Recensie van Wij zijn evenwijdig - Maud Vanhauwaert

Het oneindige raakvlak van menselijke betrekkingen

Maud Vanhauwaert
Wij zijn evenwijdig
Uitgever: Querido
2014
ISBN 9789021457055
€ 18,99
100 blz.

‘U kan dit boek lezen als een bundel gedichten, als een bochtig verhaal of als een kleurrijke optocht van droevige moppen.’
Aldus de rugtekst van Wij zijn evenwijdig _  waarmee de dichtbundel van Maud Vanhauwaert al op de omslag begint, om in de kolom ernaast te vervolgen met:

Raken elkaar in het oneindige _ 

Dat zou dus de titel kunnen zijn.
Volgende bladzijde (eerste kolom):

En we rennen _

(tweede kolom):

Ik schrijf een gedicht. Ze kijkt over mijn
schouder mee en zegt ‘Je hebt toch al eens
een gedicht geschreven’_

De toon is gezet. We zitten in de bundel voordat we het weten. Deze hele dikke bundel door, in telkens twee kolommen per pagina, dist de hoofdpersoon van deze bundel haar ‘ervaringen’ op. Direct na de vorige strofe, op de volgende pagina verklaart zij de vorm van de bundel:

Naast mij zit een vrouw. Ze weent en zegt
‘excusez-moi’. Ik zeg ‘ce n’est pas grave’. Zij
zegt ‘si, c’est grave, vous n’en savez rien’.
‘Dat is waar’ zeg ik ‘ik weet er helemaal
niets van’. Ons gesprek is geen einde geen
begin. Zoals alles in een stad valt het er-
gens tussenin _

Daar zitten we dan, met een bundel, zonder einde en begin. De pagina’s zijn niet genummerd, de tekst begint op de omslag, en lijkt door te willen gaan op de rug
van de bundel:

En we rennen _

We rennen nog steeds…
Een kleurrijke optocht van droevige moppen… Een helse optocht zou ik zeggen. Ik sla de bundel open, ben niet op zoek naar iets speciaals en vind:

Ik draai een flesje open en als het niet lukt
zegt ze ‘denk aan wurgen’ en denkend
aan wurgen open ik het flesje zo _

Ik schoot in de lach. Somberheid troef, alomtegenwoordig gebrek aan communicatie, een overtuigend gebrek aan richting, hier en daar een flauw,
aarzelend lichtpuntje, en soms een grimmig sprankje humor, dat in de grauwe misère oplicht als een bescheiden, stille explosie:

Op de schoot van de wenende vrouw ligt
een grote klomp deeg. Ze begint te kne-
den. ‘Dat doe ik altijd als alles dreigt uit-
een te vallen. Hoe meer je kneedt hoe
beter het kleeft’ _

Een levensles die ook de beperking ervan toont; natuurlijk is investering noodzakelijk om samen te binden, maar wanneer bijvoorbeeld je huwelijk uiteen dreigt te vallen, helpt het kneden van deeg echt niet. Dat weet die vrouw natuurlijk ook wel. Evenals de dichteres. Zo is ook deze strofe weer een staaltje van haar vermogen om in een keer twee kanten van een medaille te laten zien.
Dat doet zij regelmatig:

Na negen maanden komen we buiten. We
zuigen de longen vol en krijgen een kamer,
een binnenste dat groeit. Soms wordt het
zo groot dat je er niet meer buiten kunt _

Dat is mooi! Hoe uitbreiding, verruiming hier samenvalt met gevangenschap; het binnenste waar je niet meer buiten kunt. Prachtig. Zo’n strofe maakt nieuwsgierig naar wat eraan vooraf gaat, dus lees ik:

Stuitliggend in de zetel begin ik bij het
begin. Van bij mijn eerste kamer, toen
mijn eerste schreeuw tegen de steriele
muren ketste, waar mijn moeder plots –
klaps besefte dat ze begon. Hoe mijn
vader de streng doorknipte en dacht ‘dit
is het mooiste eindje’. Groots en slepend
is mijn vader. Gebogen en hij noemt dat
‘schrap als een coureur’_

En ik ben onder de indruk van het onopvallende raffinement van de schrijfster.
De onderkoelde humor waarmee zij het menselijke, vaak onbewuste onvermogen
te lijf gaat. ‘Groots en slepend’: dat is gecamoufleerde onmacht.

Helaasdenk ik nogal dikwijls het beter te weten dan de dichter. Ik denk dat ik voor mijzelf de beste manier om deze bundel te lezen ontdekt heb.
Als toevallige ontmoetingen neem ik de strofen tot mij. Wanneer ik ze volg zoals ze worden opgediend, hinder ik mijzelf met verwachtingen die niet worden ingelost, terwijl ik op deze ad-random manier telkens weer word verrast, en eerlijk gezegd, steeds opgetogener raak over deze wonderlijke bundel.

Anderzijds’, zegt de chirurg tegen de
vrouw wier borsten net zijn geamputeerd
‘Als kleuter was u toch ook plat’_

Wreedheid. Die hadden we nog niet gehad. Je mag ervan uit gaan dat de chirurg de bedoeling had om de vrouw te troosten met het verlies van haar borsten, maar heeft dankzij zijn gebrek aan inlevingsvermogen niet in de gaten dat hij de nadruk legt op haar verlies aan vrouwelijkheid: zij is weer als een kind, beroofd van haar seksuele betekenis.

Ook hier weer, als gevolg van de met deze strofe gewekte interesse, lees ik de voorgaande strofe, en voordat ik het weet lees ik strofe voor voorgaande strofe,
in een steeds nieuwsgieriger zoeken naar het begin van wat nu aanvoelt als een verhaal, er komt geen einde aan, ik ben weer terug bij de eerste strofen van de bundel – letterlijk met terugwerkende kracht ontdek ik hoe knap de bundel is geconstrueerd, en met hoeveel prachtige elementen:

Zullen we wachten? Zullen we wachten
tot de kinderen groot zijn en de aardbei-
en rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te
hard. Zullen we wachten tot de avond
valt en de nacht waarover we nog een
keer willen slapen. Zullen we wachten op
een eerste stap zo reusachtig dat je mak-
kelijk een tent tussen onze benen spant
waarin nieuwe kinderen kamperen, aard-
beien rijpen en niemand nog buiten de
zomer kan _

Wachten op het onmogelijke, dat blijkbaar wel voor te stellen is. En lijkt wat je je kunt voorstellen niet werkelijker soms dan wat je hebt waargenomen? Bestaat poëzie niet bij de gratie daarvan? Verbeelding is voor altijd het middel waarmee we de werkelijkheid naar onze hand proberen te zetten. Misschien voelen we ons door het leven beet genomen, verraden, misschien hebben anderen ons het gevoel gegeven van minderwaardigheid, ons met de neus op onze tekorten gedrukt; in onze verbeelding kunnen we het recht zetten. Wellicht is dat het genot dat poëzie ons geven kan. We kunnen ons even als superieur ervaren aan wie dan ook, ook aan de dichter – we gaan mee in het gevoel dat de dichter bij ons oproept, en even krijgen wij zicht op een stukje werkelijkheid dat ons voor die tijd vreemd was, of verborgen.

Sinds de oudheid is ‘het woord’ verbonden met magie. Woorden roepen dingen op. En goede dichters weten je eigen werkelijkheid tevoorschijn te toveren, als nieuw. En ontroering is niets anders dan de ontspanning van wat werkelijk leek, maar verbeelding blijkt.

Tot slot een laatste strofe:

Ik blijf bij een plakje worst staan en vraag
aan een voorbijganger’ weet u wat dit
plakje worst hier ligt te doen’. Zegt die
voorbijganger ‘nee, maar ik weet ook niet
wat ik hier loop te doen.’ Ik zeg dat hij
mijn verwondering niet moet koppelen
aan zijn existentie _

Maud Verhauwaert is goed in het stellen van niet eerder gestelde vragen. Haar verwondering over het bestaan wordt bijna vanzelfsprekend de verwondering van de lezer. Ik kan natuurlijk alleen maar voor mijzelf spreken, maar nog lang nadat ik de bundel had uitgelezen (voor de tweede keer, en in de juiste volgorde) zat ik verstild uit het raam te kijken, mij vooral bewust van de ontzaglijke, onvoorstelbare hoeveelheid leven die mij ontgaat. En van de rijkdom van poëzie die probeert om ons iets daarvan bewust te maken, die dat voor ons oproept.

Dank Maud!

***
Maud Vanhauwaert (1984) is schrijver en tekstperformer. Zij studeerde Taal-en Letterkunde aan de UA) en Drama aan het Conservatorium van Antwerpen. Haar debuutbundel Ik ben mogelijk (2011) kreeg de Vrouw Debuut Prijs. Zij werd finalist van het Wereldkampioenschap Poetry Slam (2012) en van het Leids Cabaret Festival (2014). Sinds 2013 is ze redacteur van Dietsche Warande & Belfort.

Gedichten

je werk verschoven en je schoenen
richting morgen. De microgolf tingelt
nog even als een tram

ik ben aan haar
zoals damp aan een koel raam
om te condenseren

zonder neerslag kan zelfs muziek niet beginnen

dan trekken we de nacht over de dag
tot net onder de kin
geeft ze slap aan slapen toe
probeer ik nog een zoen
een vervelende mug in haar droom

ze komt mij pas na acht uur tegen
neemt in mij de bocht, drukt
met haar neus vleugels in mijn rug

hier tussen de plooien begint ‘wereld’ met een we

en in het kopje koffie straks
neemt de barst de vorm aan van de Elbe
tussen Hamburg en Dresden

*

plots liggen daar in je handpalm nog twee vrienden
en hoef je alleen nog te knijpen

is je rug voos als de hals
van een professionele violist

smeert men je in met het vochtig oogvlies
van een hert

wordt een bed een gebed. Is het verkeerswit
ben je zoals een voorraad. Ingeslagen

*

dat de vader schimmelt tot schim
draderig uiteen te trekken als suikerspin
je eerste rimpel slap grijnzend op de stoep wacht
zich als sjaal omdoet
met u gaat wandelen
dat is normaal. De lucht is cataract

een emmertje kraakbeen voor de knieën voor de trap
voor als je vijfenzeventig
een frisse paling voor om de hals voor als het te warm
voor op een bankje. En toch

blijft de glimlach van een dode
de ontspanning van een spier
zakken mijn gesloten handen
door het wakke dijbeenvlees

schudden de bomen van nee, de bomen schudden van nee
in de herfst

Gedichten

nog altijd neemt ze haar glas met twee handen vast
op de loopplank ligt te veel werkelijkheid

tussen twee huizen door
huilt ze schuilend of andersom
zoals je bij een sjaal denkt aan de kou
zo denkt ze aan het leven

thuisgekomen haalt ze het speelplein
van onder de nagels van het kind
raadt granaatappels juist op tv
gaat slapen, zo uitgestrekt mogelijk

morgen is haar territorium weer twee voeten
maat 38, groot

een stad is ook maar verenigde straten

ze plakt met kauwgum aan elkaar

bakkers rollen deeg de dag in

een meeuw schijt zich uit tegen het raam

een vrouw verplaatst bloempotten

een man is in het buitenland, daar ben je internationaal

om vier uur klinkt de schoolbel polyfoon

in de winkels hangen meisjes in de rekken

stijve tepels tegen de reling van de autosnelweg

internet doet het weer niet meer

bussen rijden naar de parking, nergens uitgenodigd

bij het groot vuil op dinsdagavond is het warm

maar het is maandag en er liggen al zeventien ballen op het dak

ze vraagt of het beter gaat met mijn gsm
kijkt naar de brownbeweging in de soep
de moeder

ik zit aan de keukentafel
probeer slecht nieuws door de perforator te halen
tot confetti

het is niet onmogelijk, zeg ik
ik ben een mogelijke vrouw

ze hoort mij niet, houdt zich zomertinten voor
waarbij ze een terras verzint

leg je hoofd op deze regel
wacht

mag ik je haar doen
je borsten
je getekende neus
je uitgesproken lippen
je kin die zich een val herinnert
samen met je knieën
vingers die in mij vertragen
je voorhoofd, nog niet ingevuld
wangen zonder begin
de buik die je hebt
je benen een gebed
je verlegen rug
voeten waarin de zomer zwelt
armen waarop de zomer afsloot
met veel zonnige sproeten
je lacht

of ik je mooi vind
en hoe zie je mij
en kan dat, twee vragen verzoenen