Gedichten

Het begin van het einde

Ik laat mijn handen vogels zijn.
Nu de jaren niet meer in september beginnen,
scheur ik het masker van jeugdigheid af en
kleur binnen de lijntjes de advertenties in.
‘Ervaring gewenst. U bent sociaal en stressbestendig.’
Ik ben vooral lamlendig.

Ik laat mijn hand een rendier zijn.
Het papier heeft een afdruk op mijn gezicht achtergelaten,
gelukkig is er geen verschil te zien. In het licht
zie je strepen, zoals op een slecht geverfde muur.
In mij is nu al een ruïne zichtbaar. Bouwvakkers
heb ik nooit begrepen, ik breek de dingen
liever af en bereken nooit de som van mijn gebreken.

Ik laat mijn handen vuisten zijn.

Focus

In het donker in de trein.

Ze staart zichzelf zo diep in de ogen
dat ze in een boom verandert
en verzendt gebeden met amens
als postzegels. Geen garantie,
maar wel de opluchting van achter de rug hebben.

Achter haar kletst een vrouw
over het alcoholgebruik van haar kinderen.

Het leidt haar af van haar lijden en ze vraagt zich af
waarom de lantaarnpalen nog niet branden
en of het woord spiegelreflex betekent dat glas
weerkaatsend kan worden als je erop tikt,
of dat ze geschift is.

Knarsende tanden

Op het strand zoek ik de lelijkste schelpen,
uit herkenning of medelijden, misschien
enkel om de tijd te verdrijven.
Zandlopers zijn hier al genoeg.

Mijn kastelen zijn van karton,
wat kalk voor de deur, een vlag op het dak.
“Hier huist luchtigheid.”

Als het regent, ben ik weg.
Vouw de dag op als een laken
en leg de schelpen naast elkaar-
een nieuw verhaal voor weke dieren.