Recensie van Zie mij - Mariet Lems en Cora Vries

Te mooi om waar te zijn

Mariet Lems en Cora Vries
Zie mij
Uitgever: U2pi
2017
ISBN 9789087596934
€ 17,50
69 blz.

Het combineren van poëzie en schilderijen is een hachelijke zaak. Maar al te vaak doet het ene element af aan het andere, zoals iemand die door een mooi stuk muziek heen zit te praten of iemand die zich bij een fraai uitzicht hinderlijk in beeld bevindt. De smaak van de lezer en beschouwer speelt immers een belangrijke rol bij het waarderen van de combinatie van beeld en woord: de kans dat zij elkaar versterken is daarmee niet zo heel groot.

Ook in mijn geval heeft zowel de beschouwer als de lezer bezwaren. Zonder mezelf als kunstkenner te willen afficheren, heb ik voldoende gezien om in de schilderijen van Cora Vries een sterke overeenkomst met de stijl van Marlene Dumas op te merken. Daarmee is over het onderdeel ‘beeld’ van deze bundel voldoende gezegd.

De gedichten verraden het ambacht dat ermee getoond wordt. Dit wordt al meteen duidelijk bij het openingsgedicht.

Schrijfopdracht

Kijk net zolang naar mij
totdat je iets opvalt
dat je nooit eerder hebt gezien

noem kleuren, geluiden, geuren
emoties, iets in mij
dat zich met jou verbindt?

schrijf een gedicht

zwicht niet voor verleidingen
van rijm en zomerhemels
belicht me met je pen
zie mij
en zeg

[p. 7]

Voor dichters en ervaren poëzielezers vallen de effecten van klankherhaling (gezien – geluiden – geuren – gedicht), ‘verborgen’ rijm (gedicht – zwicht – belicht) en bewuste onvoltooiing (zie mij / en zeg) onmiddellijk op. Waarschijnlijk zal een geoefende voordrachtstem de handen van het toehorend publiek er wel voor op elkaar krijgen, maar de lezer blijft in mijn geval hangen aan de punten van het skelet, dat door de dunne huid van het gedicht heen steekt.

Een ander voorbeeld is het gedicht ‘Verloren’ op p. 11.

Verloren

Hoe komt het dat hun vragen mij verdringen
naar waar ik wegkruip achter mijn gezicht
zodat mijn antwoord loodzwaar van gewicht
zichzelf begraaft onder de bangste dingen

Ze laten woorden van hun tanden springen
Ze bijten in mijn lippen, ritsen dicht
wat binnenin mij zoekt naar lijn en licht
terwijl mijn taal zich het liefste los wil zingen

Dat is wat ik in het gat van stilte hoor:
een stem die ongehoord zijn richting vindt

die mij ontsnapt voorbij het zwijgend kind
voorbij de zeggingskracht die ik verloor

Stem open mij, laat de muziek beginnen
zodat verlies verschoven wordt naar winnen

Naast het morele aspect, waarbij de dichter de in mijn ogen minst interessante kant kiest, namelijk die van de ‘ik’ die in verdrukking leeft, valt mij het esthetische aspect van dit gedicht op. Alle emotionele en emotionerende rafelranden, die iedere lezer wel achter de taal zal vermoeden, worden door de sonnetvorm naar de verre achtergrond geplamuurd. Je zou daartegen kunnen aanvoeren dat ook een zorgvuldig ingedeeld en aangeharkt kerkhof de gedachte aan de dood niet doet verdwijnen, maar een gedicht is als het goed is een daad van kunst, dus een daad van verzet en geen rustplaats met een hoge heg eromheen en ‘Rust zacht’ boven het smeedijzeren hek bij de ingang.

Ik wil gedichten lezen die waar zijn, waaraan ik niet ontkomen kan en de taal moet die weerhaken in mij weten te slaan. Doordat in vrijwel alle gedichten van deze bundel het ambacht de boventoon voert, zijn ze stuk voor stuk te mooi om waar te zijn. Voor teksten die het lijden willen verpletteren onder een lading talige troost is er volgens mij voldoende plaats in rouwadvertenties en parochieperiodieken.

Maar misschien neem ik deze bundeling te serieus en moet ik haar niet als poëziebundel zien, maar eerder als een soort catalogus van een tentoonstelling, in combinatie waarmee hij ook op internet te vinden is. In de webshop op de site van uitgever JouwBoek.nl (Uitgeverij U2pi) zoek je er namelijk vergeefs naar.

***
Mariet Lems (1946) is specialist literatuureducatie, cultuurcoach, dichter en tekstschrijver. In 2013 verscheen de herdruk van Weten waar de woorden zijn, een methodiek creatief schrijven voor het basisonderwijs en schrijfdocenten. Voor het programma Cultuureducatie met Kwaliteit leidt ze leerkrachten op tot specialist literatuur.
Cora Vries (1956) studeerde grafische vormgeving aan de Academie Minerva te Groningen en daarna volgde ze de opleiding schilderen, tekenen, ruimtelijk ontwerpen aan de Koninklijke Academie te Den Haag. Ze is werkzaam als zelfstandig beeldend kunstenaar.

 

Recensie van Mijn grote schuld - Laurens Ham

Poetica, non Polet

Laurens Ham
Mijn grote schuld
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427129
€ 19,99
63 blz.

Laat ik meteen maar met de deur in huis vallen. Het grootste deel van Mijn grote schuld, de debuutbundel van Laurens Ham, doet me weinig en ik kan er ook weinig mee. Niet als poëzie, niet als klank, niet als taal.
Vele pagina’s zijn gevuld met linten van woorden en zinnen, waarvan onduidelijk is of ze deel uitmaken van een groter geheel of dat ze als zelfstandig gedicht moeten worden beschouwd.
Aan de hand van de gedichten/fragmenten op pagina 48, 49 en 50 zal ik proberen om, samen met de lezer, dieper in de bundel door te dringen.

[p. 48]
dat kind die mars door de strot
bloed- en bodemloos
terwijl mijn scheur in de lucht wordt dichtgenaaid

de pers internationaal
breeduit op schoot in slaap
gromt eenmaal zijn tanden bloot
sluimert alweer

ingesnoerd in het ijle hang ik
verzekerd als ik ben
van een strand
van alle smetten vrij

ik avonturier die achter gesloten oogleden
de bergwand ziet
en nadert

[p. 49]
ik zondigde al
toen ik het schoongeveegde folderland
in  mijn voorruit realiseerde
brandende metablik
alle vrijheid verzengd

kan ik die fjorden vrijkopen
dan doe ik dat verdomme
helle zomerdag

hoe immoreel zou het zijn
die potentie onverwezenlijkt te laten

mijn zonde bestaat in het erkennen
van schuld
waar die zo leeg is
als een slappe portemonnee

[p. 50]
als we die trein nu eens dwars
door hun terrein snijden
verstoven zwerm
door een tyfusmooi land

als we de robot nu eens gevoelig
maken voor gelukszoekers
en hem vragen hen bij twijfel
naar god te helpen

als we het koele razen
van het spoor nu eens ombuigen
tot de ruimte voor verstekelingen
gebald raakt als een slakkenhuis

bij het ontrollen van het spandoek
geen ontsnappen meer aan

fuck de politiek
laten we het gezellig houden

Deze reeks ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ begint op p. 46 en aan de hand van een aantal signaalwoorden als ‘wasstraat’, ‘velgen’, ‘bello’, ‘maxicosi’ (p. 46), ‘wandelschoen’, ‘terriër’, ‘wurglijn’ (p. 47), ‘kind’ (p. 48), ‘folder […]’ en ‘voorruit’ (p. 49) meen je op het anekdotisch niveau te lezen over iemand die zijn auto wast en met kind en hond in het bos gaat wandelen. Maar op. p. 50 gaat het opeens over ‘trein’ en ‘spoor’ en besluit het geheel met ‘fuck de politiek / laten we het gezellig houden’.
Hier wordt een procedé zichtbaar: de verdubbeling trein/terrein komt voort uit klank, de verdubbeling slakkenhuis/ontrollen […] spandoek komt voort uit beeld. Dit soort verdubbelingen en verspringingen komt veel vaker voor in de bundel. Zo vaak zelfs, dat ik denk dat ze de bouwstenen vormen van de gedichten. Op deze manier groeit de tekst door middel van klank, beeld of betekenis steeds verder aan tot een reeks of een lint van teksten, waarbij de reeks zelf uitsluitend ontstaat bij gratie van de beginwoorden die de associatie op gang brengen. De reeksen eindigen niet echt, maar blijken te zijn afgelopen wanneer je opeens terechtkomt op een witte pagina. Ik kan er nog altijd de noodzakelijkheid niet van inzien.

De illustratie op de voorzijde toont een persoon in een poollandschap naast een leeglopende zwarte luchtballen en een op zijn kant liggende bruine gondel, waarin nog licht schijnt. Op de achterzijde leest men onder meer: ‘… hoe we door te reizen ingrijpen in de samenleving en de natuur.’
Mogelijk hebben deze zaken met elkaar te maken.
De constatering op de achterzijde is geen breinbreker. De thermometer toont slechts de temperatuur van zijn contactvlak met het ijsblok en beïnvloedt die tegelijkertijd. Zelfs de herinnering verandert, wanneer we haar in de geest aanraken.

Ham opent de bundel met twee motto’s; één uit Tony Wheeler’s ‘Lonely Planet philosophy’ en het ander uit Hendrik Tollens’ ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla’. In de ondermarge van de reeks ‘Wee’ worden delen uit een zeventiende-eeuwse brief afgedrukt, afkomstig van www.gekaaptebrieven.nl . Welk verband moet er blijken uit het opvoeren van Willem Barentsz als sprekend personage, de verwijzing ‘van alle smetten vrij’ naar Tollens (‘Wien Neêrlandsch bloed…’) en de toeristen in de reeks ‘Utopië’?
Beoogt de tekst op de achterzijde, behalve een constatering, een duiding te zijn van de inhoud van de bundel? Ook na de vierde herlezing heb ik die kluis niet kunnen kraken.

Mij bekruipt het gevoel dat Ham – indachtig Marsman’s ‘baldadig aforisme’ van graan des levens dat wordt omgestookt tot jenever der poëzie – wat te diep in het glaasje Polet heeft gekeken. Hij tapt uit een vaatje dat niet door hemzelf is aangeslagen, maar dat al door diverse dichters, sommige van naam en faam, gevuld is. Hierbij kan het zijn dat zich in de aard van de beelden en associaties de persoonlijkheid van de dichter laat benaderen, in de gedichten als zodanig lukt mij dat niet. In plaats van een poetica van de dichter zelf zie ik voornamelijk schatplichtigheid aan voorgangers. Dat is jammer, want op een enkele plaats meen ik de stem van de dichter wel degelijk te horen. En dat smaakt wel naar meer:

[…]
iedereen vormt zich een luchtschip
om zijn naasten te vervoeren

[p. 61]

****
Laurens Ham (1985) is essayist en docent-onderzoeker aan de Universiteit Utrecht. Hij publiceerde eerder poëzie in Terras en  DWB. Mijn grote schuld is zijn debuut als dichter. Eerder verschenen van hem de studie Door Prometheus geboeid en het nawoord bij Sybren Polet’s laatste essaybundel, De noodzaak van het overbodige. Hij won in 2011 de ABG/VN Essayprijs voor het essay ‘Multatuli, een zelfcreatie’.

Recensie van As, vuur - Hester Knibbe

Kiezelstenen in de knapzak

Hester Knibbe
As, vuur
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514293
€ 17,99
77 blz.

Ik heb een voorliefde voor reeksen. Dichters die (een deel van) hun bundel door middel van een aantal samenhangende gedichten in een groter verband brengen, hebben bij mij een streepje voor.
Om die reden wekte ‘Drift’, de eerste afdeling van Hester Knibbe’s nieuwste bundel As, vuur, meteen mijn interesse. De drieëntwintig gedichten in deze afdeling hebben, zoals Knibbe in de aantekeningen achterin de bundel toelicht, elk één van de ‘oerwoorden’ uit de zeven Euraziatische taalfamilies als uitgangspunt. Een onderzoeksteam onder leiding van bioloog Mark Pagel kwam tot deze lijst onder de aanname dat de meest gebruikte woorden het minst veranderen.

De overeenkomst tussen de drieëntwintig woorden berust overigens niet op klankverwantschap, maar op betekenis. Dit geeft Knibbe de gelegenheid om rond deze woorden in haar gedichten een web te spinnen van klanken en beelden, waarmee de lezer steeds weer via een andere gang zijn eigen hoofd in kan kruipen. Knibbe bedient zich op een plezierige manier van haar taal: het geoefende oog merkt veelvuldig binnenrijm op, het geestesoor hoort muziek in de klankherhalingen die deze gedichten kenmerken. Een fraai voorbeeld is het gedicht ‘As’, dat de onderafdeling ‘Mond’ besluit:

As

          wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaap kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Stuk voor stuk geeft de dichter kleur aan de kiezelstenen, die wij zonder het te weten blijkbaar in onze knapzak meedragen, onderweg door tijd en ruimte.
Hoewel ik er bij herlezing geen concrete bewijzen voor op het spoor kwam, vertelden deze gedichten mij niet alleen een verhaal van de taal die mij verbindt met een Indiër of een Aleoet, maar vormen ze tevens een verzameling scènes met een ik en een jij (een zij en een hij), die de lezer meenemen van een eerste plek in het ooit naar een tweede plaats in het nu, als een soort eigen versie van het scheppingsverhaal. Zo krijgt deze reeks ook een ontologisch perspectief, waarin de mens niet ontstaat uit water en aarde, maar uit woorden met ritme en klank.

Want de taal speelt in deze bundel de hoofdrol, met als verdienstelijke tegenspelers de dingen die geweest zijn, verbonden, verwantschappen en ontmoetingen van vroeger. Het is de as die de lezer kan doen denken aan een vuur, ooit, waarbij hij zich in de gedichten alleen kan warmen aan de nagloeiende sintels.
Knibbe is in deze bundel nergens een strijder, nooit een brandstichter, die de lezer met taal van zijn richel wil duwen. Veel is geschreven uit het perspectief van de beschouwer, als verhalen die aan nagelaten kinderen worden meegegeven.
Ze kent haar klassieken: Orpheus, Sisyphus en Charon passeren de revue, maar ook verwijzingen naar Achterberg (de gasfitter) of middeleeuwse symboliek (de vos). Gelukkig geen modieuze beeldengrabbelton die voor surrealisme moet doorgaan. Als lezer voel ik me vrijwel altijd verbonden met Knibbe’s taalgebruik, dat door het muzikale karakter ervan vrijwel altijd meer geeft dan betekenis alleen. Veel beelden blijven nog lang nagloeien in het onderbewuste.

‘Stroom’, het tweede deel van de bundel, bestaat uit een aantal kortere en langere reeksen, waarvan ‘Leeftocht’ met vijftien gedichten de meest omvangrijke is. Volgens de aantekeningen is deze reeks kleiner en in een andere volgorde reeds gepubliceerd als gedichtendialoog met Miriam Van hee.
Hoewel de titel lijkt te wijzen op een reis door het leven, gaf deze serie mij meer dan eens de indruk van een verzameling vakantie-indrukken met een Zuid-Europees decor. De gedichten zijn minder pregnant dan die van de eerste afdeling, de contouren zijn vager en de tinten lijken meer pastel. Ik neem hier het slotgedicht over, met name omdat het de voor mij mooiste passage van de bundel bevat (‘[…] En terwijl ik hier in de kou van de avond / op noorderlicht sta te wachten, […]’):

Waar je ook bent, men moet zich
een huishouden maken, schreef je.

Ik nestelde mij tussen bergen en fjord, wiegde
mijn lichaam in wind, ving regen, vergaarde
voor wat ik moest maken. Had ook dit keer

verwachting op zak, ging er als altijd
mee voor het raam staan, zag, vergeleek, ja in elke
stad op iedere plek die ik aandeed keek ik wat

het verschil was en het verschil maakte de reis
tot het vreemde waarnaar ik verlangd had. Zoveel

bruggen overgestoken, door zwarte verkreukelde
aarde gegaan. En terwijl ik hier in de kou van de avond
op noorderlicht sta te wachten, zit jij daarginds

in het zuiden misschien voor het laatst deze zomer
onder de sterren aan tafel, hoor je de roep van de uil
sluit af.

***
Hester Knibbe (1946) is een Nederlandse dichteres. Ze woont sinds 1972 in Rotterdam, waar ze in 2015 tot stadsdichter werd benoemd. Knibbe beheerde als klinisch-farmaceutisch analiste lange tijd het laboratorium van een ziekenhuisapotheek. In 1982 debuteerde ze met Tussen gebaren en woorden. Daarna verscheen van haar een tiental dichtbundels. Haar werk is diverse malen bekroond. As, vuur is haar twaalfde bundel.

Recensie van rond is moeilijk - Harry van Doveren

Zoekwoorden in waterverf

Harry van Doveren
rond is moeilijk
Uitgever: Opwenteling
2017
ISBN 9789063381639
€ 14,50
64 blz.

reis, maak me een ander

rond is moeilijk waar ik begin
valt verse sneeuw op oude sneeuw
tussen de lijntjes van een lineaal
doodt een idioot de tijd en plukt
de appels van vreemdelingen

Met het titelgedicht uit de bundel rond is moeilijk van Harry van Doveren wordt veel en tegelijkertijd weinig gezegd over de verdere inhoud van deze bundel. Het gedicht is van alle gedichten een van de meest compacte, zowel qua lengte als breedte, maar wat de breed uitwaaierende associaties betreft wel sterk gelijkend op de andere. De spelfout (correct is ‘liniaal’) stoort mij. De taal wil ik volgen en ervaren en bij ‘valt verse sneeuw op oude sneeuw’, ‘lijntjes – tijd’ en ‘doodt een idioot’ lukt mij dat door de aangename klankherhaling en het ritme, maar de reisbeschrijving die me van rond over moeilijk, sneeuw, lijntjes en tijd naar appels van vreemdelingen moet voeren volg ik niet.

Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Evenmin als muziek hoeft een gedicht een verhaal te vertellen. Wanneer de suggestie van taal sterker is dan de veronderstelde betekenissen, kan de lezer een gedicht door zijn ervaring het zijne maken. In de meeste gedichten heeft Van Doveren echter erg veel ruimte nodig om zijn taal over uit te smeren, waardoor ze flets worden.
De dichter mijmert en mompelt, alsof hij schroom voelt om zijn taal eens krachtig in de mond te roeren.

Mogelijk hinkt de dichter op twee gedachten. Zowel de tekeningen van Asaka Imamura als de bijna tot waterverf verdunde taal doen mij sterk denken aan de Japanse traditionele poëzie, haiku, senryu en tanka, die met de taal van Van Doveren gemeen hebben dat ze hun beelden in zachte, liefst bijna onzichtbare tinten schilderen. Waar de Japanse traditie zich met opzet in de omvang zeer streng begrenst, kiest Van Doveren ervoor om zijn gedichten zich te laten uitstrekken over twee, soms drie pagina’s. De associaties die hem van begin tot eind voeren, lijken vrijwel ongebreideld. Ik vrees dat dat niet werkt. Een gedicht dat lijkt te gaan over bijna alles, gaat uiteindelijk over bijna niets en daardoor blijft het je ook niet bij.
Af en toe moest ik ook denken aan de vroegere teksten van Spinvis, waarbij de muziek en de stem nodig zijn om de taal een blijvende indruk te laten maken op de toehoorder. Een lezer komt dan tekort.

Veel van de gedichten in deze bundel lijken te zijn geschreven vanuit het perspectief van een kind: het gaat over moeder (p. 8) ‘moeder voedt mij / moeder wast mij’, over vader (p. 8) ‘vader bouwt twijfelaars / ik ken hem van mijn naam’, over ‘ik, keizer’ en zijn drie vrienden en ‘zij van vier’, over een clown, een paard en een circus. De dichter kiest er daarbij voor om de beleving van het kind te vermengen met observaties en overwegingen vanuit de volwassenheid, wat een risico met zich meebrengt: de lezer ervaart niet het kind, maar de volwassene die zich als kind voordoet. Daarmee dreigt de poëzie als een pose te worden ervaren.

De meeste gedichten in deze bundel houden mij niet vast. Meestal omdat er te weinig verborgen (maar met de belofte vindbaar te zijn) blijft om naar terug te keren. Een aantal keren omdat een vondst ((p. 8) ‘ze meet met metaal’ of (p. 59) ‘de afgebroken punt / van een komma’ ) te weinig gewicht in de schaal legt om het hele gedicht te dragen.
Er is echter één gedicht dat ik een aantal keren heb herlezen en dat ondanks dat zijn geheim niet prijsgeeft en zijn aantrekkingskracht niet verliest.

uit een jonge wolk

uit een jonge wolk valt een jonge zee
een oude zee komt uit een verdwenen wolk

uit een jonge wind groeien jonge golven
oude golven zijn van een verdwenen wind

de zee en de maan hebben dezelfde moeder
de zee en de maan zijn van tweeën één

van vis en vlees uit één schelp
ze slapen samen

de zee bezweert de maan met jonge opvattingen
jonge opvattingen zijn jonge golven van jonge wind

de maan beweegt de zee met oude opvattingen
oude vissen in oude zeeën

***
Harry van Doveren (Haaren, 1953) schrijft gedichten en essays en is beeldend kunstenaar.
Hij publiceerde in Bzzlletin en in De Groene Amsterdammer over Robert Musil en Paul Valéry. In de jaren tachtig gaf hij het satirisch periodiek De Haan Kraait Kippen uit, en schreef hij voor het tijdschrift Over Leven. Met het Zeepblind Collectief publiceerde hij het experimentele boek Nagelvaste Kalktriller (2015). In dat zelfde jaar verscheen ook De Gelezen Stad, een reeks van (mini) essays over de Japanse stad Kyoto in samenwerking met Angeline van Doveren.
Na Rumoer van de nacht (2013) is Rond is moeilijk (2017) zijn tweede bundel.

De gedichten van de finale (1)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Onno-Sven Tromp

Weinig zijn

het was een dag van weinig zijn, dat veel
was opgeheven, onze aanwezigheid niet
op prijs werd gesteld, gras zich beklaagde
over blote voeten, lucht weerstand bood,

dat regen zich omdraaide, wind niet wilde,
horizon zich achter ons verschool, niemand
zich zijn naam herinnerde, planten onder de
modder kropen, huizen werden ontbouwd,

dachten we: alle bomen staan op één been,
grond is geduldig, we gaan wildernis voorbij,
besparen op adem en kijken naar onszelf,

wisten we: tijd is water, water is steen, tijd
slaat gaten in een muur, water verliest niet,
kiezels verrotten, geen mens wordt gedoogd

Opnieuw

waren we zwijgend met elkaar verbonden, raakten
onze neuzen elkaar, vertelden we vergeten verhalen,
over winterslaap, over toen er nog geen licht was,

mopperden we, worstelden we binnensmonds,
jonglerend met planeten, de aarde een toverbal op
de tong, waren we scheppers van een klein heelal,

wachtten we tot alles ging krimpen, lieten we
onze blikken verschrompelen, verdween de energie,
werden we ingedikt, afgescheept en over tijd verklaard,

stonden we aan zee, was het een oud moment,
waren we er niet om beroemd te zijn, wilden we
namen helen, vleugels plakken, hemelwaarts vallen,

begonnen we opnieuw, lieten we kurken knallen,
dronken we gekromde ruimte in, vulden we zwarte
gaten met vermeend genot, dijden we oneindig ver uit

Verder

ze tilde zichzelf op, dat ze kon zweven, of ik
het wilde zien, liep ze een eindje zonder de grond
te raken, het was een gebrek aan zwaartekracht

dat haar opbrak, hing ze zich als vitrage voor de
ramen, kon ik van binnen door haar heen kijken,
van buiten niet, of ik het misschien wilde zien,

ze lichtte haar hielen, zeilde ze als weesvlinder
door een wintertuin, dat ze behoefte had aan
houvast, ik wist het niet, een verdorde bloemknop

om op te zitten, had ik haar mijn hand gegund,
mijn gewicht tegen haar aan gelegd, had ik haar
uit de lucht gegrepen, riep ze me immers nog,

durfde ik niet te kijken, bang dat ze vleugels
zou breken, als bevroren papier, ze schreef hoog
haar vallende brief, was ze gevlogen, verder

Peter Vermaat

Zwartman

[omega]
Hij staat te wachten onder een lantaarn,
ondergedoken in kleurloosheid. Uren lang
passeert geen schaduw die zijn schoenen past.

Hij wacht op hem. Hij weet wie hem verwacht,
want alle brieven hebben zijn adres.
Hij is zijn broodheer, leidt zijn botervloot
en leest hem in de voorkamer de les.

Hij is het zwart dat niemand lijkt en iedereen
uiteindelijk omarmt, de loodbeslagen deur
die zonder sleutel opent en het naambordje,
waar wie het ziet zijn eigen letters leest.

Daar komt hij aan. Hij steekt zijn hand al uit
om over wat hij biedt het eens te worden.
Hij heeft hem reeds ontmoet. Loopt met hem heen.

De refreinen van Doodstil

Iedere nacht houdt het geluidstekort
- van kinderstemmen ooit – mijn voeten vast,
ligt er gemis als stof op richels
en in kieren. Plinten komen los,
kunnen op elk moment de benen nemen.

Een klein heelal, geknepen tot een bal,
deelt al je kleurensmaken op mijn tong
en hangt de dag een lappendeken om
van lichtval in dopplergedaante.

Ik hoor wat niemand spreekt. Gebrek
aan stem schrijft woorden in het grauw
van wie zich in mijn achterhoofd ontvouwt,
mijn voetspoor volgt als trouwe hond.

Hij wordt een wolf en kromt zich voor de sprong.

Hoe ruikt een woord?

Hoe ruikt dit woord? De klinkers uit
het gras, tegen de avondval, met uitgestorven
bloemen en een vreemde kever, die zo afgemeten
in de vele tinten groen loopt te verdwalen.
Eetlust blijft er ver van. Nu handen wassen
denk je, maar het kleeft, het zeurt.

Hoe smaakt jou deze zin? Opengesneden huid
tongen de tegenvoeters zich een dieptepunt
van dierlijkheid en taalbegrip. Slurp je
de glottisslag het vruchtvlees uit en laat
het zoet logeren op je tongpapillen.

Hoe kijkt de klank je luchtpijp in?
Volgt zij je adem op het ritme van je
harteklop de aders door, of er een slagorde
je lichaam in marcheert. Geen spoor
van oorlog, loog de mondmachine.

Hoe steekt een punt? Tegen je huig.

Hester van Beers

Xiphisternum

Langs mijn vingers loopt de kleur
van je donkerrode lakschoentjes aarzelend
naar beneden.

Kogels vallen door mijn bloedbaan
op je naakte ribbenkast, wringen zich
door de openingen. Ik trek mijn ogen ervan af
als een vinger van een gloeiende plaat, je hals

is zoeter dan vanillesuiker. Onze natte haren
klitten samen tot iets dat schoon
en blond is, zoals alleen kinderen schoon
en blond zijn. Mijn borstbeen is een kraterlandschap

waar we blootsvoets overheen rennen tot het splitst
in dor en vruchtbaar land.   

We staan op de dijk met onze armen hoger
dan de zee en we noemen onszelf Abraham.
Ik ontwijk de rubberen moedervlekken
die we ooit op het fietspad spuugden,

het asfalt bloedt van kinderknieën
en ik heb nooit eerder een meisje gehad
maar dit is dus oud zijn: de Melkweg
leeg zien lopen langs de muren.

groter dan

vandaag ben ik groter dan de stapelhuizen.

ik knijp mijn ogen stijf dicht en kies
een knikker uit de glazen pot.

een groene werveling zit gevangen
in het glas, een klein heelal
tussen mijn duim en wijsvinger.

ik rol het heen en weer
en broed een wereld uit.

de slager stelt de grote vragen.
hij rolt een plakje worst, knipoogt

en ik sta op mijn tenen
met mijn vingers uitgestrekt.

het vlees voelt koud en zacht
als oma’s dode wangen. kauwend loop ik weg.    

de tegels omlijsten mijn stappen.
precies voor de stoeprand blijf ik staan.

ik laat de wereld vallen.
het glas klinkt
naar botsende planeten.

Chocoladesigaretten

Het leven is een boot en ik hang kotsend over de reling.

Mijn vingers blijven het litteken vinden
op mijn knie, van toen we naar de trein renden
en ik te graag naar huis wilde om niet uit te glijden.

In je schouders woont muziek. Mijn duimen zweven
over je sleutelbeenderen die ik graag claviculae noem
omdat dat zo’n mooi woord is en er misschien nog iets
van ons terechtkomt als we zo mooi mogelijk
proberen te praten.

Ik vertel over hoe ik vroeger met mijn zusje in bad paste
en hoe eenvoudig dat was. Dat ik de handdoek om mijn schouders
sloeg om het kinderlichaam te verstoppen
dat op de badrand op het warme water wachtte.
Over hoe we in kleermakerszit
onder het klimrek zaten, chocoladesigaretten
tussen onze tanden geklemd, en opschepten
over onze vaders die koning waren.

Je zegt dat ik nog altijd te klein ben
om warmte vast te houden,
dat mijn binnenkant te dicht onder de huid zit.
Ik zeg dat ik naar het licht groei
en alleen ‘s nachts mijn ogen open kan houden.