Gedichten

Kelen

1.
een samenzwering van
dingen: het hoofd draait
tussen telefoon en klok
maar hij belt steeds
met dezelfde vraag
 
terwijl hij belt verandert
de lijn in wurgkoord:
zijn afgeknelde stem raakt
steeds verder weg,
verdwijnt in gehijg, gekuch,
stikt geleidelijk
net als zijn slachtoffers
 
zij luistert slechts
met een hoofd vol knarsende kiezen
vraagt allang niets meer.
 

2.
de kalender als ketting waaruit
elke maand een schakel wegvalt:
uiteindelijk liggen maanden als
schakels op de vloer
terwijl de kalender een gezicht laat zien
dat met de dag verandert
met de aftelling
de omvorming van het gezicht
tot hij haar aankijkt.

 
Bejaardenbal
 
vanuit het balkon gezien,
-de nabije dood;

blauwspoeling met permanent
als een schuimende rivier, daarin
hoofden als kale rotsen
 
hun dansen is slechts
het kreuken van ruiten en bloemen
in colberts en jurken
de vloer is van pantoffels.
 
een glaasje advocaat als zonnige gedachte
naar vroeger; dagen aan het strand;
ze staan vast op die bruine foto’s,
nooit een dag ouder geworden.

onthand
Buiten is van papier en potlood, de hand
is weg. Er wandelen stripfiguren, maar
het wit drukt overal doorheen. Ik was de hand
achter de kantlijn.
 
Er breken stripfiguren door de lijnen,
in en uit. Hun verhaal duwt, bonkt,
tegen de slapen. Als een ballon waarin
tekst groeit en zich opblaast.
 
Binnen is van papier en potlood,
Een hand tekent een gang om in te
verdwijnen. Met stripfiguren ren ik,
langs genummerde deuren het wit in.