Gedichten

Nog vijf gedichten die de aandacht trokken tussen de inzendingen in de eerste ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Bert Struyvé (1952)

Terug

hij veegt met zijn ogen door haar huis, ziet
het behang weer ˂zilverberken in herfst˃ hij veegt
zijn voeten niet, nog steeds riskant op het tegeltapijt
hij leunt wel op enerzijds anderzijds in de lege kamers
zijn leven is daar in omdenken getild

iets van een weg toonde zich, toch loste daarmee
de ochtendspits in zijn hoofd niet op, een weg groeit
alleen door te gaan wist Franz K al

hij maait stappen van gisteren uit het opgeschoten gras
kruipt omhoog tegen een blinde muur
om tot handstand te komen, in zijn ogen draait de aarde
maar even Google Earth 3D

hij onderneemt geen stappen voor verjaardagen meer
die verjaren immers vanzelf
als je nooit op een kalender kijkt

morgen waait een nieuwe kronkelweg van woorden aan
het begin van de weg is van hem, de woorden van haar
het is de bladzijde die vaak wordt bezocht
met rechtsboven een omvouw

Nico W. Pot (1928)

De jaren vijftig herlezen

De glinsterende regels van weleer
krijg ik niet langer zomaar aangewaaid.
‘k Herken de buitelingen der epitheta,
de lust en laakbaarheid van het bestaan
in jonge dagen, de levensvragen die ik
met veel aplomb in vrije versvorm goot.

Ach jee, die tomeloosheid, ingesnoerd
in rijke regels zonder kapitalen.
En interpunctie? It was not done.
Ik schreef gepassioneerd maar niet ontroerd,
stuurde de stroomloosheid van het verbale
en ging voor niets en niemand on the run.

Maar nu mijn jaren zijn vermenigvuldigd
met factor vier, de drift bedaard
en ik een vlootschouw van mijn daden laat passeren
acht ik de wereld weinig dank verschuldigd
voor wat ik dobberen liet in trage vaart.

Ik werd een heer temidden van de heren.
Soms nog een oprisping van kunst en literatuur
omdat ik mij daaraan heb overeten.
Het goede smaakt alleen maar mondjesmaat.
Zo ook de liefde. Smeulend vuur,
waarbij de blaasbalg werd vergeten.
En zie, mijn regels rijmen nu in regelmaat.

Robin Wim Hutse (1993)

voyager I

het moet eruit zeg ik

die jacht van valken onder mijn tong, de aften van mijn vlees
ik hou niet van het trage gerollebol van een studieronde
of van het lezen op de kilometerteller hoeveel meter
ik al verwijderd ben van mijn beslissing en hoe
snel ik dat doe. Het moet eruit. Begin.
Ik hoor het lage gekrioel van een
essentie ergens in het donker
het gomt mijn handen uit je
nek, het strijkt je afdruk
in mijn bed glad, op
een dag vaalt je
huid ik zal het
niet zien of
weten

maar begin

Irene Schoenmacker (1988)

Afgunst

In de stad is het gemakkelijker afgunst verzamelen
waar je een mens van kunt bouwen voor op het voeteneind van je bed.
Het bestaat uit lege bierblikjes, gebruikte condooms,
een afgebroken hak van een meisje dat giechelend de nacht uitvalt.

In de ochtend is de mens het meest aanwezig. Het volgt je naar de supermarkt,
kijkt zwijgend naar de twee slavinken in hun verpakking op het aanrecht.
Doet nooit gezellig mee met bordspelletjes in de kroeg maar loert rond,
houdt anderen angstvallig in de gaten.

Zit permanent op dat krukje in je hoofd; past weinig anders naast.
Een arm wellicht. Die je om je heen kan slaan wanneer je terug fietst
en de stad is donker en de zon die opkomt
lijkt vanaf je zadel op een niet te blussen brand.

Hester van Beers (1995)

Alle plastic zakken leeggedronken en nog steeds moet je kussen
je angstsnikken dragen, iedere ochtend meer opgezwollen.

De modder is zwart als de schoenen die mijn vader naar begrafenissen draagt.
Hoeveel dood zou de modder hebben gezien,
vraag je.
Ik zeg dat dood niet telbaar is,
niet in porties te koop. Toch tel ik die avond
de rotte plekken in het behang.

Boven de vloer vol strooizout beeft de bank je lichaam.
Soms vind ik een schelp die voelt als de kromming
van je rug.

Gedichten

Alex Gentjens (1969)

Poëzie is mijn natuurlijke uitlaatklep, mijn manier van leven. Zonder woorden kan ik niet leven. Een dag niet geschreven, is een dag niet geleefd.

Ik heb de dagen

Ik heb de dagen aan de takken te drogen gehangen
Dat kan, nu het herfst is, wel zeven maanden duren
Ik heb, nu gij weg zijt gegaan, getafeld met uw uren
En ze zeiden dat ze zonder u nog nooit waren vervangen

En ze verslikten zich in avontuurlijke gezangen
Gij weet waarschijnlijk wel dat ik voor heter vuren
Heb gestaan, toch konden zij niet lang meer duren
Zij werden wijs van onuitputtelijk verlangen

Zo hebben wij, sinds gij weg zijt gegaan, geen reden
Om te blijven, uw dagen vallen langzaam naar beneden
Gij hebt geen een idee hoe lang mijn lid nog kan verstijven

En weet dat, wanneer gij terug zult zijn gegaan
Wij hier niet langer in het licht kunnen gaan staan
En wij van voren af aan dit gedicht zullen herschrijven

Anthony Roegiers (1992)

Voor mij is het schrijven van gedichten bijna even potsierlijk als sporten : je maakt het jezelf onnodig lastig in de hoop iets langer te leven.

SONNET

De tiener met de boog zei : “Sapristi !
Ze zit met veer en meetlat tussen ’t oor,
te mijm’ren over vierkantswortel pi.
Ja, uren afgezonderd gaat ze door,
bedolven in verfomfaaid rolpapier,
ze leest geschriften vol met rijmerij.
Maar ik verkies juweel en weeldesier,
en oefen yoga in een bergvallei.”
In zijn vingers gistt’ een lampig dampje
hetwelk hij als een stroomstootbal wegzond,
wijl hij smoesde : “boekenwurm ik stamp je.”
De Aegisdraagster tuimelt op de grond.
Haar oog van fier saffier tuurt door het stof,
hij was verdwenen met een nimbusplof.

Paul Bezembinder (1961)

Poëzie is evenwichtskunst, spel van abstractie en vermakelijkheid.

De tussenstop

Na uren doelloos dwalen in zijn Clio,
Vinex-wijken, lintbebouwing, industrie,
bedrijfsterreinen, almaar almaar Venlo,
vond hij eindelijk zijn heterotopie: een
pleisterplaats voor plas en cappuccino.

Bij de counter stond een jonge moslima
die zoveel aandacht aan zijn milkshake
schonk, dat haar reflectie in het formica
van het buffet hem als een kleine remake
van een oude meester in de ogen blonk.

Het fastfood evenwel viel tegen, smake-
loze fillers, gratis refills, friet die stonk,
een maaltijd die hem vrij liet fantaseren
over decadente franchisenemers en een
voedselketen die de clientèle leren wou

dat het leven als een straf convex was,
nooit dus lijken zou op een croissant of
bagel, nooit de wegen die van these via
antithese naar synthese leiden konden,
pace Hegel, uit zichzelf ooit nemen zou.

Martin Wijtgaard (1971)

Het zou een beetje ver voeren om aan te nemen dat wat je schrijft over honderd jaar nog gelezen wordt, maar ongeacht de vorm kan het nooit kwaad om je, als je onderwerpen, motieven, metaforen en beelden kiest af te vragen of ze het over honderd jaar nog zullen begrijpen. En, nu we toch bezig zijn, of ze je honderd jaar geleden begrepen zouden hebben.

Vanitas

Neem ruim de tijd, een inktpot, een glas wijn,
een fruitschaal en een klok om stil te zetten,
blaas kaarsen uit, strooi bloemen rond m’n schedel,
stof over je lievelingsromans.

Neem gerust de tijd, ik heb wel even:
een eeuwigheid om hangend in salons,
gerangschikt in het hart van je stilleven,
onbewogen grijnzend toe te zien

hoe om je heen de zomer implodeert,
je schutterend met kwasten en pigmenten
probeert om onherstelbaar vast te leggen
dat alles zwijgend naar de tering gaat.

Herschik een kandelaar of een chrysant,
zet er een globe of een spiegel naast,
veeg nog een keer het spinrag van mijn botten
en neem de tijd. En neem de tijd. Maak haast.

Bert Struyvé (1952)

Door gebruik van taal beklemt de droom van de werkelijkheid nog meer

Voorjaarsstappen

Ze worstelen zich uit de grond als kwetsbaar groen,
verlaten het schuilen in winterstand. Zuigen aan zon,
ontkurken scheuten voor een zomers onthaal.

Ze buigen gebogen ruggen recht, rekken opgetrokken
ledematen, ontspannen ingehouden adem. Ze praten

met dunne woorden en verdwijnen langzaam
uit het zicht: de rijen rugtassen, plastictassen en soms een plunjebaal. Ze trekken dagen en weken naamloos traag over wegen als lopende band zonder stopsignaal.

De klok tikt de dagen naar de zomer;
ze ruiken een thuis. Ze weten de naam van het land.

Maar wie luistert naar het verhaal, wie opent
het slot naar onbekende namen, wie peutert
frisse knoppen uit beschadigde schillen?

Poëzie is niet bij machte;
dit vers ontvouwt slechts cerebraal.

Drie gedichten

Bert Struyvé  (1952)

Met taal probeer ik vanaf een afstand commentaar te leveren op de -soms beklemmende- werkelijkheid.

Van huis

Zie ze scharrelen langs de monding,
van water, lucht en vaste land
Ze sprokkelen vissen, krabben, wier.

Ze willen het liefst alles hangen in de wind,
nieuw behangen, maar nergens is een lijn
in de delta van de rivier.

Ze kijken naar al die vrije vogels,
die uitgelaten zwaaien en in patronen duiken.
Zij hebben hun draai ergens gevonden.

Straks zoek je zelf beschutting
ver van en ga je op in iedereen.
Maar eerst

zal ik je schetsen, zacht
met houtskool en geen strakke potloodlijn;
de grens is vaag
en de lucht is aan het harden.

Marije Geerts (1976)

Poëzie betekent heel veel voor me. Het is alsof je wordt meegenomen naar een andere wereld, of je meereist in iemand anders zijn hoofd. Het maakt het tijdloos en grenzeloos.

Onderweg

In mijn kinderjaren
Wilde ik altijd weten
Hoe lang iets rijden was,

Alsof de wetenschap
Van minuten
Me grip op reizen gaf.

Niet hoe ver we gingen,
Maar hoe lang
de reis zou duren.

Nog altijd zegt
afstand me weinig
Maar trek ik rond in uren.

Huibert van der Meer (1964)

Ik kan niet zonder poëzie. Het is een levensbehoefte. Zowel het lezen van andermans werken als het fabriceren van eigen werk.

PANG!

want het is altijd zo geweest
dat ergens een verdwaalde kleur is
die wordt teruggevonden

in half vergeten restanten
van iets wits

in snippers zwart
van een nacht vol drank

een destructieve gedachte
een impulsieve druk
op een gevaarlijke knop

een kleur die bijvoorbeeld
met gierende snelheid de loop
van een vuurwapen verlaat

PANG! ik ben bang