Recensie van niets = iets - Wouter Godijn

Kletsmajoor exerceert

Wouter Godijn
niets = iets
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025451967
€ 21,99
78 blz.

‘Vanaf het eerste gedicht  bevinden we ons in het instabiele universum van Wouter Godijn, waarin altijd wel iets aan de hand is, zelfs als dat niet zo is. […] En het ongemak wordt echt voelbaar in een reeks gedichten waarin een seriemoordenaar verslag doet van zijn executie. Zoiets hebben we nog nooit gelezen. En Wouter Godijn heeft het wéér voor elkaar.’

In hedendaagse poëzie spelen de muzikale eigenschappen van de taal niet bepaald een hoofdrol. Slechts zelden worden gedichten vervaardigd door middel van variatie in klank en ritme en zijn ze gegrond op een spel met betekenis. Veel vaker wordt de lezer ondergedompeld in een hitsige afwisseling van surrealistische beelden. Bladzijde na bladzijde gilt de aandachttrekkerij in je oren en priemt de opzichtigheid je ogen in. Wellicht is dit een bewijs voor de toenemende invloed van het podium, waar je de aandacht van een snel afgeleid publiek alleen kunt winnen en vasthouden met een snelle aaneenrijging van woorden-bling-bling en waar een zorgvuldig opgebouwd taalverhaal al snel leidt tot gegaap en verveeld gedraai.

Het valt een uitgever niet kwalijk te nemen dat hij de achterzijde van een nieuwe bundel gebruikt om de loftrompet te steken over de auteur die de bundel heeft vervaardigd. Vervolgens moet de lezer maar zien of de geschapen verwachtingen kunnen worden waargemaakt.
Dat valt niet mee. Zoals zoveel hedendaagse bundels is ook de bundel niets = iets van Wouter Godijn een aaneenrijging van kabbelend en babbelend parlando:

Een gedicht schrijven is niet moeilijk

je begint met: ik loop door de straat
dan iets over het weer
hoe heerlijk de zon schijnt
de kille blik waarmee de ramen op je neerkijken
de tapir die aan een tuinkabouter snuffelt
de vrouw die een jurk heeft gemaakt van een rood-wit geblokt tafelkleed
haar gelukkige lach, de kersenachtige kralen van haar ketting
inmiddels zijn er drie blonde wolkjes
verschenen in de blauwe lucht
waardoor je op zeven regels komt – als zeven brandende kaarsjes op een verjaardagstaart
je onderbreekt het schrijven om een plas te doen
je dochter roept je
je roept dat je moet dichten
en door de straat paradeert een emoe
die je zou kunnen schrappen: en door de straat paradeert een emoe
waardoor een geheimzinnige leegte oplaait
je bent nu op drie plaatsen
(het getal drie komt je op een verrukkelijke manier
vaag bekend voor als een verwijzing
die halverwege
plotseling oplost in niets – niets
mooier dan dat)
vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
op je bed, dichtregels schrijvend
in de straat, dicht bij de plek waar daarnet een emoe was
als je nu ook schrapt: vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
en: op je bed, dichtregels schrijvend
ben je alleen nog in de straat
de zon
blonde wolkjes
de blauwe, blauwe lucht

(p. 28)

Bovenstaand gedicht is helaas kenmerkend voor de bundel. Muzikaliteit ontbreekt geheel en pagina na pagina gaat het voort in gedachtenexercities die nergens noodzakelijk zijn: in plaats van de emoe had op die plek evengoed een hangbuikzwijn, een oeros of een giraffe kunnen figureren.
Uiteraard zou je kunnen aanvoeren dat het bovenstaand gedicht ironisch bedoeld is, als commentaar op de ‘hoge’ verwachtingen die ‘men’ van een gedicht heeft. Maar wat wordt hiermee op het spel gezet? Welke innerlijke noodzaak dwingt de auteur om deze poëzie te schrijven? Wie schrijft over wolkjes, een plas doen en het roepen van een dochter zit middenin wat Potgieter ooit smalend de ‘copieerlust des dagelijkschen levens’ noemde. Uiteraard kun je aanvoeren dat je de kunst op de hak neemt en tevens het op de hak nemen zelf nog een keer, maar na een of twee keer heeft de lezer dat wel gezien.
Een gedicht moet de lezer onraad laten ruiken, hem terug lokken naar de taal om de bron van de verdenking op het spoor te komen en bij herlezen nieuwe raadsels scheppen. Daarvoor is muzikale taal nodig, het verschuiven van de betekenis door klank en ritme, zodat er nooit staat wat er staat en niet staan zal wat er stond.
In eerdere besprekingen van Godijn’s poëzie wordt gesteld dat hij, door het laten zien van wat hij wegstreept, iets unieks doet. Ik vrees dat het niet meer dan een maniertje is: wie werkelijk wil laten zien wat er ooit geschreven stond en nu nog geschreven staat, toont de ware chaos van doorgestreepte, vervangen en alternatieve woorden en passages, zoals bijvoorbeeld te zien is wanneer je de historisch-kritische uitgave van het werk van Leopold bekijkt. Door hier en daar een doorhaling te plaatsen laat de auteur niet het werkelijke proces zien, maar koketteert hij slechts met het beeld van een dichter die voor de ogen van de lezer ‘durft’ te schrappen.
Op een aantal plaatsen heeft de auteur bovendien een aantal woorden in een brugklashandschrift onder de tekst gekalkt. Als dat de indruk van een spontane toevoeging moet wekken, werkt dat bij deze lezer in elk geval niet.

En dat is nog niet alles. Obligate beschrijvingen als ‘het trekkepopje kabinetsopperhoofdje’, ‘de zalm met zijn lachebekjeduretandenhekje’ en ‘de randdebiele ongeluk brenger met zijn hoogblondgemaakte namaakhaar’ (p. 43), we hebben het vaker gehoord en gelezen, we moeten er nog een keertje om glimlachen, maar als het geen beginnend studentencabaret is, dan heeft het in elk geval weinig te maken met poëzie.
Anders dan de uitgever ons wil doen geloven, is Godijn niet de taalgeneraal die met zijn woordenleger de Nederlandse poëzie onderwerpt, maar laat hij eerder de exercities van een kletsmajoor zien.

Wanneer we Godijn vergelijken met een niet willekeurige Groningse dichter, een die ook droomgedichten schreef, wordt al snel duidelijk dat het werk van Godijn bij dat van Hendrik de Vries bleek afsteekt. Een van de belangrijkste verschillen is dat De Vries de taal als zijn materiaal altijd hoogst serieus bleef nemen en zichzelf bijvoorbeeld strenge vormregels oplegde (onder meer dat geen regel mocht beginnen met de letter waarmee de voorgaande eindigde). Voor De Vries was het schrijven van een gedicht gelijk aan het stellen van een daad in de context van het leven en iedere klap moest dus raak zijn.
Godijn daarentegen mijmert maar wat:

Over de blauwe lucht

Kan de blauwe lucht wolken,
wolkenslierten,
wolkenflarden,
schapenwolkjes,
slaperige wolken,
wolkenkastelen,
wolkengebergten,
wolken die lijken op speelgoeddieren, wolken die lijken op tekenfilmfiguren,
wolken die –

Kan de blauwe lucht al die wolken onthouden?

Ze probeert het, uit alle macht,
heeft de indruk dat het lukt
ontwikkelt bombastische theorieën: pas via de omweg van de herinnering
kan iets echt bestaan
mijn herinnering vormt mijn karakter
ik ontwikkel me
tot een rijpere persoonlijkheid
ik begrijp nu pas
wat ik heb gezien
ik kom verder
steeds verder
ik leg een weg af

intussen verdwijnen er wolken
eerst twee onopvallende schapenwolkjes
dan opeens een torenhoog gevaarte
dan een heel landschap
dan ik ook de herinnering blauw –

weet nog dat het ooit anders was, niet meer hoe
vage silhouetten, een soort goudkleurige mist

dan zelfs dat niet meer

 (p. 74)

Lees nu eens het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff (Verzamelde gedichten, Bert Bakker, 1990, p. 156). En kom niet aan met het verweer dat Godijn daarop een ironisch commentaar zou leveren.

***
Wouter Godijn (1955) woont en werkt in Groningen. Hij schrijft romans, zijn Hoe ik een beroemde Nederlander werd haalde de shortlist van de AKO-literatuurprijs. Maar ook heeft hij zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste en bijzondere hedendaagse dichters. Zijn bundel Hoe H.H. de wereld redde werd bekroond met de Jan Campert-prijs.

Recensie van Nachtwaken - Theo Mestrum

Geen dichter zegt waar het op staat

Theo Mestrum
Nachtwaken
Uitgever: U2pi
2018
ISBN 9789087597399
€ 15,00
130 blz.

Theo Mestrum begon tijdens zijn studie (psychologie) met het schrijven van gedichten. ‘Dichters willen de tijd bevriezen. Ze dromen over klokken die zó langzaam tikken dat ze nooit stilvallen. Toch zou er geen regel meer op papier komen als de mens onsterfelijk was, want eeuwig leven is dodelijk voor de inspiratie.’ Van mooischrijverij, hoe virtuoos ook, moet Mestrum niets hebben. ‘Taal is een schromelijk overschat instrument. Literatuur is niets anders dan het slaken van gecultiveerde kreten, die hopelijk ook nog een boodschap overbrengen.’ NACHTWAKEN is voornamelijk in de kleine uurtjes ontstaan. Menig ochtendgloren was de afsluiting van een avondje inspiratie. Uiteraard is Mestrum, net als andere schrijvers, door zijn collega’s beïnvloed en daar schaamt hij zich niet voor. Sterker nog, hij ervaart dat vaak als weldadig. Toch heeft hij de meeste van zijn ingevingen gekregen tijdens het luisteren naar muziek. Beethoven, Schubert, Brahms, Bruckner, Satie en Glass, zonder hen zou deze bundel er niet zijn gekomen.

Wie zich een dergelijke tekst op de achterzijde van zijn bundel laat welgevallen, wekt de indruk vooral zichzelf niet al te serieus te willen nemen en zijn werk nog minder. Een dichter die taal een schromelijk overschat instrument noemt, is als een dirigent die zich toelegt op het neuspeuteren, maar zich intussen ergert aan de kakofonie die door zijn orkest wordt voortgebracht. Wie vervolgens in dezelfde adem pretendeert dat zijn teksten hem zijn ingegeven door een keur van klassieke composities tijdens een reeks van nachtelijk doorhalen, portretteert zichzelf daarmee voor alles als gemakzuchtig.

Met de 130 pagina’s dikke bundel Nachtwaken geeft de dichter zijn visitekaartje af en toont een staalkaart van zijn kunnen, waarvan met name beginnende dichters het een en ander kunnen opsteken: banaliteiten (“Jij wil naar de duinen en ik wil / alleen maar op jouw duinen” (p. 12)), rijmdwang (“Hij glimlacht, want haar inzicht heeft hem nooit bedrogen. / Ze streelt hem en ze kijkt hem aan vol mededogen” (p. 21)), bombast (“Op het stalen geraamte van mijn herinnering, / dat haar verzengende oerkracht overleefde, / steunt mijn inspiratie en blijf ik overeind.” (p. 23)), jalousie de métier (“Tachtigers / Het was een generatie / van jonge dichters / die met hun hulpeloze lyriek / schreven als ouwe lullen.” (p. 41)), onbedoelde humor (“dat ieder woord een synoniem is / voor ‘hulpelozer, steeds hulpelozer’.” (p. 43)), mislukte evergreen (“Amsterdam, mijn schat van een stad. / Ik mijmer in je regen, / droom langs je straten, / sta stil op je bruggen / en vrij met je grachten. / Amsterdam, ik word je nooit zat.” (p. 81)), pathos (“met haar lichaam van kristal / op blote voeten schaatsen over de regenboog” (p. 109)) en geborneerde onheilsprofetie (“En als de bom dan valt, staan wij vol ongeloof / te staren naar de resten van de hemelpoort.” (p. 121).

Mijn grootste bezwaar tegen deze teksten, los van de ambachtelijke zwakheden en de overvloedige pathetische romantiek, is dat de dichter vooral wil beschrijven hoe het zit. Een dichter is geen aforist en als hij dat wel probeert te zijn, is hij simpelweg te lang van stof.

Tegelijkertijd toont zich daarin de tragiek van iemand die vooral de ontoereikendheid van zijn taal keer op keer lijkt te ervaren en daarvan niet zijn eigen kunnen, maar de taal als schuldige wil aanwijzen. In poëzie gaat het niet om waar of onwaar of om zeggen waar het op staat. Alleen een gedicht dat voldoende suggestief is, maar nergens specifiek, houdt de aandacht van de lezer vast en doet hem terugkeren, vastbesloten om het raadsel op te lossen maar tegelijkertijd in de prettige zekerheid dat de code zich niet laat kraken.

Ik laat de laatste woorden aan de dichter en de lezer. Oordeelt u vooral zelf.

Nooit meer zingen

De langgevreesde dag is eindelijk gekomen.
Haar kist glijdt langzaam aan de rouwenden voorbij.
De Aarde wacht reeds met een bedje in de klei.
Het is veel erger dan in al die kwade dromen.

Men huilt. Maar voor de tranen droog zijn, breekt de stoet.
Hoe wreed herneemt de alledaagsheid weer haar loop.
Herinneringen staan al in de uitverkoop,
maar niemand weet precies waar hij ze zetten moet.

Van vroeger wordt alleen ellende teruggegeven.
En wat men mist, dat zijn vooral de mooie dingen
die nooit gebeurd zijn en toch eeuwig blijven leven.

Al kan de fantasie het afscheid niet bedwingen,
wanneer op tijd de zon gaat schijnen, daagt het even:
de vogels fluiten wel, maar zullen nooit meer zingen.

(p. 119)

Hoe

Hoe ze vanuit de zee het strand opliep.
Hoe ze op het strand naar een bal liep.
Hoe ze de bal oppakte.
Hoe ze met de bal naar de duinen liep.
Hoe ze in de duinen naar mij liep.
Hoe ze mij oppakte.
Hoe ze met mij naar het strand liep.
Hoe ze van het strand de zee inliep.

(p. 61)

Weduwnaar

Ik zal geen tijd hebben
haar leven te overdenken.
Ik zal geen ruimte vinden
voor de leegte die zij achterlaat.
Ik zal geen gezelschap krijgen
om haar herinnering mee te delen.
Ik zal te weinig vrees hebben
voor de angst haar te missen.
Ik zal genoeg dood bezitten
om er zonder haar niet meer te zijn.

(p. 29)

***
Theo Mestrum (1956) groeide op in Amstelveen. Hij schrijft aforismen (Kleren voor de keizer (1997) en Alleen maar kijken (2017)) en gedichten.

Recensie van De schoonspringer - Jos van Daanen

Sprong in het diepe

Jos van Daanen
De schoonspringer
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659869
€ 17,50
72 blz.

Het getuigt van enige durf om te willen debuteren met één lang gedicht. Het schrijven van zeer lange gedichten is sowieso een geheel andere tak van sport dan het maken van kortere verzen. Veel meer dan bij de korte baan komt het aan op uithoudingsvermogen en – vooral – op dosering. Teveel geconcentreerde taal en de lezer leest zich vast, te weinig en je verliest de lezer boven de oppervlakte.

Het gedicht De schoonspringer van Jos van Daanen beschrijft de val, nee de sprong, van de hoofdpersoon, de schoonspringer, van een flatgebouw van 23 verdiepingen, waarbij ‘de film van zijn leven’ aan hemzelf, maar ook aan het hooggeëerd publiek, de jury, de lezers, wordt getoond.
Op iedere verdieping van het gebouw huist een wezen of een groep mensen, van waaruit gereflecteerd wordt op de springer en vice versa. Tussendoor klinkt commentaar van de coach.
Waarom 23 verdiepingen? Of, wanneer je het dak mag meetellen, 24? Ik weet het niet. Hoewel ik, gezien het gegeven, al vrij snel aan Dante’s Divina commedia moest denken, vind ik diens getallensymboliek (3x(3×3)) hier niet terug. Hier is ook geen dichter aan het woord die uitzicht heeft op de hoogste hemelen, maar eerder een mens die door zijn taal heen naar de verdommenis valt. Op een bepaald punt heeft de reeks nog het meest weg van een top-23 in de hit parade of self interest (uit: ‘Twelfth Night’ van The Collector).
Een tweede dwarsverband leidt naar The lamb lies down on Broadway van de symfonische rockgroep Genesis, waarin de protagonist na een tocht door boven-, tussen- en onderwereld uiteindelijk zichzelf in het gezicht kijkt.
Ook The Wall van Pink Floyd komen we nog tegen (op p. 33). Uiteraard loopt het allemaal slecht af:
Hij heeft geen woorden meer voor het bestaan en de woorden die hij had, hebben hem gewetenloos bedrogen.’ (p. 34)

Aangezien het citeren van enkele fragmenten naar mijn mening onrecht zou doen aan het hele werk, heb ik gekozen voor een groot citaat van een gehele pagina (inclusief de bijbehorende verwijzingen):

De doorgronder van natuurlijke principes

Hier heerst de stinkende bek van de wolf
die kevlar draagt onder zijn pels, zijn macht
zit niet in zijn tanden, maar in zijn vermogen
geruisloos te zijn en van lange adem

hij zet zijn poten behoedzaam in elke ondergrond die de sporen van zijn prooi
bevat, het veld vol paardenbloemen, de bosgrond, het mos, het gemeenteplantsoen,
de goot en het beton dat mensen in hokjes gevangen houdt.
De wolf maakt geen fouten, hij bespiedt je vanuit het bos, schept voorwaarden totdat
zijn prooi zichzelf heeft uitgeput, niet wetend dat de wolf hem op de hielen zat.
De wolf zit niet op elf, daar slaat hij de kadavers op die hij op twaalf al heeft
buitgemaakt en verorberd. Op elf wonen de gieren en de hyena’s, de vliegen en maden
die het smerige werkje afmaken. Het is legaal en valt binnen de mazen van elke
natuurwet.

Babadibap
I wandered lonely as a cloud
‘till I came upon this dirty street
I’ve never seen a stranger crowd
Slubberdegullions on squeaky feet…

Zo klinkt hij ongeveer
als hij langs de tiende vliegt
eenzaam dwalend als een wolkje
witte stof die voor het semipermeabele venster hangt
geblindeerd met toga’s en beffen.

Hij snuift diep, voelt licht in zijn hoofd
lijkt even in paniek te raken
herpakt zich om door de blindering
een blik te werpen in de woning
waar recht gesproken wordt
wat krom geworden was.

p.26

De onderstreepte woorden in bovenstaande passage werken als een soort hyperlink op papier, en verwijzen naar teksten die verderop in de bundel zijn opgenomen:

(1) bij ‘twaalf’:

Herinnering aan een verloren bos

Ik mis de lach van de katanflaat
het gepiep van de grop en het
minutenlange kloppen van de
roodgestreepte vromerwiep

vroeger was het grandulomeer
nog zuiver en vrij van spet, of
molodontale algenmestborij
onder het marmeren oppervlak

hard zijn nu de stenen die ik uit
en de woorden die ik pleng bij
de blik op de afgegraven grond
die boven blauwe luchten hangt

wat is verloren, komt niet in tweevoud
weer, noch in vreugde of geluk over
wat verworven is in wanhoop, en
dromen van chaos in de ochtend.

p.55

(2) bij ‘elf’:

Aan de straat staan de brokken van een muur met tatoeages
die twee buren van elkaar gescheiden hielden
vanwege een verhuizing klaar om als vuil te worden afgevoerd.
Passanten van heinde en ver kijken toe of het waar is
of de barrière werkelijk geslecht is, of er vrede heerst
harmonie, stilte en rust, dringen van een kant het beeld in
om na korte tijd weer om te draaien, hoofd tussen de schouders
staart tussen de benen. In de verte, in de bocht
waar de stoepen wegkijken, zien zij de gevels
bijeen kruipen, hechten tot iets wat doodloopt als een muur.

p.56

(3) bij ‘waar recht gesproken wordt / wat krom geworden was’:

Voorbij
de overvloed

Uit de laatste peilingen is gebleken
dat taal een schaars goed geworden is;
woorden zijn sterk in prijs gestegen
en boze tongen beweren dat gebruikers
aan het hamsteren zullen slaan.

De overheid denkt aan maatregelen
maar kan zonder tekst
geen rapport uitbrengen.

Men zoekt nu een oplossing
in het slopen en hergebruiken
van verouderde wetten.

p.57

In een interview uit 2013 (met Antoinette Sisto in Meander) zei Van Daanen: ‘Poëzie moet voelen als liggend op de wind luisteren naar de woorden die je aan je eigen ademhaling kunt onttrekken.’ Dat veronderstelt een meer lyrische toets dan in De schoonspringer veelal wordt gevonden. Steeds worden tekstgedeelten met afbrekingen en witregels na verloop van tijd afgewisseld met lange doorlopende regels in de proza-doctrine, waarin de beschouwende toon de overhand heeft.

De schoonspringer is minder een compositie dan een improvisatie en dat is tegelijkertijd zijn zwakte en zijn kracht. Ieder kunstwerk is immers een mislukte poging tot het volmaakte, dat bovendien bij publicatie door zijn maker is verlaten. In de taal tussen afsprong van de 23e en doodklap op de begane grond schieten de woorden als vangarmen de werkelijkheid van heden en verleden in, waarbij de gelegde verbanden even als bliksemstralen aan de hemel oplichten, maar kort daarna weer door andere vormen worden vervangen. Het gedicht als eenmalige mindmap van associaties is een keuze, een gevolg van de kijk van de dichter op de wereld om hem heen. Tegelijkertijd toont deze keuze ook de onmacht (of onwil) aan om deze vormen en structuren te tonen in een groter verband, een wereldkaart of desnoods een doolhof met lachspiegels.
Op veel plaatsen haakt de taal van hij de dichter niet voldoende krachtig en overtuigend in die van mij de lezer om de opgetrokken bouwwerken langer te laten beklijven dan een tijdelijke nederzetting. Uiteraard is het niet nodig om een 21e-eeuwse evenknie te geven van Dante’s who’s who van de 13e eeuw, maar bijvoorbeeld van het optreden van de politiek, de banken en de grootbedrijven (p. 33) zou meer gemaakt kunnen, ja moeten worden dan een min of meer verplicht nummer in de aftelsom van de aversies.

De vorm van het gedicht past eigenlijk niet in een papieren bundel. De grondvorm is een tekst met hyperlinks, waarmee tijdens het lezen van het grotere geheel de dichter via een terzijde de lezer in het oor fluistert. Het via een indexering bij wijze van voetnoot verwijzen naar deze flankerende gedichten is een kunstgreep, die niet zonder verlies van de extra dimensie gerealiseerd kon worden. Het was eenvoudig geweest om een hypertext-variant op een kleine platte USB mee te leveren.

***
Jos van Daanen (Kerkrade, 1959) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap. In 1988 debuteerde hij als dichter in Maatstaf en er volgden tot 1992 meer publicaties in De Tweede Ronde, Preludium en Letterlik. Vanaf 2011 publiceerde hij vele gedichten in tijdschriften zoals Op Ruwe Planken, Gierik/NVT, Meandermagazine, Deus ex Machina, Krakatau. Een deel van die gedichten werd in 2016 door uitgeverij Kleinood & Grootzeer gebundeld in de bibliofiele uitgave Tot er woorden waren, waren we nietsDe Schoonspringer beschouwt hij als zijn officiële debuut.

Recensie van Vanavond nasi - Hans Rothuizen

Een dans van klank en tijd

Hans Rothuizen
Vanavond nasi
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411266
€ 15
75 blz.

Wie de tweede bundel van Hans Rothuizen leest zonder eerst op de achterzijde te spieken, zal niet snel de indruk krijgen poëzie van een bijna-zeventiger te lezen. Op een enkele plaats zou het taalgebruik een wat langer verblijf in deze wereld kunnen verraden, maar daarbij blijft het.

Rothuizen begon zijn dichterschap met het schrijven van sonnetten, waarvan er ook in deze tweede bundel een aantal te vinden is. Bleek de dichter in zijn eerste bundel in deze vorm meer een denker dan een zanger, hier gaan lyriek en beschouwing in klank en ritme hand in hand, als in een voorzichtige dans:

EMILY STOOKT EEN VUUR

Bij zwart ziet ze het scherpst. Gedachten
mengen zich tot pijn en onvoorzien
geluk: een pen bij lamp en tafel dient
de nacht en de nog blanke uren. Wachten

wordt vertrouwen, luisteren bevriend
vuur. Ze wikt de woorden: fluweelzacht –
hard als diamant – kreunen – glimlachen.
Ze wil de lichte gloed van zwaarte zien.

Emily priemt in haar verstopte leven
twee lichtstralen naar de binnenkant.
Het vonkt als het wordt opgeschreven.

Haar ademtocht is op papier geland,
met felle steken door het wit geweven.
Ze overziet de stilte. Hoe het brandt.

[p. 20]

De bundel is opgebouwd uit vijf afdelingen van verschillende omvang, waarin zowel vormvaste als vrije verzen voorkomen. Ook de onderwerpen zijn divers: voetbal, muziek, andere landen, maar ook familie in voorgeslacht en nageslacht. Er is alledaagsheid en mythologie, liefde en overspel, er zijn vindplaatsen en er is angst om te verliezen.
Bij herlezing duiken in de thematiek vervolgens meerdere sporen op van iemand die niet alleen rondkijkt, maar ook bij tijd en wijle als dichter beschouwend achteromziet:

CHEETA

De jonge cheeta kan niet meer dan dertig meter
op topsnelheid. Te weinig om het prachtige hert
te grijpen dat hem als water uit de klauwen glijdt.

Veel later, als hij leert geduldig te spieden en
zorgvuldig om te springen met zijn krachten
heeft hij een kans. Om op het juiste moment

met de juiste sprong in het juiste perspectief
gericht bijtend en houwend rechtop en
scherp overlevend in de blinkende zon

een hevig tegenspartelend gedicht
uit de lucht op de grond te nagelen.

[p. 63]

Al bij een tweede lezing geeft dit gedicht zijn poëticale onderlaag prijs en bij een derde of vierde keer wordt dit poëticale verband breder getrokken naar de beeldende kunst: ‘gericht bijtend en houwend’ kan heel goed gelezen worden als ‘beitelend en houwend’ door een beeldhouwer, waarmee in de diepere onderlaag een dichter wordt getoond als hakkend en schurend in taal. Daarnaast kan ‘rechtop en scherp’, gecombineerd met ‘perspectief’ in verband worden gebracht met een foto, waarmee een tweede betekenis van ‘beeld’ in de beeldende kunst wordt neergezet.
Voor een poëtisch geschoolde lezer zijn dit aspecten waardoor je een bundel vaker ter hand neemt, omdat je weet dat je er iedere keer weer andere van dit soort aspecten zult aantreffen. Dit maakt Hans Rothuizen niet uitsluitend maar zeker ‘onder meer’ een dichter voor dichters.

De meest persoonlijke en meest indrukwekkende afdeling van de bundel is de vierde, ‘ALS’ genoemd naar de ziekte die de broer van de dichter uiteindelijk fataal zal worden. Deze serie van vijf gedichten, waarbij ieder volgend gedicht korter is dan het voorgaande, toont niet alleen in taal, maar ook in vorm het krimpend perspectief dat aan de orde is. Hoewel ik de reeks onrecht doe door hem niet integraal over te nemen, volsta ik hier met een aantal passages die een even krachtig bewijs zijn van wat taal vermag als van het talent en het ambacht van de dichter:

je wilt als requiem nog langer mee
op het toneel, al is het zonder stem.

[ALS (1), p. 53]

[…] Als eerste
bij de kaken van de draak.

[ALS (2), p. 54]

Hoe lang duurt leven nog
als alle akkoorden uit je vingers
zijn gegleden en ontbindende
voorwaarden hun vuile werk doen.

[ALS (3), p. 55)


Hij bidt boven een veld
van kleine heerlijkheden.
Duiken kan niet meer.
[ALS (4), p. 56]

Daar lig je – uit de tijd geworpen.
[…]
bezonken en verlicht
te baden in het niet.
[ALS (5), p. 57]

In de bundel kijkt de dichter in zijn taal om zich heen, zowel dichtbij als verder terug of vooruit. Ieder gedicht vormt een reeks van passen in een dans van klank en tijd, waarbij de lezer niet alleen de ogen van de dichter volgt, maar wat hij ziet ook kan meespreken met zijn mond. Dichterbij een lezer kan een dichter niet komen. En omgekeerd.

***
Hans Rothuizen (1948) studeerde Engels en Nieuwgrieks. Hij debuteerde als dichter op 50-jarige leeftijd. Aanvankelijk schreef hij uitsluitend sonnetten, later steeds meer vrije verzen. Hij publiceerde gedichten in diverse literaire tijdschriften. Zijn gedicht De pont bij Middelaar won de Poëzieprijs Plasmolen 2013. Eerder verscheen bij uitgeverij Kontrast zijn bundel Ongeprijsde uren.

Recensie van Het zingen van de wereld - Marc Tritsmans

De weerklank van de lege wereld

Marc Tritsmans
Het zingen van de wereld
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822937
€ 19,99
62 blz.

Het gebeurt zelden dat een dichter er blijk van geeft de geologische processen niet alleen te begrijpen, maar ook in zijn taal te verstaan. Daarbij blijf ik verre van de geologische realiteit, op basis waarvan we moeten aannemen in een interglaciaal te leven, waarbij zowel klimaatschommelingen naar boven als beneden een voorspelbaar feit zijn. Veel meer dan de gemiddelde mens, ja vermoedelijk meer dan welke andere kunstenaar dan ook, spreekt de dichter vanuit en binnen zijn ik, waarmee meestal ook zijn positie ten opzichte van de taal geijkt is. Waar een dichter als Martinus Nijhoff ernaar streefde om door middel van het persoonlijke te raken aan het algemeen-menselijke en daarmee aan het alom verstaanbare, lijken veel van de hedendaagse dichters in surrealisme over zichzelf heen te willen buitelen om maar als ‘eigen’ herkenbaar te zijn.

Marc Tritsmans weet waaruit zijn taal gehouwen of naar boven gepompt is en hij schaamt zich daar niet voor. Evenals in voorgaande bundels sorteert, stapelt en bouwt hij zijn gedichten met woorden die de weerklank zijn van zijn natuurlijke omgeving: sterren, steen en groene begroeiing. Maar daarbij blijft het niet. In zijn taal ondergaat hij de natuurlijke processen, hij ondervindt ze aan den lijve en getuigt van die sensaties in zijn poëzie.

AARDE

dat ze van ons houdt is onwaarschijnlijk
dat ze ons wil houden lijdt geen twijfel
zo stevig trekt ze ons tegen zich aan
dat gewrichten almaar harder gaan kraken

en wij blijven wel koppig ontkennen
dat ze met ons kan doen wat ze maar wil
trachten vaak aan haar greep te ontsnappen
maar langer dan een dag laat ze ons niet los

op knieën dwingt ze ons ten slotte allemaal
doet ons huilend bekennen dat wij haar aanbidden
en als niemand het ziet willen we niets liever

dan haar vruchtbare koelte strelen, opsnuiven
de oeroude geur, koesteren de lome zwaarte
die ons draagt en ons uiteindelijk zal verpletteren

[p.10]

In dit gedicht is overigens meer aan de hand dan het ervaren van de zwaartekracht, zoals die inwerkt op een mensenlichaam: niet alleen de voeten worden naar het aardoppervlak getrokken, van teen tot kruin trekt de aarde ons lichaam naar maximale vlakte, zodat we op tijd van duur instorten als een oude toren. Tegelijkertijd plaatst hij zichzelf en zijn lezers in de oeroude omarming van man en vrouw, de liefdesrelatie die hunkert naar samengaan, maar daarvan ook de zwaarte ondervindt. De aarde als moedergodin wordt hier in het klankpalet van de taal vermengd met de mannin, die, evenals de Adam, uit adama, stof, aardgruis, is ontstaan en niet anders kan dan terugkeren naar haar en zijn oorsprong.

Het gaat te ver om de taal van Tritsmans ‘alledaags’ te noemen, hoewel hij vrijwel steeds gebruik maakt van woorden die iedere lezer zonder schroom voor onbekendheid met de betekenis ervan in de mond kan nemen. Wanneer je zijn gedichten uitspreekt, ervaar je dat zij, meer dan in eerste instantie bij lezing lijkt, gebouwd zijn op, wellicht zelfs gehuisvest zijn in de klank van de gekozen woorden. Door zijn persoonlijke keuze te maken uit woorden die zo algemeen van gebruik zijn dat enige specifieke betekenis het ervaren van hun klank niet in de weg staat, bereikt de dichter langs natuurlijke weg het vlies in de ziel van de lezer, dat deze woorden weerklinken laat.
Tegelijkertijd lijkt hieruit ook de tragiek voort te komen, die in veel van de gedichten in deze bundel aanwezig is. Het deelhebben aan het eeuwigdurende, het alomtegenwoordige van de natuurlijke werkelijkheid is altijd tijdelijk, de ervaring van het rustige samengaan wordt meteen voelbaar bedreigd door de dreigende zekerheid van het moeten loslaten.

DIT ZACHTE

ook zonder dat we het beseffen hunkeren wij
voortdurend naar dit vanzelfsprekende zachte
dat het gewicht dat wij torsen, ons logge lichaam

blijft verwelkomen en onze stappen dempt
niets meer dan blote huid van aarde is dit
door zon, regen en wind geduldig verkruimelde

waarop het gras, het mos, alle planten en bomen
waarop dieren met eerbied hun poten laten neerkomen
laat ons dus beducht zijn voor het ogenblik waarop we

niet langer huid tegen haar huid elkaar mogen bevoelen
en beluisteren: hoe verloren onze gedachten en wij
voor altijd losgeraakt van de grond en alle werkelijkheid

[p. 19]

Uiteindelijk krijgt vooral dit besef het laatste woord in de bundel. Het ‘zingen van de wereld’ hoort bij de wereld zelf, of er nu luisteraars zijn of niet. In het laatste gedicht van de afdeling ‘Nagalm’ stelt Tritsmans zich als mens en als dichter bloot aan de – in al haar eenvoud pijnlijke – vaststelling dat de werkelijkheid in haar aard een werkelijkheid van leegte is, met vormen zonder beschouwer, met klanken zonder luisteraar, met substantie zonder voeling die dat alles betekenis geeft. Zo wordt de mens het eenzaamste wezen op aarde, doordat hij aan zichzelf moet toegeven dat hij, de naamgever en omvormer van alles, juist hij de enige is die er in wezen niet bij hoort. Dat zonder hem de werkelijkheid zichzelf wordt en blijft en overgaat tot de orde van de dag.

FOTO VAN BERGLANDSCHAP

niets levends in dit beeld te bekennen
enkel vierduizenders bewaken de wereld
en tijd schiet plotseling alle kanten uit

terwijl mijn vader nog naast me staat
al is hij jaren dood, steekt Hannibal
met zijn olifanten de bergkam over

stoten sabeltandtijgers en holenberen
aan de rand van de gletsjer hun adem
nog vol vertrouwen de lucht in

en nu we er zelf nog op staan kijken
zijn al onze gelukkige uren en dagen
op deze plek alweer uitgewist en zien we

hoe het hier ooit was en zal zijn: alles
in volmaakte onverschilligheid leeggeschraapt
niets levends in dit beeld te bekennen

[p. 54]

***
Marc Tritsmans (1959) studeerde tandheelkunde en is werkzaam als milieu- en duurzaamheidsambtenaar in Borsbeek. Hij woont in Boechout en gaf een aantal jaren poëzielessen aan de Antwerpse Schrijversacademie. Tritsmans debuteerde in 1992 als dichter met de bundel De wetten van de zwaartekracht. In Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21 ste eeuw in 2000 en enige gedichten (2004) is hij vertegenwoordigd met zeven gedichten. Hij won in 2011 de Herman de Coninckprijs voor Studie van de schaduw en tevens de publieksprijs voor het beste gedicht met ‘Uitgesproken’.