Recensie van Staat - F. Starik

De poëzie van een ondraaglijke onderbroek

F. Starik
Staat
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2015
ISBN 9789046819982
€ 19,99
128 blz.

De nieuwe bundel van F. Starik heeft een titel die vragen oproept: Staat.
‘Staat’ wat? Ik moest bijvoorbeeld denken aan De Staat van Plato, die al meerdere kunstenaars heeft geïnspireerd. Staat is zo’n kolossaal begrip, dat je er vele kanten mee op kunt .

Na het eerste gedicht, op bladzijde 9, waren mijn vragen al opgelost, want dat wordt gevolgd door de titel van de eerste afdeling: ‘Op’. Staat op.
Hierna deed ik geen moeite meer om hoofdstukken met titels als: ‘Vast’, ‘Aan’, ‘Uit’, ‘Blank’, ‘Stil’, ‘Af’, ‘Onder’, ‘Recht’ te duiden. De laatste afdeling, ‘Slot’ , bestaat uit aantekeningen bij de gedichten.

Direct bij het eerste gedicht al was ik enigszins bevreemd:

‘Neem plaats’

Ga rustig zitten.
Je bent hier te gast.
Zie je die stoel daar?
Die staat voor je klaar, dus neem plaats.

Legitimatiebewijs? Verklaring van goed gedrag?
Diploma’s? Laatste belastingaanslag?
Die moet dan wel definitief zijn.
Met voorlopig kunnen we niets.

Hoe ben je verzekerd? Zorgpas?
Tja, zo’n basispakket lijkt heel voordelig tot je één keer
naar de tandarts gaat. Zie ik nu goed dat je een bril draagt?
Inboedel? Brand? WA?

Ik ga voor jou in mijn dossier kijken. Weet je wat?
Ik ontbreek je. Ik geef je een nummer, een naam; Thomas.
Ik maak je opnieuw en compleet van buiten af aan.
Mooi ben je zo. Prachtig.

Typ hier rechtsboven je inlogcode in en pas je wachtwoord aan.
Herhaal je wachtwoord. Gebruik tenminste een hoofdletter
en twee cijfers. Neem de naam en de leeftijd van je kat toen die stierf.
Nee, geen lees- of diakritische tekens. Bevestigen. Opslaan.
Je mag nu wel opstaan hoor.

Meld je straks thuis nog maar eens rustig
en in alle gevallen opnieuw aan.
En als dat niet meteen lukt
dan nemen we de procedure online
gewoon nog eens door.

In de poëzie kan alles, daarom accepteerden we dit maar. Ik zat tenslotte al in een gemakkelijke stoel, was aan het lezen en nieuwsgierig naar wat de bundel mij brengen mocht. Dat ik bij een vreemd loket was aanbeland zal iedereen duidelijk zijn, een loket waar je ook nog eens achter de computer mocht
plaatsnemen. En in de laatste strofe wordt mislukking van het contact gegarandeerd.
Is dit een afschildering van de maatschappij waarin wij leven, dus toch ‘de staat’ die ons uiteindelijk lankmoedig toestaat om ‘op te staan’? Repressieve tolerantie?

De naam Thomas zullen we de hele bundel door telkens opnieuw tegen komen. Geen idee waarom. Wellicht is hij een soort alleman. Ook de kat dient zich meerdere malen aan, stervend en lekkend gestorven.
Laten we de vragen de vragen maar laten, en naar het volgende gedicht gaan:

Tafel

Voor wie het leuk vind om op een tafel te klimmen
– en dat vind ik – om een toespraak te houden
iets voor te dragen, een lied te zingen
of gewoon om de wereld eens
vanuit een ander standpunt te bezien:
het nadeel van de tafel is de rand.

Toch is de rand van de tafel noodzakelijk.
Zonder rand was de tafel geen tafel maar
een wereld die geen einde nam
en voor je het weet
staat er een uitvinder op
en noemt de zee die hij aanschuift stoel.

Een wereld die geen einde heeft, blijkt toch begrensd door een zee. Nou ja, in de poëzie kan alles…
Toch is dat wat mij het meeste stoort in deze poëzie: ze neemt de lezer niet serieus, en de dichter maakt het zich wel erg gemakkelijk. Misschien vergat de dichter de volgende reden toen hij opsomde waarom hij graag op tafels staat: boven het gewone volk uit te komen, voor iedereen zichtbaar te zijn, op te
vallen. Terwijl je naar iemand luistert die optreedt denk je niet na, of het gebodene moet al te flagrant in strijd zijn met je gezonde verstand. De dichter lijkt erop te rekenen dat we vooral vermaakt willen worden.

Van wat hij te vertellen heeft, moet de dichter het niet hebben. ‘Dit is de tiende bundel/die de wereld weer niet zal veranderen’, schrijft de dichter in ‘Ja’. Om de strofe te beëindigen met het zinnetje: ‘Ja, die kans bestaat.’
Nee, om de wereld te veranderen is de politiek een meer geëigend instrument. Zou hij echt hebben verwacht dat zijn gedichten de wereld konden veranderen?
Ik denk het niet. Maar ik kan het mis hebben natuurlijk.

Het is petite histoire wat de klok slaat.
Het derde gedicht ‘Nee Nee’ begint zo: ‘Thomas duwt bij de mensen folders door de bus’ . Het vierde gedicht ‘Pasen’ begint: ‘Ik ben uit mijn kruis gescheurd’. Het vijfde gedicht ‘Hotel de l’Europe’: ‘De portier op de stoep groet’. Nummer zes, ‘Baas’: ‘In maart kocht ik een fraai kostuum’. Zeven, ‘Confect’: ‘Voor mijn buitendeur ligt een gestreepte/onderbroek’.
Petite histoire hoeft geen bezwaar te zijn; William Carlos Williams maakte daar prachtige poëzie van, maar F. Starik …

Laat mij ‘Confect’ als voorbeeld nemen:

Voor mijn buitendeur ligt een gestreepte
onderbroek, zo’n zwart gestreepte onderbroek
die bij de Zeeman hier vier stuks voor een tientje doet
de onderbroek die ik in veelvoud heb verworven.

Ik herken hem als de mijne: heb ik mijn onderbroek
gisteravond laat per ongeluk op straat geworpen?
Ben ik naakt op het balkon gaan staan
en gooide ik het ding naar buiten?

Wilde ik iets duidelijk maken?
Ik til het voorwerp voorzichtig op met de punt van mijn schoen
en ruik eraan. Stinkt niet. Niks mis mee zo te zien.

De gedachte dat er mensen zijn die in dezelfde winkel
dezelfde onderbroeken kopen. Dat andere mensen
in mijn onderbroek rondlopen.

 Niet te dragen.

Te flauw en onbenullig voor woorden! Moet ik uitleggen wat hier allemaal mee mis is? Nee toch ?! Denkt de dichter nou echt dat zijn publiek zo onintelligent is dat het zoiets mufs appreciëren kan? Wilde hij iets duidelijk maken? Welnee! Hij wil slechts versluieren dat hij niks te vertellen heeft.
Oppervlakkiger poëzie kan ik mij nauwelijks voorstellen. Hij heeft de onderbroek per ongeluk de straat op gegooid, ofwel naakt op het balkon (dus al buiten!) het ding naar buiten gegooid. Asjemenou. Dan heb ik het nog niet over zijn creatieve gebruik van de taal. Bij zoiets flutterigs heb je het natuurlijk niet over de spankracht van de taal, dynamiek, taalspel .

Is het echt zo beroerd allemaal? Ja. Zo erg is het. In het gedicht ‘Neus’ dat opzienbarend begint met: ‘Een neus beginnen is een militaire operatie’, wordt koffie gekookt, worden sigaretten tot asbak gerookt en staren neuzen uit het raam.

Dat laatste wordt in de laatste strofe recht gezet met een daverende grap:

Aan de neus voelen of de neus al bloedt.
De neus die, als hij al een loopbaan had
waar dan zoiets als een salaris bij hoorde
sowieso niks zag, alleen maar rook.

Ik word er mistroostig van. Een bundel van 121 pagina’s, waarin niets staat wat de gemiddelde Nederlander niet zelf had kunnen bedenken, of moeiteloos
beter.

Het is niet dat F. Starik niet probeert om meer diepgang aan zijn gedichten te geven.

‘Nergens veilig’ gaat over de dood. Het is een lang gedicht (vier pagina’s) dat begint met de dood van een zwerver die Thomas heette en lag te slapen in een bushokje.
Een boom valt op het bushok om, maar dat is nog lang niet het einde van het verhaal. Terwijl Starik het gedicht schrijft landen plechtige toestellen van de luchtmacht met zestien en vierentwintig kisten aan boord met de resten van mensen erin die vorige week vakantie namen / van de dood die toen voor hen nog niet bestond. Het lijkt mij dat je geen vakantie kunt nemen van de dood als die nog niet bestaat, maar laat dit maar een eindje terzijde. Verder:

Hoogwaardigheidsbekleders alom. De macht van het getal.’

 (..)
Op tv zie ik de veertig lijkwagens in een trage stoet
over ‘s Heeren wegen rollen, geëscorteerd door motoragenten
in een macabere Tour de France: er wordt niet gedemarreerd
aan de overkant past men zijn snelheid aan
zwijgend slaan de mensen langs de kant de optocht gade.
(..)

Dan komt de ‘Funeral train’ van JFK in beeld, met de duizenden langs het spoor, voor hij weer terug zoomt naar de mensen die langs de weg applaudisseren wanneer de stoet lang komt.

Dan pakt Starik de draad weer op, en gaat verder met de eenzame begrafenis van zijn Thomas, naar wie niemand zwaait, noch zorgvuldig ingestudeerd salueert, enzovoort. Het gedicht eindigt met het sterven van de kat ‘Muis’ van zijn geliefde, die voor de buitenwereld evenmin iets voorstelt als Thomas, de overleden zwerver.
Niet alleen de macht van het getal, maar ook de macht van functie en status.
Inderdaad: niemand en niets is ergens veilig. De titel zei het al.

Hoe moeilijk het is voor Starik om tot de kern te komen geeft hij kernachtig weer in de eerste strofe van ‘Wees bereid IV’:

Wees bereid om in de zon te kijken
je moet bereid zijn om je pijlen af te schieten.
Raak ze in hun hart.

Bereid zijn om in de zon te kijken en om je pijlen (welke?!) af te schieten (je moet!) om ze (wie?!) in hun hart te raken.

De poëzie van F. Starik laat weinig aan de verbeelding over. Dat is één van de grootste manco’s van deze poëzie: zij is niet beeldend. Je krijgt de indruk dat hij zijn verbeelding nergens werkelijk heeft ingeschakeld, dat hij wat hij opschreef nergens helder voor zich heeft gezien. De betrokkenheid bij zijn
onderwerpen lijkt mij gering, evenals de behoefte om die ons, zijn lezers, voor ogen te toveren. Werkelijke poëzie heeft iets magisch, raakt je en gaat nooit meer weg.
Hij weet het, en heeft het daar volgens mij over in ‘Wees bereid IV’.

***

F. Starik debuteerde in 1987 officieel met de bundel Nepvuur. Daarvoor had hij in eigen beheer Mot, of de neerslag van de twijfel uitgegeven. Er volgden acht nog acht bundels, de laatste in 2013: Door. Daarnaast schreef hij onder andere brieven, romans en essays.

Recensie van Door - F. Starik

De schoonheid van het nihilisme

F. Starik
Door
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2013
ISBN 9789046814017
€ 19,95
80 blz.

Door is een veelzijdige, rijke bundel. Met bijna honderd pagina’s poëzie is het een weldaad van stemmen en stijlregisters.

Het openingsgedicht heet veelzeggend ‘Acteur’.

De hele wereld is een steiger
van de wankelste soort en jij
staat daar natuurlijk bovenop voor je beroep
doe je belangrijke mensen na

De dichter spreekt iemand anders aan, maar misschien kijkt hij wel in de spiegel. Acteren is namelijk een kernwoord voor de bundel: de stem die de gedichten vertelt, hult zich telkens in een andere gedaante, neemt een andere stem aan, beroept zich op andere herinneringen en waarnemingen. Een lastige taak, zo blijkt uit het einde van dit gedicht: ‘eenvoudig is het niet maar iemand moet het doen / in de schaduw van een ander boven op de steiger staan’. Dat is acteren, en dichten, kennelijk: zowel dienstbaar zijn aan je onderwerp, je rol, als borstkasroffelend de aandacht trekken.

Het laatste gedicht van de bundel, ‘Kapsalon’, bevat enkele contemplatieve zinnen: ‘Zo heb ik tenslotte geprobeerd te leven.’, waarna een kapper zijn haar knipt. ‘Zo heb ik. Ten slotte.’ En dan is Door uit. De bundel tussen die twee gedichten in is niet bepaald dwingend van toon, niet coherent, niet geëngageerd. Door is een rijke bundel die inkijkjes in het onsamenhangende, redelijk doelloze leven van een individu in de huidige tijd weergeeft. Een bonte verzameling observaties, anekdotes en gedachten die elkaar niet zoeken. Als de titel Het verband tussen de dingen ben ik zelf niet gebruikt was door Remco Campert, was het een sterke samenvatting van deze bundel geweest.
Zo krijgt de daklozenkrantverkoper bij de supermarkt in ‘Voices, voices’ een stem. Hij herkent de schrijver (‘Dat heeft hij op een foto in de krant gezien.’) en herinnert zich dat die de man eerder geportretteerd heeft. De laatste vier regels komen van binnenuit:

Hij weet echt alles man.
Hij is niet gek!
Nu wil hij graag vertellen van de stemmen in zijn hoofd.
Gaan we allemaal tegelijk met elkaar in gesprek.

Elders duikt een herinnering op aan Bert Schierbeek (‘De eksperimentelen. Zo sgreven ze dat.’) en een bezoek aan het huis van Jan Elburg (‘Mevrouw serveerde suikerklontjes met een tang. Hij liet me zijn verzameling speelgoedautootjes zien.’) en ook een anekdote uit het eigen dichtersleven ontbreekt niet:

de mensen zeiden dat het mooi was, vroegen
of je weleens vaker voorleest, want je kan dat
eigenlijk best goed en wat of dat je drinken wou.
Een vrouw van minstens zestig wilde weten
waar je dan van leeft, als je een dichter bent.

Door staat vol met teksten waarin de dichter zichzelf als buitenstaander positioneert. Het onderwerp van de bundel, het alledaagse leven, wordt er bijzonder door. Je ziet de dichter voor je, met de handen op de rug loopt hij langs en signaleert iets kleins wat de meeste mensen ontgaat.

Duiven. Je hebt er eens een met haar kont
uit de zojuist gedaalde brug zien steken,
dacht dat zij nog net naar binnen kon,
nest onder de brug, geen idee,
waar je maar een ei kan leggen.

Dit valt ook op bij gedichten die niet over de buitenwereld gaan, maar over het verleden:

Met oma in het Rijksmuseum, bedden
waarop je niet mocht proefliggen, tafels
waar je niet mocht aanzitten,
(…)
Er werd gefluisterd dat oma nooit de afwas deed
omdat ze vroeger voor concertpianiste studeerde,
dan zijn je handen je kostbaarst bezit.

Er valt weinig te ontdekken achter de relatief eenvoudige anekdotes. Niet alleen ontbreekt het Door aan welk engagement dan ook, poëtisch gezien biedt het evenmin erg weinig materiaal aan om te herkauwen. De gedichten ontwikkelen zich niet bij herlezing.
Toch vind ik de bundel rijk. Die rijkdom ligt aan de oppervlakte, schuilt in de schoonheid van het toevallige karakter van veel gedichten. Onverschillig gebeuren de dagelijkse dingen die pas een bijzonderheid worden als je er als de buitenstaander naar kijkt die in Door aan het woord is.

De comedyserie Seinfeld laat personages zien in hun kleine irritaties, hun dagelijkse routine, hun onderonsjes en herkenbare situaties waarin vooral kleinburgerlijk leed naar boven komt (een suède jas die kapotgaat in de sneeuw, uren wachten in een restaurant, slechte service bij de wasserette, mislukte afspraakjes). De gedachte achter Seinfeld is dat er nergens een gedachte achter zit. Door lijkt dit nihilisme ook uit te stralen. Maar evenmin richt de poëzie de blik naar binnen. Dit is geen bundel waarin persoonlijke, psychologische kwesties op de poëtische pijnbank worden gelegd. Wie op zoek gaat naar een diepere laag in de gedichten, komt bedrogen uit. Het is wat het is. Door heeft geen navel, geen hemel en geen hel, maar bestaat alleen uit de blik op buiten.

***
F. Starik (1958) was twee jaar stadsdichter van Amsterdam (2010-2011). Bij de afsluiting ervan verscheen een driedubbeldikke editie van de daklozenkrant waarvan in twee weken 20.000 exemplaren werden verkocht. Hij werd onderscheiden met het Ereteken van Verdienste van de stad. Voor zijn gehele oeuvre werd Starik in 2009 bekroond met de Amsterdamprijs voor de kunsten.
Van F. Starik verschenen eerder de bundels Nepvuur (1988), Nieuwe vleugel (2002), Simpele ziel (2002), De grote vakantie (2004), Rode vlam (2004), De verdwijnkunstenaar (2004), Songloed (2007) en Victoria (2009). Daarnaast publiceerde hij een brievenbundel (Mijn leven als museum, 1993), een essaybundel (De humor van het theezakje, 2010) en twee bundels met levensschetsen rond zijn bekende Eenzame uitvaartproject: De eenzame uitvaart (2005) en Een steek diep (2011).

Recensie van Een steek diep. Schetsen van verloren levens - F. Starik

Kronieken van een onaangekondigde dood

F. Starik
Een steek diep. Schetsen van verloren levens
Uitgever: Nieuw Amsterdam ,Nieuw Amsterdam ,Nieuw Amsterdam ,Nieuw Amsterdam ,Nieuw Amsterdam ,Nieuw Amsterdam
2011
ISBN 9789046811184
€ 16,95
224 blz.

Begin 2002 bedacht Bart FM Droog in zijn functie van stadsdichter van Groningen het concept van de ‘eenzame uitvaart’. Hij nam het initiatief om de uitvaart van een anoniem gestorvene op te luisteren met een gedicht, omdat zo zei hij, iedere dode immers een respectvol afscheid verdient.
F. Starik nam het idee al snel over en hij werd in Amsterdam de coördinator van Stichting De eenzame uitvaart, waarbij dichters bij toerbeurt een gedicht voordragen bij de begrafenis van een eenzame dode. Vaak een junk, een zwerver, een verwaarloosde bejaarde, een verloren gelopen illegaal of een verloederde professionele dronkenlap, maar soms ook gewoon een keurig net iemand, die alleen maar totaal, grondig alleen was. Starik doet daarbij zo volledig mogelijk verslag, van het gebeld worden over een nieuwe dode tot het vertrek van de begraafplaats toe, en een enkele keer zelfs nog van iets lang daarna.

Het is gemakkelijk om Starik en zijn dichters te volgen, want via RSS-feeds van de site zit je de Amsterdamse anonieme dood dicht op de huid. Sinds de start staat de teller (per 28 oktober 2011) op 136, wat neerkomt op een gemiddelde van vijftien vergeten doden per jaar.
Het nu volgende is een heel mooi voorbeeld van hoe het er rond zo’n uitvaart aan toe gaat.

Op 7 oktober 2011 schreef ‘noreply blogger (uw Starik)’ op de site van De eenzame uitvaart onder het kopje EENZAME UITVAART NUMMER 135:
"Zul je altijd zien. Twee dagen voor de presentatie van Een steek diep belt Ali Mahmood met een melding voor de ochtend na de boekvoorstelling, zoals ze dat in België noemen.
‘Een onbekende man, op zaterdag 10 september aangetroffen door de politie. Hij heeft zich verhangen aan een boom in een bosschage in de kruising Basis- Seine-, Rhôneweg.’
Mahmood somt wat uiterlijke kenmerken op: ‘Honderdtachtig centimeter, zwartgrijs haar, oogkleur onbekend. Geboortedatum onbekend. Hij wordt begraven op St Barbara, op vrijdag 7 oktober om negen uur dertig.’ Negen uur dertig, dat betekent om negen uur mijn huis verlaten. Dat betekent: niet tot diep in de nacht in de kroeg blijven hangen om de verschijning van dat boek te vieren.
Ik vraag om meer informatie. Er is een halfcirkelvormig litteken op zijn buik gevonden, waarschijnlijk als gevolg van een zware operatie. Hij droeg een zilveren ketting met een zilveren kruis eraan. […]
Ik bel Anneke Brassinga en lees haar mijn vers verworven kennis voor. Terwijl we aan de lijn zijn, google ik wat er naar buiten is gebracht, vind een foto van een paspop die zijn kleren draagt, en ook zijn schoenen. Ik omschrijf wat ik zie, wat ik lees. Het politiebericht bevat vrijwel dezelfde informatie als het ambtsbericht. Anneke betoont zich aangeslagen. ‘O God,’ zegt ze, ‘ocharme’. Ze zegt dat ze erheen zal fietsen, dat ze de plek wil zien.

Vrijdagochtend. Het is gelukt de nazit in de kroeg te vermijden. Het houdt bovendien precies op tijd op met regenen. Ik kan mooi droog naar St Barbara fietsen. […]
Dan voegt ook Anneke Brassinga zich bij ons. Ze heeft nieuw haar, veel korter dan ik mij herinner. Staat haar goed. Fris, zou je kunnen zeggen. Ze vertelt dat ze onder haar knipbeurt samen met de kapper naar ‘Ascenseur pour l’échafaud’ heeft gekeken. De lift naar het schavot, je moet er niet iets anders naast willen doen. Dan komt ook de uitvaartleidster met haar trainee aanwandelen. Een kleine, gezette dame, naast een Schoevers-achtige schoonheid. […]
Om half tien gaan we naar binnen. De overledene werd pas kort tevoren gebracht, we gaan rechtstreeks achter de moeizaam manoeuvrerende nieuwe baar aan de aula in.[…] We nemen plaats. ‘Herfst’ van Vivaldi, het adagio daaruit, eindelijk eens het juiste gedeelte. Die trage bas. De zwevende violen, de tegenmelodie, heel modern klinkt het, eeuwenoude popmuziek. Dan komt Anneke naar voren en leest haar gedicht voor. Ze is mooi aangekleed, geheel in glanzend zwart, dat haar tengere verschijning iets elegants verleent, alsof ze eigenlijk van adel is. Eerder was de fraaie snit van haar lange zwarte mantel al opgevallen. Duidelijk. Van een edeler soort. Ook haar stem zou je aristocratisch kunnen noemen: de zorgvuldige dictie, het uitgesproken geluid, hoe zeg je dat netjes."

Als Brassinga haar gedicht ‘Onland’ heeft voorgelezen, dat begint met ‘Ik ben de plek gaan zien waar ze je vonden./ Een flard politielint hangt er nog aan een tak’ en eindigt met ‘En wij hier kunnen alleen maar vol schaamte/ wensen dat jij, wie je ook bent, zacht/ zult rusten in de armen van ons aller aarde’, vervolgt Starik:

"Mevrouw Brassinga buigt voor de kist, neemt weer plaats. We luisteren naar het tweede en derde muziekstuk uit de categorie licht-klassiek. ‘Liebestraum’ van Liszt, denk ik, en nog iets. Het glijdt van je af als stond je in een lift. We wandelen naar het graf. […] Daar staan we en we nemen een moment van stilte in acht. Dan zakt de kist en wordt het schepje zand geworpen, het schepje dat nu definitief het omslag van mijn boek siert, precies dat schepje, mooi schepje, lief schepje."

Vier alinea’s verder, waarin Starik uitweidt over het kapsel van Brassinga en een van de uitvaartleiders allerlei begrafenisanekdotes opdist, besluit hij met "ik mag niet zulke abstracte verslagen schrijven, vind ik zelf. Ik hoef echt niet meteen aan een nieuw boek te beginnen. Dat gaat vanzelf."

Behandelde Starik in een eerder boek al de uitvaarten 1 tot en met 35, nu koos hij voor een selectie van 37 uitvaarten uit de bijna honderd die erop volgden. Het is gek genoeg geen zware kost, ook niet als je ze allemaal achter elkaar leest.
Iedere nieuwe dode heeft weer een ander levens- en overlijdensverhaal, we komen op diverse begraafplaatsen (Sint Barbara van de oude heer Degenkamp is favoriet, maar we gaan ook naar De Nieuwe Ooster, Vredenhof, Westgaarde en Buitenveldert), we leren de mensen van ‘De Dienst’ kennen (een kleine onderafdeling van de sociale dienst voor rampen, uitvaarten en pensionbeheer), zoals meneer Van Bokhoven en meneer Mahmood, die vanuit het Iraakse Koerdistan hier dit werk vond, diverse uitvaartleiders, de dragers, tot de koffieschenkers aan toe. Een opvallende plaats neemt nog de muziekkeuze in. Van klassiek tot modern komt er een breed scala aan gepaste afscheidsmuziek voorbij.

Uiteindelijk is alle dood in dit boek een vehikel voor de dichters. Zestien zijn het er, waarbij gezegd moet worden dat Tonnus Oosterhoff hier een dichter is zonder gedicht, want hij trok het voor dit boek terug. Starik zelf staat er tien keer in, Eva Gerlach vijf keer en van haar is ook het mooie gedicht dat het boek opent:

Vergezeld

Waarheid, meneer, wat moeten we daarmee.
Te pijnlijk om te willen zien. Bent u
het zelf wel, die hier naast mij ligt. Uw kist
draagt van een lichaam het gewicht, maar wie

garandeert welk, en wat heeft het aan mij
die woorden op u legt. Ik maak u zwaarder
met mijn op x gerichte medelijden.
Een factor aangetast als uw gezicht.

Over u ging het deksel dicht. Mocht ik
uw restje mond gebruiken, ik vertelde

ons hier bijeen de waarheid. Hoeren van de
rottige dood, die iedereen omhelst.

De kauwen op Sint Barbara zeilen boven
wat vaststaat, het verteren van uw vel.

Alle gedichten zijn natuurlijk puur maakwerk, in korte tijd, vaak binnen twee of drie dagen geschreven, maar ze hebben zonder uitzondering een heel speciale intensiteit. Behalve die van Starik zelf, vallen ook de gedichten van Anneke Brassinga, Neeltje Maria Min en Catharina Blaauwendraad op.
Adriaan Jaeggi, aan wie het boek is opgedragen, deed op 24 december 2007 uitvaart 85. Starik zet in zijn verslag: "Jaeggi vertelt dat hij echt moe is de laatste tijd. Vermoeider dan eigenlijk nodig is, zeg maar. Hij zal misschien eens naar de dokter moeten, vindt hij zelf." Starik memoreert het in zijn nawoord, en hij eindigt: "Een half jaar later was hij dood." Daarmee wordt ‘dood’ meteen het laatste woord van het boek.

Hopelijk is het project nog een lang leven beschoren en kan Starik in zijn wat onderkoelde, gereserveerde maar altijd eerbiedige stijl verslag blijven doen. Want de doden zullen er zijn, dat is wel zeker.

*****
F. Starik (pseudoniem van Frank von der Mohlen, Apeldoorn 1958) is schrijver, dichter, zanger en kunstenaar. Hij studeerde aan Rietveld Academie en Rijksacademie, fotografie en mixed media. Als dichter debuteerde hij na een bundel in eigen beheer met Nepvuur (1987). Daarna volgden Nieuwe Vleugel (1995), Simpele Ziel (2002), De grote vakantie (2003), Rode Vlam (2004), De Verdwijnkunstenaar (2004), Songloed (2007) en Victoria (2010). Zijn start als prozaschrijver was met de briefroman Mijn Leven Als Museum (1983). In 2009 verscheen de roman De gastspeler. De voorganger van Een steek diep was het eveneens bij Nieuw Amsterdam verschenen De eenzame uitvaart. Hoe dichters eenzame doden op hun laatste tocht vergezellen. (2005).
Hij ontving in 2009 de Amsterdamprijs voor de Kunst voor zijn gehele oeuvre. Van 2010 tot 2012 is hij de stadsdichter van Amsterdam.

Recensie van Victoria - F. Starik

De overwinning is aan de verbeelding!

F. Starik
Victoria
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2009
ISBN 9789046806821
€ 16,50
72 blz.

Aan de catalogus van het Palau de la Musica, de concertzaal van Barcelona, gaf de auteur de woorden van de Catalaanse dichter F.V. Foix mee: ‘Niets eindigt, alles begint’. Op de plaats van een oud kloostercomplex verrees in 1908 na een moeizaam proces van onderhandelen een wonderschoon architectonisch ontwerp. Nog altijd een sieraad voor de stad. Zo was te zien dat elk einde een nieuw begin in zich draagt. De levenscyclus die F. Starik in zijn nieuwe bundel beschrijft, loopt uit op ervaringen met de eigen dood en die van anderen, maar biedt tevens zicht op een nieuw begin: “Ik ben een zieke vogel/ die zijn vleugels niet meer spreidt,[…] Ik ben een leeg papier,/ verfrommeld, nat, verwaaid/ uit een kapotgescheurde vuilniszak/ maar ik ben er nog, ik ben nog hier.//”. Zeker als dichter!

Starik bezingt in zijn cyclisch opgebouwde bundel Victoria (2009) achtereenvolgens de liefde, de tijd en de dood: het begint met het gedicht ‘Victoria’ en eindigt ermee. Meer vindt u niet in dit geestelijk verzorgingshuis, aldus de dichter F. Starik. Het ontwerp van kleurvlakken, lettercompositie voor en getekend portret van de dichter achter op de omslag geven aan de bundel een aansprekende uitstraling. De woorden van Gerard Reve in zijn gedicht ‘Scheppend kunstenaar‘ vormen voor Starik de leidraad van zijn nieuwste bundel: ‘Naarmate ik ouder word,/ wordt, wat ik schrijf, hoewel fraaier verwoord,/ steeds enkelvoudiger van inhoud:/ liefde (of geen liefde), en ouder worden,/ en dan de Dood.//”. In de aantekeningen achter in de bundel geeft hij een overzicht van verwijzingen die de naam Victoria oproept. Voor een dichter die zich als vrijwilliger beschikbaar stelt om in Amsterdam mensen die vervreemd zijn van het leven en in eenzaamheid sterven, naar hun laatste rustplaats te begeleiden, gaat zonder meer de uitspraak op, dat we midden in het leven in de dood staan. Dat laatste is hem zijn nieuwste bundel tot leidraad geweest.

Als ik de verzen van Starik lees, stel ik mij zo voor dat er een groot, donker en sterk ironisch getint geluid uit de mond van deze dichter komt. Zijn poëzie verraadt een stevige spreektoon. Met zijn toonzetting lijkt hij ons een wereld te willen laten zien, als zijnde dat deel van het bestaande, waar de sterveling zich vergist. We wandelen een leven binnen vol met misverstanden, ergernissen, mislukkingen en verrassingen zoals in het gedicht ‘Volgende keer’:

Volgende keer

Als ik in een volgend leven terugkom, graag zonder
mondkapjes, plastic handschoenen, graag geen
verpleegsters met een mutsje op, leggende infusen
aan ziekenhuisbedden, graag zonder ziekenhuizen

in het algemeen, helemaal geen. Als ik in een volgend leven
terugkom, graag, laten we dan in ieder geval een paar
dingen afspreken: geen verrassingen meer, laat ons
de volgende keer allemaal tegelijk het pand verlaten

niet dat telkens zomaar iemand, terwijl we staan
te praten, ertussenuit wordt gehaald, midden in een gesprek
vertrekt, alsof er een mobiel afgaat – die neem je even op.

Dat er ergens iemand aan je denkt. Worstelt met een vraag alsof
jij daarop een antwoord weet. Dat dus allemaal graag niet nog
een keer. Mobieltjes uit. Mondkappen af. Zo niet meer. Stop.

Wij lopen door straten waar de dood zich vrijelijk doorheen beweegt. Enkel de weerloze liefde voor Victoria lijkt een antwoord op deze niemand ontziende dreiging, de aftakeling is echter onafwendbaar.
Zijn parlandotoon is aantrekkelijk en irritant tegelijk. Hij beweegt zich daarmee op de grens van poëzie en proza. Poëzie als ingedikt proza en proza als uitgelegde poëzie. In ieder geval is hij in staat je anders naar de vanzelfsprekendheden van ons dagelijks bestaan te laten kijken, met als gevolg een vervreemdende ervaring. Zijn alledaagsheid gaat hand in hand met die ontnuchterende vervreemding. Deze kwaliteit beschouw ik als één van de voorwaarden waaraan aansprekende poëzie moet voldoen. Hij is goed in staat situaties, emoties, omstandigheden te cursiveren en in hun tegendeel te doen keren. Zijn poëzie kent een heel eigen mengsel van een alledaagse sfeer en een ironische toon. Ze heeft iets parmantigs, iets van tegen beter weten in de moed erin te houden. Zo’n uitroepteken achter het laatste titelgedicht ‘Victoria!’ getuigt daarvan.

Starik is een dichter die het nog wel even moet aanzien of de dingen zijn zoals ze zijn. Zijn toonzetting is een tikkeltje recalcitrant, eigenzinnig. En absurdistische trekken zijn hem ook niet vreemd, zoals in het gedicht ‘Last post’: “Of ze haar bril ook in de kist zal dragen/ nu ja, de kist -/ […] Ten slotte, ze durft het nauwelijks/ te vragen, wil ze graag weten of er mensen/ zijn om de plank het vuur in te dragen.//” Ik moest er even aan wennen, toen ik in zijn nieuwste bundel begon te lezen. Gaandeweg heb ik zijn kijk op het leven en toonzetting leren waarderen. Hij blijft dicht bij de realiteit van alledag: een zoon die nog laat het licht laat branden, de blauwe doos van Ikea op de terugweg naar Haarlem, de Turkse bruiloft in de straat, pootjebaden in Bakkum met de kwallen om je heen.
Aangezien er nogal wat gedichten tussen zitten die voor het podium lijken geschreven te zijn, krijgen die al lezend niet de extra dictie, die ze wel krijgen als ze zouden worden voorgedragen, om zodoende tot volle ontplooiing te komen. Neem het gedicht ‘Vaas met ster en barst’: “Knaagt hem het besef dat hij nooit/ zal oogsten, dat hij maar voor de sier/ op tafel staat, ontgaat hem dat hele concept/ van bloeien al, of is die rijke knop een beetje/ verlegen hier, sloof je niet uit, voor wie?//” Een gedicht als ‘Hyves’ over zijn nieuwe vriend Hans, één van de 151 vrienden, aangeraakt door de bewondering, mondt uit in een afmelding van de ik. De ervaring van de intieme anonimiteit op Hyves krijgt in dit gedicht naar vorm en inhoud niet voldoende poëtische spanning mee.

Er staan nogal wat anekdotische gedichten in de bundel die het vaak van de laatste versregel moeten hebben, zoals in het gedicht ‘Proefrit’ waarin de ik met de liefde van zijn leven een proefrit maakt. Ze suizen geruisloos over de weg: “Stel dat er een zwaan opvliegt.//” Die regel intrigeert en stelt het gehele gedicht in een metafysisch licht. Soms vormen enkele woorden als slotakkoord de vuurpijl die bij de lezer afgaat, zoals in het gedicht ‘Valse start’, waar de jij een onaangename ervaring moet zien kwijt te raken: “Raar spul eigenlijk, verdriet.//” Of in het gedicht ‘Huis’ waarin we net doen alsof de afwezige nog aanwezig is: “Nu doen we net of je er bent,/ […]Victoria vouwt kleren op, zuigt stof, drapeert een kleed/ over de bank/ […] en verandert weer het licht. Alsof//”. Dat woordje ‘alsof’ zet alles weer op veelzeggende wijze op losse schroeven en maakt de cirkel van het gedicht gesloten en open tegelijk.

Stariks verzen zijn naar de vorm genomen conventioneel: strofen en versregels van (on)regelmatige lengte, overwegend geen rijm, wel parallellie en enjambement in de versregels. De vormgeving oogt overzichtelijk. Zijn poëzie leest als gesproken taal, met zo nu en dan opsommende delen, maar ook momenten waarop je meent dat de dichter met je in gesprek lijkt te gaan. Hij gebruikt nogal eens de gebiedende wijs en infinitief- en deelwoordconstructies. Technische middelen, die goed zijn voor tempoversnellingen in het vers. Hij wijst de lezer graag de weg in zijn waarneming. Zijn gebruik van de gebiedende wijs komt soms wat dwingend over.

De eerste afdeling over de liefde onder de titel ‘Daarom dansen wij niet’ opent met het gedicht ‘Victoria’, de bewierookte geliefde. Het gedicht sluit af na de wedren om ophalen van het stapelbed, zoals zoveel gedichten die een heel anekdotisch verloop kennen, in een omkering van standpunt of perspectief. In dit gedicht wordt het verzamelen en bijeenbrengen van de spullen en de geliefden veranderd in een zich buitengesloten weten bij de ik: “Te zwaar beladen kwamen/ we eindelijk thuis. Ze belde aan. Ik kon niet/ opendoen. Ik moet nog altijd buiten bij haar staan.//” De laatste versregel draagt op verrassende wijze een ambigu karakter, zoals ook het geval is in het gedicht ‘Ohm’: “Wij moeten nu worden wie we nog niet waren/ in plaats van degene die we dachten dat we zijn.//” Het gebeurt wel vaker dat Starik op die manier de poëtische spanning aan het eind opvoert en tot verrassende ontlading brengt.
Aan de poëzie van Starik is humor ook niet vreemd. In het gedicht ‘Stout’ weet de ik als ontwerper van een revolutie op behagebied zich in een bepaald jaar “uitgeroepen/ tot de meeste innovatieve drager in wijde omstreken,/ de omstreken van de berekening, ja daar.//” De humor krijgt bizarre trekken in de ‘Stofzuiger’ die Victoria begraven wil zien naast de kip die ooit haar laatste rustplaats op het schoolplein had gevonden. De herinnering aan de schooltijd van Victoria wordt geëxtrapoleerd in een bizar verzoek aan de vroegere leraar voor een begrafenis van de stofzuiger naast de botjes van de kip. Wel instemming, maar “Er kwam geen kruis want wat schrijf je daarop?/ Stof tot stof.//” Een treffende zwenking van het alledaagse naar een Bijbelse notie in de laatste drie woorden.
De jij weet: “er komt een dag/ dat je opstaat, dat gore bed verlaat en de wereld/ iets verschrikkelijks zult laten zien.//” De ik houdt van vrouwen met een randje en wordt uitgedragen “tot meest innovatieve drager in wijde omstreken,/ de omstreken van de berekening, ja daar.//” De ik is liefhebber van tweedehands kleren en verschijnt naakt voor de lezer, legt zichzelf aan hem uit, maar weet niet wie het zegt. We lopen rond in het dagelijkse leven van de ik en Victoria. Een afgebroken huis. Er komen gasten over de vloer met bizarre verzoeken om een vijver te graven in haar tuin waarin je kunt verdrinken. Een werkster die het huis kuist. Spreeuwen die doen denken aan mensen: “Een boom vliegt op en blijft toch achter./ Noem het God. Het individu opgelost/ in een groter genot, /”. In die bedreigende samenleving is er dan Victoria “die nooit over maatschappelijke problemen praat./ Victoria, met wie ik samenleef, die graag/ cadeautjes weggeeft aan de keukenla/ waar volgens vader alleen messen lagen.//”.
Victoria zegt dat ze de stilte kent, ze heeft ernaar gezocht, zo lezen we in het gedicht ‘Ze zegt dat ze die stilte kent’: “Bij het verlaten van de markt/ merkte ik pas op hoe grote stilte/ in mij daalde, groette de groenteman/ waar ik mijn kropsla haalde// maar sprak te zacht, ontmoette een kennis,/ schudde handen, alles goed, goed, och… ik knikte/ met mijn hoofd, bleef zoet zwijgend naast/ haar staan, betaalde. Het was alsof// alle geluid in mij werd uitgewist, kinderen/ op de fiets, het gillen van de tram in zijn vaste baan,/ de flauwe bocht – aardbeien ene euro de hele kist -// ik hoorde niets, het zoog zich allemaal in mij op/ en werd daarbinnen uitgedoofd. Victoria zegt/ dat ze die stilte kent, ze heeft ernaar gezocht.//” Eén van de betere gedichten waarin de onvrede en onrust over het naderende einde even tot bedaren lijkt te komen. Met zijn woorden sticht hij eeuwigheid. In zijn reiken naar de uiterste grenzen van de taal weet hij zich gelokt door de stilte. Harmonie. Is dat wat de overwinning inhoudt?

De tweede afdeling ‘Wat zal ons overleven’ opent met het gedicht ‘Spreekt vanzelf’ met als slotregel: “Niets zal ons nog overleven.” Internetsites en antwoordapparaat zijn beide communicatiemiddelen, maar hun anonimiteit kwalificeert ze tot vluchtige middelen die de communicatie een weinig oprecht karakter kunnen meegeven. Bloemen waarvan de stengels zijn afgesneden toen ze in de vaas werden gezet, symboliseren de vergankelijkheid. Bezoek aan de dokter in het ziekenhuis stemt ook al niet gerust. “Het is niet erg gewoon te zijn/ of oud en ziek, zolang je het zelf/ niet in de gaten hebt./” In het gedicht ‘Last post’ ironiseert Starik de moderne vormen van begraven: de wijze van aankleding in de kist, en hoe dan ook in een kist of slechts op de plank het vuur ingedragen te willen worden. Maar daar is dan in het laatste gedicht van deze afdeling de dichter die nog enig geloof hecht aan zijn voortbestaan na dit leven, maar dan wel in zijn poëzie: “Hoe je woord voor woord uit jezelf opstaat/ en daarna weer uitwist, schrapt, of je verandert dit/ in dat omdat jij dit beslist niet bent, of dat niet mooi/ genoeg is opgepoetst met je glanzende begeerte/ tussen de anderen, die je godbetert hebben geleerd/ waar jij je leven voor gaf, te worden wat jij je droomde./ Een leeg vak tussen twee woorden. Om daar/ waar je al die tijd woonde, te wandelen.//”.

De derde afdeling ‘Driehonderd vrienden en niemand online’ opent met het gedicht ‘Death on the internet’, waarin de draak wordt gestoken met die zogenaamde vergankelijkheid van ons. Er is immers sinds kort een vorm van leven na de dood: “zo groeit het internet om ieders leven heen./” Staan er eenmaal gegevens van je op internet: “Je bent een muisklik van de eeuwigheid verwijderd.//” De dichter verdiept zich in de loop van deze afdeling in het fenomeen van de dood en het sterven: “Om de dood te leren kennen/ moet je eerst weten hoe de dood bij jou/ werd binnengebracht./ “ Hoe kun je verweren tegen de ziekte die je zal treffen en de dood die daarop volgt? “Ze zeggen dat ieder mens/ de ziekte krijgt die bij hem past/ zoals de baas op den duur het gezicht/ draagt van zijn hond,/”, maar dat wens je een jong mens niet toe. “Zelf sterven is het ergste niet, het zijn de mensen/ die dag komen zeggen, die willen achterblijven/ met hun stomme verdriet./” Dit soort pakkende versregels maken de derde afdeling voor mij de moeite waard.

In de cyclus ‘Jeugd tot stof’ laat Starik de jeugdige idealen verwaaien in de tijd. Jammer dat hij in het derde gedicht een paar versregels heeft staan zoals: “Niets bereikt hebbenden.// Onzeker laverenden van sterfgeval tot sterfgeval./”. Deze afdeling kent nogal wat gedichten met een treffende pointe. Maar er is ook die nieuwe oom “die het leven vergeleek/ met een busrit. Onderweg stappen er mensen in/ en uit. En jij moet blijven zitten tot het eindpunt.//” Maar in hetzelfde gedicht staat de versregel: “Winter maakte plaats voor lente./” Er is het hardnekkige verzet tegen het voorbijgaan van de reis. Tegen beter weten in “Jezelf omhelzend dans je door de kamer op een lied/ over een bevroren meer onder ene ijsblauwe hemel/ die moet leren om te regenen, en hij kan het niet.//”. Weg met de dood. De overwinning is aan het leven, beter aan de verbeelding!

Starik laat ons getuige zijn van zijn verontwaardiging dat het leven zijn einde neemt. Hoe kom je de winter met de naderende dood door? Het bezoek aan het graf van een geliefde laat ons niet meer over dan er bloemen neer te leggen. Tot de volgende keer, zeggen we dan. Maar zo lang je er bent, al is het maar op een verfrommeld stuk leeg papier, leef de overwinning. Naarmate ik deze gedichten van Starik meer tot me door liet dringen, gaven ze me een verfrissende blik op de vergankelijkheid van het leven van gewone mensen. Starik heeft een bijdetijdse bundel geschreven met een aantal memorabele confrontaties met de vergankelijkheid.

Gedichten

Tweedehands

Je draagt nu eenmaal graag gevonden kleren.
Dingen die je zelf van straat opraapt.

Dat is niet nieuw vriend, velen gingen je voor
op dat beduimeld pad, noemden het pad duister
en begrepen niet waarom het buiten eerst steeds wel
en later nooit meer donker werd, niet helemaal.

Iedere maandag schrijf je dat op.
Je raadpleegt je adressenboek tot aan het einde
van het alfabet, een half uurtje op de bank – een relatie
beëindigen, hoe doe je dat? Met wie? Hoe te beginnen?

Waarom nog begonnen? Alles wordt eens afgedankt.
Je wou een plankje verven of in de vouw een gat gebrand.
Gesleten op de billen en een glimplek op de mouwen.
Hopeloos altmodisch. Ongelukje met de kwast. Alles lekt.

Daar zit je, onderuit gezakt.
Met je onafscheidelijke sigaret op je door anderen
afgeschreven tweezitsbank. Je leest adressen
van gezichten die je half vergeten bent
nu je in je strenge onvolmaaktheid over bent gebleven.

Zou Annabel misschien beschikbaar wezen
kan ik bij Zwaantje nog terecht?

Tweede leg

Het geweld uit de valpijp, de terugslag
van de vlotter in het reservoir, het zuinige
sissen van het pijpje naar de stortbak.
Je komt je handen wassen in de keuken
het is gelukt zeg je – we luisteren naar
het ruisen van de aanrechtkraan, het zeepje
klettert in het malle bakje naast de nagelborstel
en het natte lapje, de matte klap van de theedoek
vochtig, uitslaan, alsjeblieft, geef me een schone aan.

Met schone handen nu schets je de contouren
van je product en drijft een zware grapefruitlucht
de keuken in, de nieuwe luchtverfrisser, die telkens
twee keer zucht, een keer als je binnenkomt
een keer als je weer naar buiten gaat.

Partycentrum, Almere

Ik heb Evert gevraagd om te komen zingen
op het exotisch themafeest nu ik Bert ga trouwen.
We kozen een feestzaal met een intiem, knus karakter.

’s Middags zijn de foto’s in een tuincentrum gemaakt.
De natuur ziet er in dit seizoen zo verlept uit.
We moesten voor een kerstboom staan.

Het huwelijk zal ervoor zorgen dat het afgelopen is
met Bert’s onzekerheid, al heb ik Evert gevraagd
om vanavond in de feestzaal te komen zingen.

Droomland. Dat heeft hij op de begrafenis van mijn vader
ook gedaan. Het was zijn mooiste optreden ooit,
zei Evert later. Vanavond zingen we het samen.