Gedichten

GEBOORTEVRAAG

Pijn die gezellig is gemaakt
noemt men kunst
Op een kromme fiets
door de stad crossen
Van achter de zonsopkomst scheppen

Vissen buiten de rand
van de nacht,
de sterren Petrischaaltjes
rond het brein

Salueren tegen loze gedachten
Niet doen aan traag
maar ademen zonder te denken
aan het hortende, stuitende
Vergeten wiens schuld jij moet zijn

MIJN FAVORIETE DOOD

De dood
heeft met niets iets te maken
Hij hult zich in
chiffon
Groene zeep

De casemanager van mijn organen
schrijft geen poëzie
Interesseert zich niet voor
vuurvliegen, orgasmen
palindromen

Ik wil een dood die zo betrokken is
dat hij bij rigor mortis
de kleurverschuiving in mijn huid
al aan zag komen
De pandjesbaas van het Nee

Ik wil sterven
zoals anderen
flessen werpen, zonder spatje hoop
dat ze ergens aan gaan komen

Maar toch de reis naar zee

LIEFDE KRIOELT

Je kan als mens dusdanig
met een andere mensachtige
verbonden raken
dat het neusbot luchtbrug wordt
De teennagels plagiaat

Je denkt dat je gezicht gestolen is
want in de machine van de liefde lurkt een twijfel
Het schimmige springplankje
van een mot. Een aanzet tot brie

Je trekt Lucebertiaans
aan het koord van de zon
Plast op een plee van poëzie
tot het krioelen onder je onstopbaar begint
Je vergist je in de bacterie

Uit: Anouk Smies. Wie heeft een middelpunt nodig
Uitgeverij Stichting Opwenteling. ISBN 9789063381608

Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Anouk Smies (1975)

HET TALENT TOT BEDENKEN

Ze lacht harder nu
Minder gericht

Het gegiechel komt aan
in de akker
waar ook een asbak landt

Alleen mensen
met het talent tot bedenken
gaan ernaar op zoek

Treffen
iets bedenkelijks
Verbergen schuchter
wat strontlucht beaamt

Ooit hoorde
ik in een bos een roek
die oversloeg als een
weggeworpen plaat

zoals je je,
ineens
bij het zien van
opgeleefde huid
voor je kleine beestachtigheid schaamt

Anouk Smies maakt met haar tweede bundel, Wie heeft een middelpunt nodig, kans op de J.C. Bloemprijs 2017

Jeanet van Omme (1960)

inburgering

in een stormvloed spoel je aan
ze drogen je af en geven je melk
de hond kwispelt met zijn staart

ze bakeren je stevig in
en leren je hoe ze hier leven
zo lopen ze altijd op hun tenen

eten op zondag appeltaart
maandag droge spaghetti
woensdag patat en jenever

steeds weer zeveren ze
over het weer maar komen
niet verder dan mooi lekker of fijn

ze hebben slechte ogen en nette benen
een ronde hals mag een v-hals flatteert
drie keer per dag de hond aan de lijn

uit welke hoek de wind waait
wat kou doet met een warmtefront
van wisselvalligheden weten ze niets

ze spreken met twee woorden
ze hebben houding ze hebben smaak
ze roddelen vaak – dus ook over jou

dat de wind weer gaat liggen
is zeker – wacht maar af
zegt de staart van de hond

Jeanet van Omme deed aan drie rondes van de Meander Dichtersprijs mee en telkens behoorde haar inzending tot de geselecteerde gedichten.

Wim Vandeleene (1972)

kubus

schaars ben je: een vierkante bol.
ik vind je niet. ik moet je maken
tot je uitmunt in regelmaat.

zo kan ik je verzamelen,
stapelen tot een getrapte piramide,
de poort naar het hiernamaals.

liever snijd ik je uit hout,
vijl je hoeken, prik ogen uit je vlakken.
nu kan ik je rollen. je wordt de dobbelsteen.
voor alle blinde ogen een gelijke kans.
je bent de vorm van het lot.

als je op één van je zes buiken valt
lees ik je rug, kan ik x velden verder.

dans ik over het ganzenbord.
mijd ik de kerker en de waterput.

Wim Vandeleene is een van de winnaars van de eerste ronde van de Meander Dichtersprijs 2017. Met dit gedicht deed hij daarom buiten mededinging mee.

Poëzie Kort 2016 / 8

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeijffer, Duetten

Door Hans Puper

Wat doen we met die man die lacht in het publiek,
omdat hij elke dichter liefheeft als komiek
en poëzie beschouwt als heerlijk cabaret
dat ook nog eens bij vlagen aan het denken zet?

Deze verzuchting van Pfeijffer aan het begin van het vijfentwintigste duet laat precies zien wat er mis is aan de mailwisseling met zijn mededichter Erik Jan Harmens. Zij presenteren zich wel degelijk als cabaretiers en dringen de lezer de rol van buitenstaander op. En die buitenstaande moet genieten: het gaat immers om twee grote dichters. Hun brille wordt nog eens benadrukt in de verantwoording: ‘Ze hebben nooit enig overleg gevoerd. Zelfs over het plan om gezamenlijk iets te schrijven bestond geen overeenstemming, totdat het begon. De duetten ontstonden, in de vorm en volgorde zoals ze in dit boek zijn afgedrukt, strofe voor strofe, door middel van uitwisseling van e-mails zonder enig commentaar. Achteraf is niets herschreven.’ Samen doen ze denken aan een schizofrene Bilderdijk, die beweerde dat zijn verzen door God zelf kant en klaar werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met ganzenveer en papier. Achteraf bleek dat zijn manuscripten vol doorhalingen zaten, maar dat terzijde.

In een ver verleden kende ik leraren Nederlands die elkaar probeerden te overtreffen met ‘puntige kwatrijnen.’ Ze hadden dat afgekeken van de helderste ster in hun universum, Simon Vestdijk. Een enkele keer schreef een van hen een sonnet waaruit een onvervulbaar verlangen sprak naar een mooie, jonge collega of een femme fatale uit de examenklas die binnen enkele maanden uit hun blikveld zou verdwijnen. Hun gedichten zaten vol allusies op bewonderde Nederlandstalige dichters. In wezen doen Harmens en Pfeijffer hetzelfde als deze brave, plichtsgetrouwe onderwijsmannen. ‘[I]k ben een gelukszoeker in het diepst van mijn bananenrepubliek’, schrijft Harmens bijvoorbeeld en Pfeijffer zou Pfeijffer niet zijn als hij niet naar twee voorgangers tegelijk verwees: ‘Ik dans een rare negerdans uit Mozambique.’ (Je ziet hier eindrijm, maar dat is toeval. De regels komen uit verschillende duetten).
De ene leraar-dichter was beter dan de andere en dat is ook hier het geval. Hoe goed Harmens ook is, de souplesse en wendbaarheid van Pfeijffer liggen buiten zijn bereik. Pfeijffer schrijft paarsgewijs rijmende alexandrijnen die heel natuurlijk aandoen, iets wat wonderwel past bij deze vruchtbare gedachtewisseling tussen heren van stand. De gedichten van Harmens zijn vrijer van vorm, maar over het algemeen wat stroever en een enkele keer gezocht. Dat laatste geldt overigens niet voor zijn antwoord op de eerder geciteerde strofe:

ik ben wie hij ziet in zijn binnenspiegel
hij ruikt wat ik had op mijn brood
objects in mirror are closer than they appear
eerst lachte hij maar nu niet meer

De rol van bewonderende lezer bevalt mij niet. Misschien moeten ze zich toch maar weer richten op die man die lacht in het publiek en de ‘leesclubdames in de zaal, / die als de poëzie gedaan is allemaal / een leuke foto met de dichters willen maken’. De mannen gaan weliswaar zwaar gebukt onder hun voorstellingen, maar lijden is goed voor de poëzie en cabaret voor de portemonnee.

***
Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer (2016). Duetten. Lebowski, 80 blz. € 17,50

 

 

Patrick Conrad, De Cadillac van Mallarmé

Door Lennert Ras

De Cadillac van Mallarmé bestaat uit collages van Conrad (schrijver, plastisch kunstenaar en filmmaker), die een ode zijn aan Conrads surrealistische en dadaïstische voorgangers. Het zijn prikkelende tot de verbeelding sprekende afbeeldingen. Bij de collages schreef hij gedichten, die daarnaast zijn afgedrukt. Seksualiteit en schoonheid spelen een grote rol in de bundel. Mannen hangen zich in groten getale op als zij worden afgewezen door een prachtige vrouw. (p. 21). De vrouw van lichtekooi tot kuise dame en woekerplant, die zich aan haar dankbare slachtoffer vastzuigt (p.49). Maar niet alleen de vrouwelijke schoonheid komt voorbij, ook de mannelijke. De bundel zet aan het denken. Bijvoorbeeld vanwege de tegenstelling: ‘Na verloop van tijd hoopte niemand meer oud te worden, maar wilde niemand jong sterven’ (p.9). De bundel staat vol met verwijzingen naar de kunstwereld, maar ook naar bijvoorbeeld de muziek- en filmwereld, hetgeen de indruk geeft dat de schrijver zeer belezen is. Verbittering komt voorbij en onbeantwoorde liefde. Vooral de combinatie van de absurdistische afbeeldingen met de uit het leven gegrepen thematiek in de verzen laten je na het lezen achter met een zoete verwarring, die ergens toch wel aangenaam is.

***
Patrick Conrad (2016). De Cadillac van Mallarmé. Uitgeverij Vrijdag, 65 blz. €22,50

 

 
Anouk Smies, Wie heeft een middelpunt nodig

Door Hans Puper

De gedichten van Anouk Smies zijn tegelijkertijd open en moeilijk toegankelijk. Maar hoe weinig grip je ook krijgt, je leest toch door. Haar taalgebruik is helder, haar beeldspraak prikkelend: ‘De gevoelswereld / is een peertje, flame, 40 watt / De rauwe adem / van de wereld plukt lukraak / aan zijn perzikzak’. Regels maken nieuwsgierig: ‘Soms verlang je het ergste / om het één na ergste dood te slaan’, soms moet je erom lachen: ‘Pijn die gezellig is gemaakt / noemt men kunst’ (Let op dat ‘men’: het niet de dichter die dat vindt) of: ‘Er is een compromis / dat ik door zou willen drukken’.
Je komt niet verder dan vermoedens over een wereld achter de gedichten. Dat is geen tekortkoming, integendeel: ze zet je verbeelding aan het werk. Neem een gedicht als ‘Houdini’, de legendarische boeienkoning:

Toen ik alle opties voor
originaliteit had uitgeput
kwam het geniale idee
in me op
dat alles wat fonkelde aan jou
sleets was en verlopen

Dat ik aan je lippen hing
die nooit mijn naam genoten
Je excuses aanlijmbaar waren
als osmose

Waarmee je me het sterkste
aan je navel verbond
ondanks wat je niet beloofde
was je fameuze onderwater-truc

waarin je deed of ik niet bestond
En ik je geloofde

Waar gaat dit over? Over een dochter die zich door haar moeder verwaarloosd voelt, de meest uiteenlopende verklaringen heeft gezocht voor haar gedrag en nu inziet hoe het werkelijk zit? Dat het (schijnbaar) losmaken van banden de meest geraffineerde manier is om een kind aan je te binden? Mogelijk. Die ‘je’ kan ook een geliefde zijn: dat beeld voor de hechte verbinding, de navel, kun je ruimer nemen. Maar kan het gedicht ook gaan over de relatie van de dichter met haar poëzie? In dat geval heeft ze gepoogd op de meest originele manieren haar vorm te vinden, maar achteraf ingezien dat ze zich toch slechts op platgetreden paden heeft begeven. Iets eigens hadden de gedichten kennelijk niet. En die ‘fameuze onderwater-truc’ waarin de dichter wordt ontkend en daarin gelooft: is dat een verwijzing naar hermetische poëzie waarachter de dichter verdwijnt?
Ik weet het niet. Dit gedicht is zelf een Houdini, want het weet zich voortdurend uit je greep te bevrijden.

Ik kwam bij de herlezing van ‘Houdini’ op de relatie dichter – poëzie omdat Smies in verschillende gedichten woorden laat terugkomen die ze in verband lijkt te brengen met dichten: ‘reuk’, ‘neus’, ‘(be)tasten’, ‘navel’, ‘gezicht’, ‘strottenhoofd’. Een voorbeeld:

‘Zo schuif ik dagelijks
dia’s ineen
tot ik een houdpaar uitzicht zie
dat ik palpeer en doorklief

Uit de trilling die ontstaat
restaureer ik een vorm
die wel iets van een gezicht wegheeft’

(Uit: ‘Opties’)

Anouk Smies verdient meer bekendheid.

***
Anouk Smies (2016). Wie heeft een middelpunt nodig. Uitgeverij Opwenteling, 64 blz. €14,50

 


Daniël Dee, Mond vol demonen

Door Hans Puper

Wie zo’n tachtig pagina’s wil vullen met humoristische gedichten, moet van goeden huize komen. Daniël Dee probeert het met gedichten over seks, drank en rock & roll, met als overkoepelend thema het lijden aan het leven. Ik wijs dat niet af, dat gevoel is ook mij niet vreemd. Ik heb een ander bezwaar. Of de gedichten zijn gebaseerd op een ruig leven of dat het zich voornamelijk afspeelt in de verbeelding, maakt mij niet uit. Het gaat om de overtuigingskracht die uit de gedichten spreekt, de suggestie dat zelfspot en humor middelen zijn om het leven leefbaar te houden en daar ontbreekt het in de meeste gedichten aan. Er lijkt dan een man aan het woord te zijn die de bink uithangt met stoere en lollige uitspraken: ‘[I]k kom graag op de zolder waar die cactus staat / ik kan er lekker werken of aan de kleine generaal snokken op internetporno / – dat is vast zielig, maar dan is iedereen zielig / dan moet je maar vaker met mij –‘. (Uit: ‘Een prettig gesprek’). En wat te denken van de geinige verwijzingen en woordspelingen in ‘hitchhiker met Hitchcock-suspense? ‘[T]achtig dagen jouw lichaam rond / in en uit in en uit van voor naar achteren / happend naar lucht hompen hoppend viel Spass / op de toppen van jouw twin towers tweelingbergen / jodelend komen ein Tiroler Bursche ( … ) en we gaan nog niet naar huis / nog lange niet / nog lange niet’.
Een enkel gedicht geloofwaardiger, omdat niet ondanks, maar juist door de humor de wanhoop voelbaar is. De eerste drie strofen van ‘Die middag opgesloten op het hoge balkon’:

‘de deur viel dicht en in het slot
natuurlijk was het guur
de dwanggedachte te springen
maar niet willen springen
hoeveel ingewanden zullen er dan niet op de tegels tot moes slaan

overwegen om een ruit in te tikken
maar die niet intikken
want dan zouden de mensen kunnen zien dat ik in paniek ben
wat is daar erg aan?
ik ben in paniek
ik ben altijd in paniek
behalve als ik drink

de katers verergeren de paniek
gewoon doorheen drinken

In contrast met dit alles staat het gezinsleven. ‘Na het bezoek aan mijn behandelend arts’ is een romantisch ‘als-ik-sterf-gaat-aan-mij-niets-verloren’-gedicht. De laatste regels ogen heel serieus: ‘onvervangbaar is alleen mijn vermogen tot het liefhebben van mijn vrouw / samen met mijn vermogen tot het liefhebben van mijn kinderen.’ Deze regels durft hij echter niet zonder ironisch commentaar te presenteren, al zijn ze ongetwijfeld zeer gemeend. Collega-dichters zouden hem op de sentimentaliteit ervan hebben gewezen, maar: ‘uit pure koppigheid laat ik die regels toch staan – lekker puh’.

Ik hoop dat Dee in zijn volgende bundels meer diepte en durf toont. Zijn gedichten zullen daar beter van worden.

***
Daniël Dee (2016). Mond vol demonen. Uitgeverij Passage, 89 blz. € 19,90

 

 

 

 

Recensie van Citaten van een roofdier - Anouk Smies

De transformatie van prooi naar roofdier

Anouk Smies
Citaten van een roofdier
Uitgever: Opwenteling
2013
ISBN 9789063381561
€ 14,50
56 blz.

Elke kunstenaar streeft naar communicatie. Elke kunstenaar hoopt dat zijn of haar werk een brug kan slaan naar de ander. Soms heeft de kunstenaar een bepaalde persoon of groep op het oog. Soms is het een elitaire onderneming, soms een meer democratische. Soms laat de kunstenaar zijn of haar specifieke eigenaardigheden zien, soms ligt de nadruk op een bijzondere techniek; traditioneel, of juist vernieuwend.
Soms ligt de nadruk op het spel (zonder dat is kunst dood), soms ligt de nadruk op de inhoud. De kunstenaar wil inzichten/ervaringen delen.

Wanneer we de poëzie van Anouk Smies lezen, dan valt op dat ze niet op een brede groep lezers is gericht. Het is geen eenvoudige, eenduidige poëzie. Het eerste gedicht uit Citaten van een roofdier gaat zo:

Stilleven

Als een tandeloos orgel zei je:
Blijf.

Ik was woekering en lijf
gevangen in een daad
van cellofaan

Rollade
of wat daar na een goed gesprek
van overblijft

Een dun stuk touw, de flosdraad
van verraad

Soms ruik ik er wat aan
om je sporen te traceren

Soms kijk ik ook naar treinen
zie ze onbemand passeren

Het is een gedicht dat waarschijnlijk al associërend tot stand is gekomen. Het lijkt mij dat de dichteres alle ruimte laat aan rijm om een vorm te vinden die bij haar past, waarin zij een bepaald gevoel uit kan drukken. Dat ‘blijf’ gevolgd wordt door ‘lijf’, ‘flosdraad’ gevolgd door ‘verraad’, ‘traceren’ door ‘passeren’, lijkt mij geen gevolg van rationele overwegingen, maar van een soort intuïtief zoeken naar richting.

Het lijkt Anouk Smies vooral om dynamiek te gaan, om de energie die zij met woorden kan oproepen. Mijn bezwaar is dat ze het soms wel wat erg dik aanzet: ‘De flosdraad van het verraad’ – los van het feit dat ik niet kan zien op welk verraad zij doelt, is dit voor mij bepaald komisch. Dat het grote woord ‘verraad’ een flosdraad blijkt te hebben, het touwtje van een rollade; om restjes van wat dan ook, klem tussen welke wijd uitstaande tanden dan ook te verwijderen, lijkt mij niet de bedoeling van deze dichteres die de zaken met zoveel aplomb opdist, dat ik tegenover haar pogingen tot overweldiging alleen maar de vraag kan stellen: Waarom zo heftig? Waar heeft ze het over?

Laat vader maar

Hij wist niet meer
Vlees lokte
als zon

Een aarde ontstond
aan zijn driepotige
huid

Buit
werd gapend gat

Alle vrouwen in zijn leven
moeder
ex
dochter

vlochten tranen
Begroeven daden
in hun
gefusilleerde schoot

Alleen de dochter wurgde
wat eerder laf
klopte in haar

Trok hem mee
een afslag na de dood
in een nauw onherkenbaar graf

en legde zijn wellust bloot

Dit gedicht kan alleen maar over incest gaan. Maar het is expliciet en vaag tegelijkertijd. Zijn driepotige huid! (De drie benen van de man.) Buit werd gapend gat! De gefusilleerde schoot! En dan het raadselachtige einde: een afslag na de dood trok zij hem een nauw onherkenbaar graf in. Was het niet herkenbaar als graf? Wat was het dan, waarin zij zijn wellust bloot legde? Ik durf mij de vraag bijna niet te stellen.

Stoere taal:

Lam dat poten
door modder ramt

(uit: ‘Eengezinsverraad’)

Waaruit het verraad bestaat waar zij het in de titel opnieuw over heeft, is mij wel duidelijk: vader duikt herhaaldelijk seksueel duidbaar op. Soms, als in het gedicht ‘Vaders buidel’ zijn de associaties behoorlijk onaangenaam:

(..) Pleeg mij
want mijn daden
zijn verpakt in schuld
zoals ik ooit cadeautjes kreeg

Het zou ook haar agressieve taalgebruik kunnen verklaren. In plaats van: ‘Citaten van een roofdier’ zou je, om het gevoel van macht, kunnen lezen: ‘Citaten van een prooi die zich als een roofdier voordoet’.

Striptease

Blindengeleidehond van
vervlogen drift

en afgeschreven staal
Hoofd vol flarden
lichaamsgeur

Buitgemaakt en
uitgelekt substraat

waarmee ik je
kortstondig uitkleed
Borststructuur van zaad

Het klinkt vervelend, maar ondanks de ongetwijfeld integere intentie, kan ik veel van de gedichten van Anouk Smies niet anders omschrijven dan bombastisch.
Dat zij gevoel voor taal heeft staat buiten kijf. Dat zij lef heeft ook. Maar iets meer subtiliteit zou haar poëzie geen kwaad doen. En iets meer ratio. Er mogen/moeten vragen blijven. De manier waarop zij haar zinnen opbouwt, maakt ze vaak raadselachtig. Mooi. Maar je mag als lezer niet het gevoel van samenhang kwijt raken, je mag niet het gevoel krijgen dat er maar wat gebazeld wordt. Dan stort de brug die je naar de ander wilt slaan in.
Wanneer zij de brug wel weet te slaan, overrompelt zij met succes:

Ontwaken

Kom het bed in
met je belachelijk
warme mond

Zet de wekker
van mijn jeugd op 12 uur

Wij zijn de klap in het gezicht
van de nacht
die van schrik zijn sterren
op feestverlichting laat staan

Morgen schuiven we
de rij van het kreukvrije leven in

Achteraan

Prachtig! Ik geef mij gewonnen.

***
Anouk Smies (1975) publiceerde gedichten op Krakatau en de Contrabas en schreef poëzie en levensbeschouwelijke verhalen voor kinderen. Ze studeert Cultuurwetenschappen.