Gedichten

door Marleen De Smet (1959)

Van alle tijden
 
Ze woont in haar sloffen en hinkt
slijtgangen in haar hoofd. Voorbij
de verdwijnlijn de gloedlagen nu
 
het vage vuur. Ooit, ja ooit kroop
het oog de slingering van haar lenden
omhoog. Blijf, blijf. Maar wat blijft
 
weegt in haar weke lijf. Wacht, bleke
lijfwacht wacht, nog schittert licht in
haar witzilveren haren en in het zilver

bloost ze schemer, opent ze dagen
zoals morgens de moed: traag
in een, twee, drie verrekte veren.
 

Uitgedoofd

Of hij zich nog herinneren kon
hoe de dagen lagen
onder spreidlicht
in beenhoog graangewas.

Zijn slobberend lijf,
ooit mijn soepele zetel,
kriept krakkemikkig
naar het einde in zicht.
 
Hij recht zijn hoofd
door de jaren gebogen,
zijn pet te groot,
zijn rede te klein.
 
Hij zegt niets,

doet hij altijd als stilte spreekt
en ik hoor hoe het bitter uit zijn mond
met het verleden breekt.
 
Met scherven scherp als glas
krast hij in het tafelblad:
mos tuint niet tussen gras.
 
Ik zeg niets, doe ik altijd als stilte spreekt.
 

Impressie

Schier als een mier op vlucht
ijl ik langs de huizen.
De huizen beluiken wat leeft
achter slot en grendel.

In het park draait
een molen zonder kind,
de wind duwt een fiets
en nog iets afgerukt.
 
Het lukt de koelte
te berusten in geluk bestaat,
de ommezijde stekeblind
vang ik in een vers.
 
Met stoepkrijt puntzacht
als een trotse tepel
teken ik een zon
met putje in de kin,
daar valt een regendruppel in.
 
Eigenaardig,
heel eigenaardig
hoe leegte
zich vult met zinvol.
 
Thuis wacht zetelvast
een kopje troost.