekke: ik ben nog steeds onwijs verlegen. Maar die vastbeslotenheid de taal te leren, zorgde er toch voor dat ik mensen aan durfde te spreken. Mezelf durfde te laten zien en horen. Ik was gefascineerd door al die klanken en talen. En nóg. Het blijft zo ontzettend boeiend. Laatst deed iemand me een Franse boekenreeks over Afrikaanse talen cadeau. Daar heb ik een maand in zitten lezen. Ik zou er nog veel meer van willen weten.’ Hij grinnikt. ‘Ooit heb ik een maand lang zitten lezen in een woordenboek Chinees-Thais. Eindeloos bladerde ik door dat boek, op zoek naar gelijkenissen, overeenkomsten, ook al ken ik de talen niet. Enorm leuk vind ik dat. Daar zou ik nog wel eens wat meer tijd in willen steken, in het leren van een nog totaal onbekende taal voor mij. Het is voor mij een spannende ontdekkingstocht.’

Maar ook op het podium lijk je je schroom verloren te hebben…
‘Sinds ik in 2003 in Melbourne was heb ik plezier gekregen in optreden. Ik was altijd vrij zenuwachtig als ik op moest, maar toen ik daar al die stoere Australiërs vol bravoure zag optreden, dacht ik ineens: nu wil ik niet als timide man daartussen staan. De stoere dichters namen me mee in hun elan. Ik voer mee op hun zelfverzekerdheid en -boem- ik stond er! Ik vergat alles om me heen, voelde me een Australian poet. Misschien hielp het dat ik in het buitenland was, weg van alles, maar sindsdien zit dat gevoel in al mijn optredens.’

Een blik op het horloge. De reis naar huis kan ingezet worden. Een gedicht in het Welsh onder de arm, meer dan een uur om deze taal te bestuderen.

Arjen Duinker (1956) debuteerde in mei 1980 in Hollands Maandblad. Van 1982 tot 1986 gaf hij samen met de dichter K. Michel het tijdschrift Aap Noot Mies uit . Samen publiceren zij bovendien in Hollands Maandblad. Zijn gedichten verschenen verder o.a. in Armada, Tirade, De Gids, Dietsche warande en Belfort, Ons erfdeel en Raster. Bovendien schreef hij cryptogrammen voor Het Vrije Volk, schreef hij voor De Krant op Zondag en verzorgde hij samen met wederom Kees ’t Hart een column in De Groene Amsterdammer.

Een greep uit zijn dichtbundels:
* 2000 – De geschiedenis van een opsomming
* 2002 – Misschien vier vergelijkingen 
* 2003 – De zon en de wereld: gedichten voor twee stemmen
* 2009 – Buurtkinderen. 

Daarnaast is Duinker ook actief als vertaler. In 2005 leverde hij een bijdrage aan Grasbladen, de vertaling van Walt Whitmans Leaves of Grass (1855). In 2006 verscheen En dat? Oneindig. Gedichten van Duinker en gedichten van Karine Martel, door Duinker uit het Frans vertaald.

Dichters die hij bewondert zijn Federica Garcia Lorca, Cabral de Melo Neto, K. Schippers, Jacob Groot en Alfred Schaffer.

 

Gabeba Baderoon

A language that feels concrete and malleable and mysterious to me

Mirthe Smeets was begin maart in Schotland bij StAnza 2014, een internationaal poëziefestival. Daar sprak ze met de Zuid-Afrikaanse dichteres Gabeba Baderoon. Daarvan een verslag in Meander. In het Engels, een taal waarvan Baderoon zegt dat het voor haar een concrete, kneedbare en mysterieuze taal is. Haar poëzietaal.

StAnza 2014, said to be one of the most dynamic poetry festivals in the world, took place at the beginning of the month (5-9 March). Gabeba Baderoon, researcher and poet, (45) had the pleasure of performing in one of the charming festival locations. She read in a calm and very balanced way, which seems to reflect her personality as well. I wanted to know more about her. Here’s a summary of my conversations with Gabeba during the festival, about StAnza, languages and… her lost notebook.

What did you think of StAnza as a festival?
I loved StAnza. Firstly, the poetry was astounding, as it should be with all great gatherings of poets. I bought books which I read after the readings at night and on the plane and when I spoke with my partner on Skype. The poems lived with me! But not only the writing, but the breath and bodies and vulnerability of the poets. I can’t forget Tishani Doshi, John Burnside, Tomica, Rob Mackenzie … Then, StAnza’s other pleasure is that it is a festival integrated into its setting. The readings take place in the wonderful Byre Theatre, the Town Hall and university buildings like the perfect stone setting of the Undercroft, and we stay at inns and B&Bs all around the town. Among the people we met were South African and Botswanan and UK students, sweetness itself. On my last morning in St Andrews, I took a long walk down to the sea and saw the seagulls nestled in the cliff, listened to their cries, looked at the water, imagined studying here, and felt the impulse to write. It’s unique because it takes its identity as a Scottish festival seriously and yet with lightness. I loved beyond words to hear the sound of Scots and Welsh and Irish voices, alongside Croatian and English of various kinds.

Do you like to recite?
Yes, I do like to read my poems. It allows the body and the mind to work together, the breath to carry a meaning so interior and delicate that it needs a light yet fearless presence. When it goes well, something carries you as the reader, like running fast down a hill until you’re barely touching the ground.

You study South African literature. How does your expertise influence your poetry?
I don’t know the exact relation between the two. I hope that studying literature makes me read broadly and with alertness, and of course being a devoted reader is part of being a writer. I’ve found when I press the connection between the two too overtly, the poetry that results is heavy and unconvincing, so I allow these different kinds of writing to do different things.

You write in English, you told me that it is a choice to do that. Why do you write in English and not in Afrikaans?
I write in a language that feels concrete and malleable and mysterious to me. English is that. However, I’ve also studied Xhosa, Arabic, German and Afrikaans and so I know the difficulty and mystery that English offers to me is available in other tongues. Even to say words and to hear other languages is a physical and psychic entry into another space. After many years of misplaced distance (I thought it was not a neutral language, regarding the history, but other languages cannot be seen as innocent neither), I have rediscovered my love of Afrikaans and I hope to write poetry one day in it and in Arabic.

Which poets do you admire?
I admire immensely two South African poets, Rustum Kozain and Tatamkhulu Afrika. Both achieved what to me are incalculable accomplishments – a superlative lyrical gift, tenderness, and an ability to address the political questions of South Africa with unswerving honesty and originality. I advise all poetry lovers to read the fantastic poem of Kozain: "Kingdom of Rain", I love its tenderness and anger.

When did you start writing; was it hard to take your talent seriously; to show your work to others?
I took an evening class in poetry in August 1999 and this changed my life. I was already a student of literature but this was my first class in creative writing. It was not hard to show my work to others because there was no fear in poetry for me. I was a beginner, a student and I was among others who were there to learn. From that openness to learning and to making mistakes has come everything that poetry offers.

Her collections/books:
* Baderoon, G. (2014). Regarding Muslims: from slavery to post-apartheid. (A book of critical essays on images of Islam and slavery in South Africa.) Wits University Press, forthcoming June 2014.
* Baderoon, G. (2008). The Silence Before Speaking. (A selected collection of my poems translated into Swedish). 112 pages pp. Tranan Press, Stockholm.
* Baderoon, G. (2006). A hundred silences. 1-73 pp. Kwela Books/Snailpress, Cape Town.
* Baderoon, G. (2005). The Dream in the Next Body. 1-63 pp. Kwela Books/Snailpress, Cape Town.
* Baderoon, G. (2005). The Museum of Ordinary Life. 34 pp. Daimler. Stuttgart.

What are your goals for the future?
I am working on a new collection called "Axis and Revolution". I give it a name to give it weight because it is always a demanding thing to write poetry, to trust the work. If I were to reflect on the nature of the poems, I would say they are looser, more narrative works, pieces that experiment with form and voice more. Perhaps that is all I should say before they are finished.

You told me that your notebook is important to you. You write in it at airports, everywhere. But here at StAnza… you lost it! 
It is a great loss to lose the thoughts of many years. And yet loss has been a motor of writing for me in the past. The poem "Give" was one I had to rewrite after losing the first version and some of its loss is part of the poem now. "The Pen", the last poem in A hundred silences, deals with loss. I would infinitely prefer not to experience loss but since it’s inevitable, perhaps I am learning to negotiate with it better.

She sighs and smiles.
But the good thing is: StAnza has definitely inspired me. I wrote on the plane and back at home, and most of all, the words of other writers are in my mind and body. That is the best and deepest inspiration.

Interview met de Amerikaanse dichteres Claire Nicolas White

Poëzie brengt beelden dichtbij

Dichteres, schrijfster, vertaalster en redactrice Claire Nicolas White heeft vele romans, gedichten, bekende vertalingen en prijzen op haar naam staan. White is van oorsprong  Nederlandse. Ze groeide op in de oorlogstijd en omdat haar vader ervan overtuigd was dat het  land bezet zou worden door de Duitsers, vertrok hij met zijn gezin naar het buitenland. Zo  belandde Claire via Parijs uiteindelijk in Amerika, in 1940. Zij was toen 15 jaar oud. Inmiddels is zij 88 jaar en ze schrijft, blogt en publiceert nog volop. Dit jaar kwamen twee novelles  van haar uit, vorig jaar werd haar dichtbundel At the mouth of the River uitgegeven. Tijd om de Meanderlezers kennis te laten maken met het werk van Claire Nicolas White.

Claire White‘O! Wat leuk om met Nederlanders in contact te komen’, is de eerste reactie van Claire Nicolas White. ‘Ik heb zoveel herinneringen aan mijn land van herkomst. Ik ga er ook graag naartoe en schrijf er geregeld over. Mijn eerste gepubliceerde gedicht ging over Zeeland. En weet je dat ik er mijn eerste gedicht ooit in The Netherlands schreef?  Ik was toen negen jaar.’ Dromerig: ‘Daar is het allemaal begonnen. Mijn vader, een bekende glas-in-lood-kunstenaar vond dat ik goed kon schrijven. Hij steunde me.’ Ze heeft het over Joep Nicolas,  over wie zij uitgebreid schrijft in het bij de Arbeidspers verschenen boek In Glas Gebrand. Ze  vertelt verder: ’Mijn moeder, een Belgische beeldhouwster, was ook enthousiast over mijn gedichten.’  Ze voegt toe: ‘Ik had geluk wat dat betreft. Ik durfde door te gaan omdat ik vertrouwen kreeg van mijn omgeving. Ik had ook heel enthousiaste ooms, die me aanmoedigden door te schrijven: de Engels-Amerikaanse schrijver Aldous Huxley, en de Belgische dichter Eric de Hauleville die me ook inspireerde met de Franse taal. Zij waren getrouwd met de zussen van mijn moeder.’ Inmiddels  vierde Nicolas White de vijftigste verjaardag van haar eerste boek The Death of the Orange Trees. ‘Ongelofelijk, hè? Vijftig jaar. Waar is de tijd gebleven? Ik heb nog te veel ideeën. In welk jaar  we ook leven; ik schrijf gewoon verder.’

Het is mogelijk dat je de naam Claire Nicolas White al eens hoorde. Het kan dat je ooit al eens ergens las dat zij model stond voor ‘Poppy’ uit Set This House on Fire van Whites goede vriend Bill Styron (van Sophie’s Choice). Ook haar man, de beeldhouwer Robert White, komt in het boek voor. De  Whites leerden Styron kennen toen ze in Italië woonden. ‘We hebben veel gereisd’, legt Claire Nicolas  White uit. ‘Van reizen leer je zoveel. Ik ben dankbaar voor alles wat ik zag, voor de talen die ik leerde  [zij beheerst het Frans, Nederlands en Engels perfect, red.]. Ik ben geïnteresseerd in elke taal, elke  cultuur. Mijn dochter woont momenteel in Cannes. Geweldig is dat. Via haar hoor ik hoe het leven in  Frankrijk is, hoe ze bezig is met de taal. Very interesting.’

De naam Claire Nicolas White is waarschijnlijk ook al eens opgedoken wanneer internationale kennissen het over De Aanslag van Harrie Mulisch hadden. Zij was namelijk de eerste die dit boek in  het Engels vertaalde: The Assault.

Claire vertelt dat lezen één van haar passies is. ‘Op dit moment ben ik Tender is the Night van Scott  Fizgerald aan het herlezen. Hij is mijn favoriete schrijver.’ Ze vraagt: ‘Herlees jij wel eens? Moet je doen. Je zult zien dat je dan zoveel details en mooie zinnen op gaan vallen. Ik lees het werk echt opnieuw met veel interesse.’ Ze voegt toe: ‘Ik lees momenteel ook veel van de dichters Billy Collins en  Mary Oliver en ik heb altijd al van het werk van Emily Dickinson gehouden.’ Nadenkend: ‘Misschien is  mijn favoriete boek Le Grand Meaulnes van Alain Fournier.’ Direct daaraan toevoegend: ‘Maar André Makine is ook erg goed! En in het Nederlands heb ik recentelijk De Wandelaar van Van Dis gelezen.’

Hoe belangrijk vindt zij het om zelf gelezen te worden? ‘Ik hoop dat anderen, net als ik door het  werk van de schrijvers die ik net noemde, plezier beleven aan mijn verhalen en gedichten. Het is nu eenmaal een feit dat gedichten aan de man brengen moeilijker is dan proza. Maar daar laat ik me niet door weerhouden. Ik vind het fijn als er recensies verschijnen, als er feedback komt, maar het is niet het belangrijkste.’

Welke recensies heeft de dichteres het best onthouden? ‘Die van het begin. Toen was ik nog het  zenuwachtigst. Mijn eerste boek  The Death of the Orange Trees werd gelukkig goed ontvangen door Daphne du Maurier. Ook de reactie van Daniel Thomas Moran staat me nog bij. Hij schreef dat  mijn gedichten ‘are rich as butter cream and capable to a fault, a highly accomplished collection by a masterful poet.Claire Nicolas White is cause for celebration.’ Dat is leuk om te horen. Maar zoals ik al  zei, niet het belangrijkst. Ook kritiek is belangrijk. Het houdt je scherp.’

Claire vertelde al dat ze van herlezen houdt. Welk van haar eigen gedichten uit At the mouth of the River leest ze graag terug? Ze antwoordt: ‘Daar hoef ik niet lang over na te denken. Dat zijn ‘William the Silent in Delft’ en ‘Troubadour’. Ze roepen een bepaalde sfeer op. Ze zijn me dierbaar.’

William the Silent in Delft

He changed religion as often as his shirt,
Believed in tolerance and died for it,
Shot by a bullet imbedded in the wall
in Delft. Oh water-ridden city where
engineers invented the great Delta plan
to tame the sea, how tidily
it floats on harbor and canals.
“Here we bury our Oranges,” citizens say.
William of Orange is lying here in state
with his pug at his feet. He was my hero
when I was still a child in convent school.
To kill inquisitors I would pretend
To wield a sword, as the nuns watched, amused.
He droved the Spanish out. They named him Silent,
the father of his water web, this nation.
Now here in Delft, floating on its blue tiles,
soft light falls through the windows of Vermeer
on girls who strum musical instruments
or read a love letter and sing the peace
of domesticity. I also watched a parade here
of men in uniform dancing on the square,
saying farewell to war. Here my father painted
twenty-four church windows on colored glass
with William at their center.
 


Troubadour

Living in song, way back when I was young,
I rode the melody, endless refrains repeating
As tales unfolded, the dead rose and the Lord
Walked in his garden. I have retold
the knight’s return, his entrails in his hands,
to die in a white bed. Three princesses
with hearts like birds wait for their lovers,
hear the bells toll. Bugles blow at day’s end.
I sang of twenty robbers dressed in white
Condemned to be hanged on the village square.
From the gallows one looked down on the land
and cried, “Go tell my mother I am dead.”
It was in May, the farmer took a wife
he would regret, for as they went to bed
she scratched his face. He heard the cuckoo sing,
fled to the barn where the cow shat on him.
On the steps of the palace sat a girl
so fair, who would be choses as her lover?
It was the cobbler who made her an offer:
“My beauty, if you would, we’d sleep together
In a great bed with pillows made of feather
and in its midst shall flow the deepest rier
where all the horses of the king could drink.
We shall sleep there till the world’s end, forever.”

Claire legt uit: ‘Het gedicht “William The Silent” gaat over grote ramen met de kunst van mijn vader in  de oude kerk in Delft. Ik woonde een prachtige ‘taptoe’ bij in die kerk na de oorlog. En Vermeer is begraven in die kerk. Het is mijn lievelingsschilder. Of course.’ Lachend: ‘My Dutchness clings to me.’
Ze vertelt verder: ‘Het gedicht “Troubadour” gaat over Middeleeuwse Franse liederen die ik vroeger zong. Pure poetry.’

Serieus: ‘Andere gedichten die bijzonder voor mij zijn, zijn die uit Biographie and Other Poems. Ze gaan veelal over mijn dochter die overleed op zeventienjarige leeftijd. Ik schreef een gedicht over een meisje dat steeds maar weer bezig is met het lezen van een brief. Mijn dochter leek op haar. Zij kon de brief nooit beantwoorden…’

Ze vervolgt: ‘Als ik het gedicht lees, is ze weer even bij me. Het is alsof je weer terug in de tijd stapt,  of vooruit, of in een tijd of plek waar je nooit bent geweest. Poëzie brengt beelden dichtbij. Dát is uiteindelijk het belangrijkst .’

http://clairenicolaswhite.com/

Marjolijn van Heemstra geeft tijd de ruimte

 
Onder de indruk van haar dichtbundel Als Mozes had doorgevraagd en haar wekelijkse columns in Trouw (die soms te beluisteren zijn op Radio 1) besloot ik Marjolijn van Heemstra (32) op te zoeken in haar bovenwoning in de Amsterdamse Baarsjes. Een gesprek over ruimte, tijd, literatuur, het onbetrouwbare geheugen, dichten en inspiratie.

Ik sta voor de voordeur van het huis van Marjolijn. Denk ik. Er zijn meerdere deurbellen, maar de naam van Marjolijn ontbreekt. Ik twijfel. Ben ik op het goede adres? Ik ijsbeer even – de pottenbakkende buren kijken me vragend aan – maar druk dan op de bel zonder naam. Zoemend springt de deur open. Goed gekozen. ‘Je moet helemaal naar boven!’ klinkt een vrolijke stem. ‘Wil je koffie?’

Marjolijn staat me op te wachten, leunend tegen het deurportaal. Ze draagt haar lange haar los. Ze ziet er verzorgd en artistiek uit, net als haar ruime bovenwoning. De houten vloer kraakt een beetje wanneer ze er overheen loopt. Ze smeert snel een boterham, want door eerdere interviews heeft ze nog geen tijd gehad voor haar ontbijt. Vanuit de keuken stelt ze allerlei vragen, terwijl ze relaxed leunt tegen haar aanrecht. Ze praat langzaam en bedachtzaam. Wie ben je? Wat doe je allemaal? Waar houd je van? Ze is oprecht geïnteresseerd en denkt na over mijn antwoorden. Ik bewonder haar rust, want ik weet dat haar agenda zo ongeveer ontploft. Ze werkt momenteel aan een theatervoorstelling, schrijft en treedt op.

We gaan aan tafel zitten. Voor me ligt de bundel Als Mozes had doorgevraagd en ik vraag of Marjolijn het gedicht ‘Aan een ruimtevaarder, voor André Kuipers’ wil voorlezen. Ze knikt en draagt rustig en duidelijk voor. De voordracht kun je hier beluisteren.

Marjolijn vertelt dat André Kuipers het gedicht vanuit Houston Space Center voordroeg. Dat filmpje kun je hier bekijken.
 

Marjolein van HeemstraJe schrijft een gedicht aan een ruimtevaarder en bent huisdichter bij het ruimtevaartcentrum ESA in Noordwijk. Waardoor ben je gefascineerd geraakt door dit onderwerp?
‘Ik vind het fijn om uit te zoomen. Het is prettig om door het ruimtevaartcentrum te lopen. Ik kijk naar de foto’s van de sterren en het heelal en besef hoe klein, hoe nietig ik ben. Je bent in feite niks als mens. Ik word rustig van die gedachte. Je kunt het je niet voorstellen en toch is het zo. Het idee maakt me kalm: ik heb er geen controle over.’

Als jij, als mens, zo klein en nietig bent, heeft het dan wel zin om te schrijven?
‘Dat idee helpt me juist bij het schrijven. Zoals alle mensen die publieke dingen doen, ben ik toch wel bezig met recensies, met mensen die me aanspreken, de verkoopcijfers… Als ik mezelf in het heelal plaats, zie ik dat ook al die reacties van mensen op mijn werk in feite niet bestaan, opgaan in het grootse. Ik besef dan dat je alleen maar iets hoeft te doen omdat je het wilt. Er is geen enkele andere reden. Dat is een fijn gevoel.’

Je hebt godsdienstwetenschappen gestudeerd. Hoe kun je de interesses ‘ruimtevaart’ en ‘godsdienst’ aan elkaar koppelen?
‘Het lijkt op elkaar, maar is toch anders. We weten dat het heelal er is, maar weten niet of er een god is. Er zijn zoveel onverklaarbare dingen. Ik vind het interessant dat religies daar grip op proberen te krijgen. Ze proberen er vorm aan te geven door verhalen te vertellen die iedereen snapt.
Zelf ben ik overigens niet gelovig. Nou ja, wel als mens, in de meest letterlijke zin van het woord. Ik geloof heel veel. Dat vind ik een fijne levenshouding. Maar God of religie is voor mij een omweg. Ik vind het mooie verhalen, maar zou zelf niet bij een godsdienst kunnen horen.’

Je vertelt dat je houdt van uitzoomen. Waarom niet van inzoomen?
‘Het kost me meer moeite om bijvoorbeeld diep in te gaan op een onderwerp als ‘liefde’. Dat komt misschien nog wel, later. De beweging is nu: afstand nemen, een ander perspectief nemen.
Ik ben bezig met identiteit, bestemming, zoals iedereen. Iedereen vraagt zich af: wat doe ik hier eigenlijk? Door afstand te nemen kan ik mezelf relativeren. Dat vind ik prettig. Daardoor durf ik juist weer meer voor mezelf te kiezen. De druk valt weg, waardoor ik meer durf te kijken naar wat ik echt wil. Ik heb al gevonden wat ik wil in het leven: schrijven en theater maken. Binnen mijn werk kan ik alle vragen stellen en alles onderzoeken.’

Die vragen lijken ook vaak over tijd te gaan. Hoe komt dat?
‘Ik houd van de laatste zin uit het gedicht ‘Voor later’: ‘Als het niet gebeurd is, staat het me waarschijnlijk nog te wachten’. Die gedachte vind ik leuk, grappig ook. Je weet niet of het een droom is of een angst. Het is een feit dat droom en werkelijkheid door elkaar lopen. Gingen de dingen zoals je ze herinnert? Of ben je bang voor later? Projecteer je dingen van toen op nu of andersom?
Ik heb twee zussen en onze herinneringen zijn vaak heel anders. Dan vertelt mijn zus iets en zeg ik: maar dat was ik! Of andersom. Het is schimmig. Je weet niet of het vroeger of later was. Soms droom je iets en plaats je die droom in het nu. Daarna weet je niet meer wat nu eerst was. Interessant is dat; je kunt het verwarren en door elkaar schudden. Ik herinner me bijvoorbeeld veel van vroeger. Ik was heel jong. Of het waar is weet ik niet.
Tijd is voor mij heel interessant. Ik heb geen grootouders meer, maar wel goede herinneringen aan ze. Mijn grootvader leefde het langst. Hij werd 90. Ik was altijd gefascineerd door het feit dat ik op hem lijk, dat bepaalde dingen zijn doorgegeven. Ik voelde me soms bijna ook oud als ik bij hem zat. Alsof ik opeens 70 jaar vooruitschoot. Het is bizar, ouderdom als je uitzoomt, in dat heelal, is je leven maar fractie van een seconde. In feite ben je al dood: je hoeft maar een paar duizend kilometer omhoog te gaan en je bent niets meer. Ik heb vaak het gevoel dat ik al heel oud ben. Het gevoel dat die ouderdom er al lang is. Al jong had ik een fascinatie voor oude mensen omdat zij zo dicht bij het einde staan.
Het leven is kort. Dat is prettig, relativerend, en tegelijkertijd treurig. Ik wil niet weg. Het is oneerlijk en onverdraaglijk. Daarom doen we maar alsof we het eeuwige leven hebben. Anders is het niet te doen.
Ik ben altijd al melancholisch geweest. Bij mijn oma was er een klok die tikte. Daar kon ik somber van worden. Toen ik acht was, zat ik daar vaak met de gedachte: oh nee, daar gaan we weer, wéér een seconde die weg is getikt… Je bent de hele tijd aan het sterven, daar ben ik me altijd al bewust van geweest.’

Schrijf je om je te verzetten tegen het vergankelijke?
‘Ja, in feite wel. Je bent op zoek naar een soort eeuwigheidswaarde. Je zoekt naar iets wat voorbij de tijd bestaat. Er is meer dan doodgaan. In de Jo Peters-bundel die in april verscheen, staan veel gedichten die te maken hebben met dit thema. De gedichten gaan over onze oorsprong. Waar kom je vandaan als mens. Het thema ‘ruimte’ komt in mijn volgende werk nog meer terug. Ik heb nu tien gedichten geschreven voor mijn nieuwe bundel.’

Toepasselijk is de laatste zin van het gedicht ‘Ruimtevaarder’: ‘Wil je zeggen dat ik er ben’…
‘Het is het verlangen om in die enorme ruimte iets van betekenis te zijn. Ik ben er zoveel mee bezig, met het uitzoomen. Je voelt je nietig en krijgt de behoefte juist te laten zien dat je er bent. Dat kan ik door mijn gedichten voor elkaar krijgen. In het echt niet. Niemand ziet ons. Maar wij zien andersom ook niets.
Ik weet zeker dat er ook andere vormen van leven bestaan. Dat kan toch niet anders! In een oneindige ruimte kunnen we toch niet de enigen zijn? Dat is grootheidswaanzin. Misschien zien wij de wezens niet en is het een andere energie of dimensie. Wij zijn zo goed als doof en stom en blind in onze communicatie, zeker als je bedenkt wat door lucht zweeft en wat wij niet waarnemen. Er is misschien zelfs een wereld op deze wereld die wij niet zien.’

Hoe zou je als ander wezen naar de aarde kijken?
‘Ik zie dat we de dingen ontzettend serieus nemen. Als je van afstand kijkt, is het lachwekkend. Onze verbetenheid. Onze clichés… We zijn zo bezig met leven dat we aan het einde denken; oh, dat was het alweer. Terwijl de tekens van sterfelijkheid er elke dag zijn.
Ik zou denk ik wel melig worden van ons. Hoe graag we allemaal gezien willen worden. Maar dat is niet erg: ik ben ook zo. Ik snap precies hoe het werkt. Je moet ook een beetje vergevingsgezind, tolerant zijn. Maar als buitenstaander is er ben ik bang geen logica te vinden in het leven van de mens.’

Zou je het gedicht ‘Voor later’ willen voordragen?
‘Zeker.’

Marjolijn draagt weer met heldere stem voor. Hier te beluisteren.

Wat zie je voor je als je dit voordraagt?
‘Ik zie precies dat wat ik omschrijf. Ik herinner het me exact. Maar iedereen zegt dat het niet waar is. Dat is heel gek. Ik vind het een grappig gedicht.
Ik vond de gebeurtenis gênant als kind. ‘ZELFS ZIJ MOCHT MEEDOEN’, werd gezegd. Ik verschoot van kleur: ik dacht dat we het sámen hadden gedaan, maar opeens bleek ik een uitzondering te zijn. Ze hadden me getolereerd. Het is de angst van veel mensen: voor spek en bonen meedoen. Ik herinner me het heel goed, dat ik daar stond met mijn moeder. Alle kinderen en andere ouders keken naar me, vol medelijden. ‘Ah, wat zielig.’ Mijn moeder zegt dat het niet waar is, dat mijn zus op die school zat, ik niet. Ik was pas drie jaar oud.
Ik weet niet wat voor constructie dit is. Is het een droom van mezelf op die school van mijn zus? Of was het geen school? Iedereen heeft herinneringen waarvan je niet weet of het klopt. Als je toegeeft dat het niet klopt, ben je controle kwijt, over wie je bent of was. En dat weet je uiteraard ook niet. Door het op te schrijven kun je die controle weer een beetje terugkrijgen, door er betekenis aan te geven. Ik blijf dit fascinerend vinden.’

 
Marjolijn van Heemstra studeerde godsdienstwetenschappen in Amsterdam en werkt als theatermaker bij Frascati theater in Amsterdam, als freelance journalist en schrijver. 
In 2010 kwam haar dichtbundel Als Mozes had doorgevraagd uit, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’ prijs en werd bekroond met de Jo Peters PoëziePrijs. De bundel verscheen zowel in print als online. In september 2012 verscheen haar debuutroman De laatste Aedema.
Sinds 2013 is ze als vaste theatermaker verbonden aan het Rotterdamse Ro theater. 
Voor nrc.nl ging Marjolijn elke week onuitgenodigd naar een feest om te zien hoe ze als vreemde gast werd ontvangen. De column, Welkom/Onwelkom, is nog steeds te lezen op www.nrc.nl/vanheemstra. Nu bezoekt ze voor Trouw elke week een facebookvriend die ze niet kent voor een offline gesprek over online vriendschappen.  

SITE
www.marjolijnvanheemstra.nl