Gedichten

OP WIEKEN

Je had de bijenwas waar je vleugels mee
aan je schouderbladen bevestigd waren voor je de sprong waagde
goed laten harden, terwijl je wist
dat je aan geen enkel labyrint ontsnappen kan –
vooral niet aan het innerlijke

hoe behoedzaam je vader ook te werk ging
en zijn beste gereedschap gebruikte, veren met stevige
schachten en slagpennen koos, de risico’s
bleven levensgroot

wat woog ten slotte meer tegen de zwaartekracht op
dan de sensatie je los te maken, het schitterende panorama
te kunnen bewonderen, de hele archipel
honderden meters onder je, het vasteland nog
mijlenver weg

en op de thermiek van een lichte bries groeide je durf
tot overmoed uit, de verschroeiende zon
beroofde je van je wieken, stekeblind was je al
voor het water zich boven je sloot

zo vernuftig aan de krochten van het doolhof ontkomen
hoopte je jezelf te overstijgen door een gooi naar het allerhoogste
te doen, want daar moet het bij iedere poging
natuurlijk steeds weer om begonnen zijn: een glimp
van het oneindige op te vangen –

daarom

 

Uit: Om en Nabij / Mettertijd

ONDER OGEN

Geblinddoekt weer terugkeren en kijken
in hoeverre je geheugen je herinneringen veilig heeft gesteld –

zal het meeste overeind, intact zijn
gebleven en laten de finesses zich nog steeds raden
als ze het onderwijl al niet
tegen de tijd hebben afgelegd?

wie weet werd het theater gesloten, het wezen
van straten onherroepelijk veranderd, zijn hele rijen
huizen in zoiets als een ommezien
met de grond gelijkgemaakt

maar dat ene raam dan op de bovenverdieping
waarachter zij op een druilerige avond halfnaakt verscheen
zodat het was of het gemiezer
haast wellustig van haar huid gleed

haagdoornkoude nachten en het lichte waas
van lang voorbije ochtenden boven de speelplaatsen
en tuinen van kinderjaren die eeuwig
zouden duren maar zo kortstondig bleken –

je wrijft je ogen uit en wat geeft het
of het opgeroepene niet echt meer met de werkelijkheid
overeenstemt?

er is geen onversneden heden

 

Uit: Om en Nabij / Tot zover (Henk Bernlef gedenkend)

V

De omtrekkende bewegingen van een witgevlekte schapedoes
waarmee hij zijn kudde bijeenhield, over de heuvels
verbeten voor zich uit dreef – op andere, minstens zulke heldere dagen
leken de einders in en ver achter zichzelf te verzinken

voorbij de bocht een lopende jakobsladder die balen stro
naar een schuurzolder zond en naast hun kruiwagens en bij elkaar geveegde
bladeren de roerloze, in grauwe overalls gestoken
gestalten van een paar gestichtsbewoners, de stelen van harken
en bezems omklemmend alsof ze een laatste
houvast boden, gebreide wollen mutsen, hun ogen
maar net aan vrijlatend

alle windstreken, de wegen naar al het vergeten
werden vanaf deze hoogte bestreken, korstmos, varens en steenbreek
puilden uit de vestingmuren, duiven koerden boven in
een van de hoektorens, voer voorverterend
in hun krop, daar, beneden mij, hing ongetwijfeld
wel weer ergens tussen de doornstruiken
een Christus dood te gaan, zonder veel kans op verrijzenis –

slenterend volgde ik de nog intacte stadswallen, raapte kastanjes
om ze op te wrijven, tot ze, als van binnenuit, diep
gingen glanzen, tot iemand ongemerkt naderde, haar waterkoude handen
voor mijn gezicht sloeg, vragend: wie ben ik?

en dat ik zo graag gewild had dat ik het antwoord wist

 

Uit: Gissingen, gebeurtenissen / Ergens onderweg

Recensie van Om en nabij - Hans Tentije

Vorm nee, vent ja

Hans Tentije
Om en nabij
Uitgever: De Harmonie
2016
ISBN 9789463360029
€ 15,90
56 blz.

De schrijver en dichter Hans Tentije werd in 1944 te Beverwijk geboren.
In 1979 won hij met ‘Wat ze zei en andere gedichten’ zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs en in 2005 de Guido Gezelleprijs van de stad Brugge voor Deze oogopslag.

Als er iets onontbeerlijk is bij het werken aan een gedicht, dan is het wel het weglaten: het schrappen en schaven. ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’, onderwees Goethe tweehonderd jaar geleden, een adagium dat wereldwijd nog altijd ter harte wordt genomen.
Zo niet door Hans Tentije.
Niettemin kan ik het niet laten Tentije te volgen. Zijn werk intrigeert in positieve zin door zijn aandachtige kijk op de dingen, de sfeer die hij oproept – hier met name in de cyclus over Cesare Pavese – en zijn diepgang, maar de vorm waarin hij zijn taal giet maakt me kriegel: die aaneenrijging van adjectieven, de grote woorden, het dikwijls ongelukkig afbreken van de regels en het vaak niet passend archaïsch woordgebruik, ze storen en bieden weinig ruimte voor de verbeelding van de lezer.
Waren de gedichten een stromende lyrische reeks van woorden geweest, zoals bijvoorbeeld bij Herman Gorter, ik zou er geen moeite mee hebben, maar lyriek onderga ik niet of nauwelijks bij Tentije.
Nieuw werk van hem lezend hoop ik altijd weer dat ‘Less is more’ de dichter heeft bereikt, maar ook bij het openslaan van Om en nabij werd ik in eerste instantie teleurgesteld door overtolligheid. (Wat de titel van de bundel overigens niet doet vermoeden).
Een voorbeeld:

Bij benadering

(uit vers 3)

( … )
         elke vooruitgang wordt aldus belemmerd, maar het ergste is
nog dat het mij de boodschap ontzegt
                      die het behelst, een waarschuwing, een bericht
                              misschien van levensbelang –

        door een bodemloze slaap overmand, die schemerzone
grenzend aan dood en verdwijnen, in het verlengde
                      waarvan het keelsnoerende, hartbrekende zich afspeelt
( … )

Sorry.

Laten we overgaan tot de inhoud, want die is interessant.
Direct in het openingsgedicht ‘Al met al’ wordt duidelijk waar het bij Tentije om gaat: het verglijden van de tijd en het zich met weemoed (kunnen) herinneren van wat voorbij is; en dat laatste niet alleen door mens en dier maar ook door de dingen!
‘( … ) en de straten, de portalen, hebben zij soms / ondertussen de echo’s van onze voetstappen bewaard / als ze niet weten konden /waarheen die moesten leiden? ( … )’

Het vermenselijken van de dingen is niet uitzonderlijk – Armando spreekt van het schuldig landschap bij Kamp Amersfoort en Irene van Lippe-Biesterfeld die de harmonie zoekt tussen mens en natuur omhelst bomen – maar Tentije doet dit toch op een eigen manier. ‘( … ) ook hier is geen plaats genoeg om het vele te bewaren en zoekt / stuifzand vergeefs achter de stoepranden / beschutting, terwijl rook van loof dat verstookt wordt / komt overgewaaid van de landjes / en er rond een lantaarnpaal heelhuids / een sleetse fietsband ligt – // hoeveel moeite getroosten zich de dingen niet’ (Uit: ‘Hieromtrent’).
Een andere kwaliteit van Tentije is zijn inlevingsvermogen, hier in dat van een vrouw: ‘( … ) en terwijl ze daar vol ongeduld wachtte, verbeeldde ze zich / de vrouw te zijn in de film waar ze samen / naartoe waren geweest en voerde, kleumend, hele / gesprekken met hem, had binnenpret / om allerlei ietwat gedurfde zinspelingen over en weer ( … )’ (Uit: ‘Op de afgesproken plaats’).

Wat deze bundel ontbeert, ik noemde het al, is relativering, een beetje hoop en humor, maar in het laatste deel van de bundel wordt de toon lichter en het gedicht ‘Dat alleen’ trof me:

Dat alleen

Langs de vloedlijn slenteren acht, negen, misschien
tien nonnen in wit habijt, de ochtendzon
is juist vanachter de eerste duinenrij te voorschijn gekomen
en zusterlijk zweven hun schaduwen
boven het water, afwezig speelt de zeewind
met hun smetteloze sluiers

na een poosje krijgen ze zelfs iets dartels
over zich en helemaal als een onverwacht verre uitloper
bijna iemands voeten spoelt – wie
durft het aan met enigszins opgeschort gewaad
te gaan pootjebaden?

eenmaal terug in het sanatorium brengen ze
weer maaltijden en medicijnen rond, rijden de ledikanten
van enkele patiënten naar de balkons
die uitzien op het dorp en het duingebied, dat geleidelijk aan
in waziger geestgronden, in tuinderijen
en onland verandert –

wanneer een van hen zich dan ’s avonds laat
voor de nacht gereed maakt, vermijdt ze het angstvallig
zichzelf ook maar even te bekijken
omdat de aanblik van het eigen onbedekte
lichaam zondig is

en in de plooien van haar pas nog verschoonde
beddegoed zullen vast nog wel zandkorrels achterblijven –
wat droomschilfers bovendien

Een lief en teer gedicht en er staan nog enkele van dit niveau in de bundel, maar om het werk volmondig te durven aanbevelen, zouden het er toch meer moeten zijn.

Recensie van Hoe het komt - Hans Tentije

Een prachtig oeuvre in namiddagkleuren

Hans Tentije
Hoe het komt
Uitgever: De Harmonie
2015
ISBN 9789076174693
€ 24,50
447 blz.

Als poëzieconsument, -producent en -criticus ben ik altijd op zoek naar schoonheid. Naar schoonheid van het creatieve woord, naar een mooie vorm, al kan een perfect gevormd gedicht zonder enige emotionaliteit dodelijk saai zijn. Naar een mooie stemming, al kunnen gedichten die uit een stroom persoonlijke emotie bestaan zonder dat er enige vorm te herkennen is, irritaties oproepen alsmede de vraag wat ik er als lezer mee te maken heb. In mijn leesavonturen ben ik altijd op zoek naar dat ene woord, die ene regel, die alle andere regels overstijgt, maar vooral naar dat mysterieuze ondefinieerbare gevoel, dat van een gedicht grote poëzie maakt en ontroert. De verzamelbundel Hoe het komt van Hans Tentije voldoet volledig aan het gevoel geconfronteerd te worden met grote en belangrijke poëzie. De melancholieke kleur en de prachtige taal maakte mij soms warm achter de ogen.

In Hoe het komt zijn alle bundels, verschenen tussen 1994 en 2010, bijeengebracht: een deel van het verzameld werk waarin een dichterscarrière van veertig jaar zichtbaar wordt. Het is niet alleen een prachtig, maar ook een belangrijk boek. Het biedt namelijk de mogelijkheid de constante thematieke kwaliteit van Tentije te ervaren: de weemoed, het verlangen en steeds opnieuw te zien hoe hij observeert, kijkt, beschrijft , vertelt en voelt . Zijn taalgebruik voegt al die elementen samen in gedichten in prachtige en sfeervolle kleuren, die mij aan een warme namiddag doen denken: er is licht en zon en regen, en een heimwee naar een mediterrane omgeving.

Ik vind Tentije op zijn best als hij ergens in een stad rondloopt. In de bundel Wat het licht doet, observeert hij kathedraal en een recevresse in het Noord-Franse verpauperde Avioth: luisterrijk maar verwaarloosd verleden: ‘Binnen hangt een geur van kelderschimmel / en dorre hersenspinsels, de kilte van een lichtjaren ver van ons / verwijderde God, opgeslorpt als Hij misschien al is /door het zwarte gat in zijn zelfgeschapen heelal en alle / sterrenstelsels met zich meesleurde’. Hij schrijft over Praag (en hoe, hij wandelt er ook nog met de eenarmige fotograaf Josef Sudek doorheen), over Berlijn en München, maar ook over zijn geboortestreek: Beverwijk, Wijk aan zee, IJmuiden. Het verdwijnen van de natuur voor de uitbreiding van de Hoogovens, waarvoor veel ongerept landschap moest sneuvelen, laat hem niet koud: ‘voor weer een nieuwe koud- / of warmbandwalserijen- in mijn slaap valt het klaphek dat er stond / af en toe hard achter mij dicht.’ (‘Beekzang’, pag. 423)

Als hij een portret schetst van een nazi-jongen, die, geïndoctrineerd, tot de SS toetreedt en ‘bordeelhouder’ wordt, is het een sterk sociaal bewogen Tentije die ook nog de gelegenheid te baat neemt – hij heeft de jongen immers zelf geschapen, zegt hij – een ontmoeting met een Joods gezin weer te geven. Het is een lang, ingrijpend gedicht.

Hij moet ongelooflijk veel van het zuiden en vooral van Italië houden. Zelf woonachtig in de buurt van Perugia ken ik de stad door en door, maar tijdens de wandeling door Perugia die ik, al lezend, maak met Tentije , zijn gevoelens en ogen delend, werd de stad opnieuw gecreëerd: ‘Elk terras naar omhoog heeft zijn hof / van olijven, van gepijnigde, hoefgespleten /en deerlijk verminkte, gebochelde, maar onverwoestbare stammen… ‘. (pag.157). Hij toont in dit gedicht wederom zijn sterke bewogenheid met mensen als hij de hoeren beschrijft die hij ‘wilde orchideeën’ noemt als zij zich in de berm verzamelen bij hun stacaravans: ‘vluchtige, mossige geuren, het weemoedig / bloesemen van de acacia’s, aroma’s / van een nooit te leven leven’, waarachter na een regel wit een losse regel iets oneindigs weemoedigs suggereert, wat tot het geheim behoort van Tentije: ver draagt de roep van de hop-‘. Ik heb me af zitten vragen waarom die regel de weemoed van het gedicht zo versterkt. Het is het geheim van de woordensmid. Gedichten over Orvieto, Chiusi, Val d’Arno, Rome, Ferrara en de volstrekt vervallen fascistisch aandoende Terme di Manzano – zou Tentije op de hoogte zijn van de politieke verwikkelingen in Cortona rondom dit verval? – geven steeds opnieuw een meekijk- / meeleefervaring. Er is altijd verlangen. Er is altijd verval. Er was liefde. En er zijn passende kleuren, bijna pasteltinten, soms aquarelachtig, soms is het het licht van de namiddag dat over zijn hoogtepunt heen is dat de taal kleurt. Ook de laatste gedichten uit zijn laatste bundel ‘Als het ware’, de ‘Venetiaanse passages’, behoren tot de mooiste gedichten uit het boek.

Ik realiseer me dat het gevaar bestaat te veel te citeren, terwijl het juist bij een dichter als Tentije om het hele gedicht gaat, zelfs om het hele oeuvre, dat een grote consistentie vertoont. Dit boek biedt de mogelijkheid de samenhang in dit oeuvre te zien, waar te nemen met de dichter, te reizen naar Antwerpen, waar de dichter wat mee heeft. Of te blijven in de buurt van Wijk aan Zee, en met hem heimwee en verlangen te ervaren. En dat alles in een taal die zo vol kleur is, zo lenig, dat je er alleen maar of ontroerd of jaloers om kan worden. Ik zou voor poëzieproducenten en poëzieliefhebbers deze bundel als verplichte kost beschouwen.

Hoewel de gedichten over de metamorfosen van Ovidius mij wat minder aanspreken, – maar dat is toch een zeer persoonlijk gevoel – vind ik de rest van de poëzie zeer consistent. Een klein puntje van kritiek: de bundel In de tussentijd bestaat uit gedichten bij foto’s van Peter Bes. Die foto’s zijn niet gereproduceerd. De gedichten op zich zijn melancholiek en mooi, en autonome kunstwerkjes, maar ik mis hier de foto’s. Juist de samenhang tussen woord en beeld zou deze gedichten, die op zichzelf sterk genoeg zijn, misschien een extra dimensie geven. Ik kan dat nu niet beoordelen.

Maar het is genieten, het is ontroerd worden, het is een ontmoeting met een groot dichter en dat maakt deze uitgave tot iets heel bijzonders. Bedankt voor het mooie boek.

***

Hans Tentije (pseudoniem van Johann Krämer) werd in 1944 geboren in Beverwijk. Als docent Nederlands voelde hij het verlangen te schrijven en vooral om dichter te worden. Zijn eerste gedichten ontstonden in de jaren zestig van de vorige eeuw en zijn sterk politiek gekleurd. Deze stijl ging over in cynisme toen de vernieuwing uit leek te blijven en overging tot gevoel, melancholie en verlangen. Vooral zijn vele reizen en bijna emotionele banden met steden (Antwerpen, Berlijn) inspireerden hem. Hij won de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Herman Gorterprijs, de Guido Gezelleprijs en de Karel van de Woestijneprijs.

Recensie van Gissingen, gebeurtenissen - Hans Tentije

Al het teloorgegane

Hans Tentije
Gissingen, gebeurtenissen
Uitgever: De Harmonie
2013
ISBN 9789076168845
€ 15,90
64 blz.

Op Digther plaatste Alain Delmotte recent het volgende citaat van André Breton:
Je n’aime pas m’étendre sur le mépris. C’est ainsi qu’en littérature je n’ai pas formulé d’opinion nettement défavorable sur quoi que ce soit. Si je ne fais pas plus souvent oeuvre critique, c’est à cause de cela aussi. Je me compte parmi les disciples de l’homme qui a dit ‘La critique sera amour ou ne sera pas.’ 

Ik moest sterk aan die laatste woorden denken, toen ik me ertoe zette onderstaande bespreking te schrijven.

Hans Tentije opent Gissingen, gebeurtenissen met een vooraf geplaatste, cursief gezette tekst van 24 regels waarin hij niets anders doet dan een groot aantal (ruim veertig) zaken en gebeurtenissen opnoemen die zo van elkaar verschillen, dat ze een willekeurige greep lijken te zijn uit alles wat het leven in de meest uitgebreide zin te bieden heeft: ‘Het verschoven, streepdunne schouderbandje’, ‘het in de vlierbloesemlucht getekende vlugschrift van gebaren’, ‘doods aandoende buitenwijken’, ‘het gebons op de voordeur als het orgasme bijna bereikt is’, ‘het weemoedige van uitgestorven badplaatsen’, ‘de plastic handschoenen bij de visitatie’, ‘het gesprek dat verzandt’.
De opsomming eindigt met ‘de vragen, de vragen -‘. Je kunt dit simpel zien als een nieuw, laatste item van de lijst, maar het kan ook terugslaan op al het eerder genoemde en dan suggereert het dat alles wat in het leven te zien en te ervaren is, kan worden opgevat als een vraag, een ‘levensvraag’. Maar alles wat vraag is, geeft zicht op een antwoord, draagt dat op de een of andere manier al in zich. Zou dit het thema van de bundel worden, een zoektocht naar de verborgen vragen en antwoorden die in een oneindig gevarieerde werkelijkheid zijn aan te treffen? Een soort ontsluiering van de wereld door gissingen naar de betekenis van gebeurtenissen?

Aan gebeurtenissen in ieder geval geen gebrek in deze bundel. Tentije is geen dichter die het alleen bij eigen huis en haard zoekt en zijn dichterschap uitsluitend voedt met wat er navelstaarderig in eigen hoofd aan particuliere gedachten en emoties opkomt. Hij trekt net als Nooteboom – maar met een veel minder sterkere culturele gerichtheid en ook met heel wat minder aplomb – de wereld in en doet verslag van wat hij heeft opgezocht of wat zich aandient. Dat kan de beleving van een landschap zijn, een historische werkelijkheid, een persoonlijke geschiedenis – niet noodzakelijk van hemzelf – of een relationeel avontuur, maar altijd zo bedachtzaam en tegelijk ook beeldend beschreven, dat er van een echte ‘beschouwing’ sprake is. 

Vijf afdelingen heeft de bundel, waarbij de eerste en de laatste reeksen zelfstandige, van een eigen titel voorziene gedichten zijn, en de drie middelste cycli van genummerde gedichten die min of meer te beschouwen zijn als episodes in een verhaal.

De reeks Noorderlicht, dit jaar eerder verschenen in de Poëziekrant, telt vijf gedichten. Plaats van handeling is Noord-Duitsland en achtereenvolgens gaan de gedichten over het stroomgebied van de Elbe, een niet bij name genoemde stad, een verlaten sanatorium, een getormenteerde schilder (het zal een bestaande figuur zijn, maar hij komt op mij over als een kruising tussen Egon Schiele, Kokoschka, Lucian Freud en Francis Bacon – er is helaas geen aantekening die de identiteit onthult) en een ‘schuldig’ landschap (het imponerende ‘In het merengebied’), dat vanwege het taalgebruik trouwens meer aan Ter Balkt dan aan Armando doet denken.

Het eerste gedicht begint bijna 19de-eeuws: ‘Vertel toch, Elbe, over wat je in je rusteloze loop op gestuit bent/ en wat je zoal in je weerspiegeld zag’. Wat volgt is in feite een voortzetting van de opsomming uit de eerste tekst, maar beeldender, met veel meer samenhang en rijker van taal. Ook nu zorgt het slot voor een ander perspectief, want kijk waar het Elbegedicht op uitloopt:

[…]
steltlopers en roeivoetigen in je drassige uiterwaarden, robben, zonnend
op de zandplaten in je steeds breder wordende
monding, waar je de open zee al proefde en ten slotte alle schroom
van je afwierp, voor de buitengaatse
boeien kwamen en je het vasteland achter je liet

aan je eigen einde ontspringend
eens te meer

Ik lees het als een metaforisch zelfportret van de dichter, die voor hij ‘buitengaats’ gaat, alle schroom heeft afgeworpen, en het naar eigen aard – bron en bestemming – laat stromen. ‘Nabij Glückstadt’ heet dit openingsgedicht en de associatie is snel gelegd: Tentije heeft als lyrisch verteller definitief zijn weg gevonden.
Hij neemt de tijd voor caleidoscopische schilderingen, die lange, volle gedichten opleveren met wijd uitlopende regels, rijk voorzien van versierende bijvoeglijke naamwoorden, in een toonaard die steeds ernstig is, maar toch nergens zwaar wordt.

Dat blijkt mooi in Billard Palace Hotel, een reeks van elf gedichten die scènes zijn in een verhaal over een seksuele reisgeschiedenis, opgeroepen door ‘Zij over de telefoon’:

[…]
Na zoveel tijd klonk ze, de slechte verbinding ten spijt, gek genoeg
alsof het pas gisteren was dat ik haar gesproken, in bed
gekletst had, dook ineens als vanonder onze doorzwete lakens ‘s nachts
bedwelmend helder haar zachtroze lippenstift, de geur
van nagellak en remover voor mij op, een kwalijk af te werpen
warnet van wellust en onbehagen

dat mij hoe dan ook aan de lijn hield en ten slotte toch
weer inpalmde, met een verhaspelde, schorrige, uit een vorig slapen
gewekte stem – de hare, ontegenzeggelijk

Na het verhalen van wat er ooit met ‘Een bitterkoude middag, halverwege april’ als startpunt gebeurde, ingekleurd met de nodige Oost-Europese couleur locale, eindigt de cyclus met de voortgang van het door een slechte verbinding gehinderde, onverwachte telefoongesprek:

XI

ze belde, draaide met mijn nummer ook de dagen terug
die ik in hun rusteloos golvende, gleeïge, ongeborgen schemerlicht
opnieuw voor mij opdoemen zag

hoeveel is voorbestemd, louter toeval of is zelfverkozen
en wie vindt een uitweg, weet door zijn weerspiegelingen heen te breken
zonder iets van zichzelf, zijn grotendeels al
twijfelachtig vervormde verleden te verkwanselen?

[…]

aanzwellend geruis, bloed dat kolkte, vlagen als van een windhoos
die mijn, onze zinnen overhoopgooiden, beloften
verbraken maar de boel kort daarop gewoon weer herstelden –

namaak en voorspel, nogmaals bijna, het ontzegde
vroeger of later

Zo lopen in de bundel voortdurend levens door elkaar heen, die van de schrijvende ik zelf en van anderen, reële en imaginaire, door de tijd gebonden of daaraan ontstegen.

De derde afdeling, Ergens onderweg, speelt voor een deel in het armoedige Noord-Roemenië, waar het verleden zichtbaar lijkt te blijven in onveranderde leegten en verlatenheden. De ik-figuur is er wonderwel op zijn plaats en kan van daaruit dan ook moeiteloos teruggaan naar de laatste oorlogsmaanden, de periode waarin het gezin Tentije geëvacueerd was. Vergeefs zoekt de ik naar de precieze locatie en naar de tekst die vanuit het huis zichtbaar was geweest: ‘IS HET WEL MET UW ZIEL VOOR DE EEUWIGHEID?’ Het doordrenkt de tekst met een onbestemde melancholie, zeker als in het volgende gedicht – terug in Oost-Europa – bij een beschreven wandeling staat: ‘daar, beneden mij, hing ongetwijfeld/ wel weer ergens tussen de doornstruiken/ een Christus dood te gaan, zonder veel kans op verrijzenis -‘.

In een enkel gedicht blijft Tentijes realisme wat te prozaïsch en kiest hij voor te gemakkelijke symboliek. In het laatste gedicht van deze cyclus komt de ik na een lange autorit op een hotelkamer en als hij daar de kast opent, zijn er ‘lege planken en welgeteld één kleerhanger’. Als juist dan het woord knaapje bij hem opkomt, legt hij het er wel erg dik bovenop. In de erop volgende strofe is dat nog sterker: hij slaat het dek open, maar voelt tegelijk ergens op te staan, op ‘een grillig, verwaarloosbaar stukje/ uit een legpuzzel, waarvan ik me bij het dievenlicht van het bedlampje/ afvroeg wat voor een soort tafereel het voortaan/ moest missen’. Het is, vind ik, te nadrukkelijk.

Ook in de cyclus West Somerset wordt er weer gereisd, in het zuidwesten van Engeland dit keer en niet alleen, maar met de geliefde, met wie hij een keer bij gebrek aan beter onderdak de nacht moet doorbrengen in een openbaar toilet. Tentije vertelt het bijna droog-komisch, maar ook weer in terugblik, zoadat de herinnering gekleurd is. Het laatste gedicht beschrijft hoe in alle verlatenheid (Tentije kan niet zonder, zo lijkt het) een bouwvallige kroeg gevonden wordt, waar enkele ‘types’ zaten. Zo eindigt het:

eenstemmig zwegen ze, misschien omdat wat er ooit te zeggen viel
allang gezegd was, of ze geen woorden hadden
voor deze plek, het gevoel zich als het ware aan de rand
van de wereld te bevinden.

Ja, Tentije, denkt de lezer, daar sta je dus zelf, ‘als het ware’.

In de zes lange gedichten van de titelafdeling Gissingen, gebeurtenissen toont Tentije zich van zijn meest epische kant, ook al is lang niet altijd duidelijk welk verhaal hij nu eigenlijk vertelt. ‘Sindsdien’ beschrijft hoe een oude (Oostenrijkse, Hongaarse?) dame terugdenkt aan hoe ooit ‘twee kerels in vale regenjassen/ haar geheime liefde grepen’. Maar niet de gebeurtenis als zodanig staat centraal, die rol is meer weggelegd voor de omgeving, de entourage, het tijdsdecor, de wereld om en achter de dingen die het voornamelijk van suggestie moet hebben. Het geeft het gedicht iets ongrijpbaars. Datzelfde gebeurt in de andere gedichten, en het sterkst in het slotgedicht, waarin – alweer! – een oude vrouw, enig erfgename van een bierbrouwerij, terugdenkt aan haar leven, met name aan haar jeugd. ‘Eerdaags zou het hele bedrijf […] het hare wezen, met inbegrip van al het teloorgegane’, zijn de laatste woorden van de bundel.

‘Een zoektocht naar het teloorgegane’, zo formuleert Tentije dus uiteindelijk zelf het thema van de bundel. De zoektocht als vraag, de bundel als antwoord. Prachtig werk.

***
Hans Tentije (Johann Krämer, Beverwijk, 1944) publiceerde met Gissingen, gebeurtenissen zijn vijftiende dichtbundel bij De Harmonie. Voor Wat ze zei en andere gedichten (1979) ontving hij zowel de Van der Hoogt- als de Gorterprijs; Deze oogopslag werd in 2005 bekroond met de Guido Gezelleprijs. Het in 2011 verschenen In omgekeerde richting, waarin Tentije een gedichtenwisseling voerde met Bernlef, werd door Awater verkozen als poëzieclubkeuze voorjaar 2012. In 2012 won hij de Hans Berghuisstok voor poëzie voor zijn gehele oeuvre.