Gedichten

Alleen, ging in verwondering een herfstbloem,
zat op de tak van een boom zwijgend
een bedrupte vogel,
een waardige gast, ver uit het Oosten.
En ‘s nachts, precies achter mijn raam,
gleed een grote eland in slaap,
als een groot verdriet, een boodschapper
van dat er nu gewoon iets voorbij is,
en dat er nu gewoon iets begint.
 
De sterren lijken weer een huilerige ballade, en iedere avond
stemmen de honden hun gebarsten violen.
Ik geef het verdriet geen ruimte,
laat het niet dichtbij komen.
Duizend meter sneeuw op mijn hart.
Ik mompel veel in mezelf, op straat
zing ik hardop.
Ik zie mezelf soms in het voorbijgaan, met een hoed op, prima voer
voor de wind, en een scheve gedachte.
Ik praat over de dood als ik het leven bedoel. Gooi m’n papieren
door elkaar, heb geen enkele theorie, alleen een vloekende hond.
Als ik om een borrel vraag, krijg ik een ijsje,
misschien ben ik toch een Spanjaard, met zo’n lage
haargrens, nee echt:
ik ben niet van hier, denk ik.
Ik zweet, probeer te praten, af en toe
tril ik weer.
Bijna meer dan dat ik moet sterven betreur ik dat ik geboren ben.
En alles wat ik vraag
is duizend meter sneeuw op mijn hart.
 
Ik ben dunner geworden, bij mijn weten. Maar hoe.
   Op mijn rechter duim heb ik
de tekens van een paard en een hond.
   Het ene van het hoefmes, het andere
van een hoektand.
   Het leven groeit uit littekens
en het hart is een open massagraf
   vol grijs loden tranen,
in de wind klapperende identiteitsplaatjes.
   In het najaar, als de kalkoenen geslacht worden,
rijd ik altijd met vier honden, de vijfde
   huppelt aan de lijn als een reservepaard,
als een koude wind de bossen schoonveegt en
   op de akkers de goed bewaakte vuren branden.
De paarden van de dood zijn vurig,
   klein en venijnig, en de herfstwind
rood als bloed, als de lijsterbessen.
 
En aan de hemel een donkere wolk als een tengere jongen
            die wil trouwen.
Trouwens, de wolk wordt opgestuwd als een scheve tand.
Mijn God, hoe wij niet reden, langs de weg
            verwanten suizend als lege hulzen,
het schuim spatte van de sterren, de hemel
            als de bodem van een fles, voorbij fluit
één enkele baal ter grootte van een akker.
            Wij reden naar het huis van het Grote Zwijn,
wij hadden haast: dokter, dokter
            de haas is ziek.
Afschuwelijke kolendamp in het huis van dat zwijn,
            hij draaide zijn vrouw in de muur:
            één zwaai, maar twee schaduwen.
Daarom gingen zijn dijen uiteen, spreidden zich
in een kosmische kikkerstand.
Haar pijn steeg op ten hemel, deed de
            spanten en balken trillen, doofde de sterren.
Vergeleken met haar pijn, mijn God, is wat je zegt
niet meer dan een vuil veertje.
 
Wij rijden onder de grote nacht en het onweer.
De riemhond, het vicepaard, hinkt,
                        roept in zichzelf:
ook ik heb gevoelens, poëzie in mijn hoofd,
er staan kleverige flessen en vingerafdrukken in het ijs.
            Zo is de weg van een gekerstende
                        geplaveid met eieren, zijn leven
                                    gezegend met bruine schapen.
Wij rijden van nacht naar dag, totdat een
            droom met een schok ontwaakt.
En het is weer zomer en de seringen bloeien weer.
            En de mouw van de bediende hangt
zoals gewoonlijk in de koffie
            en in een prieeltje in de buurt zitten
de resterende Russische intellectuelen vrolijk te mompelen.
 
En ik wil dat jij
           tenslotte trilt,
als het meer nat van de regen
          de zomer vleugels geeft,
                  de zwanen.
Als ze nog even boven
    de bomen in het park,
         boven het alom geliefde goud
              blijven hangen.
Als hun kleur
         al witter is dan sneeuw,
witter dan de kleur van scheiding.
 
Ik vond het pootje van een haas op het erf
wit en stil
als een bloem op een graf.
Op de weg vond ik het gewei van een eland,
juist uitgebot,
en in het bos een kreupele eekhoorn,
voordat ik hem van hier de leegte in liet suizen
vouwde hij zijn kleine achterpoten in gebed.
Onder een cotoneaster vond ik
een uitgeholde valk
zijn vleugels gespreid in de wind.
In mijn zak had ik verweesde, gewonde
stenen, op mijn schouders de dood van menig dier.
Ik wist: spoedig begint het zacht te sneeuwen,
als lelies, spoedig is ons rust vergund,
en als teken van liefde valt er
een gebroken kruis op de trap van de winter
als een zwarte tak.
 
Het is avond geworden. Alsof er een vleugel
    voor de dag is getrokken.
Met opgetrokken ooglid, wenkbrauw,
         stijve nekwervel ga ik
    door het leven, augur.
Een aureool van modder glinstert
                 om de snuit van mijn hond.
En een beurs voor ten minste honderd jaar
                     vanaf nu.

Een raaf op schoot. Ziedaar.
    Wat mij opstandig maakte.
Het is als de geur van een roos, die je niet vergeet.
             Deze vleugelbewegingen en kreten.
En de hielslagen in de brand
                  van de ondergaande zon.
 

Ik kwam door het donkere bos, door de sneeuw.
         Zo ongeveer als Tapani Löfving,
     met zijn schoenen achterstevoren, om de dood niet te ontmoeten,
                         de dood zou vlekken in het zachte vlees slaan.
Ach moeder, ach broer, waar je nu ook maar bent.
         Vader, die lang geleden op een zonnige dag
                                 lang en smal
        tegen de vleugel van een vliegtuig geleund stond.
              Blijf daar nog, wacht daar nog even.
                         Een onzichtbare glimlach op je gezicht,
             in je handen en je ogen het licht van de dood.

Sirkka Turkka
Vertaling: Adriaan van der Hoeven