Gedichten

Lies Jo Vandenhende (1988)

Poëzie is woord-toveren,
 en niemand moet eerst zien om te geloven.

Reisverslag

We dartelen
door een vreemde
stad als verloren vee
gehoed door de honger
naar meer van elkaar en

als een zuignap wil ik zijn
aan je hals laat ik geen
lucht meer zijn kans grijpen
en altijd sporen
keel na
keel dichtknijpen op vraag van

verliezen
we onze adem bij het zoeken
naar de auto en ik loop
energie te verspillen op de trappen
zodat je straks minder last van me hebt

Welke vorm zouden
de wolken aannemen
misschien die
van koppels die we betrapten
op dansen
en dan zij ons

Draai me rond de vangst
van de eerste regen-
druppels op mijn hand
voor ze deze avond tot op
het einde doorspoelen
Til me op als
was ik luchtig

We zijn goudvissen in een bokaal
zo dolgedraaid
dat we niet beter weten dan
in ons eigen vuil te zwemmen
en elkaar daar
ook nog lief te hebben

Laura Demelza Bosma (1986)

Poëzie is een manier om compleet mezelf, een ander, een dier en een ding en niks te zijn. Schrijnend, in haar poging alles te omvatten door dieper in de woorden door te dringen. Een nachtmerrie die me fascineert, waardoor ik wel moet blijven kijken terwijl ik leef en terwijl ik schrijf.

Baba Jaga vloeit

Vriendinnen zijn als de dood. Ik vat
de hoorn niet in mijn handen. Toeter
niet precies dat wat hoort. Ben er
helemaal of niks niet.

Verstoor gezever door te wijzen
als een kind naar wat niemand
zien wil. Jij heks, jij wond, jij.

Gedichten met uitgemergelde
gezichten van luister naar mij met
alle ogen dicht, ook het derde dat alles
blijft zien tegen weten in. Blijft een gat
in de vorm van de neushoorn.

Ik vat geen vriendin maar vrouwen
die moeten bevallen huren me in.
Ik zing iets dat leven goed doet
voor. Een kind staat op
uit oeroude handen.

Ver voor mond op mond. Ik sta hier
en weet precies wat ik niet
moet zeggen en doe het.

Taco van Peijpe (1946)

Poëzie is voor mij een taalspel en een binnenweg naar het gevoel

Hebriden

lichtgeweven nevel dekt het riet
een roerdomp met geheven snavel
bidt om stilte tekent het begin
de wind zet luchtig in en langs de oever
gonzen contrabas en bombardon

een rimpel in het dunne water
brengt de stilte in herinnering