Gedichten

Zes gedichten die de aandacht trokken tussen de inzendingen in de tweede ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Jordi Lammers (1996)

Vaste vormen

Als ik mijn handen rond je middel leg
kruipt er in plaats van een vlinder
een bij uit je navel.

We zoeken altijd naar dingen
die ons bang maken. We zingen
wilde dieren naar de tent. Drukken de
angel dieper en dieper in de huid.

Het liefst breken we de blauwe
lucht met onze woorden open

knippen we onszelf
tot vaste vormen
figuren die voor eeuwig
en eeuwig in verhalen wonen.

Tot dan geven we de bijen
vrij spel op onze polsen
wachten we op onverwachte
zwarte wolken in de zomer.

Riet van Schie (1951)

Monoloog

Eerst scheppen we een kuil om veiligheid te creëren
van het zand dat loskomt kunnen we een muur bouwen

zegt ze, haar woorden omvatten het gesprek van de avond
waarin wij zoekend en zij altijd waakzaam met oplossingen

komt als er iets dreigt mis te gaan. Ze draait haar hoofd
vergeet het zwart en al ratelend over vorige reizen pakt

ze opnieuw haar koffer in. En wij die zwijgend op haar
jaren drijven zien de parallellen met een oud patroon

we herkennen haar erin. Gedwee graven we een kuil
geven geen krimp, wachten tot het zand zijn storm vind.

Joris van Tol (1985)

Toffler

Ik ben niet zo’n jongen. Ik ben niet
zo een jongen. Als dat fokking ding
inslaat, ben ik niet zo’n jongen. Ik
kijk de tunnel in. Het antoniem van
regenboog. Ik schrik, draai me om
en klim snel weer terug omhoog.

Tania Verhelst (1974)

WAS

Samen spannen wij over lange linten wind
haken ogen in elkaar, knopen mouwen los
het gesponnen lichaam uitgestald als was
het een veelvoud van zichzelf, als was het
een wapperend pamflet van armen en

benen voor even vacant. Hoe graag zou ik ook
mijn binnenkant ondersteboven binnenstebuiten
zo onmogelijk overzichtelijk op één lijn hangen
om het dan ‘s anderendaags als een hemd
in een la terug te vinden, fris geurend naar

verdriet.

Henk Kooy (1952)

verdriet

heb je het meisje
bij de bushalte gezien,

terwijl haar waarschijnlijke moeder
haar veters knoopte,
en de chauffeur
niet wachtte en gewoon doorreed,
over de pop van het meisje reed,

en het meisje
helemaal niet huilde om de pop,
maar dat de bus zo maar vertrokken was,
en dat terwijl haar moeder
de veters van haar schoenen knoopte,
en de chauffeur niet wachtte,
huilde het meisje even later om haar pop,
waarvan de aderen in de arm bruut waren platgereden,
en huilde het meisje niet meer om de bus,
die zo maar vertrokken was,
terwijl haar moeder
enkel en alleen haar veters knoopte,
huilde het meisje ook niet om de pop,
of om wat er nog van over was,
maar keek ze naar haar moeder en zei,
vol verdriet dat een veter weer was losgegaan,

zijn er helaas nog
te veel buschauffeurs
die zomaar over poppen van kleine meisjes rijden

Mart Stel (1961)

Zijn

Wachtende lagen heb je aangetrokken,
fluwelen leeuw de dagen voor de jacht
Je kijkt en ziet
niets van jouw gading
Of niet iets wat je mist
Je houdt de koude buiten en laat de warmte niet toe
Je sluit de luifels, koestert je verlangen

Jouw binnenzijde is je huid geworden,
schurende schubben tegen ruwe bast
Geschaafde korsten,
wonden werden weefsel,
brood weer deeg en gist
Je behoudt de waarden en vindt niets allang genoeg
Je opent luiken en laat de schaduw binnen

Je bent bekleed met zachte mossen,
de druppels glijden van je vacht
Onhoorbaar zwem je
in de bosven van jouw nacht
Eén met het water één
Je zwerft door de wouden, lacht
Je rust op een steen en wacht op wat gaat komen

Recensie van Er loopt een gedicht voor mij uit. Bloemlezing door Ingmar Heytze - Guillaume van der Graft

Een overbodige ode

Guillaume van der Graft
Er loopt een gedicht voor mij uit. Bloemlezing door Ingmar Heytze
Uitgever: Atlas Contact
2016
ISBN 9789025447045
€ 24,99
160 blz.

Ja, op zich wel mooi, zo’n ode aan een dode dichter.

Ingmar Heytze wijdt hem aan Guillaume van der Graft, of Willem Barnard, zoals hij werkelijk heette. Bijna een eeuw geleefd, van 1920 tot 2010, en daarvan twee derde gedicht. Ergens eind jaren negentig herontdekt als ‘oudste jonge dichter van Nederland’ volgens de achterflap van de verzamelbundel die Heytze samenstelde.
Dat omdat hij hem tegenkwam op zijn rentree tijdens een Nacht van de Poëzie in Vredenburg. En omdat hij sindsdien bevriend raakte met de man en twaalf jaar mooie ontmoetingen met hem deelde.

Wringrijm

Ja op zich mooi, zo’n ode.

Maar misschien heeft de verzamelaar toch te zeer een roze bril van adoratie op gehad bij zijn selectie.
Want ik vind het teveel.
Of beter gezegd: teveel aan poëzie die mijn toets van kritiek niet kan doorstaan.

Nu kun je twisten over elk gedicht, ik weet het. Voor elk beschreven blad is altijd een waarderend lezer te vinden. En misschien moet je zo’n uitgebreide bloemlezing van een dode dichter (ruim honderd gedichten) plaatsen in zijn tijd, maar toch is er een aantal ‘eeuwige’ criteria waaraan een beetje appetijtelijke poëzie moet blijven voldoen.

Zo is een besliste no-go-area toch wel het ‘wringrijm’ in bijvoorbeeld het gedicht ‘Monogamie’.
Na de eerste vier regels in keurig abab volgen de volgende vier:

te komen in een onbetreden hof,
een tuin die altijd maagdelijk zal blijven

omdat ik daar als enige vertoef
en daar de hemel vind gespiegeld in een vijver

Afgezien van de uit dit gedicht opstijgende spruitjeslucht, rijm je goed als dat dan moet, en als je dat niet ziet, dan rijm je niet.
Was het een grap, dan had ie gekund. Maar die ontgaat me dan hier en ook op de andere plekken waar het rijmen vergelijkbaar tenen kromt.

Mummie van woorden

Een ander oerzonde voor elk niet-Sinterklaas-gedicht is toch dat, als je dan vindt dat je moet rijmen, dit nooit tot wrakke zinnen dwingen mag.

De laatste strofe uit het gedicht met de toepasselijke titel ‘December’ geeft meteen nog een ander probleem met de bundel aan: veel gedichten zijn qua taal verouderd. Als je dan een erebundel voor de ‘oudste jonge dichter’ maakt, dan moet je volgens mij anders selecteren:

( … )
komt het mij weer als vroeger voor, of onder
een einder die zich naar mij overboog
de ophaalbrug tussen mij en het wonder
aflaat van zijn wanhoopsgebaar omhoog

Verder in de bloemlezing veel gedichten met of over God – Barnard was een theoloog en dat mogen we weten – maar ook veel zonder enige mystiek. Al beweert Van der Graft dan soms in niet mis te verstane woorden het tegendeel. Of is dit gedicht zelfspot soms?

Een mummie van woorden

Geen god vertoonde
ooit zijn gezicht

en geen gedicht
spreekt onomwonden,

verzegeld verzegeld,
egyptisch graf,

zo wacht ik af
in al deze regels

of ik zal worden
gevonden, verstaan,

een mummie van woorden
onder het puin vandaan.

Nee en Ja

Andere nog gelezen doodzondes voor gedichten, zelfs van dode dichters:

–  Nikserigheid: gedichten waar geen enkele toevoegende gedachte of emotie in te ontdekken valt
–  Te simpele versjes als gedicht gebracht
–  Teveel gedichten over dichten, wel zo’n tien. Een blijk van gebrek aan inspiratie
–  Teveel gebruik van abstracte begrippen; killers van een goed gedicht.

Was er dan geen enkel gedicht dat me beviel?

Ja dat was er wel.
Ik kwam tot zo’n tien bladzijden waar het oor inbleef. (Maar tien uit ruim honderd. Is dat genoeg?).
Deze is daarvan mijn favoriet:

Ja en Nee

Op iedere boom schrijf ik ja
maar nee op de bladeren

in iedere steen schrijf ik nee
maar ja over de stad

ik schrijf ja over jaren
nee schrijf ik overdag

neemiddaglicht het vale
ik schreef nee op haar haren

maar ja in de palm van haar hand

Respect voor de dode dichter

Ja, op zich wel mooi, zo’n ode aan een dode dichter.

Maar deze had tot een kwart van de huidige dikte beperkt moeten worden. En dan is sterk de vraag wat er dan meer te zeggen is dan de dichter zelf nog bij leven deed in Praten tegen langzaam water (2007) en waarvan Willem Barnard zelf zei: ‘Ik heb ze allemaal herlezen, de vele, vele gedichten die ik in meer dan zestig jaar op de mensheid heb losgelaten, roedels poëzie die keften tegen de maan en buitelden in de zon.
Met deze kan ik het beste overweg’.

Ingmar Heytze en uitgever Atlas Contact hadden het wellicht beter bij een heruitgave van die bundel kunnen laten. Van der Graft draait zich denk ik om.

***

Van der Graft is de dichtersnaam van dichter, essayist en theoloog Willem Barnard (1920-2010). Barnard publiceerde talloze gedichtenbundels en beschouwingen over de Bijbel. Bekende publicaties zijn onder meer Lijfeigen. Liefdespoëzie 1942-2002 en de dagboeken Anno Domini en Een dubbeltje op zijn kant.
Met Praten tegen langzaam water (De Prom, 2007) maakte Van der Graft de balans op van zijn gehele oeuvre, uit de periode 1942-2006. Uit het werk selecteerde Van der Graft wat hij wilde overleveren.

Recensie van Ruimtedier - Elmar Kuiper

Een zwarte tangrampuzzel

Elmar Kuiper
Ruimtedier
Uitgever: Atlas Contact
2016
ISBN 9789025446499
€ 19,99
64 blz.

Een goede poëziebundel is een sudokopuzzel van de psyche, een levenscryptogram, een tangram van het bestaan. En dat met taal als tovenaarsstaf.
Zo’n bundel geeft je het genoegen of desnoods de onstuitbare drang om niet alleen elk gedicht erin te doorvoelen, maar daarna ook ieder deel waaruit ze bestaat, en op basis daarvan uiteindelijk ook haar geheel.
Ze moet zich niet te gemakkelijk gewonnen geven. Meerdere interpretaties mogen en moeten strijden om aanvaarding. Maar uiteindelijk wil de puzzel naar een acceptabele oplossing. Niet één definitieve, als de sudoko, maar wél één waarmee je de bundel haar plek geeft ten opzichte van jou als lezer. Misschien nog het meest als een tangrampuzzel dan.

De nieuwe bundel Ruimtedier van Elmar Kuiper leverde mij beslist zo’n intrigerende puzzel. Het is een bundel die vragen oproept. Die in delen aantrekt en in andere afwijst. Die soms toegankelijk genot geeft, soms ook stevig geestesvoer en even later weerzin opwekt of desinteresse.

Of ik er uiteindelijk een bevredigd beeld van heb kunnen maken?
Geheel in lijn met het karakter van de bundel: voor een deel. Voor een ander deel dus níet.

Toch raad ik je aan de bundel zelf te kopen en te lezen. Er zit veel interessante poëzie en deels ook ultrakort verhaal aan de botten van Ruimtedier. En bovendien nodigt de bundel van harte uit om er je eigen sudoko, cryptogram of tangram van te vormen. Ben benieuwd of je je dan -deels- herkent in mijn overwegingen hier.

Negatief beeld

Wat is dan mijn gelegde tangramvorm met de stenen van Kuipers bundel?

Als geheel is het geen plezierig beeld wat er uit naar voren komt. De mens en het leven zijn in de meeste gedichten uit Ruimtedier maar meewarige fenomenen waaraan weinig plezier te beleven valt. In bijna alle eerste zinnen van Kuipers dichtwerk zit wel een woord met negatieve toonzetting. Het leven is lijden en zelfbedrog langs ‘vluchtwegen en dwaaltunnels van licht’.

De mens is een dier als een beest in de slechte zin van het woord. En dat moet er volgens Elmar Kuiper nog maar es goed ingewreven worden. Ook de ‘ruimte’ uit de titel lijkt niet de positieve betekenis te hebben van ‘vrijheidsgraad’ of ‘ontwikkelmogelijkheid’. Ruimte is in Ruimtedier meer de oneindigheid waar je in verzuipt en geen vat op krijgt. Sterker, waar het zelfbedrog zijn hoogtij viert.

Waar mijn weerstand of soms weerzin tegen de toon van sommige van Kuipers gedichten ontstaat, is daar waar die naar mijn indruk belerend of hooghartig wordt. Er staat een aantal van die gedichten in de bundel. Met name in het een-na-laatste deel ‘Positie’, waarin de dichter zich hardop lijkt te willen uitspreken over wat hij eigenlijk van de werkelijkheid vindt.
Misschien met ironie of cynisme bedoeld, maar ik lees wat er staat en geef weer wat het mij doet. Hier als voorbeeld het gedicht dat ook de titel gaf aan de bundel en waarin ook de eerdere ‘vluchtwegen’ en ‘dwaaltunnels’ deel van uitmaken:

“Verlichting

Het leven is een dronkenmansrit over vluchtwegen en
dwaaltunnels van licht. Mensen lijven gedachten in
en leven in hun cockpit vol ijdelheid. Snappen ze niet
dat de naald van het leven hun doorprikt, dat ze knappen
als blaasjes? Nee dat snappen ze niet. Daarom wuif ik ze
uit, als ruimtevaarder die geloven in hun missie.
Dat ze maar lang en gelukkig mogen leven,
hun astronautenbestaan cachet geven, los van de aarde
en de wormen zweven, als witte gieren in hun schitterende
vaartuig, rondcirkelend in hun kosmos, waar elke stap
een reuzenstap is op weg naar verlichting.”

In dit sleutelgedicht blijken een aantal volgens mij zwakkere maar ook krachtige kanten van het ‘dichtmanschap’ van Kuipers.

Naast het zo nu en dan moraliserende vind ik ook enkele taal- en vormaspecten, die deels ook elders terugkomen, minder sterk. Ook hier het ‘modernisme’ dat je ook veel bij andere actuele dichters ziet: het als poëzie opdissen van tekst die naar mijn gevoel feitelijk proza is..
Ook bij dit sleutelgedicht vind ik, zoals ik ook al in eerdere recensies aangaf, dat het taaleigene van de poëzie zó beperkt benut wordt dat daarbij volgens mij geen sprake meer van is van poëzie. Of het moet het onregelmatig afbreken en niet uitlijnen van regels zijn, wat ik dan een moedwillig overkomend zwaktebod vind. Ik knap erop
af.

Mij roept de negatieve teneur van de bundel ook de vraag op naar de noodzaak of wenselijkheid daarvan. Zit je te wachten op een bundel die de hardheid van het leven en het menselijk bestaan er nog eens inwrijft? Terwijl je dit al dagelijks in alle rauwheid ondervindt? Zou niet elke poëziebundel niet juist -ook- zachtheid en troost moeten bieden? Harde tekst bestaat er digitaal en zwart gedrukt al genoeg.
Ik ben benieuwd naar reacties van lezers op deze vraag en veronderstelling.

Verbeeldingskracht

Een belangrijke kracht van Kuiper is zijn verbeelding. Zijn vermogen om in enkele woorden een levendige voorstelling op de wekken. En in één enkele dichtregel wel vier.
Zijn zinnen en gedichten ademen verbeeldingskracht. Ze zweten ze zelfs. Zoals in de slotzin van het openingsgedicht:

“Stuur de jongen terug. Zijn maanvis kan niet ademen.
De Adam in zijn zweethut heeft niets menselijks meer”.

Het sterkst vind ik deze in het tweede deel van de bundel, met de titel ‘Dat hij iemand is’. Daar ervaar ik ook de meeste consistentie in Kuipers gedichten.
Hier niet de soms bij elkaar gezapte beelden van een avondje verveeld gezakt voor de tv, zoals soms elders wel naar mijn indruk, maar samenhang en uitwerking van een eenmaal gestart poëtisch verhaal in enkele krachtige strofes. Kuipers op zijn best wat mij betreft. Wel steeds weer met de hem eigen toon van neerslachtigheid en ondraaglijke lichtheid van dit bestaan.

Zoals in het titelgedicht van deel twee:

De verkouden stem

Dat hij iemand is, iemand moet zijn. Iemand,
met een oortje in, die luistert naar de verkouden
stem van de man met de zwarte nagels.

Dat hij hoort dat niet hij, maar iemand anders
op handen gedragen wordt, zoals het gothic
meisje dat wit en slap uit de moshpit

in zijn handen dreef. Dat hij zonder oortje in
luistert, duisternis spelt zonder grunt. Er niemand
immens hoeft te branden in zijn naaldwoud.

Een mooie licht mystificerende ode op de veiligheidsman. (Helaas wel met de voor mijn gevoel weer volledig functieloze regelafbreking).

Zo’n tweede sfeervol gedicht staat er naast:

Amen

‘Aan tafel’, roept een man.
Hij slaat een kruis.

En nu begin ik, denkt hij.

Je hoort hem niet zeggen
dat hij een bonsai is
die klimt naar het licht.

Dat hij opschept en doet
wat hem is aangeleerd:

scheuten pijn
te verdringen,

star op te lepelen, te eindigen,
op te staan, van tafel te gaan,
alsof het daarmee gezegd is.”

De benardheid druipt ervan af in deze kleine zwarte tangrampuzzel.
Met beelden en sferen die binnenkomen.

***

Elmar Kuiper (1969) schreef onder andere vier Friestalige bundels: Hertbyt, Ut namme fan mysels, Granytglimkes en Hiemsiik. Zijn eerste Nederlandse bundel was Hechtzwaluwen (2010). Er verscheen ook een tweetalige bundel onder de naam: Roep de rottweiler op! / Rop de rotweiler op! (2006). Zowel Kuipers Friese als Nederlandstalige poëzie werd genomineerd voor het beste debuut, respectievelijk voor de Fedde Schurerpriis (2005) en de Cees Buddingh’- prijs (2010).

Recensie van Zes - Mathijs Gomperts

Waarom ik ‘Zes’ een knappe bundel vind

Mathijs Gomperts
Zes
Uitgever: Van Oorschot
2016
ISBN 9789028261273
€ 16,99
39 blz.

Zelf dicht ik zo nu en dan. Met een facebookpagina als medium.
Soms krijg ik het commentaar ‘knap’ bij een gedicht. In plaats van een variant op ‘mooi’, of een like. Zo nu en dan ook inhoudelijke reacties.

Met dat ‘knap’ weet ik dan niet zo goed wat ik daar mee aan moet.
Technisch knap?
Knap qua poëzie, maar met minder geraaktheid bij de lezer dan ik me zou wensen?
Of knap juist als overtreffende trap van ‘mooi’, knap als waardering van het vakmanschap van mijn schrijven in plaats van het oppervlakkiger ‘mooi’ of ‘rakend’?

Deze gedachten bekropen me toen ik het debuut ‘Zes’ van Mathijs Gomperts gelezen had en nog eens herkauwde.

Ik vind het een ‘knappe’ bundel.
Knap als een goede, consistent volgehouden verzameling belevingen van een Amsterdams jongetje van -neem ik aan- zes.
Knap in de weergave van zijn dromerige, in zijn eigen fantasie verkerende, binnenwereld.
Knap ook in het oproepen van sommige tegengestelde microsferen in eenzelfde gedicht en de opgeroepen spanningen daartussen.

Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Het kronkelt’, waarvan een deel ook de achterflap siert:

HET KRONKELT wrang om mijn tong
laat een natte smaak los als ik zuig en ik zuig,
en steek mijn rechterhand op, ik mag wat zeggen
maar de meester onderbreekt me –
doe die capuchon af, doe dat touwtje uit je mond,
dan kunnen we horen wat je zegt –

met mijn tong duw ik de veter naar buiten
hij bengelt uitgekauwd als gerookte paling
of een zeeslang in het want, en met mijn handen
trek ik mijn hoofd uit mijn trui het ruisende licht
van het klaslokaal in –

dat is de S van slang, meester –
heel goed, de S van slang jongens en meisjes
heeft iedereen dat gehoord?-

iemand in mijn ooghoek knikt, en ik wip
trots op mijn stoel, de S van slang

de S van slang klimt langs mijn hals, mijn kaak
mijn mond in, langs mijn kiezen ligt hij
en omstrengelt langzaam wat ik heb gezegd

Maar met dat ‘knap’ bekroop me ook de twijfel of ik de bundel nu ook ‘goed’, ‘mooi’, ‘rakend’ en/of ‘intrigerend’ vond.

Ik vrees dat de ‘knap-kwalificatie’ dan toch wat minder positief uitpakt.

‘Zes’ heeft me niet echt kunnen raken. Daarvoor is het me teveel alleen een wat nostalgische weergave van vroege jeugdemotie. Een knappe inkijk in het dwergenrijk van een oudere kleuter, met broertjes Niels en Thijmen en een romige moeder en verhalende vader, waar niet zoveel mis mee was.

Maar grijpen doet het me niet.

Daarvoor zijn het voor mij ook te veel rechtstreeks verhalende schrijfsels. Ik twijfel of ik het gedichten moet noemen, want voor het grootste deel is alleen het afbreken van zinnen en eigenwijze gebruik van de bladspiegel een indicatie dat we met poëzie te maken zouden hebben.
Gebruik van beeldspaak: marginaal en schraal;
ritme, klank en muzikaliteit: niet expliciet benut;
diepere gedachten of mystiek: afwezig.

Nee, Mathijs Gomperts mag dan knap zijn in het sfeervol oproepen van beleving van een zesjarige (Mathijs?), maar mijn snaar voor poëzie raakt hij niet.

Daar is meer voor nodig.

***

Mathijs Gomperts (1988) is dichter en worstelaar. Hij werd geboren in Amsterdam alwaar hij zijn jeugd doorbracht. Na enkele emigraties naar onder andere Parijs, Berlijn en New York studeerde hij aan de Universiteit van Amsterdam af in de filosofie, op ‘de filosofie van de literatuur’

Recensie van ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen - Kreek Daey Ouwens

Binnenste buiten

Kreek Daey Ouwens
ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen
Uitgever: Wereldbibliotheek
2016
ISBN 9789028426511
€ 19,99
64 blz.

Van buiten naar binnen

Ik pak de bundel uit.
Stevig verpakt in bruin papier en dito tape.
De redactie heeft zijn best gedaan, het kleinood moest goed beschermd.
Ik vraag me af of de weerbarstige verpakking ook wat zegt over haar inhoud. De bron voor wat mijn ‘maidenrecensie’ wordt voor Meander. Vers van de pers.

Wat verschijnt is een gedichtenboek van reguliere dikte, in een mooie zeegroene kleur. De voorkeurskleur van mijn eega, de kleur van oude schuren soms hier op het land.
Dus dat zit goed.
De opmaak oogt eenvoud. In het groen een zwart vlak en daarin impressies van wit geschreven letters. Of een soort gefotografeerde sliertjes zijn het. Lees ik het woord Ecco… En? Oogt als een Spartaans schoolschrift uit de jaren vijftig. Hebben schrijver en uitgever De Wereld bibliotheek dit zo bewust gedaan vraag ik me af. Moet toch bijna wel, want het zal zo niet erg opvallen op de toch al vaak wat verborgen poëzieplanken van de boekhandelaar.

En in het groen op de omslag veel tekst. De prachtige naam van de dichter die bijna al een titel is: Kreek Daey Ouwens.
En dan de echte titel door de naam van de dichter heen geplaatst; al was die ermee vervlochten: ‘Ik wil in mijn huis een raam. Ik wil het raam dicht doen’.
Ondertitel: ‘Een gedicht’.

Het is een stellige of misschien wel eisende toon die er uit spreekt. De uitspreker leeft nu blijkbaar in een raamloos huis en wil dat wijzigen en tegelijk zelf die toestand dan ook zelf weer naar zijn of haar hand kunnen zetten.
Je zou zeggen dat je een raam wil om doorheen te kijken of open te zetten. Niet om meteen weer dicht te doen. Wil de dichter alleen de grip? Gaat het niet om het raam? Verwacht de dichter iets van mij hierbij?

Op de achterkant een korte tekst over ‘een groot huis’ en ‘een klein’ als ‘de doos waarin je je kunt verstoppen, waarin je je kunt afsluiten voor alle prikkels van buiten, de geluiden, het licht, de werkelijkheid’.
Wil de dichter nu een raam in dát huis? Of juist in het grote? Of staan ze los van elkaar?
De flaptekst lijkt geschreven vanuit perspectief van een kind. Zelf moet ik denken aan het huthuis dat ik vroeger onder tafel maakte. Met aan elke kant een muur van tafellaken. Ook geen raam daarin.
Ga ik er in de bundel over lezen? Is de bundel zelf misschien een (schrijvers-)huis van waaruit hij of zij de wereld buitensluit?

Van binnen naar buiten

Als ik de bundel uit heb blijkt het kleine huis een doos waarin de dichter zich als meisje vindt. Met dichtgevouwen deksel zonder licht. Haar sleetse beer als metgezel.
De wereld daarbuiten bestaat uit een afwezige vader, dode grootvader, redderende moeder en een mythische grootmoeder, toverfee en heks tegelijk. Of grootmoeder en tegelijk ook wolf. Ze drinkt thee van zevenblad, hakt bevroren hazen uit het land en eet het wit uit brood.

Het meisje registreert. Maar haar impressies komen door als dromen. Flarden werkelijkheid waarvan de waarheid twijfelachtig is. Door haar ogen en oren hoor en zie je vooral vragen, twijfels en geheimen. Vaker bedreigend, soms geruststellend.
Het meisje leert van haar grootmoeder haar eerste woorden schrijven. Is het woord misschien de bezwering van de dreiging? Het lijkt er niet echt op.
Het meisje gaat soms haar huisje uit. Maar steeds blijkt de wereld opnieuw koud, vreemd, dood of gevaarlijk. Soms even niet. Maar dan toch weer wel. Ze krijgt er geen greep op.

Grootmoeder zegt: ‘Ik wil je iets laten zien’. We gaan naar buiten. We gaan naar het veld. Het is al avond, de lucht is nog licht, maar als je omlaag kijkt naar het gras weet je dat het daar al donker is.
Grootmoeder blijft staan.
‘Luister’, zegt ze.
Ik luister. Ik hoor niets. Even, heel in de verte, het geluid van een uil.
Dan stil.
We lopen terug.
Ik heb het gevoel ergens langs te zijn geschuurd, langs een geheim dat ik niet kon pakken.
‘Ik hoorde niks’, zeg ik. ‘Helemaal niks’.
‘Precies!’, zegt grootmoeder.

Dan trekt het meisje zich terug in haar doos. Met haar beer. En de kraaien, de stilte en de vleermuizen met de schuwe ogen. Waar zij het voor het zeggen heeft en soms een raam op de wand tekent. ‘Soms maak ik het raam zwart, dan betrekt de lucht en begint het te regenen’.

Van binnen en buiten

Kreek Daey Ouwens heeft met haar zesde bundel een eigenzinnige kinderwereld geschapen. De binnenwereld van een driejarig meisje dat met impressies en dromen – waar begint het een en houdt het ander op – aan de haal gaat en de werkelijkheid betovert. Ik heb ineens de associatie met ‘Oskarchen’ het jongentje uit Die Blechtrommel van Gunter Grass, dat op zijn derde besluit niet meer te groeien.

In het begin van de bundel had ik soms nog het gevoel dat er nog teveel volwassen reflectie in de ‘ik-zinnen’ van het meisje zat. Onmogelijk ook bijna om werkelijk de gedachten van een driejarige in te kunnen voelen en te vertolken. Maar al gauw verdween dat gevoel en trok Kreek Daey Ouwens mij mee in haar vervreemdende meisjesbestaan.

De taal is als in een kinderboek. Met korte zinnen. Eenvoudig.
Des te sterker is dat Daey Ouwens me in een paar regels in haar doos trekt, haar bed, haar hoofd, haar binnenwereld. Waar haar gedachten in zichzelf rondkaatsen en vervormen naar fantasieën, dromen en nachtmerries.
Mooi is het herhalende van beelden, motieven, woorden in haar bundel. De kraaien, het zevenblad, de tandenfee, de stilte. Met elke terugkeer diepen ze uit. Door de beperking ervan wint de tekst aan kracht.

De bundel is geen toonbeeld van geluk. Het ik-meisje lijdt. Ze is vaak angstig. Probeert te vluchten maar komt in haar dromen dan niet weg. Het verhaal is gevuld met verlies. Van vader, grootvader en ook van de bijna dode grootmoeder. En aan het einde van de bundel ook van de tóch vertrouwde kinderomgeving waar het meisje opgroeide. ‘Er komt niemand binnen en je kunt niet naar buiten’.

Ik vraag me af wat Kreek Daey Ouwens met deze bundel beoogt. Heeft ze geprobeerd zich terug te schrijven tot haar eerste herinneringen om zichzelf alsnog een raam in haar doos te snijden? Zit ze nu nog altijd in haar binnenhuis en zoekt ze een raam om af te sluiten?
Of heeft ze de uitweg nog niet gevonden?
Als je haar laatste regels van haar bundel leest zou je het denken: ‘Eigenlijk denk ik dat je pas kunt schrijven als je helemaal niets weet.’
Dat belooft nog wat voor haar volgende werk.

Maar of ik deze bundel nu ‘een gedicht’ zou noemen? Voor mij is het een sprookjesnovelle met bewust gebruik van bladwit en opmaak. Dat dan wel. Maar poëzie vraagt voor mij om een vollediger benutting van dat bijzondere taaldomein dan Daey Ouwens in dit boekwerk laat zien.
De vrijheid van de poëzie vergt verantwoordelijkheid voor haar rijkdom.
Laten we haar taalgebruik in deze bundel op ‘bijzonder proza’ houden. Voor mij speciaal genoeg.

En die omslag is natuurlijk de binnenkant van de doos. Schrijver en uitgever kozen bewust voor een weerbarstige verpakking.
Sterk!

***

Van Kreek Daey Ouwens verscheen in 2014 de bundel Blauwe hemel. Eerder verschenen Stokkevingers (1991), Tegen de kippen en de haan (1995), Kinderbed (2004) en De achterkant (2009), dat genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs 2009-2010.