Recensie van Kwartet voor het einde van de tijd - Herlinda Vekemans

Vogels onttrokken zich al die tijd aan de afgrond

Herlinda Vekemans
Kwartet voor het einde van de tijd
Uitgever: Poëziecentrum
2015
ISBN 9789056552862
€ 19,95
64 blz.

Herlinda Vekemans (1961) heeft zich voor haar nieuwe bundel laten inpalmen door de muziek van Olivier Messiaen (1908-1992). De titel van de bundel is een vertaling van Quatuor pour la fin du temps, een van Messiaens meest uitgevoerde composities. Deze Franse componist, die meer dan een halve eeuw het orgel van de Trinitékerk in Parijs bespeelde, was gefascineerd door vogels en maakte overal ter wereld opnames van vogelgezang. Klinkt het geluid van de vogels door in de gedichten van Vekemans?
Ze publiceerde eerder de bundels Versneden (2005), Buiging (2006) waarvoor ze inspiratie zocht in de muziek van D.D. Sjostakovitsj, en Schrikdraad (2011). Ze werkte mee aan Vlaamse en Nederlandse tijdschriften, en bracht in november 2015 hulde aan Joop Leibbrand door een van zijn ‘Waterpasgedichten’ in haar blog op te nemen. Ook in dat gedicht komen vogels aan bod, maar dan wel als nestbouwers. En misschien is het precies die functie die componisten en dichters met vogels delen. Ook een bundel en een compositie zijn het resultaat van geduldig bouwen. Men zou een dichtbundel als een nest kunnen beschouwen, en gedichten als eieren die later door lezers worden uitgebroed. Dichters gedragen zich trouwens ook wel eens als een koekoeksjong: ze laten zich soms onbewust ‘voederen’ door andere dichters. In de literatuurwetenschap heet dit verschijnsel intertekstualiteit.

De nieuwe bundel is een verzorgde uitgave en is geïllustreerd met foto’s van het interieur en het orgel van de Trinitékerk en de stad. Voorts bevat de bundel een kort overzicht van Messiaens leven en een verantwoording van enkele gedichten zoals ‘Verblinding’, dat een collage is van ‘internetsnippers, o.a. van computervertalingen van reisadvieswebsites.’ (p. 56) Vekemans schrikt dus niet terug voor het gebruik van readymades en voor een experimentele aanpak. De bundel bestaat uit vier cycli en beantwoordt op die manier aan de titel en aan de compositie van Messiaen. Het formele aspect van de gedichten kan niet met één enkel begrip worden toegelicht. Soms maakt de dichteres gebruik van zeer verschillende strofen, maar er zijn ook gedichten die uit één lange, doorlopende reeks versregels bestaan. Opvallend is de bijna geheel afwezige interpunctie, zodat je als lezer zelf op zoek moet gaan naar het begin- en het eindwoord van een periode. Doordat de prosodie goed aansluit bij het dagelijkse (en alledaagse) taalgebruik valt het afgrenswerk wel mee, al zijn sommige opsommende versregels net iets te lang.

Vekemans opent de bundel met een zeer sterk gedicht dat ‘Kleine studie van onvaste verbindingen’ heet. Die titel wordt meer dan één keer gebruikt. (p. 20, p. 30, p. 40) De essentie baadt in de contingentie. Water is noodzakelijk – essentieel – voor het leven, maar de mist die o.a. uit water bestaat is een onvaste verbinding. Dat is een ware maar niet noodzakelijke ervaring. De mens kan het zonder mist stellen, of anders gezegd: niet elke ware ervaring is noodzakelijk. Toch kan de mist ‘bepalend’ zijn voor het beeld van een dag of een moment, bepalend voor de ervaring van het essentiële:

 Verbinding van licht en mist

De combinatie van water is er een van licht en mist
schimmen van ganzen in wat nog restte van de nacht
niet meegerekend was dat alles wat bestond

de lichtmist met een diameter ter grootte van de vijver hier en nu
en er onaards boven de dichtwitte bol van de ochtend
als de meeuw die zijn wit
uit het wit weg beweegt en het dofblinde
moeizame licht van de mist langzaam inlost

het trage licht verdaagt
– als een opgeschorte straf –
het schrille van de dag (p. 8)

‘Alles wat bestond’ hoort ‘bij hier en nu’ en de verbinding onttrekt de essentie aan het gezicht. De dichteres maakt de vergankelijkheid, de tijdelijkheid van de ervaring duidelijk. Achter de mist strekken de wereld en het zijn zich uit als verborgen essentie.

In de verwoorde wereld van Vekemans zijn zoals verwacht vogels vrij opvallend aanwezig. In ‘Olivier Messiaen’ luidt de eerste versregel: ‘Zijn eerste vogel was een duif.’ (9) Het is echter niet zomaar een duif, het is een duif die als ‘een heilige geest’ de slaap van de componist binnen wiekt. Messiaen was een overtuigd gelovige die het scheppingsverhaal en de daarbij horende symbolen kende. In het vierde gedicht wordt het ‘purgatorium’ vermeld. (11) Ik weet niet of het vagevuur – of een gelijkaardig stadium – ook in andere religies voorkomt.
Het derde gedicht plaatste Vekemans onder de titel ‘Vogels in bogen’. In dat gedicht duiken een paar nieuwe woorden op: ‘knitsbikwikkerende zwaluwen in vliegelingenvlucht.’ (10) Ook kolibries hebben een plaats gekregen in de opwiekende gedichten: ‘Vleugels, uit alle verten vliegen kolibries aan…’ (p. 35) Zelfs ‘halsbandparkieten uit de Himalaya nemen hun intrek in parken.’ (p. 36) Wie geduldig leest, kan ook kennis maken met ‘roodsnavelossepikkers’ en ‘geelsnaveligen’, en vogels die in Europa al langer vliegrecht hebben: mussen, merels, nachtegalen en leeuweriken. In ‘Sprookje van de grote vogelpiano’ (p. 33) worden ze niet in de meervoudsvorm vermeld, ze zijn aanwezig als soort die met een specifieke melodie worden geassocieerd.

De volgende tekst, ‘Verblinding’, is een combinatie van bestaande teksten en bestaat uit fragmenten die de dichteres uit Engelse en Franse publicaties heeft geplukt. Of de Nederlandstalige ‘versregels’ van Vekemans’ hand zijn, of wellicht uit een mij onbekend nest werden ‘geroofd’, is niet duidelijk. Wat wel opvalt is de brede oriëntatie van Vekemans die naar cultuurhistorische figuren zoals Gandhi verwijst en tegelijkertijd gretig gebruik maakt van natuurbeelden en een duidelijk leidmotief: ‘Kleine studie van onvaste verbindingen’. Elke cyclus wordt ingeleid met de kleine studie, en om het contingente te benadrukken, heeft Vekemans het over ‘Verbinding van verlies’ (p. 20), ‘Verbinding van vlakken’ (p. 30) en ‘Verbinding van stilte’ (p. 40). Alleen het ‘Naschrift’, geschreven na de dood van de vader, die een hammondorgelspeler was, laat de contingente verbindingen onaangeroerd. Bij het overlijden van een geliefd persoon is er als het ware geen ruimte voor toevalligheid. De dood is onomkeerbaar en absoluut: ‘… je blik is plaats noch tijd geworden / misschien was het aflossing.’ (p. 55) De schrijfster slaagt er niet in de essentie van de overtocht in woorden te vatten, want het was ‘niet dat er nog woorden over waren.’ (p. 55)

Het lijkt erop dat de dichteres zich samen met de veelvuldig aanwezige vogels los heeft gezongen uit de toevalligheid der dagen om zo beter door te kunnen dringen tot wat essentieel is in en voor het leven. Kwartet voor het einde van de tijd is een sterke en harmonische bundel, al gebruikt Vekemans wel eens een beeld dat niet helemaal past in de opvallend sobere – soms sacrale – verwoording. Dat de stoffelijke resten van God – met hoofdletter – ‘als stukjes Berlijnse muur / over de hele wereld verspreid’ raakten (p. 49) vind ik te gezocht. Ook het gebruik van het begrip ‘nationale weg’ (p.20) had vermeden kunnen worden, er bestaat immers een Nederlands equivalent: rijksweg. Het zijn kleinigheden die mijn oprechte waardering voor de bundel niet kunnen temperen. Immers ‘vogels onttrokken zich al de tijd [dat Vekemans schreef en ik las] aan de afgrond.’ (p. 21)

Gedichten


Bekijk ‘Apparition de l’Eglise Eternelle pour orgue’ op Youtube

Verschijning

Olivier Messiaen – Apparition de l’Eglise Eternelle pour orgue (1932).

‘Spiritualiteit is de ontvankelijkheid voor religie, en die is voor 50% genetisch bepaald, zoals blijkt uit tweelingonderzoek.’ Dick Swaab in Wij zijn ons brein. (2010)

‘Je suis né croyant. Je n’aurais peut-être rien composé si je n’avais pas eu cette grâce.’ Olivier Messiaen

Led Zeppelin – Stairway to heaven (1971) YouTube footage from the concert film The Song Remains the Same ‘I think this is a song of hope’
Bekijk op Youtube

kerk is een instortend woord
een eenlettergrepig vergrijp
een veelarmige octopus
een ongrijpbare verbloeming
van te bloeden aders
een purgatorium
een gore vergeetput
een grot, en stil, her en der, een hart
een heilige plek – hij wandelt er nog altijd
een ongenode gast – partycrashing
gated communities
hij wandelt er nog altijd op water
een monoliet van liefde
alleen voor hem
de liefste
de stad en de wereld
alleen voor hem
het ingestorte woord
van zijn aanstaande bruid


Bekijk ‘Mode de valeurs et d’intensités’ op YouTube

 

Zonder zon

Olivier Messiaen – Quatre études de rythme – 2. Mode de valeurs et d’intensités (1949-1950)

het strakke ritme van grijze wintertakken
is trager en kaler dan de regelmaat
van nerven in zomerbladeren
het is haperend, en zwakker
dan het stuwen en duren van de stam
het sijpelt tak en boom
het druppelt dag en nacht
het is te stil voor vogels
het is maanstil in het blauwe uur
voor de gele drukte van de zon
 

Ark

Svalbard Global Seed Vault
Olivier Messiaen – Saint Francois d’Assise (1975-1983)
in Spitsbergen
120 meter diep binnen in de berg
130 meter ver van de stijgende zeespiegel
met het oog onbewogen op de horizon van de tijd
beschermd in de palm van de aarde dicht aan gods borst
slapen de zaden

Recensie van Schrikdraad - Herlinda Vekemans

er druipen talen uit zijn tong

Herlinda Vekemans
Schrikdraad
Uitgever: Poëziecentrum ,Poëziecentrum
2011
ISBN 9789056551247
€ 17,50
48 blz.

De Minotauros was een oud-Grieks mythisch wezen, half mens en half stier. Het was opgesloten in het Labyrint van koning Minos van Kreta. Elke negen jaar moest de stad Athene daar veertien kinderen afleveren, als offer. Toen de Athener Theseus wederom veertien kinderen bracht, werd Minos’ dochter Ariadne verliefd op hem. Hij beloofde haar te trouwen wanneer hij de Minotauros zou doden. Ariadne gaf Theseus een lange draad mee zodat hij de weg niet kwijt zou raken. Theseus doodde de Minotauros, keerde terug uit het Labyrint en vertrok met Ariadne – maar moest haar op bevel van Dionysus, die haar tot zijn bruid bestemd had, op het eiland Naxos achterlaten.

Dit tragische eindpunt van de oud-Griekse mythe vormt het begin van Schrikdraad, de nieuwe dichtbundel van Herlinda Vekemans. De titel verwijst naar de draad die Theseus uit het Labyrint hielp te komen. Het woord zelf voorspelt al de ongelukkige afloop van de mythe en wellicht ook een prikkelende ‘rondleiding’ door, of interpretatie van, het aloude verhaal.

Na Ariadne’s klaagzang gaan we het doolhof in met een van de geofferde kinderen, in een gedicht met de mooie, poëtische titel ‘omnachting’. De eerste strofe:

het kleinste meisje liep argeloos naar binnen
hij was er snel bij
knakte het nekje in de klem van zijn kaken
de armpjes in vreemde hoeken
ze zag nauwelijks de binnenkant
van de buitenste wal
ze had niet eens geweten
dat hij bestond

Technisch klopt het. De tekening is netjes afgerond en verder bevat de tekst poëtische elementen zoals metrum en (eerste en derde regel) alliteratie en assonantie. Maar het beeld komt, behalve misschien ‘de armpjes in vreemde hoeken’, niet echt tot leven.
Op de volgende pagina een gedicht over de Minotauros, met nu ineens een zakelijke titel (‘Minotauros’):

er druipen talen uit zijn tong
his mothertongue had long been ripped out
stembanden in kadaverstand
beide oorschelpen vervormd door othematomen

op de architraaf van zijn schoften
een massieve psychose
rond de tholostombe van zijn buik
krioelt het van woorden

hij heeft een tempel
met atlanten en kariatiden op het oog.

Waar die talen vandaan komen, begrijp ik niet: de Minotauros at alleen Atheense kinderen en sprak, zover ik weet, geen enkele taal. Het Engels leidt af, net als de onpoëtische woorden ‘othematomen’, ‘architraaf’ en ‘tholostombe’. Het zijn woorden zonder connotaties of metaforiek, woorden die enkel een woordenboekbetekenis hebben. Ze hebben geen functie en ze hinderen als hoge verkeersdrempels op een rechte weg.
(Niet dat een dichter geen onpoëtische woorden ‘mag’ gebruiken, trouwens. Van mij mag alles, als maar blijkt dat de dichter het met een reden doet. Schrikdraad is geen aanklacht tegen poëzie, geen manifest of anderzijds een statement, het is ‘gewoon’ een dichtbundel.)

Na dit gedicht ben ik niets wijzer over de Minotauros. Dit gedicht is precies een technisch uitgewerkte tekening van de Minotauros. Het verhaal krijgt geen draai, geen vervreemding, geen ander perspectief, Ik wil weten wat Vekemans zelf van dat beest vindt, ik ben benieuwd welke onvermoede beelden ze erachter tevoorschijn kan halen. Of zouden telkens maar kinderlijfjes de Minotauros op den duur niet stierlijk gaan vervelen? Ik proef geen bloed bij dit gedicht, terwijl dat een van mijn eerste associaties is bij de Minotauros.

Ik blader door, naar een ander gedicht over het Labyrint: ‘tussen schotten van beschutte en warme mensennesten / maken opgejaagden hun opwachting / ze verdwalen in wegen en woorden / geheel volgens plan’. Mooi klankspel. Maar ik lees ook een gedicht over het meisje met de zwavelstokjes. Hier zoekt het meisje haar heil bij een dichter, een variant op het echte verhaal waarin het meisje met haar overleden oma meegaat. Het gedicht begint met: ‘ik wil een winterslaap in het graf van de dode dichter’.
En daar wil ik liever stoppen met lezen. De woorden ‘winterslaap’, ‘graf’, ‘dode’ en ‘dichter’: liefst vier zware, zwarte, romantische woorden. In één korte zin, nota bene de openingszin. Werd het maar Rimbaud, dacht ik nog, maar nee – hoewel ik verderop zinsneden als ‘traag van kou’ en als ‘groen de dag zich stort’ nog mooie vondsten vind. Maar wat de associatieve relatie is tussen dit meisje en de Minotauros? Geen idee.

Schrikdraad is hecht gecomponeerd: alle gedichten gezamenlijk vertellen een verhaal. Ingrediënten zoals liefde, angst, onzekerheid en de tragische afloop van het verhaal voorspelden alvast veel goeds, maar door de opzet en de stijl van de gedichten ontkom ik niet aan de indruk van een ‘gemaakte’ bundel. Het verhaal is interessant, maar blijft te ver weg om invoelbaar te worden: alsof we door een oud-Grieks museum dwalen vol stukjes van standbeelden en fresco’s, met meer uitleg dan beleving.

Vekemans stijl is kaal. Er zijn nauwelijks metaforen te bespeuren. De gedichten kennen een opmerkelijke spaarzaamheid van woorden (de meeste gedichten tellen zes tot misschien twaalf, meestal zeer korte regels). Tekstueel gezien blijft de bundel binnen veilige marges, nergens lijkt een risico op te doemen. De bescheiden omvang en de naakte aanwezigheid ervan, maken gedichten an sich weer wel een risico. Vooruit.
Dit alles maakt de gedichten tamelijk steriel. Netjes, maar ook bloedeloos. De bundel is een eigentijdse, nauwgezette en taaltechnisch vormgegeven weergave van het originele verhaal, maar de poëzie (beelden en metaforen incluis) blijft bij beschrijvingen. Na deze bundel ben ik rationeel vermaakt, tot op zekere hoogte, maar emotioneel weinig geprikkeld.

****
Herlinda Vekemans (Duffel, °1961) publiceerde poëzie in o.a. De Revisor en Poëziekrant. Eerder verschenen bij het Poëziecentrum, Versneden (2005) en Buiging (2006). Ze werkt aan de K.U.Leuven als docente Engels voor studenten geneeskunde en onderzoekers in het biomedische veld.