De tuin in Meander

Dichters in de Prinsentuin 2015

Op vrijdag 17, zaterdag 18 en zondag 19 juli vindt in Groningen weer het jaarlijkse festival Dichters in de Prinsentuin plaats. Zoals de naam al zegt in de Prinsentuin, maar voor een deel ook in de Puddingfabriek. Poëzie hoort immers overal thuis.
Uit de tientallen dichters die op zullen treden kozen de samenstellers acht kleurrijke personen die in Meander worden uitgelicht.
Zie verder natuurlijk www.dichtersindeprinsentuin.nl.


Foto: Olaf Otto (www.olafotto.com)


Ghayath Almadhoun (1979)

Uit Syrië afkomstig kan deze dichter niet anders dan geëngageerd te zijn. Maar wat voor een dichter is het. In zijn rauwe en trefzekere gedichten overstelpt hij ons met het ene na het andere prachtige beeld waarin hij klassieke Arabische poëzie koppelt aan een sterke moderne stem. Daarnaast heeft deze man een geweldige ontroerende manier van voordragen, die je met een brok in je keel achterlaat.

Hoe ik een dichter werd

Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw
verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet
onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te
kopen. We vonden een verdriet dat in goede staat verkeerde, het was alleen
een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer
zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. Het verdriet beviel haar
wel en we besloten het te nemen. Maar we waren het niet eens met de prijs,
dus zei de handelaar dat hij er, als we het verdriet zouden kopen, gratis
een pakketje leed uit de jaren zestig bij zou geven. We stemden in met zijn
voorstel en ik was blij met het extra leed, waarop we niet hadden gerekend.
Toen ze merkte hoe gelukkig ik er mee was, zei ze: ‘Je mag het hebben.’ Ik
deed het leed in mijn tas en we gingen op weg. Die avond schoot het me weer
te binnen. Ik haalde het uit mijn tas en bekeek het van alle kanten. Het was
van hoge kwaliteit en verkeerde in goede staat, hoewel het al een halve eeuw
was gebruikt. Kennelijk had de handelaar geen idee van de waarde gehad,
anders had hij het ons vast niet gegeven in ruil voor de aanschaf van het
onbeduidende verdriet van een jonge dichter. Wat me vooral tevreden stemde,
was dat het existentieel leed was, dat bovendien uiterst professioneel in elkaar
was gezet, met prachtige, bijzonder verfijnde details. Het had vast toebehoord
aan een geleerde of een ex-gevangene. Ik begon het te gebruiken en zo werd
de slapeloosheid mijn dagelijkse metgezel en werd ik een voorstander van
de vredesbesprekingen. Ik ging niet meer op bezoek bij mijn naasten, het
aantal memoires in mijn boekenkast groeide en ik uitte nog maar zelden mijn
mening. Mensen werden me dierbaarder dan het vaderland en ik begon me te
vervelen. Maar wat ik vooral opmerkelijk vond, is dat ik een dichter werd.

Uit Weg van Damascus, Uitgeverij Jurgen Maas, 2014
Vertaling: Djûke Poppinga

Jan Bos (1937)

Jan Bos, een Groninger op leeftijd die nu eens niet alleen maar schrijft over weilanden, hooivorken en slootjes. Bos kijkt in zijn poëzie verder dan de provinciegrenzen: Griekse mythen, wijdse uitzichten en andere sprongen in tijd en ruimte keren regelmatig in zijn werk terug. Een gedicht van hem herken je meteen en daarom voegen we hem voor de tweede keer graag toe aan onze line-up.

(ien Hogelaandster toal)

Holten gedicht

Mien hazzens draaien woest
ans n roazende cirkelzoag, dij
jakkert deur stoenze stammen
van tegendroads austig aikenholt.

Mien hakblok bonkt dof onner
elke klap van mien kleuvbiel.
Eerste maggelblokken worren
spöldt ien hapkloare brokken.

Schaarpe heksebiel ligt kloar
bie aanbegun van aale nije kronkels.
t Is t beuken en t kleuven
ien verbeeldens van regelstukken.

k Perbaaier woorden oet te hakken,
mor t blieven toektakkege misbaksels,
tegendroadse dwaarsbongels,
braandholt aan distiedtou, fik ter ien!

Stoenze = stugge * austig = weerbarstig * kleuvbiel = bijl om mee te klieven * maggelblokken maggeln = slecht schrijven * toektakkege = naar alle kanten uitgroeiende takken, grillige * dwaarsbongels = dwarsdrijvers * distiedtou = tot aan deze tijd, tot dit moment * spoldt = gespleten * perbaaier = probeer

Frank Keizer (1987)

Frank Keizer is geen onbekende voor ons. Hij trad al eens bij ons op rond de tijd dat zijn chapbook Dear world, fuck off, ik ga golfen verscheen. En natuurlijk kennen we het magazine Samplekanon dat hij samen met Maarten van der Graaff bijhoudt. In januari zal zijn nieuwe bundel Onder normale omstandigheden verschijnen. Wij kunnen niet wachten en daarom staat hij wederom op het programma.

Klaarheid over mijn bestaan
in de lange nacht, die niets overbrugt.
Bang dat ik de wereld die ik zoek
zelf verduisterd heb, nooit iets leerde
van mijn ervaringen in Nederland,
omdat zij mij, man
uit de middenklasse,
altijd heeft geaccepteerd.
En ik accepteerde haar.
Met mijn legitieme woede,
mijn onhandigheid
en mijn jonge lichaam met organen.
Die ik roofde
uit de lichamen van mijn ouders
en hun ouders voor hen.
Ze zijn overbodig geworden
en ik ben verward, zonder organisatie.

Elmar Kuiper (1969)

Een grote Fries is een grote Nederlandse dichter geworden. Zijn nog te verschijnen bundel Ruimtedier wordt een wondertol en met zijn vrije manier van associëren en soms dwarse manier van beeld aan beeld rijgen is het een losgezongen, vrije stem die wij maar wat graag verwelkomen.

ooit schiet het op

Spijtig! De autocue van Johannes de Doper loopt vast. Achter
de rug van de verslaggever woedt de Peloponnesische oorlog.

Onder de parasol van de pijnboom rekt de herder zich uit na
een verkwikkend dutje. Bedeesd schat hij de afstand in tussen

het afgedwaalde schaap en de ravijn. Het gezicht is bepoederd.
De scheiding moet rechts van het midden. Er groeit geen gras

op de voedingsbodem. Iemand weet natuurlijk iets. Geen nood.
De editor snijdt nooit in het ruwe materiaal. Johannes de Doper

haalt spoedig de feiten in. Ooit schiet het op. Luister! De slagpin
slaat al tegen het slaghoedje aan. De dood is een blote poedel,

totdat de Eindtijd aanbreekt.

Uit: Ruimtedier, Atlas Contact

Richard Nobbe (1993)

De voorman van de nieuwe beweging van jonge Winschoter dichters. In zijn kielzog een hele ploeg jonge dichteressen. Aangezien we deze beweging een warm hart toedragen is het niet meer dan terecht dat Richard Nobbe op Dichters in de Prinsentuin optreedt. In zijn poëzie probeert hij nog alle hoge en lage noten te bereiken, maar Nobbe wil urgent en oprecht doordringen tot de hoofden van de lezers.

Vroeger

Vroeger was alles beter,
ik kan het weten,
want ik heb
– in de jaren negentig –
mijn luiers volgekakt.

Vroeger was het zo mooi
want ja vroeger was
alles nog in sepia
vroeger was alles nog vroeger
ging je naar binnen als het licht aanging,
nu is dat vroeger op die iPads,
vroeger bouwden we hutten
van stront met stukjes
en omgevouwen bordkarton
vroeger praatten we nog met elkaar
want ja, nu is niet vroeger
en nu is alles monddood
omdat ik in de trein niet mijn bek opentrek
omdat mijn bek meurt als een blik met Trabantuitlaatgas
je reinste Ostalgie
en de muziek werd gemaakt op echte gitaren
van sloophout, afkomstig van slavenhandel
en snaren van versgesponnen schapendarmen,
maar ja, dat was vroeger.

Ja, vroeger vroeger vroeger vroeger
vroeger was.
ALLES mooier.

En ik kan het weten,
want ik ben geen twintig meer,
en heb de wereld meegemaakt.

Johan Roos (1973)

P.F. Thomése en Mirjam van Hengel hadden in 2013 al goed in de smiezen dat Johan Roos talent heeft: volgens hen was hij één van de meest veelbelovende dichttalenten van dat jaar. Wintertuin was het ermee eens en voegde hem toe aan hun agentschap.  Dat leidde tot de uitgave van het korte, sobere en anekdotische Hond Leeuw Zee waarin zware thema’s aan de orde komen. Immers: “Hoe zwaarder het thema, hoe lichter de vorm moet zijn.”

Lichamen

De man met de vilten hoed beweert dat hij Godsbewijzen verzamelt.
Ik zeg dat ik dat best wil geloven.
 
Hij heeft ze gewikkeld in theedoeken, diept ze op uit een linnen tas,
vouwt de eerste doek voorzichtig open.

Er ligt een vogel in. Doffe ogen. Stijve pootjes. Bruine vleugels.
De man neemt zijn hoed af.

Hij zegt: ‘Vanochtend ging zijn lied nog dwars door mijn borstbeen.’ en
‘Alles in mij resoneerde.’ Ik denk dat ik dat best wil geloven.

Uit de tweede doek komt een kleine staartklok. De wijzers staan stil,
vlak voor het uur. De man zet zijn hoed op, prutst aan het raderwerk,
verhangt de gewichten en zegt: ‘Kijk, elk gevolg heeft een oorzaak.’

Ik zeg: ‘Elk?’
Hij zegt: ‘Elk.’
‘Altijd?’
‘Altijd.’
‘Niet vaak of soms?’
Hij zegt: ‘“Nee, altijd.”’
Ik zeg dat dat er bij mij niet in wil.

Ik zeg: ‘Ik heb twee keer een dierbare geboren zien worden
en één keer een dierbare zien sterven. Ik heb welkom geheten
en afscheid genomen.’

‘Drie keer heb ik aan een bed gezeten dat het
dwars door mijn borstbeen ging en nu weet ik alles
over soms en niets meer over altijd.’

Ik leg mijn handen op de vogel.
De staartklok slaat.
Ik til mijn handen weer op.
De vogel vliegt weg.
De man neemt zijn hoed af.

Ik huiver, trek mijn capuchon over mijn hoofd
en loop de vogel achterna.

Uit chapbook Hond Leeuw Zee

Vrouwkje Tuinman (1974)

Met de bundel Sanatorium levert Tuinman een huzarenstukje af in de Nederlandse bom. Wat een geweldige bikkelharde, maar met chirurgische precisie opgeschreven gedichten worden er in deze bundel in stelling gebracht. Gedichten die voelen als wodka: zelf ijskoud, maar vanbinnen zetten ze je in lichterlaaie.

Ik zou er voor tekenen

In één keer neervallen terwijl
je een vuilniszak verwisselt en je
vrouw zegt: Kees, wat doe je nu weer.
Maar je doet niks meer.

Precies zo blijven, op deze leeftijd,
of misschien vijf jaar jonger.
Met deze mensen, precies
hier. Heeft iemand een pen?

Op de optimale dag. Met een schok.
Wie ervan hoort (in het journaal?)
weet nog jaren later waar hij
was en wat hij deed.

Langzaamaan vergeten wie
je ook alweer was, en gaandeweg
in slaap geraken. Andersom van hoe
het ooit begon. Verbleken.

Uit Sanatorium, Uitgeverij Cossee 2014

Jante Wortel (1996)

Jante Wortel was één van de vele dichters die werk naar ons stuurde. Wat gelijk opviel was het constante hoge niveau. Geen uitschieter naar boven of naar beneden, maar drie hele goede gedichten waarin de hoofdpersonen over bushokjes dromen, snappen wat je met ‘dit’ bedoelt en rondjes lopen door de keuken. Gedichten die je nog een tweede keer wilt lezen en die nieuwsgierig maken naar de voordracht ervan. Sinds onze uitnodiging won deze studente aan de opleiding Creative Writing aan ArtEZ ook nog eens de Kunstbende van Drenthe. Dat zal ongetwijfeld niet de laatste prijs zijn.

met het oog op morgen

ik heb me voorgenomen na tien uur
’s avonds geen filmpjes meer te kijken
waarin mensen hun oor verliezen

de laatste keer dat ik me daar niet aan hield
droomde ik over bushokjes
mannen met honden
en een onbedwingbare drang om kopstoten te geven

soms loop ik als ik ’s nachts wakker word
naar de kraan om mijn handen te wassen
dan trek ik mijn pyjamabroek tot over mijn navel
en keer mijn kussen om

met mijn handen op mijn buik
stel ik me voor dat ik zwanger ben
de rest van de nacht droom ik over verjaardagen

Gedichten

[Deze gedichten zijn ook opgenomen in het interview met Vrouwkje Tuinman]

Remise

Het fijne is, het is hier altijd dag.
Het is hier altijd avond. Het is hier
altijd zoveel graden. Er is een hand
die vaseline op je lippen smeert,
een buis die voor je ademt.
Naast je zit ik met een sjaal die
steek na steek voltooiing nadert.
Het fijne is dat het best snel gaat.
Vervelend is dat het te snel
gaat, ik veel te vlug voor jou
de draden aan elkaar vasthaak.

Glijdende schaal

Is hij er nog? Hij is er nog.
Ik ga even niet meer praten, zegt hij.
Elke stap lijkt nu de laatste. Het nieuw
infuus, de ogen gesloten, de ogen open.
Hij mompelt dat hij even niets meer zegt.
Elk moment lijkt definitief. Misschien
blijft hij, blijven wij, voor altijd hier.
Is hij er nog? Hij ademt uit, is stil
en ademt dan weer in. Hij is er nog.
Ik houd even mijn mond, zegt hij.

Condities

Er is geen Nederlands woord voor special needs.
Dat geeft niet. Wij allemaal hier denken ruim
over de grenzen. Nigeria, Haïti, onze kinderen komen
van ver. Het taalverschil? Dat is slechts het begin.
De beelden van tv zijn fantasie. Niemand loopt
het weeshuis in, wordt (alsof het zijn moest) aangeklampt,
gaat voor altijd samen verder. De werkelijkheid
staat op een internationaal erkende lijst.
Alles begint met de toestand waarin het kind
ter wereld kwam. Misschien is het albino.
Epileptisch. Of er is iets met de maag. Een hazenlip,
dat telt niet, die vinden wij normaal.
Heeft u een trap? We hebben kinderen met een klompvoet.
Het is aan u om af te wegen wat u past. Wat u
kunt missen. Een vinger? De hele hand of zelfs een arm?
Alles graag apart aangeven, en voor we het vergeten,
er zijn er ook met juist een extra teen of vinger.
Dat opent mogelijkheden. Voorop staat dat u zich
moet realiseren: een kind dat door een buisje
in de buik gevoed wordt, eet nooit gezellig met u mee.
Tb of aids, het zijn geen zekerheden. Je moet
er tegen kunnen, er misschien zelfs interesse
voor ontwikkelen. Tegen vergoeding bieden wij
voor alle handicaps een thema-avond aan.
Stel, u gaat voor meervoudig. Dat kan bijvoorbeeld met
een wijnvlek en een rolstoel. Dat vergroot uw kansen.
Maar aan misschien heeft niemand iets. Dus is er ook een vakje
voor als u liever van speciale noden af wilt zien.
Maar daar gaan we niet van uit. Uiteindelijk
willen we allemaal hetzelfde. Sluit daarom minstens
drie condities in uw hart. Maar liever meer.
Graag met zwarte of blauwe pen ondertekenen.

Recensie van Wat ik met de sleutel moet - Vrouwkje Tuinman

De sleutel tot de andere wereld

Vrouwkje Tuinman
Wat ik met de sleutel moet
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2011
ISBN 9789038893938
€ 16,95
55 blz.

Dromen is bewustwording van wie je bent. Een droom heeft een sterk vervreemdend effect, maar biedt je ook de kans op een maximaal loskomen van droomenergie. In de droom drukken zich oerbeelden uit die toebehoren aan mensen van alle tijden. Ze zijn een bovenpersoonlijk verschijnsel. De droom is een maskering van onbewuste inhouden. Voordat de taal er was, was er het beeld. Een beeld of imago is de overbrugging tussen ratio en emotie. Het beeld reikt verder dan de taal. Daarom is de droom een levende ervaring en tevens een hermeneutische sleutel.

Niet alleen een droom is op te vatten als een sleutel, maar ook het gedicht kan die functie vervullen. De dichter als blinde ziener bezit door zijn onderzoekend talent voor taal en de wijze waarop hij dat vormgeeft, de mogelijkheid de lezer een andere blik op een wereld van alledag te bieden. Zo heeft Rainer Maria Rilke in zijn Sonnetten aan Orpheus (1923) verloren gegane eenheid tussen het aardse en het heilige geprobeerd te slechten. Zijn poëzie is wel vergeleken met een Russisch-Byzantijnse iconostase. Deze wand met beelden die het altaar van de kerkruimte scheidt, geeft een denkbeeldige scheiding tussen het aardse en het heilige aan. De iconostase verbergt het heilige en representeert het tegelijk. Een gedicht als een soort iconostase is daarmee tegelijk als een sleutel te beschouwen die de dichter ons aanreikt om anders naar onszelf en de wereld te kijken. Als het goed is, opent hij deuren naar beelden en inzichten die tot dan toe verborgen voor ons waren. Ik krijg de indruk dat Vrouwkje Tuinman met haar nieuwe, derde bundel Wat ik met de sleutel moet (2011) droombeelden met een sterk realistisch voorkomen aan ons voorlegt. Ze zwerft rond in haar droombeelden op zoek naar die andere werkelijkheid achter de dingen. Bij sommige van deze gedichten komt echter de lancering van het realistisch platform niet tot stand, bv. een gedicht als ‘Sinterklaas’.

Haar bundel kent een systematische opbouw. Vijf afdelingen met eigen titel. Op de achterflap van de bundel staat: Vrouwkje Tuinman sleutelt, epileert en reflecteert over de grenzen tussen het stoffelijk en het onstoffelijke. Ze heeft kennelijk de behoefte vensters op een andere werkelijkheid te openen en doet dat in klare, eenvoudige, situatiegerichte taal met hier en daar absurde en onverwachte wendingen, maar ook met humorvolle regels als: ‘De buren klinken niet alsof ze hobby aan het leven./’. Zodoende stapt ze als het ware opzettelijk met haar tekst uit de dagelijkse logica van de lezer. Een mooi voorbeeld daarvan lezen we ook in het gedicht waarin de titel van de bundel is verwerkt.

Materialist

Vandaag heb ik de flessen van drie weken geleden,
je laatste verjaardagsfeestje, weggebracht.
Op de stoep zijn er per ongeluk of expres
een stuk of zes kapotgegaan. Ik heb geveegd. Ik was toch
aan het boenen, dingen voor je aan het netjes maken.
Ik heb de kast met foto’s aangewezen, die gaan
met je ouders mee. Er is nog Franse kaas die je
te veel had ingekocht, die vind ik vies, maar de vla
is bijna op. Wat ik met de sleutel moet dat weet ik niet.

Tot aan de laatste versregel geeft de ik je de indruk dat hij met de dingen van alledag bezig is. Hij zorgt voor de ander. Maar dan vindt er in de laatste regel de onverwachte wending plaats. Een sleutel, iets materieels dat het sluiten en openen symboliseert, geeft bij de ik een moment van onwetendheid en besluiteloosheid. Een niet weten, wellicht zelfs een verlegenheid met de functie waarvoor de sleutel bedoeld is: toegang verschaffen tot een andere dimensie van de werkelijkheid. Op dit punt zie je Tuinman de pas inhouden en aarzelen, en toch merk je de hele bundel door dat ze die andere wereld wil betreden. Zoals de dromer zich beelden herinnert van een onbewuste werkelijkheid, zo spiegelt Tuinman ons telkens een glimp van haar verlangen voor die andere wereld voor.

Vanuit dat perspectief zit er een lijn in de titels van de afdelingen: intensive care, omscholing, komen en gaan, stukjes en beetjes en quo vadis. De bundel kent een hechte structuur. ‘Ik heb een punt tussen het midden/ en een derde van mijn tijd bereikt en moet dus/ ergens anders heen.//’. Een gang door het leven als een soort intensive care onder het wakend oog van een klussende God die niets uitlegt. Daarbij dient men zich gaandeweg om te scholen, opdat men zijn of haar plaats in het leven vindt: als sinterklaas verkleed, in de rol van brandweerman of –vrouw, als leeuwentemmer voor de klas, maar wel in alle functies, zeker die van arts, om nauwgezet en precies te zijn. Bovenal dient de ik zorg te dragen voor de leefbaarheid van de eigen omgeving. Uit alles blijkt Tuinmans oog voor detail, de kleine dingen die er in het leven toe doen. Het is een komen en gaan van mensen en gebeurtenissen. De (on)vrijheid en verlorenheid van het sleutelkind: ‘Als ik wil kan ik de deur uitgaan// en vijf minuten verderop de voordeur/ openmaken./’, de diversiteit aan diagnoses van artsen en de manier van stemmen en theeschenken, het zijn allemaal methoden en technieken waarvan ‘Geen mens vindt [dat] het de moeite/ van het navertellen waard.//’ is. De stukjes en beetjes vormen een bont geheel van levenservaringen. Een souvenir uit Egypte: ‘daarvandaan kreeg ik een boek over de kat,/ die heilig is en negen keer voor eeuwig leeft./ Van deze reis heb ik niet eens een kaart gehad.//’. Of de relikwieën als een hoektand waarop een kerk is gebouwd. De ik heeft zo haar twijfels of al die haren, tanden en kruizen in kerken en begraafplaatsen wel die ‘heiligheid’ verdienen die er door gelovigen aan wordt toegekend: ‘Waar de zieke bleef vermeldt de geschiedenis niet.//’. Aan het einde van het leven komt de mysterieuze dood om de hoek kijken. Toch weer die scepsis over die andere werkelijkheid. Quo vadis? ‘Iemand vroeg me naar zijn/ moederland./’ Is dan de tomtom de redding om te komen waar je wilt komen? Blijkbaar niet. En toch dat verlangen ernaar.

Het gedicht Quo vadis geeft de gemoedsgesteldheid en de levensbeschouwing – om het plechtig te zeggen – van Tuinman goed weer.

Quo vadis

De meningen verschillen over in hoeverre je lichaam
is vergaan en of je ergens bent en zo ja, dan waar.

Wat we wel weten is dat er in het water geen camera
te vinden was. Geen sleutels. Die heb je afgegeven.

In de hemel is maar één persoon met sleutelbos
die bindt daarboven wat beneden al gebonden was

en andersom. Volgens sommigen betekent dat
dat jullie samen daar naar binnen zijn gegaan.

Op internet zie ik de foto’s die wel werden gemaakt,
door vreemde mensen van vreemde mensen

die door de tijd worden ontbonden. Nergens
deuren. Iedereen vindt daar wat anders van.

Waarheen, o waarheen is de vraag. Het lichaam is aan slijtage onderhevig. Hier geen sleutels te vinden. Er is in de hemel maar één persoon met een sleutelbos. Petrus volgens de traditie. Ja, maar die is partijdig. Wat moet je dan? Op internet zijn er wel foto’s over de situatie ter plaatse te vinden, gemaakt door mensen die ondertussen door de tijd ontbonden zijn. Nergens bieden ze openingen om het geheim te kunnen ontsluieren. En dan die versregel vol teleurstelling, bevreemding en opening: ‘Iedereen vindt daar wat anders van.//’. Geen begin van eensluidendheid, wat we van die ‘hemel’ vinden. Het is aan ieder van ons afzonderlijk zich daarover een oordeel te vormen. Dat soort ‘concluderende’ zinnetjes aan het eind van haar gedichten verraadt de filosofische inslag van Tuinmans gedichten, zonder dat ze dat expliciet etaleert. In de gewone dingen werpt de verwondering zich voor haar en ons op. Ze droomt via de ik van die andere werkelijkheid. Het liefst zou ze er zekerheid over krijgen, maar ze weet wel beter.

Tuinman is met haar omzwervingen op locatie voortdurend op zoek naar begrenzingen, omheiningen, inperkingen om maar tot een vaststelling van die andere realiteit te kunnen komen, over het ‘daar’. De absurde, onverwachte wendingen zijn momenten waarop Tuinman zich terugtrekt uit het gesprek dat zij via de ik met de lezer is aangegaan. Net zoals metaforen op te vatten zijn als cursiveringen, illustraties of afwijkende formaties in het taalspel, zo zijn haar wendingen vertrouwde woorden op niet-vertrouwde manieren gebruikt.

Het laatste gedicht ‘Metafoor’ is daarvan een passend voorbeeld.

Metafoor

Voor ik me aanmeld heb ik nog wat
vragen. Ten eerste: hoe druk is het daar.
Er gaan geruchten dat iedereen die jou
terug wil zien je vinden kan, eenmaal
geaccepteerd als lid. Hoe weet ik of
dat wederkerig is? Ik krijg nu al moeiteloos
gezichten voor ogen die ik helemaal niet
in herhaling wil. Kun je er ontvrienden?
Of de status van je vriendens vrienden
achterhalen? Hoe laat gaan de mensen slapen?
Is er de garantie dat je uitgeschreven kan
en zo ja, met een termijn van hoeveel maanden?

Een laatste gedicht vol vragen. Er zweeft de ik een beeld van het hiernamaals voor ogen. Wie tref ik daar? En kan ik ook uitgeschreven worden als het me er niet bevalt? Dit gedicht is een metafoor voor haar verlangen te willen weten over het leven na dit leven. En daar kan ze helaas slechts over spreken in woorden van deze wereld. Haar sleutel van de taal brengt haar nog niet in het goede vertrek. Ze beschikt nog niet over de vertrouwdheid met de taal van die andere wereld.

Gedichten

Maandagochtend

Aan de koelkast hangen alle dingen die niet mogen.

Wie heeft mij in elkaar gezet: een man met om zijn nek
drie brillen en een vrouw die ziek wordt van een glaasje melk.

Nu zwem ik nog voor vijfenzeventig procent.
Mijn status laat me met de lift naar boven.

Omdat ik rechts niet breken wilde heb ik links verbogen.
 

Contract

‘Whoa, all ye Pharisees and motherfuckers!’

Een man een man, ik heb een paard voor je gekocht.
Voor iedereen een paard, je bent een meisje dus je draagt een rok.

Ik schrijf niets op. In plaats daarvan zal ik een liedje voor je zingen.
Als vriend van de politie mag ik overal naar binnen.

Er is een vliegtuig en een motorpark, maar geen mens laat mij alleen.
Ze wachten met ontbijten totdat ik ben aangekleed.

De groene ziekenhuispyjama staat geweldig bij je haar.
Vertel het als je plassen moet, er is al voor betaald.

Ik heb een bus voor je gehuurd en pluchen dieren klaargelegd.
In elke hand leg ik een pil want niemand mag naar bed.

Uit: Wees niet wreed – Gedichten voor Elvis Presley (2008), uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
 

Interview met Vrouwkje Tuinman

Poëzie heeft een langere adem

 

Vrouwkje Tuinman debuteerde in 2004 met de dichtbundel Vitrine. Een jaar later publiceerde ze de roman Grote acht en in 2007 verscheen haar tweede dichtbundel Receptie. Voordat ze debuteerde als dichter had ze al heel wat publicaties op haar naam staan. Zo schreef ze samen met Ingmar Heytze het boek Verdomd interessant, maar gaat u verder. De taal van Wim T. Schippers en gaven zij drie bloemlezingen uit met de thema’s seks, drugs en rock ‘n’ roll: Seks, de daad in gedichten, Drugs, verslavende gedichten en Rock ‘n’ roll, klinkende gedichten.

Tuinman verwacht dat ze ooit nog wel eens samen een bloemlezing uitgeven: ‘We missen de samenwerking, maar zijn ook allebei te zeer verwikkeld in projecten om er weer iets bij te gaan doen. Ik vind het interessant om een podium te creëren, of het nu een daadwerkelijk podium is of een bloemlezing. Een idee uit te werken waarvan jij vindt dat het in de wereld moet komen. Auteurs in een andere context te presenteren of uit te dagen iets anders te doen dan ze normaal gesproken doen.’

Foto: Ingmar Heytze

 

Proza of poëzie
Tuinman heeft niet echt een voorkeur voor het schrijven van proza of poëzie: ‘Ik schrijf niet meer proza dan poëzie. Het is redelijk half om half, als je het over een periode van bijvoorbeeld een jaar bekijkt. Soms echter ben ik een boek of bundel aan het afmaken, en probeer ik te focussen. Dat is momenteel het geval. Ik ben het boek Buurvrouw aan het schrijven en heb de laatste tijd – behalve een aantal opdrachtgedichten – niks afgemaakt. Opzetjes voor gedichten maak ik wel.’
Of een literaire schrijver serieuzer genomen wordt als hij een roman op zijn naam heeft staan, weet ze niet. ‘Ik ben niet zo bezig met de vraag of ik serieus genomen word. Als het gaat om aandacht van de buitenwereld kan ik wel zeggen dat poëzie – anders dan ik had verwacht – een langere adem heeft. Je wordt vaak uitgenodigd om voor te lezen en dat gaat ook nog door als je bundel al twee jaar uit is. Ik zie dat bij meer mensen die in beide genres werken. Bij een roman moet je het meer hebben van de eerste golf aan publiciteit en eventuele nominaties en prijzen’, aldus Tuinman.

Minder gestotter
Omdat ze merkte dat ze ideeën wilde uitwerken die vroegen om een andere vorm dan proza, begon Vrouwkje Tuinman met het schrijven van poëzie. Een van de dingen die haar drijft is dat ze altijd wil blijven leren. ‘Op mijn vijftiende ben ik begonnen met journalistieke artikelen. Ik heb veel geleerd van commerciëlere tekstschrijfopdrachten. En later ben ik gaan proberen of ik ook op het vlak van columns wat kon. Nog later is daar fictie bij gekomen. Al die vormen van omgaan met taal vragen andere technieken en andere vormen van concentratie, dat vind ik interessant om te exploreren’, vertelt ze.
Tuinman bekwaamt zich niet alleen in meerdere literaire disciplines, maar ontwikkelt zich ook binnen de disciplines zelf. Ze vertelt hoe haar poëzie is veranderd in de periode tussen Vitrine en Receptie: ‘Ik ben compacter gaan werken. En verder is mijn werk enerzijds minder parlando geworden, anderzijds wordt er minder in gestotterd. Dat lijkt een tegenstelling maar dat is het niet’.

Herkansing
Haar debuutbundel Vitrine werd zeer positief ontvangen. Dan kan het moeilijk zijn voor een dichter om met een tweede bundel voor de dag te komen. Tuinman geeft wel toe dat ze af en toe de angst had dat ze door de mand zou vallen. ‘Maar dat heb ik regelmatig bij grotere projecten, dat was al zo bij mijn afstudeerscriptie. Dat is ook gezond, denk ik. Uit de angst kan, als het goed is, een grotere focus voortkomen. Soms is het een eyeopener’, vertelt ze. ‘Het verschil is natuurlijk wel dat je bij je scriptie een herkansing kunt krijgen en er maar enkele mensen zijn die haar lezen. Er komen geen recensies van in de krant.’ Aan de andere kant is ze zelfverzekerd genoeg om te verklaren: ‘Een bundel of boek is voor mij klaar als ik zeker weet dat het precies is wat ik op dat moment wil en kan maken. Als dat het geval is, is het een geslaagd boek. En daarna ga ik weer verder.’

Controledwang
Machtsverhoudingen vindt Tuinman interessant en dat is te merken in haar werk. Vooral in de bundel Receptie schrijft ze over mensen die elkaars grenzen overschrijden, die elkaars levenssfeer binnendringen, die hun wil proberen op te leggen aan anderen. ‘Controledwang vind ik sowieso een interessant thema’, licht ze toe. ‘Ik zou dit soort dingen kunnen uitwerken door te gaan schrijven over CEO’s in het bedrijfsleven, om maar eens wat te noemen. Maar die wereld ken ik niet, en ik zie genoeg aanknopingspunten in het leven om me heen. Dus kies ik meer huiselijke beelden.’ In haar gedichten zien we dan ook zeer herkenbare beelden en situaties.

Autobiografisch
Soms wekken ze de indruk dat er autobiografische elementen in verwerkt zijn. Tuinman heeft wel een idee hoe dat komt: ‘Voornamelijk doordat ik vrijwel altijd vanuit de ik-persoon werk. Dat doe ik ook als het helemaal niet over mijzelf gaat – en dat is vaak het geval. Voor mij is werken in de derde persoon niet effectief gebleken tot dusver. Het creëert een kunstmatigheid die voor mij niet werkt. Het laat me acteren. Er is voor mij een groot verschil tussen ‘in de huid kruipen van’ en een personage daadwerkelijk in je hoofd toelaten. Een gevolg is dat mensen vaak denken dat het één-op-één mijzelf betreft. Tja, dat is dan maar zo’, merkt ze op. ‘Overigens zit er altijd wel iets van mijzelf in. Ik werk beelden uit die ik herken. En die vergroot ik uit. Een voorbeeld is het gedicht ‘Spion’. Het uitgangspunt is heel alledaags, het onderwerp misschien minder: de angst dat anderen jouw levenssfeer binnendringen. Het is absoluut niet zo dat ik bang in de gang lig te wachten op wat de postbode nu weer gaat doen. Maar ik was bezig met dat thema ‘privacy’ en kreeg in korte tijd meerdere opengemaakte poststukken in de bus. Op zo’n moment ga ik me voorstellen hoe je dat zou kunnen interpreteren als je wél bang bent, of zelfs paranoïde. Omdat ik er wel degelijk mijn eigen huis en postbode bij zie, lukt dat – al gaat het niet over mij.’

Spion

Slap elastiek ligt voor mijn deur. De postbode is
vertrokken. Steeds schijnt een rode gloed langs
het gordijn. Saaie enveloppen smijt hij meters ver
de gang in. Andere dagen grazen zijn mouwen
gulzig door mijn papier, maar krijg ik niets. Komt
er een brief dat hij mij dagen terug niet thuis trof.
Blaast hij rook door de brievenbus heen.
Het bordje met mijn naam erop is al verdwenen.
 

‘Misschien verandert het nog, maar op dit moment vind ik het nog niet interessant om te schrijven vanuit een mij totaal vreemde wereld, of dat nou de tennisvereniging betreft of met een motorhome rondtrekken door Amerika, of een ander tijdperk dan het huidige.’

Enorme stapel woorden
Tuinman is ook journaliste. Ze schrijft veelvuldig over poëzie, maar dat beïnvloedt haar poëzie in het geheel niet. ‘Het lezen is heel belangrijk. Ik lees het meeste van wat er in Nederland verschijnt aan bundels, en dat is zeer waardevol’, vertelt ze. ‘Veel lezen is sowieso erg belangrijk als je wilt schrijven, naar mijn mening: Hoe pakken anderen het aan? Wat vind ik daarvan en waarom?’.
Daarnaast geeft ze lessen poëzie- en prozaschrijven aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en de Hogeschool Utrecht. Ze probeert in deze lessen over te brengen dat er altijd wel wat te leren valt over het eigen schrijven. ‘Het ontbreekt deelnemers vaak aan een houvast om verder te kunnen met die enorme stapel woorden die ze hebben verzameld. Soms kun je ze heel specifieke technieken bijbrengen of leren structureren. Soms gaat het meer om zelfvertrouwen, is het discussiëren met andere deelnemers en de docent een manier om te ervaren dat veel mensen dezelfde problemen hebben met schrijven. Anderen hebben simpelweg een stok achter de deur nodig, de strenge docente die wil dat je elke week wat inlevert en die dan losgaat met de rode pen. En wat voor eigenlijk iedereen goed werkt, is het feit dat in zo’n les je werk concreet wordt. Het gaat een interactie aan met de wereld. Het bestaat. Vaak zorgt dat ervoor dat je ermee verder kunt’, aldus Tuinman.