Recensie van Doodwater - Sofie Verdoodt

Verward in taalkruid

Sofie Verdoodt
Doodwater
Uitgever: Poëziecentrum
2014
ISBN 9789056554057
€ 19,50
48 blz.

Ik open een bundel met zwart-witte omslag en lees op bladzijde 7 dit eerste gedicht:

bij ‘Ophelia’ (John Everett Millais)

dit is onmiskenbaar mijn gelaat
wat drijft haar onder de wilgen
en maakt haar lijf
tot ongewiede tuin

geen man die opklimt aan haar benen
maar kruid dat om haar lenden windt
de knoppen van haar borsten klappen open
en haar longen dicht

water verdunt de herinnering
de zon loopt als een ei
over haar uit

wie roeit haar
naar de overkant?
een argeloze hand

ik vraag mij af
of mijn haar ook onder de aarde
door zal groeien

De eersteling uit Doodwater, het poëziedebuut van Sofie Verdoodt. Ik ken het bedoelde schilderij (toevallig) als een plaatje bij een Burgersdijkvertaling van de werken van Shakespeare, maar wie het wil zien kan het ook gemakkelijk opzoeken. (Hier bijvoorbeeld.)
Een schilderij dat over kunst gaat wordt zelf opeens onderwerp van kunst! De truc is natuurlijk al veel vaker toegepast, maar de caleidoscopische werking van deze drietrapsraket blijft alleraardigst en levert hier inderdaad een interessant gedicht op.
De identificatie in de eerste regel is opvallend. Hoewel de verleiding groot is om een foto van de dichteres te bekijken (waar ik niet aan toegeef, om de schrijfster niet teveel te leren kennen voor mijn recensie af is), ben ik toch geneigd te geloven dat het woordje ‘dit’ niet per se op het gelaat van Ophelia hoeft te slaan, of op het schilderij van John Everett Millais. Nee, ‘dit’ slaat naar mijn mening op het gedicht. Het gedicht is het gelaat van de dichteres en blijkt als een tekst die over een schilderij gaat op zijn beurt ook weer een schilderij te zijn: een zelfportret nota bene! Het maakt de cirkel rond, zozeer zelfs, dat ik me als lezer haast zelf voel drijven, verward in taalkruid.
Een boeiend gedicht, tot het eind toe. Zeker ook een zin als: ‘wie roeit haar naar de overkant?’. Dat is niet alleen de veerman – inkoppertje in een bundel waarin een spel rond de dood gespeeld wordt – maar ook de lezer, die met een argeloze blik al lezend haar bij zich binnenbrengt, om – zoals Verdoodt vermoedelijk hoopt – haar ‘haar’ (haar versie van Ophelia; haar (dicht)kunst?) onder de aarde – in zijn onderbewuste – door te laten groeien.

Er valt nog wel meer over dit gedicht te zeggen: de 2e en 3e strofe met hun seksuele connotatie en prachtige, geheimzinnige beelden (vgl. ‘de zon loopt als een ei over haar uit’) heb ik nog buiten beschouwing gelaten. Het ei wordt vaker als beeld gebruikt in de bundel: een van de laatste gedichten heeft als titel ‘buiten datum’, wat ik ook lees als ‘buiten adem’, en eindigt zo:

wat ons drijft is de spanning
die het ei voelt voor het barst
de voorkennis van dieren
bij bliksem en gedonder
het geurspoor van wat was

zou het niet mooi zijn
dat wij vandaag worden gered
door niemand in het bijzonder

In het licht van deze regels lijkt een uitgelopen ei (in tegenstelling tot een uitgekomen ei) te staan voor de dood. De dood als de brenger van chaos.
Orde kan beklemmend zijn, zoveel is zeker. Het hierboven geciteerde fragment illustreert dat: wat ons drijft is de spanning die het ei voelt voor het barst. Maar hoe het barst wordt in het midden gelaten. Barst het in chaos, zoals in het eerste gedicht, waarin Ophelia een onnatuurlijke dood stierf en de zon als een ei over haar uitloopt (mooi gezegd, omdat uitlopen ook kan betekenen dat iets langer duurt dan gepland, wat natuurlijk ook chaos in de hand werkt), of barst het van binnenuit en volgt het de natuurlijke orde van dingen, om uit te komen? Erop of eronder, we weten het nooit van te voren.

De bundel barst intussen van gedichten over personen, veelal vrouwen (mythologisch en/of gemythologiseerd) die worden geportretteerd en waarmee – op haar beurt – Verdoodt zichzelf portretteert. Toch zijn er ook een aantal gedichten zonder specifiek benoemde personen, zoals

april

als te late sneeuwpoppen
in het landschap neergepoot
de takken van onze armen
bloot gesparteld: wreed

klinkt elk geluid in een veld
dat zo blank staat als jouw blik
wanneer ik zeg dat ons geen lot
beschoren is, maar een weg apart

een waarheid en een leven
te laat op de afspraak, net als jij
leen hoogstens je gezicht
eens aan mij uit maar laat niet meer

over je los dan nodig
drijf in de lucht zomaar voorbij
de lippen strak als ons
onbeslapen bed en hemelsblauw

drijf me nimmer
met een ander in het nauw

Werd door een andere dichter april niet de wreedste van alle maanden genoemd? Het is DE maand van het uitbreken van de lente. Geen wonder dat de dichteres, die een bijna obsessieve fascinatie toont voor breekpunten, er een gedicht aan besteedt.
Is onze status quo te vergelijken met die van te late sneeuwpoppen? Met het mes van de lente op hun keel?
Verdoodt stelt dat we ‘een leven te laat op de afspraak’ zijn. Een afspraak die we zouden kunnen hebben met het lot misschien. Maar in tegenstelling tot de Griekse helden die vroeger hun lot als een uitdaging zagen en ernaar levend wel op tijd (om)kwamen, leven wij ons lot niet echt. Wij volgen een weg apart: een waarheid en een leven te laat op de afspraak. Opmerkelijk is dan nog dat in deze mededeling en passant een christelijke formulering doorklinkt! Alsof het christendom verantwoordelijk is voor ons onvermogen de afspraak op tijd na te komen. Men zou haast het gevoel krijgen dat de dichteres naar de oude tijden terugverlangt, gefascineerd als ze is door de oude Olympiërs. Op een andere plek in haar bundel schrijft ze:

ik ken de waarheid
maar soms doe ik
alsof God bestaat

De behoefte is er wel, maar het volstaat niet. De Christusfiguur komt naar de mening van Verdoodt trouwens ook te laat op zijn afspraak: net als jij, staat in de derde strofe van ‘april’. Maar ja, God laat niet meer over zich los dan nodig en leent hoogstens zijn gezicht aan ons uit (geschapen als we zijn naar zijn beeld). Het mysterie blijft en drijft in de lucht aan ons voorbij… En de dichteres lijkt dat te accepteren want ze wil niet met een ander (ander Godsbeeld?) in het nauw gedreven worden.

April gaat over (het gezicht van) God, maar is zo geschreven dat het haast lijkt dat het over een oppervlakkige liefde gaat (connotaties met mythes waarin sterfelijke vrouwen met Goden slapen ontbreken ook niet). Knap werk van een dichteres die bij al deze details ook nog de grote lijn weet vast te houden van de (zelf)portrettengalerij die haar bundel eigenlijk is.
Die grote lijn wordt ook nog eens versterkt door de logische volgorde van de gedichten. Het gedicht ‘steen’ bijvoorbeeld, dat volgt op april, lijkt over de dood van God te (kunnen) gaan en de opstanding van de mens die daar inherent aan is:

je dood sloeg een kleine krater in de tuin
met het oorverdovende
van stilvallende motoren
ik ruim vandaag weer puin
en vind de zwarte doos van mijn herinnering

het is je steen die leunt tegen mijn voeten
als de drempel die ik nemen moet
om uit je vacht te groeien
kleefkruid hecht zich aan mijn huid
de aarde voedt zich met jouw bloed

ik kijk naar hoe het je vergaat
hoe je je afwendt van het licht
jij en de bloemen groeien slechts
een andere richting uit

wie een kuil graaft
krijgt hem nooit meer dicht
want met een graf is het niet anders
dan met alle dingen

de stenen zullen groter worden
een mens moet altijd klein beginnen

De mythologie vertelt ons dat Zeus als een vallende ster op aarde is gekomen. Op Kreta, waar ik ben geweest, is zelfs een grot waar hij als zodanig werd vereerd. Maar een steen kan natuurlijk ook worden gebruikt om heilige huisjes in te gooien. De wetenschap, die steeds meer terrein lijkt te winnen op het geloof, kan gezien worden als zo’n steen. En ja: de stenen zullen groter worden (een mens moet altijd klein beginnen, staat er tenslotte nog fijntjes!).
Verdoodt springt vrij om met de mythes, maar spint er intussen goed garen bij: haar eigen draad van Ariadne, die soms in de kleinste details tot uiting komt. Is de tuin in de eerste regel van dit gedicht niet dezelfde als ‘de ongewiede’ in het eerste gedicht van de bundel dat ik heb geciteerd?

De liefde van de dichteres voor die andere wereld van vroeger, die zich af lijkt te wenden van het licht; de wereld van de klassieken die nooit zal sterven, maar slechts een andere richting uitgroeit is evident. Ze lijkt, net als Ophelia, de collaterale schade te ondervinden van wat ‘het Hamlet probleem’ wordt genoemd. Het voert te ver om dat hier uit te diepen, maar brengt me wel terug op de titel van de bundel: doodwater. Misschien op te vatten als het water waar Ophelia in dreef, en te lezen als een soort tegenpool van vruchtwater. Maar in eerste instantie toch te verklaren als een uitdrukking voor symbolische stilstand en aanzuigende doodsdrift (zoals op de achterflap van de bundel te kennen wordt gegeven). Is dat wat ons drijft?
Hoe dan ook, de titel staat voor mijn gevoel in schril contrast met de artistieke inhoud (lees: het effect) van de bundel: uiterst vruchtbaar en met een niet aflatende fantasie…

***
Sofie Verdoodt (1983, Gent) publiceerde gedichtencycli in onder meer PoëziekrantDe Volksverheffing en De Brakke Hond. Haar werk werd bekroond in talrijke poëziewedstrijden. Als doctor in de kunstwetenschappen schrijft ze over film en kunst, doceert ze en werkt ze als filmprogrammator.
Een aantal jaren geleden werd ze voor Meander geïnterviewd door Sylvie Marie.