Er zijn nogal wat momenten waarop ik de wereld vervloek

 

Martin M. Aart de Jong (1966) groeide op in een nieuwbouwwijk met uitzicht op een weiland waarachter een dorpsstraat zich uitstrekte. Op het weiland werd eens per jaar een fokveedag gehouden waarop ook de Nederlandse vereniging van Plattelandsvrouwen het kantklossen demonstreerde. De lampionnenoptocht en de plaatselijke wielerronde waren andere jaarlijkse hoogtepunten. Er waren uitstapjes naar Den Haag waar zijn Indische grootouders woonden. Bij het passeren van de Waldeck-Pyrmontkade sloeg hij met genoegen op het zwarte knopje. Zijn oma maakte heerlijke roti-kukus en andere verrukkelijke gerechten. Met zijn opa ging hij Italiaans ijs eten in de stad. Na een langdurige middelbare schooltijd belandde hij in Leiden waar hij uiteindelijk postdoctoraal sjeesde en een hobbelige loopbaan volgde die hem in Nepal bracht, het land dat hij als tweede thuisland ging beschouwen.

Zoals veel dichters kondig je jezelf aan met een wrang gevoel van understatement. Waarom hebben we er zoveel moeite mee onszelf te verkopen?
Er zijn dichters die het uitstekend kunnen. Het zit gedeeltelijk in de manier waarop ik ben opgegroeid. Het was niet zo voor de hand liggend dat ik zou gaan schrijven. Ook al bleek op de lagere school al dat ik wel een talent had op taalgebied. Ik was ook een van de betere leerlingen maar mijn stiefvader en moeder vonden het niet nodig dat ik VWO of HAVO ging doen. Ik mocht blij zijn met de MAVO. Ik denk dat daar wel een soort ingebakken bescheidenheid uit voortkomt. Aan de andere kant verzet ik me ook tegen de cultuur van winnaars. Ik heb het idee dat die er altijd geweest is maar sinds de jaren tachtig sterker is geworden. Succes werd een allesbepalende norm. Ik ervaar dat regelmatig als beklemmend.

Talent op taalgebied. Geen wiskunde-aanleg? Welke boeken stonden er thuis in de boekenkast?
Als ik me erop concentreerde kwam ik een heel eind. Uiteindelijk was ook op het VWO wiskunde A geen enorm obstakel.
Poeh, ik herinner me niet veel qua boeken uit mijn jeugd. De kinderbijbel las ik stuk, met name het Oude Testament en ook Griekse mythologie in vertaling. Maar toch heb ik het gevoel dat ik iets gemist heb. Ik had zo graag Latijn en Grieks geleerd. Misschien ga ik dat alsnog doen. Ik heb mezelf ook Devnagari leren lezen, het schrift waar Nepali en Hindi gebruik van maken.

Het centrum van het modern universum (‘wonend tussen twee gedichten en uitkijkend op een derde van Hugo Claus’); is de omgeving belangrijk voor het schrijven?
Ik ben heel gevoelig voor sfeer. Wat dat betreft ben ik ontzettend dankbaar dat ik in Leiden woon. De geschiedenis is hier zo voelbaar. Ik zit dit nu te typen in Old School, een tijdelijk etablissement aan het Pieterskerkhof in het hartje van de stad. Leiden heeft iets kneuterigs en tegelijkertijd ook een zekere grandeur. Geen enorme bravoure maar wel een eigenheid. De grachten zijn hier precies goed. Niet zo patserig breed als in Amsterdam en ook niet zo benauwend smal als in Delft. Ik ben zelden gelukkiger dan wanneer ik in mijn kajak door het water snij en opkijk naar boven. Dat er gedichten op de muren staan is voor mij bijna vanzelfsprekend geworden. Ik kan me de stad niet zonder indenken.

Levert delen met collega’s meer op dan delen met de toevallige luisteraar? (NV de Nieuwe wanhoop / Hongerlief)
Interactie is heel belangrijk. Met DJ Jan de Rijk heb ik programma’ s gemaakt die echt een breder publiek verdienden. En altijd live ingemixt met cd-spelers. Dat maakt het steeds weer spannend. Val ik op het goede moment in? Het kan ook misgaan. Hongerlief is inmiddels ter ziele. Maar met Wibo Kosters en Bjorn van Rozen werk ik nu samen onder de naam “Brommerdief”. Een heel plezierig samenwerkingsverband waarin af en toe anderen inschuiven. Het loopt prettig nu. Geen gedoe. Optreden en gaan. We geven elkaar ruimte en inspiratie.

De Turing-noteringen in de top 20 (‘de gladde wincultuur’) of het cv van de dichter.
Ik vind het eigenlijk steeds prettiger om geen bekende dichter te zijn. Ik kom er steeds meer toe om werk te lezen van anderen zonder me druk te maken of ik zelf wel zal slagen als dichter. Die Turing-noteringen waren leuk. Maar eerlijk gezegd denk ik niet dat ik dit jaar in ga zenden. Ik vind dat er goede dingen in staan maar vorig jaar stond er ook nogal wat afgrijselijks in. Het is lastig zo’n selectie en je kunt het nooit goed doen. Maar er is in mijn ogen wel een soort ondergrens. Bovendien raak ik veel te nerveus van het inzenden.

Dagelijkse werkzaamheden om de wereld nog beter te maken. Je gaf les in Nepal en was er reisbegeleider. Hoe maken we daar poëzie van?
Daar schuilt een zekere ironie in, je zou het zelfs als sarcasme kunnen opvatten. Er zijn nogal wat momenten waarop ik de wereld vervloek. De mensheid ook. Daarom heb ik ook gekozen voor de naam “NV de Nieuwe Wanhoop”. Het komt uit een gedicht van Tom Lanoye. Ik vond dat een briljante formulering. Het is een bizarre toestand, dat leven. Ik begrijp er werkelijk maar vrij weinig van en er zijn regelmatig momenten dat ik het leven als zinloos ervaar. Maar ik voel me ook een geluksvogel. Iedere dag stroomt er weer helder water uit de kraan. Heb ik meer dan genoeg te eten. Ontmoet ik aardige mensen. Veel te klagen heb ik momenteel niet.

Uit je blog: ‘ Misschien leven we wel voortdurend met het besef dat we incompleet zijn’.
Is dat niet de drijfveer voor elke ‘schepping’?
Is er eigenlijk niet maar één thema?
Zoals alle informatie ook is te herleiden naar enen en nullen. Alles is simpel en complex tegelijk. Wanneer het leven je toelacht is het simpel. Wanneer je in gedeprimeerde staat een fles jenever leeg kiept in je keel wordt het lastig. Je moet voortdurend kijken. Met een open blik. Het denken niet omarmen maar als instrument gebruiken voor praktische zaken. Dat heb ik niet van mezelf. Het is mijn interpretatie van het werk van Jiddu Krishnamurti. Aan dat blog heb ik niets meer gedaan het afgelopen jaar. Het gaat mij er niet zozeer om iets goeds te doen. Goed en slecht zijn relatieve begrippen. Wanneer je iets voor anderen doet word je al snel als weldoener gezien, maar het geeft gewoon veel voldoening om iets voor anderen te kunnen betekenen. Bovendien voel ik een enorme band met de kinderen die ik heb lesgegeven in Nepal. Daar zou ik eigenlijk een boek over moeten schrijven. Maar ik ben er ook niet constant mee bezig en ik geniet ook van dingen die ik voor mezelf voor elkaar krijg. Volgende week ga ik een gestroomlijnde ligfiets aanschaffen. Dat vooruitzicht maakt me heel gelukkig. Als een kind van acht dat jarig is en zijn eerste fiets krijgt.

Dan in januari 2018 de uitgave door De Muze, een nieuwe uitgeverij in je woonplaats. Hoe belangrijk is het product?
Voor mij enorm belangrijk. Ik hou van taal die een zekere kracht heeft. HH ter Balkt is de afgelopen jaren mijn favoriete dichter geworden. Maar ook het werk van Delphine Lecompte vind ik geweldig. Dat je de gekte kunt loslaten op de taal. En dat de vorm daar eigenlijk een beetje achteraan hobbelt. Maar er is zoveel. Menno Wigman bewonder ik enorm. Die strakheid gekoppeld aan zijn woordkeuze die alle registers bestrijkt. Ik was als achttienjarige koortsachtig op zoek naar het ultieme gedicht dat een meeslepende cadans koppelde aan onontkoombare zeggingskracht. Dat klinkt nogal pathetisch, maar ik geloof wel dat je moet blijven zoeken. Een stip moet plaatsen op de horizon en daar willen zijn. Niet om het succes dat je ermee boekt maar om de beweging die je erdoor maakt. Je moet gewoon blijven bewegen. Er komen illustraties in de bundel, maar het wordt geen kermis. Wat ingetogen werk van Gijs Donker. Ik heb mijn tekst laten redigeren door Han Ruigrok, die leest veel en schrijft zelf goede gedichten. Dat was voor mij een absolute voorwaarde. Geen haastwerk. Ik heb er vertrouwen in dat het mooi wordt.

Interview met Jolies Heij

Ik ben een observator

 

Jolies Heij (Maarn, 1964) is lerares Duits, serveerster, kok en podiumdichter met optredens tijdens poetryslams in Nederland en Duitsland. Tevens is zij columniste op de site van Pom Wolff. Zij debuteerde november 2016 met de bundel Lolita zei (uitgever Heimdall) waarvan reeds een tweede druk verscheen.
Haar alter ego Sanja Simunic, (Bijeljina Bosnië, 1989) kwam op driejarige leeftijd naar Utrecht. Zij werkt als lerares op de LOM-afdeling van de Vrije School in Zeist.

Een jaar geleden verwonderde je je, in een gesprek met mij, nog over het uitblijven van positieve reacties op je gedichten. Nu is er een tweede druk van je debuutbundel, wat is er gebeurd?
Ik zal op dat moment wel even een Slamdip gehad hebben. Korte tijd later benaderde Hub Dohmen van Heimdall mij en vroeg om mijn zes mooiste gedichten. Kennelijk waren ze mooi genoeg, want vervolgens vroeg hij me om een hele bundel samen te stellen.

Je bent gaan werken aan de vorm van je gedichten. Soms hanteer je nu de tweeregelige strofen. Wat is belangrijker, die vorm of de inhoud?
Die tweeregelige strofen schreef ik in het begin ook al. Ik ben in de loop der jaren een beetje aan het rommelen geweest met allerlei vormen. Ik ben nogal een gewoontedier, dus om alert te blijven moet ik mezelf dwingen om regelmatig te veranderen. De inhoud is voor mij het belangrijkst, de vorm is een aardig jasje. Maar nu ik dat zo zeg, doe ik misschien de vorm tekort, want ik heb wel degelijk gemerkt dat de inhoud gaat staan naar de vorm.

Je schroomt niet – en dat bewonder ik in je – fel en onverschrokken je mening te geven, hetgeen soms voor controverses zorgt. Was je werk altijd al zo vrij? Wat is de diepste drijfkracht? En heeft poëzie die maatschappelijke functie en noodzaak?
Ik merk vaak aan de reacties uit het publiek dat mensen het niets of juist erg goed vinden. Dat vind ik wel eens moeilijk, want natuurlijk wil ik dingen maken die bij iedereen in de smaak vallen. Althans, dat zou ik stiekem willen, als een soort ideaal. Een dichter zei laatst tegen mij: het ontbreekt je aan succesnummers. Ik vrees dat ik die niet kan schrijven, hoe graag ik ook zou willen.
Een tijdje terug droeg ik vaak een tekst voor over wat mannen van vrouwen willen in de liefde; sommigen vonden hem geweldig, anderen juist verschrikkelijk cliché. Daarbij is het ook vreselijk moeilijk om vakgenoten én het publiek aan te spreken. Mijn drijfkracht is ook weer nogal clichématig: ik wil mezelf onder woorden brengen, daarom schrijf ik sinds mijn veertiende een dagboek. Hoewel dat vroeger slechts een beschrijving van mijn eigen beperkte wereldje was, terwijl het tegenwoordig meer een voorstudie voor het echte werk is.
Voordat ik aan een gedicht begin schrijf ik eerst even in mijn dagboek. “Mezelf” vat ik nu op in de breedste zin van het woord: de wereld en de tijd waarin ik leef. Dan kun je je ogen niet sluiten voor maatschappelijke gebeurtenissen. Ik registreer ze, maar een maatschappelijke functie heeft dat niet, vrees ik. Ik zit bij een politiek Joegoslavië-comité, maar het enige wat ik daar doe is notuleren, teksten redigeren voor programmaboekjes en vertalen. Want actievoeren kan ik niet. Ik ben een observator.

Is er, met andere woorden, vanuit die drift en gedrevenheid behoefte ons iets te leren? Uit te leggen?
Ja, die is er zeker wel. Ik wil mensen graag iets bijbrengen, dat is toch mijn didactische achtergrond. Maar het is vooral ook omdat ik het zelf zo fijn vind om van anderen te leren. De Duitse dichter en schrijver Erich Kästner, die in het beroepsleven onderwijzer was, zei ooit dat hij daarvoor niet geschikt was omdat hij liever leerde dan onderwees. Dat heb ik ook, daarom is mijn onderwijscarrière nooit van de grond gekomen. Verschrikkelijk dat ik die kinderen dingen zou moeten bijbrengen, die voor mij allang passé zijn. Sterker nog, dat ik me hun leefwereld eigen moet maken, die ikzelf allang achter me heb gelaten. Ik sta op Duitse Slampodia en dan moet ik ze het verschil tussen de derde en de vierde naamval gaan uitleggen? Dan geef ik ze liever een Slamdemonstratie.
Ik heb wel poëzieworkshops aan psychiatrisch patiënten gegeven. Dat was erg leuk, maar dan stimuleer je mensen meer, dan dat je ze gaat vertellen hoe het moet. Ik vind kennisoverdracht door middel van verhalen vertellen ook iets heel anders dan wat er op die scholen gebeurt. Ik had vroeger een leraar geschiedenis, die over de Grieken en de Romeinen vertelde. Dat was echt geweldig, maar dat gebeurt tegenwoordig helemaal niet meer. Nu moeten ze het maar googelen.

Hoe is het dichten ontstaan voor je? Ben je opgegroeid met poëzie?
Een oom van mij schreef gedichten en stuurde wel eens een bloemlezing naar mijn moeder op. We hadden thuis de dikke Komrij staan, maar mij werd geen poëzie voorgelezen of zo. Toen ik tijdens mijn studie met de Duitse expressionisten in aanraking kwam, ben ik af en toe een gedicht gaan schrijven. Ik vond het mooi dat je in één gedicht een wereld aan beelden en indrukken kunt oproepen, zoals Gottfried Benn dat in ‘Untergrundbahn’ doet. Dáárvoor – en eigenlijk als kind al – schreef ik proza, dus verhalen en in een dagboek.

Je staat met grote regelmaat op allerlei podia. Wat krijg je daarvoor terug of liever gezegd, is die interactie voor je noodzakelijk?
Het is noodzakelijk in die zin dat ik de deur uitkom. Optreden dwingt me om regelmatig nieuwe dingen te schrijven. Contacten met dichters stimuleren me en ik raak geïnspireerd als ik anderen hoor voordragen. Dan blijf ik in een prettige flow, waarin schrijven en voordragen worden afgewisseld. Ik schrijf tegenwoordig veel meer dan toen ik nog op mijn zolderkamertje zat. Je hebt het gevoel dat je het ergens voor doet als je het meteen voor publiek ten gehore kunt brengen. Dat heeft wel tot gevolg gehad dat ik tegenwoordig veel meer poëzie dan proza schrijf. Proza schrijf ik hoofdzakelijk nog als columns en feuilletons, de stukken die ik wekelijks moet schrijven. Dat geeft een fijne discipline.

Houd je rekening met je publiek? Schrijf je naar de lezer toe?
Ik wil geen rekening met het publiek houden. Dat klinkt misschien cru, maar ik ben van mezelf veel te veel geneigd om mijn oren naar anderen te laten hangen. Vanuit een drang om te behagen, vrees ik. Het is een ergerlijk automatisme, waarvoor ik mezelf zo veel mogelijk in bescherming wil nemen. Daarom wilde ik nooit naar de schrijversvakschool, want ik wist dat ik dan als een modelleerling van de lopende band zou rollen, zonder iets eigens. In het begin van mijn Slamcarrière had ik dat ook, ging ik zo veel mogelijk “gewenst” schrijven om te winnen, om jury’s tevreden te stellen. Wat natuurlijk voor geen meter lukte, want dan is het niet authentiek. Bovendien zijn jury’s meestal ook maar subjectief. Ik werd ook wel een tijdlang door vakgenoten een bepaalde richting ingeduwd waardoor ik mezelf een bepaald imago aanmat waar ik me niet echt gelukkig bij voelde. Toen ben ik in een zomervakantie een tijdlang alleen maar voor mezelf gaan schrijven zonder rekening te houden met de smaken van het publiek en jury-oordelen en dat werkte. Een aantal van die gedichten is in Lolita zei… terechtgekomen.

Waarom zijn er twee versies van jou die – naar goed gebruik – uiterst verschillend zijn. Wanneer kies je voor de tweede? (Jolies Heij versus Sanja Simunic.)
Ik kan niet voor Sanja spreken. Zij is een zelfstandig persoon die op haar eigen manier schrijft. Zij windt zich ook veel meer op over maatschappelijke misstanden, die ze dan in een stream of consciousness over het hoofd van de lezer uitstort. Dat is het Slavische aan haar. Zij gebruikt gerust woorden als “hart” en “ziel”, die ze in dermate bloemrijke taal inbedt én wreed laat zijn dat het uiteindelijk niet meer clichématig is.

Naarmate ik ouder word, realiseer ik me hoe jong ik eigenlijk ben

 

Roos Vlogman (1992) is afgestudeerd aan de opleiding Creative Writing. In 2016 won zij de juryprijs bij de schrijfwedstrijd Write Now! Ze schrijft columns, verhalen en gedichten voor o.a. Trouw, De Gids, de Optimist en Passionate Platform. Het afgelopen jaar nam ze deel aan het Slow Writing Lab, een talentontwikkelingstraject van het Nederlands Letterenfonds, waarvoor ze in november een maand in Zuid-Afrika is geweest om aan haar poëziedebuut te werken.

Je deed de opleiding Creative Writing. Wat heb je daar vooral geleerd?
Ik heb het idee dat ik nu pas weet wat ik wil schrijven. Wat ik leerde op Creative Writing is snel en veel werk maken. Daarna ben ik niet per se een goede schrijver, maar mijn ontwikkeling is wel sneller gegaan dan die van schrijvers die zich autonoom hebben ontwikkeld – puur om het feit dat zij het naast hun studie of werk moesten doen en ik er elke dag mee bezig kon zijn. Toen ik begon aan de opleiding dacht ik dat ik iets had bereikt als ik klaar was, maar ik heb het idee dat ik nu weer opnieuw begin, net zoals ik, naarmate ik ouder word, me realiseer hoe jong ik eigenlijk ben.
Van tevoren stond een aantal schrijvers terughoudend tegenover de opleiding Creative Writing omdat je schrijven niet zou kunnen leren. Dat vind ik een arrogante gedachte. Je kunt bijna alles leren, als je er voor open staat en bereid bent er vaak aan te werken. Leren gaat geleidelijk; ik heb meer taalgevoel gekregen, meer oog voor wat teveel of te weinig informatie is in een verhaal; ik heb mijn eigen smaak leren kennen en mijn terugkerende thema’s.

Je werk getuigt in ieder geval van scherpe observering. Is schrijven dat ook: toekijken?
Toen ik vijf jaar geleden begon met schrijven, dacht ik wel dat schrijven toekijken was. Maar alleen maar toekijken resulteert in verhalen waarin de personages ook alleen maar toekijken. Mijn eerste verhalen waren verhalen over mensen die contact wilden maken, maar nooit de eerste stap zetten en alleen maar afwachtten tot er contact met hen werd gemaakt. Mensen die andere mensen volgden, bekeken, en weer naar huis gingen. Ik ging me met mijn eigen personages vervelen omdat ze niets durfden.
Pas toen ik me een beetje in de wereld ging mengen, nieuwe dingen probeerde, gingen mijn personages ook contact met anderen maken.
Als ik wil schrijven over een actief personage, dan wil ik ergens uit kunnen putten. Dan wil ik zelf initiatief genomen hebben, voor mezelf zijn opgekomen, boos geworden zijn, of hebben gehuild in het gezelschap van iemand waarbij ik dat eng vond.

Ken je schaamte? Of kun je over alles schrijven?
Schaamte is iets waar ik me vaak door heb laten leiden, het is moeilijk om ervan af te komen. In een poging die schaamte op zich, en die schaamte in relatie tot mezelf te duiden, begon ik vorig jaar een onderzoek naar zelfhulpliteratuur. Uit dat onderzoek ontstonden de ‘zelfhulpgedichten’ en schreef ik een viertal columns voor Trouw over mijn leeservaringen. Wat ik leerde is dat je niet over je schaamte heen komt door het te categoriseren of door er veel informatie over te verzamelen. Wat helpt is er niet bang voor zijn, wel nieuwe dingen proberen.
Ik denk niet dat schaamte me ervan weerhoudt om over een bepaald onderwerp te schrijven, maar soms houdt het me tegen om überhaupt te schrijven.
Ik heb een periode heel expliciete en lelijke seksscènes geschreven. Misschien omdat ik aan mezelf wilde bewijzen dat ik overal over durfde te schrijven, dat ik daarin verder durfde te gaan dan andere jonge schrijvers. Maar misschien ook wel omdat ik seksualiteit en de banaliteit, de mislukking die er vaak mee gepaard gaat, interessant vindt.

Het viel me op dat je bij je ‘zelfhulpgedichten’ in De Internetgids noten toevoegt ter verduidelijking van bepaalde termen. Dit toont een grote belezenheid en interesse aan en maakt het onderwerp serieuzer. Wanneer moet je humoristisch zijn en wanneer ernstig?
Zelfhulpliteratuur wint snel aan aandacht en populariteit, maar wordt maar door een bepaalde groep mensen echt serieus genomen. Ik ben via een aantal blogs in die zelfhulpwereld terecht gekomen, en besloot ook zelfhulpboeken te gaan lezen. Het fascineerde me, omdat ik er veel meer aan had dan ik wilde toegeven en ik niet wist waar ik mijn scepticisme moest laten. Die ironie of die humor, heeft zich vertaald in de noten en titels van mijn ‘zelfhulpgedichten’. Jij vindt dat de voetnoten mijn werk serieuzer maken, maar voor mij maken ze het onderwerp juist lichter. Poëzie wordt zo een manier om de draak te steken met mezelf, en de zwaarte die ik mezelf soms opleg. Ik denk dat een goed gedicht altijd iets humoristisch en iets ernstigs in zich draagt.

Houd je rekening met een publiek?
De kwaliteit van een stuk wordt beter als je weet dat iemand het gaat lezen, zoals je optreden beter wordt als er meer mensen in de zaal zitten dan alleen je moeder en je verkering.
Ik ben de laatste tijd mijn eigen graadmeter geworden: ik ben gaan schrijven wat ik zelf wil lezen. Vooral op mijn opleiding ben ik bezig geweest met wat een docent verwachtte, hoe ik het hoogste cijfer kon halen. Nu probeer ik dingen waarvan ik bij een ander zou zeggen: dat is supergaaf, ik wou dat ik zo kon schrijven. Ik probeer mezelf een beetje aan te moedigen.
Door gedichten te maken vanuit een zelfhulpboek, of vanuit een Viva-forum, vind ik plezier in schrijven. Ik wil dat plezier in mijn gedichten terug kunnen lezen.

Wat zijn je toekomstplannen?
Op dit moment ben ik met een aantal uitgeverijen in gesprek over mijn eerste poëziebundel. Afgelopen november ben ik een maand in Zuid-Afrika geweest en heb daar geschreven aan die bundel. Het gaat over (on)afhankelijkheid, macht en overgave, vrouwelijkheid en mannelijkheid, lelijke seks ook binnen een relatie. Ik hoop dat mijn eerste bundel over twee jaar in de winkel ligt. Ik schrijf niet snel, ik heb veel tijd nodig om op te starten, dus toegeven dat ik iets binnen twee jaar af wil hebben, is al een grote stap.

 

De bundel lezen brengt misschien soelaas!

 

Tijl Nuyts (1993) studeerde Engelse en Spaanse taal- en letterkunde en westerse literatuur. Momenteel werkt hij als assistent Spaanstalige literatuur aan de KU Leuven. Eerder verschenen korte verhalen, gedichten en essays van hem in onder meer Deus ex Machina, Kluger Hans, DW B, Streven, Oikos, Romaneske, Mvslim.com, Gierik & NVT.
Bij uitgeverij Polis verschijnt in januari 2017 zijn eerste gedichtenbundel
Anagrammen van een blote keizer.

Het is volgens de AKO-site een hoogst inventief poëziedebuut, met vragen als: Is het wel mogelijk om oprecht te zijn? Wat is het verschil tussen het gevaar de dingen bij naam te noemen en het plezier de dingen bij naam te noemen?
Het is misschien wat flauw hen te citeren maar ik kon nog niet in de bundel kijken, dus ik gebruik hun vragen. Heb jij de antwoorden?
Ludwig Wittgenstein, die het motto van de bundel leverde, zei ongeveer het volgende: ‘Als we ervan uitgaan dat de betekenis van een vraag de manier is om die te beantwoorden, vraag ik me af wat de betekenis is van ‘Bedoelen twee mannen werkelijk hetzelfde met het woord ‘wit’?’. Daar voegde hij aan toe: ‘Laat me weten hoe je het antwoord probeert te vinden, en ik zal je vertellen waar je naar op zoek bent.’ Scherp.
Ibn ‘Arabi, een twaalfde-eeuwse theoloog die in verschillende gedichten van Anagrammen van een blote keizer een rolletje krijgt toebedeeld, gaf dan weer de volgende tip: ’Als je het moeilijk vindt om op iemands vraag te antwoorden, antwoord dan niet, want de huls van die vraag zit al vol en heeft geen ruimte meer voor het antwoord’. Toegegeven, dat klinkt een beetje alsof de man zich er gemakkelijk vanaf hoopt te maken; Wittgenstein is misschien wat directer. Nochtans kan ik me wel vinden in beide stellingen. Ik denk dat de waarheid ergens in het midden ligt. Hoewel. De bundel lezen brengt misschien soelaas!

Genoemde inspiratiebronnen zijn: de Jarchas van Al-Andalus, Gerald Manley Hopkins, Laurence Sterne en eenvoudigweg de krant. Het gaat daarbij altijd om de invloed van het woord. Is die macht sterker dan die van het beeld?
Dat weet ik nog zo niet. Als je bijvoorbeeld de evolutie van het gebruik van foto’s in de krant in de laatste dertig à veertig jaar bestudeert, merk je algauw dat er in de krant meer oppervlakte door beelden dan door tekst in beslag genomen wordt.

Ik las dat onze dichter des Vaderlands Anne Vegter, geïnspireerd werd door de Nationale Wetenschapsagenda. Daarvoor ben jij teveel een Alpha-man?
Het is me niet echt duidelijk waarom enkel alfamannetjes niet door de Nationale Wetenschapsagenda geïnspireerd worden. Ik denk dat ook veel fabriekseigenaars, kruideniers en mystici hun mosterd elders zoeken.

Het verhaal ‘de Levering’ op Azerty heeft mijn voorkeur (‘Terwijl je naar de bakker loopt hou je de oorlog in je mond’). Deze voorkeur komt terug in bijgaand gedicht Aborg 2 (‘het gevaar dingen te noemen’). Jij benoemt ze toch. Vertel.
Houd je hierbij rekening met de lezer? Is er sprake van uitleg?
In de bundel draait het om ‘het gevaar de dingen te noemen’ en ‘het plezier de dingen te noemen’. Beide uitspraken verwijzen naar het verlangen om iets in de wereld te willen aanraken, om dan te merken dat je vlekken achterlaat. Kuluri, de centrale figuur van de bundel, werpt zich in de wereld en de taal. Vanaf het moment dat hij de stift en het schrift ter hand neemt in het openingsgedicht, zoekt hij toenadering tot het onbekende, probeert kleur te bekennen. Een erg plezierige, maar niet ongevaarlijke bezigheid. 

Je schrijft ook proza: reisverhalen op de site ‘Nederland schrijft’, een kort verhaal op je weblog. Je was de laureaat proza van Babylons Literaire Prijs 2014, en behaalde een tweede plaats voor poëzie (DWB literair tijdschrift). Kun je de inhoud zowel in proza als in poëzie kwijt?
Ik heb geen voorkeur voor een van beide genres, weet ook niet of ik bepaalde zaken beter kwijt kan in de ene vorm dan in de andere. Misschien wil ik überhaupt niets kwijt, wil ik gewoon teksten maken, en probeer ik binnen de beperkingen van beide genres (en binnen die van m’n eigen vaardigheden uiteraard) te maken wat er van te maken valt.

Je bent heel persoonlijk in je schrijven. Vertelt vanuit de Ik-persoon. Niets is bedacht, althans zo voelt het. Kun je iets over het schrijfproces zeggen?
Tja, de eeuwige vraag. Eindigt de waarheid waar de leugen begint? Wat ik schrijf is meestal direct of indirect geïnspireerd door wat ik ergens gelezen of gehoord heb: in boeken, kranten, gesprekken in de trein, op bordjes met toeristische info in Brusselse parken.
Dat neemt natuurlijk niet weg dat er onvermijdelijk een soort ‘ik’ aan Anagrammen van een blote keizer ten grondslag ligt. Tegelijk is er de uitdaging om dat ‘ik’ ten minste ten dele buitenspel te zetten tijdens het schrijven: ‘Het grootste plezier van de druppel is om te sterven in de rivier’, zoals Al Ghazali het zo mooi verwoordde.

Wat is het voordeel van je leeftijd? Maakt je succes daar deel van uit, zoals commerciële handigheid en juist gebruik van sociale media?
Ik ben noch commercieel bij de pinken noch erg actief op sociale media. Mijn gedichten kwamen eerder indirect bij Uitgeverij Polis terecht. Op een literaire avond waar ik enkele jeugdzondes had voorgedragen, kwam ik in contact met een dichteres die sluiks enkele van mijn gedichten aan derden doorspeelde. Enkele maanden later vond ik een mailtje van Harold Polis in m’n inbox.

Niet Sacha Landkroon staat te twijfelen aan de oever van de grote zee

 

Sacha Landkroon (Groningen, 1984) is een poëtische ontdekkingsreiziger. Zijn debuutbundel Terra Incognita verschijnt na het winnen van het Hendrik de Vriesstipendium. In de bundel verkent hij de grenzen van zijn eigen wereldbeeld. Zijn eigen ontwikkeling tot volwassen individu beschrijft hij als een denkbeeldige queeste door verschillende werelden.
Landkroon was in 2009-2010 huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij trad op bij festivals als Dichters in de Prinsentuin en de Zwarte Cross, en de fameuze Dichtclub in Groningen.

Gefeliciteerd met je debuutbundel die 10 december 2016 verschijnt. Hoe moeilijk is het om je eigen ontwikkeling te beschrijven?
Dank. Alles in de bundel gaat over situaties die ik zelf heb meegemaakt, maar ik heb geprobeerd de beelden naar andere tijden en ruimtes te trekken, zodat het universele gevoelens zouden worden. Niet Sacha Landkroon staat te twijfelen aan de oever van de grote zee, maar Christoffel Columbus, een paar maanden voor hij uitvaart, om per ongeluk de nieuwe wereld te ontdekken. Op dat moment nog in de veronderstelling dat hij een nieuwe route naar India gaat vinden. Hij vraagt zich af wat er zal komen en waar zijn loyaliteit eigenlijk ligt, als Italiaan in dienst van de Spaanse kroon. Een ander gedicht gaat over de zoon van Amerigo Vespucci, de eigenlijke naamgever van het Amerikaanse continent. Vader blijkt historisch gezien een beetje een charlatan met een vlotte babbel te zijn, die veel minder heeft gepresteerd dan hij beweert. Zijn zoon voelt zich in de schaduw staan en belandt uiteindelijk in een Florentijns bordeel. Zelf heb ik een vader met een erg krachtig uiterlijk en ‘wie doet mij wat’-uitstraling. Overigens met klein hartje en absoluut geen charlatan. Qua postuur en uitstraling heb ik nooit op hem geleken en soms levert dat grappige situaties op, maar er zijn ook momenten geweest waarop ik wenste dat ik ook zo was. Toen ik door mijn vrouw min of meer uit de veiligheid van mijn jeugd werd getrokken (gelukkig maar) voelde ik me een tijdje zoals die zoon van Amerigo Vespucci.

Je uitgever, Passage, zegt dat het ‘verdwalen’ van het individu een thema is dat uitstekend past bij je dichterschap. Wat bedoelen ze daarmee en klopt het?
Al zo lang ik schrijf, heb ik een fascinatie voor mensen die een beetje van het pad raken. Als klein jongetje vond ik het al heel interessant om in de krant naar foto’s van ‘boeven’ te staren. Ik probeerde altijd te bedenken of ze er echt boefachtig uitzagen, maar meestal viel dat wel mee. Juist daardoor vroeg ik me af wat die mensen dan bezielde.
Al schrijvende vind ik het veel interessanter om na te denken over personages waar het slecht mee gaat, of ingewikkeld. Als alles goed gaat, vind ik er niet zoveel inspiratie in.

Wat zette je aan tot schrijven?
Op de lagere school was ik de enige in mijn klas die altijd zin had in het schrijven van opstelletjes. Eén bepaalde meester was echt fan van mijn schrijfstijl. Hij zei: “Jij moet later boeken gaan schrijven”. Op de middelbare school ging ik bij de schoolkrant en toen ik ging studeren volgde ik uit interesse het werkcollege van gastdocent en schrijfster Esther Jansma. Ik had gehoord dat zij een goede dichter was en wilde dat wel eens van dichtbij meemaken. Aan het einde van het college kreeg ik het maximale cijfer 10, en daar was ik toch wel een beetje trots op. Ik besloot door te gaan met gedichten schrijven.

Verdiep je je in de traditie van de poëzie? Zijn er voorbeelden van Grote Dode Dichters?
Ik verdiep mij zeker in de traditie van de poëzie maar op de een of andere manier heb ik meer levende dichters en zangers die als voorbeeld dienen dan dode. Qua dode dichters heb ik veel met Wislawa Szymborska en Hans Lodeizen. De taal van Esther Jansma zal, na dat werkcollege, toch altijd favoriet zijn, net als de eigenzinnigheid van Tonnus Oosterhoff, hoewel ik weinig van de beste man zijn teksten begrijp. In de muziek vind ik ook veel inspiratie: Stef Bos is een held en een vriend van me, hij heeft me geholpen met het redigeren van mijn bundel. Maar ik vind geweldig veel muziek interessant, dus er zijn veel inspiratiebronnen.

Je maakt soms gebruik van ouderwetse woorden als ‘eender’ of ‘noch’. Dat is niet trendy. Hulde voor de eigen stijl.
Dank! Ik vind dat niet iedere jongere per se ‘trendy’ hoeft te doen. Ik heb ook een enorme pest aan de uitdrukking ‘dat is voor mijn tijd’. Voor velen is dat een soort van universeel excuus om allerlei dingen niet te weten, maar gezien het feit dat in de klassieke oudheid hedendaagse zaken als democratie, theater en geneeskunde ook al van belang waren, lijkt me dat een vrij loze smoes.

Waar kwam dat mythologisch jasje vandaan waarin je je gedichten verpakt? En nu je daaruit gegroeid bent, voel je je vrijer?
Het is niet gezegd dat ik daar uitgegroeid ben, ik vond het alleen voor dit project beter om het niet toe te passen. Ik ben altijd al gek op mythologie geweest, omdat het onwaarschijnlijke maar herkenbare verhalen betreft. Menselijke gebreken en tekortkomingen maar ook veerkracht en aanpassing, verpakt in ‘over the top’- situaties waar we lessen uit kunnen leren. In mijn vroege gedichten heb ik de mythologie gebruikt om me een beetje achter te verschuilen. Als je universele figuren gebruikt, denken mensen minder snel dat het over jezelf gaat. Van Esther Jansma leerde ik dat er vaak verkeerde stempels op poëzie worden geplakt. Alles MOET over de auteur gaan, terwijl dat vaak natuurlijk niet zo is. Inmiddels heb ik geleerd dat ondanks die les toch veel van wat je schrijft vanuit je eigen referentiekader geschreven wordt. Je kunt niet anders. Ik kan niet vanuit de ogen van iemand anders naar de wereld kijken, moet het met mijn eigen indrukken doen. Daarom vind ik het nu niet meer zo erg als een gedicht of een hele bundel iets over mij zegt. Dat was juist de hele insteek van dit project: een persoonlijke ontdekkingsreis.

Op je vaders website vond ik een vrije vertaling van een Roemeens gedicht. Maak je vaker vertalingen?
Zeker, ook uit talen die ik niet spreek, dat is het leukste. Ik ken iemand uit Roemenië die me een aantal geweldig toffe Roemeense dichters heeft leren kennen. Marin Sorescu is mijn favoriet. Maar ik spreek geen woord Roemeens! Ik ben op zeker moment met behulp van een aantal Engelse vertalingen en Google Translate gaan zitten en heb ‘vertalingen’, hertalingen en eigen interpretaties gemaakt. Het is een kwestie van taalgevoel en gevoel voor ambiguïteit van woorden. Zo ook van Nichita Stanescu en Ion Gheorghe, evenals Sylvia Plath of onbekendere Engelstalige dichters. Daarnaast ben ik op Facebook actief in de groep Vertaalwedstrijd. Daar vertalen we met een aantal taalfanaten allerlei, meestal Engelstalige, gedichten. Afrikaans is ook een taal waar ik me graag mee bezig hou. Veel mooier dan het Nederlands eigenlijk. Wel met onze invloeden maar dan charmanter. Stef Bos heeft zulke prachtige Afrikaanse liedjes! Ik heb de Summertime Blues van Eddie Cochran naar het Afrikaans omgezet en ook een aantal eigen gedichten in die taal gemaakt.

Je stond al snel als dichter in de Prinsentuin. Hoe was dat?
Dat vond ik een hele erkenning, maar misschien was het achteraf gezien wel wat erg snel. Vooral de excursie-achtige activiteiten vergeet ik nooit meer. Eén keer stond ik met ‘ouwe rot’ Karel ten Haaf in een donker steegje tijdens een nachtelijke poëziewandeling. Misschien hadden ze hem op zijn indrukwekkende postuur geselecteerd, om mij een veilig gevoel te bezorgen. Superavond gehad.
Ik treed heel graag op. Voor die tijd twijfel ik aan alles, denk ik dat ik alleen maar slechte gedichten heb en vervolgens bestijg ik het podium en voel ik me helemaal op mijn plaats en is die twijfel verdwenen. Optredens zijn daarnaast ook dé manier om je bundels aan de man te brengen. Ik vind het heel bijzonder dat mensen je boeken kopen. Dat went nooit, denk ik.