Recensie van Langzaam trekt het vlot - Alfred Valstar

Poëzie Kort: Niet over de rand

Alfred Valstar
Langzaam trekt het vlot
Uitgever: Eigen beheer
2009
ISBN 9789081474115
€ 10,-
48 blz.

Haiku en senryu zijn gedichten die een soms haast Zen-achtige ogenblikservaring verwoorden, waarbij de haiku meer gericht is op de natuur en daarbij de volkomenheid van de wereld wil benadrukken en de senryu juist op de onvolkomenheid van de mensen wijst. Naast de bekende 5-7-5-vorm hebben ze gemeen dat ze idealiter zijn opgebouwd uit twee ervaringen die door een alogische associatie verbonden worden. Als ze geslaagd zijn, komt dat dan ook vooral door een bijzondere schok van ontdekking, die aan die van de herkenning en de instemming voorafgaat.
Walter Vereertbrugghen schreef eerder in Meander over dit genre: ‘Een sterke haiku bestaat uit meerdere lagen. Eerst is er dat wat men leest, de mededeling. Dan is er de diepere betekenis, datgene waar het in essentie om gaat. Via deze betekenis wordt de lezer spontaan uitgenodigd om de haiku op een andere manier te benaderen en ontdekt hij de dubbele bodem. Maar niet zelden biedt een haiku een springplank aan om in nog andere gedachtenvijvers een duikje te gaan nemen.’ (In: Omtrent haiku en senryu I en II)

In Langzaam trekt het vlot presenteert Alfred Valstar 106 haiku en senryu in 17 hoofdstukjes, waarbij een kwart is ondergebracht in de twee rubrieken ‘Zeebenen’. Hieronder volgen daaruit het titelgedicht en het eerste en laatste gedichtje van de bundel, respectievelijk uit ‘Vreemdeling’ en ‘Nocturne’.
Prikkelen ze, dagen ze uit, verrassen ze, vormen ze die springplank? De lezer oordele zelf:

Pampus

Met wind van omhoog
klimmen zeilen hyperbool –
langzaam trekt het vlot

***

Bad

Terug naar woorden
die ik prevelend ontwaar
passerend ontmoet

***

Vaart

Zeilen maken gang
naar het land van nooit gedacht –
gewoon recht vooruit

Misschien moet je een heel groot liefhebber van het genre zijn om dit op waarde te schatten. Valstar zet in ieder geval hoog genoeg in, getuige ‘Zang’: ‘Poëzie is heet/ – brandend staat haar taal te boek – / zinnen op de rand’. Misschien had hij wat vaker óver die rand kunnen kijken.

****
Alfred Valstar (1959) werkte jaren als catalogusredacteur, corrector en vertaler bij de Philips Music Group en is nu royalty assistant bij Universal International Music. Valstar is redacteur van Chroom Digitaal 2000 en stelde op die site de poëzielijst samen. Hij publiceerde een dichtbundel in eigen beheer (Sporen uit het achterland, 1993) en had verder gedichten in Bloknoot, Woordwerk, Katern en Chroom.

Recensie van Loper van licht - Hagar Peeters

De uitgewezene(n)

Hagar Peeters
Loper van licht
Uitgever: De Bezige Bij
2008
ISBN 9789023426752
€ 15,00
42 blz.

Afgelopen jaar verscheen de derde bundel van Hagar Peeters, Loper van licht. Ze debuteerde met Genoeg gedicht over de liefde vandaag. Mijn eigen kennismaking met haar werk was haar tweede bundel, Koffers zeelucht. Wat me direct opviel aan de gedichten van Peeters was de toegankelijkheid: haar taalgebruik ademt menselijkheid, waardoor zaken als verlangen en tekortkoming goed aan bod komen.

Met die herinnering begon ik aan Loper van licht en in haar stijl voelde ik meteen de voortzetting van haar vorige bundels. Peeters bouwde deze bundel op rond een centraal thema en koos daarvoor het Bijbelverhaal uit Genesis over Hagar, de slavin bij wie Abraham Ismaël verwekte, de zoon die later het veld moest ruimen voor Isaak. Na diens geboorte stuurde Abraham Hagar en Ismaël weg. Zij werden ‘uitgewezen’, een woord dat regelmatig in de bundel voorkomt. Niet toevallig is naamsovereenkomst tussen de Bijbelse Hager en de dichteres. Peeters identificeert zich met de Genesis-Hagar en bij het lezen wordt het steeds duidelijker dat Hagar (zeker ook) voor ‘Peeters’ staat en ‘Abraham’ (enzovoort) voor veel meer dan de ‘Bijbelse’ Abraham. ‘Hagar’ staat in de bundel model voor alle weggestuurden, ballingen, uitgewezenen en zoals gezegd voor Hagar Peeters zelf. In ‘Hagar’ worden allen één. In het gedicht ‘In de woestijn’ wordt de positie van ‘Hagar’ direct duidelijk:

Te brutaal bevonden ben ik
een eeuwigheid geleden
verbannen naar de woestijn

‘Ze wezen me uit met de beste intenties’, gaat Peeters verder (in ‘De uitwijzing’). Het omvattende thema van de bundel klinkt duidelijk in het gedicht ‘In de naam’:

Hagar is mijn naam
die voor vluchteling of vreemdeling staat
al is het nooit zeker hoe ik heet

Dit gedicht brengt me bij mijn eerste punt van kritiek. Na een uiterst sterk begin heeft ‘In de naam’ vanaf de negende bladzijde een zwak en rommelig vervolg. De dichteres koerst van de zeer nabije geschiedenis van Hirsi Ali, (het lijkt warempel een echo van een van haar persconferenties), naar een eindeloze opsomming van volken uit de oudheid, die als nakomelingen van de verstoten Ismaël of anderszins verstoten werden. Van sommige volken hoor ik hier voor het eerst, terwijl ik andere uit de Bijbel ken. Het zijn die opsompassages die ik als de zwakste beschouw in de bundel. Wanneer Peeters onderaan de achtste bladzijde met ‘In de naam’ was gestopt, dan had ik het een ijzersterk gedicht gevonden. Nu oogt het als een doolhof waarin de lezer de weg kwijtraakt.

‘Abraham en Sara’ zijn ‘een onvolledig maar onverbrekelijk geheel’, al hebben ze zich volgens de dichteres door ‘lijm samengevoegd’. Daar past een ‘Hagar’ niet tussen. Wie is ‘Abraham’ in deze context? Hij is de bepaler, degene met een ‘macht’ die ‘Hagar’ ontbreekt. ‘Hagar’ is de uitgewezene die zich met moeite handhaaft, maar onder Peeters’ handen tot de overtuiging komt dat ze haar positie kan en moet verbeteren. In ‘De deur op een kier’ wordt de geschiedenis van de machteloze ‘Hagar’ beschreven: ‘…op vakantie lozen we haar in de Sahara’. In deze woestijnnaam (waar de Bijbelse Hagar niet terechtkwam) echoot mooi de naam Sara door. ‘Hagar’ is het slachtoffer van rivaliteit.

Vanaf ‘Verwachtplaats’ (bladzijde 23) verbreedt Peeters het perspectief van ‘Hagar’ naar de uitgewezene. Op bladzijde 24 lezen we:

Wanneer de uitgewezene zijn huis verlaat
volgt hij de borden met ‘uitgang’,
die overal waar hij aankomt zijn geplaatst.

Zo komen de asielzoekers in beeld, die talrijk zijn en van alle tijden. Het enkelvoud van ‘Hagar’ wordt veelvoud in ‘Wat volgde’ (bladzijde 25): ‘uitgewezenen en bannelingen als nageslacht’. Het verhaal van ‘Hagar’ is niet zozeer het verhaal van de moeder der Arabieren als wel het verhaal van alle verstotenen en vluchtelingen tezamen, inclusief de vervolgde zonen van Isaak, door de eeuwen heen.
Wij leven in het vervolg. De uitgewezene is nooit thuis, dat zien we pijnlijk in in ‘ Onderweg’ (bladzijde 29): ‘Vele vervoermiddelen gebruikt de uitgewezene / om zichzelf op transport te stellen’. Er is veel mis met de wereld en de geschiedenis. In ‘Jeremiade voor het avondland’ spreekt Hagar Peeters over ‘roest’ waardoor onze beschaving vastloopt (bladzijde 34): ‘Nu beklaagt men jou na al die jaren / als roestte het ijzer van de hekken om je grenzen’.

Het bestaan zelf is aan het verroesten. In dit ‘opsommingsgedicht’ ervaar ik meer continuïteit dan in het eerdere ‘In de naam’ (bladzijde 8). De opsommingen zijn hier minder storend. Het gaat hier om een klaagzang over de roest die de geschiedenis doet vastlopen. Het gedicht kent tenslotte een ‘keerpunt’ op bladzijde 38, waar Peeters spreekt van het enige dat volgens haar nooit vastgeroest is, namelijk het vrouwelijk geslachtsorgaan:

Maar zie, dat verborgen scharnier…

deze landschelp, kuitige vrucht
dit teerlobbige oogliddunne kiertje
dit weke slot waarop alles loper wordt
waarop oorsprong ontvlucht.

Hoe de cultuur ook vastloopt, het seksuele gaat maar door en de vrouw kan zich niet verzetten. Roest krijgt hier geen vat. Maar dat is geen troost, want er is geen sprake van vrijheid (onder dwang geopend). De wereld draait om seks meent de dichteres.

In het slotgedicht (bladzijde 40-42) lijkt ‘Hagar’ tenslotte openlijk Hagar Peeters te worden. ‘Abraham’ wordt nu ‘Baudelaire’, ‘Whitman’ en ‘Campos’, oftewel de mannen in de literatuur. ‘Hagar’ is hier de nieuweling die misschien een ‘lief bekje’ (bladzijde 19) heeft, maar zich niets in moet beelden. ‘Hagar’ opent de aanval op de iconen: ‘Laat mij een van de decadenten zijn en drinken met de mannen’, ‘alle grote in zichzelf gelovende triomfators’. ‘Prosit’ en ‘Santé’, klinkt het. ‘Hagar’ wil ook een glas. De dichteres rammelt aan de poort en laat zich niet wegsturen. Al lezend wordt het idee opgeroepen dat ‘een vrouw’ haar plaatst opeist in een ‘mannenwereld’, anders gezegd: een schrijfster wil aanwezig zijn in een literaire wereld die door mannen wordt gedomineerd. De sfeer van polemiek is de soundtrack van dit gedicht. Onder het paukengeroffel zingt ‘Hagar’ haar lied. ‘Te brutaal bevonden ben ik…’

*****

Hagar Peeters (Amsterdam, 1972). Dichteres Hagar Peeters begon haar carrière als ‘performing poet’ en trad zo op voor ze feitelijk publiceerde. Tot dusver verschenen van haar Genoeg gedicht over de liefde vandaag (Podium, 1999) en Koffers zeelucht (De Bezige Bij, 2003) – waarvoor zij in 2004 de Jo Petersprijs ontving. Verder schreef zij de biografie Gerrit de Stotteraar – Biografie van een boef (Podium, 2002), waarmee ze de Nationale Scriptieprijs 2001 in de wacht sleepte. Loper van licht is haar derde bundel.