Recensie van Meer mensen dan reddingsvesten - Willem Thies

‘In het late lamplicht wikt iemand zijn taal.’

Willem Thies
Meer mensen dan reddingsvesten
Uitgever: Podium
2015
ISBN 9789057597435
€ 16,50
56 blz.

In een titelloos prozagedicht uit zijn nieuwe bundel stelt Thies zich een paradijs voor waarin geen ‘stinkende herinnering’ bestaat, omdat er helemaal niets te vergeten valt: de bewoners zijn leeg. Hij besluit met: ‘schaarste is een aards begrip, niets plant zich voort, niets hecht zich, nooit zal ik nog sidderen in dit dictatoriale licht.’ Gelukkig is het niet meer dan een fantasie, want ook de noodzaak tot dichten doet zich in zo’n saai paradijs niet voor.
De dichter kijkt met de ogen van een vreemde naar het leven om hem heen, zijn eigen leven inbegrepen. Dat leven is vaak moeizaam, herinneringen zijn zelden aangenaam. Dat betekent niet dat Meer mensen dan reddingsvesten een loodzware bundel is, want daarvoor is zijn taalgebruik te beweeglijk.

Afstand kenmerkt het merendeel van de gedichten: tot medemensen, de leefomgeving en de bevreemdende en soms bedreigende wereld, maar ook in de manier waarop de dichter zichzelf waarneemt.
Al in de eerste strofe zet hij de toon van de hele bundel. Na een heftig begin kunnen de geliefden elkaar niet meer bereiken en hij toont die afstand met een vondst: ‘Zijn warmte’ in regel vier is een correcte verwijzing naar het lichaam van een vrouw:

Het mag zijn dat je lichaam mij bekend is,
het is mij niet langer welgezind. Het ademt
naast mij onder de lakens, als iets verdwaalds.
Zijn warmte is de mijne niet, de rug een wand.

(‘Indringer’)

Andere voorbeeld: niet een ‘zij’, maar ‘Haar lichaam schrikt van een geringe / aanraking.’ Op een van de weinige momenten van geluk is het lichaam prominent aanwezig, maar hij spreekt nu wel over ‘zij’: ‘Ze staat voor me, naakt als een brood. Een en al dijen, borsten, schouders, hals’. Het is de uitzondering die de regel bevestigt.
De dichter beschouwt ook zichzelf van een afstand. Hij suggereert dat dit de enige manier is om over zichzelf te schrijven. ‘In het late lamplicht wikt iemand zijn taal’, zegt hij over zijn weerkerende angst voor het lege papier

De metaforen zijn helder, effectief en blijven hangen in het geheugen. Het lege vel van de angstige dichter ‘smaalt / in de diepte’, hij noemt het ‘de spierwitte schrik van de veteraan’. Onbemande graafmachines, bulldozers en betonmolens zijn de ‘onherroepelijke voorhoede / van buitenaardse indringers.’ Vanaf nu kan ik geen grootschalige bouwprojecten meer zien zonder aan dit beeld te worden herinnerd.

Een enkel gedicht schreef Thies op verzoek. In zijn Verantwoording schrijft hij onder andere: ‘Het gedicht ‘Stronk’ schreef ik voor Schroot, samengesteld door Tsead Bruinja, met 32 linosnedes van Hans Wap en bijdragen van 30 dichters (De Weideblik, 2014). De lino’s tonen autokerkhoven, vliegtuigmassagraven en scheepswrakken; de gedichten zijn gecentreerd rondom hetzelfde thema van groot afval, het stoffelijk overschot van transportmiddelen.’
Bij Thies ziet zo’n gedicht er zo uit:

Kauwen pikken de letters uit een krantenpagina,
een flessenhals glanst onder de bank, het omhooggestoken
wiel van een fiets naast het pad als de hand om hulp, een schoen
zonder veter, het molenrad dat zijn schaduw werp op de kant.

Nachtkoele poel, luchtbellen borrelen, vochtig gras,
een tribune zwammen tegen een boomstronk, nee de romp
van een bemoste jongen, alles ruikt naar levensdwang.

Een plaats van verval, waar ‘alles ruikt naar levensdwang’ – het woord ‘ruikt’ vind ik in deze context heel goed gekozen. Een dode boomstronk noemt hij een ‘bemoste jongen’, een fietswiel een omhooggestoken hand om hulp. Zijn dat personificaties en daarom beelden van leven? Of beschrijft de dichter tevens een wrede dood? Hij wekt associaties met een ongeluk dat al een tijd geleden heeft plaatsgevonden, met zwammen als stille getuigen.

In dit soort schijnbaar terloopse, maar bij nadere beschouwing geladen formuleringen is Thies een meester. Een liefdevolle meester, want de taal volgt hem graag.

***

Willem Thies (1973) was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat en redacteur van cultureel jongerenmagazine Simpel, waarvoor hij ook schreef. Zijn debuut Toendra (2006) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel, Na de vlakte (2008) werd genomineerd voor de J.C. Bloemprijs. In maart 2012 verscheen zijn derde bundel, Twee vogels één kogel.

Recensie van Twee vogels één kogel - Willem Thies

Tien vogels in de lucht, geen veer in de hand

Willem Thies
Twee vogels één kogel
Uitgever: Podium ,Podium ,Podium ,Podium
2012
ISBN 9789057595165
€ 14,50
56 blz.

 
Op buitengewoon goede en slechte gedichten reageer ik altijd op dezelfde fysieke wijze: klamme handen.
 

    Je hebt goede bloedlijnen, zegt de Koerd.
    Hij is groot en sterk hij heeft gevochten
    om de aarde.
 
    Hij bedoelt aders.
 
    Ik zou naar de sportschool
    moeten gaan, spieren kweken.
 
    Hij haalt een sigaret van achter zijn oor,
    klopt er kort mee op tafel, steekt
    hem op, inhaleert, spreekt.
 
    Als Saddam dood is, zijn Iraki’s  en Koerden vrij.
    Twee vogels, één kogel.
 
    Hij bedoelt twee vliegen, een klap
    maar Koerden denken groter.

 
Hier geciteerd het gedicht ‘Utopia’ waaraan deze bundel de titel dankt.
Blijkens de aantekeningen achterin heeft deze tekst voor Willem Thies particuliere connotaties. De Koerd was namelijk een flatgenoot.

Koerden en Saddam – het kan niet anders of dit moet een politiek gedicht verbeelden. De roep daarom is bij sommige poëzieliefhebbers groot. Met recht? Ik weet het niet. Het gevaar is dat het al snel boodschapperig wordt. (En dichters zijn geen boodschappers.)

Willem Thies heeft goddank geen expliciete boodschap. Maar is dit een goed gedicht? Nee.
 
Wonderlijk dat een gelauwerde dichter beginnersfouten maakt. Uitleggen zou verboden moeten zijn: “Hij bedoelt…”
Beste heer Thies, zo dom zijn we niet…

En dan de slotzin: alsof lezers een clou nodig hebben.
De pijn, de dilemma’s van een Koerd in Irak, ze worden niet wakker gemaakt bij mij. En dit geldt voor heel de bundel, die je in slaap sust en met klamme handen achterlaat.
 
***
Willem Thies (1973) debuteerde in 2006 met de dichtbundel Toendra die bekroond werd met de C. Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel, Na de vlakte (2008), werd genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

Gedichten

Vlucht

daar klapwiekt een kind
het kan kijken met ogen groot
als van een jonge nestvogel

het kind houdt iets
in de holte van
zijn smalle vuist

een onzichtbaar insect
met stippen en
een breekbaar schild

schoksgewijs beweegt het kind zijn hoofd
verscholen in de capuchon
van een gele regenjas

het klapwiekt boven bergen
versgemaaid gras en rivieren
natgeregend asfalt

strijkt neer
en schikt zijn kleren

Uit: Na de vlakte, 2008
 

Zilvervissen

op het witte strand spoelen
de vissen aan met de zilveren ingewanden
obsceen ademend als in een pornofilm
oog in het groot onder het licht van
de maan en de muggen en de malaria
pornogewijs sterven
pervers als een archeologische opgraving

Uit: Na de vlakte, 2008
 

voor Georg Trakl

ik heb een vriend die ik nooit zie
hij verbergt zijn hoofd in een machine

                                                      of is het een droom

deze mond is een doorn, spreekt (hij) tot zijn zuster
                                de mond is de zijne
                                  en steekt

       moord           zucht                                     van de

                 mond

de zuster is zijn geliefde                     de zuster is de zijne

waar is het einde van de droom
                                                                 (de uitgang)

:de droom mondt uit in moord

Uit: Dichter bij de Prinsentuin, bloemlezing, 2006

 

When the barrage lifts…

Een witte vlek in het veld
herinnert aan de huizen van krijtsteen
die eens een dorp vormden.

Een boom zonder kruin
nietsondersteunende zuil,
nutteloos als nat kruit.

En een enkele grashalm,
armoedig en lachwekkend bewijs
dat hier iets groeien kan.

Uit: Na de vlakte, 2008
 

Interview met Willem Thies

Een stadsromanticus

 

Willem Thies debuteerde in 2006 met de bundel Toendra in de Sandwichreeks. Voor deze bundel kreeg hij de C. Buddingh’-prijs 2006 voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut. In april komt de tweede bundel van Willem Thies uit. Deze gaat Na de vlakte heten en verschijnt bij uitgeverij Podium.

Foto: Hugo Keizer

Existentiële leegte
De titel Na de vlakte is een verwijzing naar de titel van zijn debuutbundel. ‘Een toendra is een kale, boomloze vlakte, uitgestrekt en onherbergzaam. Laat ik de toendra achter mij, dan laat ik deze "geestelijke woestenij" of "existentiële leegte", zoals recensenten de titel in relatie tot mijn eersteling hebben verklaard, achter mij en bereik ik een leefbaarder en gastvrijer omgeving,’ vertelt Willem Thies. Veel van zijn nieuwe gedichten zijn nadrukkelijk in de stad gesitueerd. ‘De titel duidt op een verandering van omgeving en die duidt weer op een inhoudelijke en stilistische ontwikkeling: ik schrijf nu in een minder rauwe en koele stijl, mijn gedichten zijn warmer; én veel van mijn gedichten zijn ingebed in een meer concrete, stedelijke context – ze spelen aan een gracht, in een park, in smalle straatjes, een begraafplaats in het Amsterdamse stadsdeel Oud-Zuid of in Heilig Land Stichting bij Nijmegen.’
Er is een groot verschil tussen de gedichten in Na de vlakte en de gedichten in Toendra. ‘Mijn nieuwere gedichten zijn minder ruw, minder samengeperst. Ik laat meer licht en lucht toe, meer adem. De gedichten zijn opener en suggestiever. Ingetogener. Wat onveranderd is, is dat ik blijf schrijven in een heldere en beeldende stijl,’ legt Thies uit en hij gaat verder: ‘De reden voor deze verandering in schrijfstijl is denk ik tweeledig. Ten eerste word je zelf ouder en vindt er een verschuiving plaats in interesses, mentaliteit en temperament. De oudste gedichten van Toendra schreef ik toen ik een jaar of 23 was. Op die leeftijd was ik nog behept met fascinaties voor de dood, zelfmoord, oorlog, de Holocaust, wapens en het duistere… Dat is typisch voor die leeftijd. Daar groei je overheen, dat wil zeggen: de fascinaties zwakken af, of "normaliseren" tot interesses, nieuwsgierigheid. Een andere reden is dat je simpelweg niet dezelfde bundel wil schrijven. Je wil je niet herhalen, maar vernieuwen, nieuwe wegen inslaan. Dat is deels een evolutie die parallel loopt aan de evolutie van jou als persoon, maar het is ook iets waar je voor kiest, iets wat je afdwingt, forceert. Je kunt een bepaalde latente tendens manifest maken, versnellen en versterken.’

Romanticus
Aan veel gedichten van Willem Thies zit een donker randje. Hij verklaart dit als volgt: ‘Ik weet zelf niet precies wat hiervoor de reden is: het duistere is, denk ik, een rijk en vruchtbaar gebied. Tenminste, als je er vriendjes mee wordt. Het is goed je bewust te zijn van je duistere kant, deze te incorporeren en te integreren, en niet te verbannen. Daarbij zie ik er geen kwaad in het duistere in fictie en fantasie toe te laten. Waarom niet? Dat zie ik als een soort sublimering van het kwaad. Exorcisme misschien zelfs. Zolang je erover schrijft, er een film over maakt, een schilderij, kun je zo morbide en gruwelijk zijn als je wil. Ik denk dat Bret Easton Ellis in werkelijkheid een uiterst zachtmoedig en innemend man is, maar hij creëerde wel de ijzingwekkende psychopaat Patrick Bateman.
Ik ben vaak uitgemaakt voor romanticus, maar ik betwijfel of ik dat ben, in persoon of werk. Althans, ik denk wel dat ik het ben, maar niet meer dan andere dichters. Volgens mij heeft namelijk iedere dichter een romantische inborst, ongeacht de stijl, anders zou je niet zo gek (onaangepast, "onnuttig", onburgerlijk, onmaterialistisch, dwaas) zijn om te gaan dichten in the first place,’ vindt Thies. ‘Daarbij geloof ik, net als Maarten Doorman, dat wij deel uitmaken van "een romantische orde", dat onze huidige tijd nog steeds in essentie een romantische is, al maakt ook de romantiek een evolutie door en heeft zij vele gedaanten. Maar natuurlijk heeft mijn poëzie romantische wezenstrekken, meer in het bijzonder donkerromantische: de dood, begraafplaatsen, het lijden, de strijd, het duistere.
Misschien valt het romantisch te noemen dat ik überhaupt over de grote, universele themata, de dood en de liefde, durf te dichten. Laat mij dan een romanticus zijn! Als de dood en de liefde érgens onderdak moeten kunnen vinden, dan bij de poëzie. Daarmee is niet gezegd dat je deze woorden expliciet moet noemen, maar poëzie waarin liefde en dood ontbreken is ondenkbaar.
Overigens ben ik in vele opzichten géén romanticus: ik wil níet een ander zijn, ik wil niet "elders" zijn, ik verlang niet terug naar mijn kinderjaren of jeugd, of een andere tijd,’ gaat Thies verder. ‘Van de andere kant ben ik wél een romanticus in die zin dat ik absoluut géén rationalist ben, en géén materialist. En vooral in die zin dat ik de eigenheid van iets of iemand voorop stel, de eigen identiteit en stijl, de uniciteit.
Maar áls ik al een romanticus ben, dan een heel fysiek, aards romanticus en niet zo’n vergeestelijkt figuur die enkel in zijn hoofd leeft, en daarbij een stadsromanticus en geen natuurlyricus.’

De kerk
In zowel Toendra als in Na de vlakte staan gedichten die een religieuze invloed doen vermoeden. In de gedichten ‘Confessie’ uit de eerste bundel en ‘Psalm’ uit de tweede valt daarbij het gebruik van het parallellisme en de repetitio op, die twee geliefde stijlfiguren van Willem Thies blijken. ‘Het zijn heel oude, traditionele poëtische stijlmiddelen, simpel maar uiterst krachtig en effectief. In veel gevallen gaan ze vergezeld van het middel van de enumeratie, de opsomming,’ zegt Thies. Hij vertelt wat zijn verhouding tot het geloof en de kerk is: ‘Toen ik zestien was mocht ik samen met mijn jongere broer misdienaar zijn bij het veertigjarig huwelijksjubileum van mijn grootouders. We werden gestoken in het rood en wit. We moesten de kelk met wijn aanreiken en een kandelaar met kaarsen dragen. Na afloop van de mis ging ik rond met een mandje om geld in te zamelen. Ik voelde mij heel plechtig, en deed mijn uiterste best de handelingen zo zorgvuldig mogelijk uit te voeren. Dát is wat mij aantrekt in het geloof: de vormgeving, de magie, de rituelen. Het onverstaanbare gemurmel van mannen met lange baarden van de orthodoxe kerk, het gezwaai met wierookvaten, het devote aanraken van heiligenbeelden door Italianen, in fluisterende rijen, de mix van het oude Maya-geloof en het katholicisme zoals ik dat gezien heb onder de indianen in Zuid-Mexico: het strooien van dennennaalden en het offeren van flesjes Coca-Cola, als iets kostbaars.
Ik wil de vorm alleen loskoppelen van de religieuze inhoud, de implicaties en connotaties. Ik wil het beeld behouden zónder die specifieke betekenis, maar met een even groot appèl, een even grote zeggingskracht, alleen dan op een persoonlijk vlak. In die zin dus een mix van de beeldenrijkdom van het katholicisme met de persoonlijke beleving van het protestantisme, maar dan zónder een god. Of zoiets.
Hoe dit ook zij, op 17 mei ga ik trouwen. Ook voor de kerk. Dat wordt een viering, vormgegeven door mijn aanstaande vrouw en mij, geen dienst. Ik vind een kerk een mooie, gewijde plek, zoals ik ook een kerkhof een sacrale plek vind. Het zijn plekken die ontzag inboezemen, die je vervullen van eerbied. Tegelijk ben ik eigenlijk niet gelovig in strikte zin.’

Exact
Willem Thies is niet alleen dichter maar hij heeft ook heel wat ervaring als persklaarmaker voor literaire uitgeverijen, en heeft in die hoedanigheid tal van dichtbundels en romans geredigeerd. ‘Bij het schrijven van een gedicht probeer ik in eerste instantie de redacteur in mijzelf uit te schakelen. Maar ik zie wel degelijk een parallel: uiteindelijk, bij de definitieve versie of eigenlijk al bij iedere herschrijving, vind ik precisie een belangrijk criterium. Dat is natuurlijk geen wetenschappelijke precisie, maar je moet wel degelijk exact weten wat je wil zeggen, en dat zo exact mogelijk verwoorden. Welk woord op welke plaats, daar komt het op aan – wat zijn je afwegingen, wat wil je bewerkstelligen? Ik ben sterk gekant tegen vaagheden of willekeur onder het mom van "poëtische vrijheid". Natuurlijk kan poëzie ongerijmd zijn, wonderlijk, vreemd, "onlogisch" en onconventioneel, in woordkeus, woordcombinaties en volgorde, maar alles moet kloppend zijn binnen dat ene gedicht. Je moet garant staan voor je woorden en hun betekenis. Schrijf je een sprookjesachtig gedicht, dan kunnen vogels en vossen praten, maar schrijf je een gedicht dat in alle opzichten "realistisch" is, dan zal een cowboy met een revolver schieten en een piraat met een pistool, en whisky wordt gestookt en bier gebrouwen, en niet andersom, om maar wat simpele voorbeelden te geven. Je kunt het best "verkeerd" zeggen, maar dan moet dat nadrukkelijk je bedoeling zijn. Je moet scherp zijn, en je sterk bewust zijn van wát je wil zeggen, en hóe je dat wil zeggen. Alternatieven overwegen, tot een definitieve keuze komen. In dat opzicht ga ik, óók als dichter, uiterst consciëntieus te werk. En in die zin moet elke dichter, bij tweede en latere versies, redacteur zijn van zijn eigen werk.’