Poëzie Kort 2016 / 11

 

Maarten Embrechts, Vel

Door Lennert Ras

Maarten Embrechts (1946) debuteerde in 2014 met Dagen van koffie en van brood. Hij publiceerde vanaf 2008 gedichten. Eerst in Meander, maar ook in De Brakke hond, Het liegend Konijn, Dighter en de Contrabas. Vel is een bescheiden bundel met niet te veel tekst en leest als een trein. Er wordt vaak over goede gedichten gezegd, dat er sprake moet zijn van een geheim. En Maarten Embrechts heeft zeker geheimen. Er schemert pijn door de bundel vanwege een problematische vaderverhouding.
Een vader met wie toch ook verbondenheid is. Misschien een incestverleden. De eerste afdeling van de bundel, waarin de vader een rol speelt, heet niet voor niets ‘Oorlog’. Alles speelt zich achter gesloten gordijnen af. Voor de buitenwereld zijn we netjes. ‘Hier vloekt / men niet ‘t Is in ‘t geniep dat ze hun darmen / luchten en dan nog even pulken aan hun mik.’ (p.9). De stank van achterkamertjes .. . Toch moest ik om deze regels wel even grinniken. Het is niet alleen maar zwaarte in deze bundel.
Na ‘Oorlog’ volgt de afdeling ‘Aaien’ , maar je vraagt je af of het wel bij aaien blijft. Dan volgt namelijk de afdeling ‘Schietgeweren’. Het inleidende gedicht hierbij van Jos Daelman, uit A Poets Grave (een titel die naadloos aansluit bij de bundel van Embrechts) revereert aan de speer van Achilles, die meisje was tussen de meisjes. Het personage in de bundel heeft het er ook over dat hij soms man, soms vrouw speelt (p.25) met alweer die seksuele connotatie. Zowel de speer als de schietgeweren doen hieraan denken. ‘De mensen houden niet van ons.’ (p.25). De regel staat opzettelijk apart.
Na de schietgeweren, ‘Pissen tegen weer en wind’. Het lijkt grappig bedoeld, licht, maar is dat wel zo? ‘Schrijven gaat over lijken’ (p. 33). Vel eindigt met het ‘Tekort van de letter’. ‘We mogen niet meer krassen in ons eigen vel’ (p.45). Vel is slechts het vel. Woorden schieten te kort om de ervaring te openbaren. Embrechts beklemt, zet aan het denken en laat ons achter met een gevoel dat we te kort schieten. Een zeer consistente bundel.

***
Maarten Embrechts (2016). Vel. Uitgeverij C. de Vries – Brouwers, 48 blz. € 14,90

 

Jos Versteegen, Woon ik hier

Door Eric van Loo

In Woon ik hier portretteert Jos Versteegen een aantal bewoners van het tegenover hem gelegen verzorgingshuis. Als dichter van dienst voor het project Eenzame Uitvaart betrad hij het verzorgingshuis om een gedicht voor de overleden mevrouw De W. te schrijven, een bewoonster zonder naaste familie:

EEN ZWIJGEN

Er waren anderen, veel anderen, mevrouw,
die net als u op laatste kamers woonden.
Een gang vol woorden, en ze gingen in en uit.
Dit was uw kamer. Zicht op het park.

In plastic tassen bewaarde u muziek,
daar was een groot, welluidend zwijgen
over de liefde en het leven.

U koesterde, mevrouw, u die geen moeder was,
foto’s van kinderen, twee kinderen, spoorloos,
die uit een krant of tijdschrift tot u zwegen.

En in uw stoel, mevrouw, daar zaten beertjes,
en u zei welterusten, ‘s avonds laat,
in uw kamer aan het stille park,
in uw groot, welluidend zwijgen.

Hierna kreeg Versteegen het idee om met meer bewoners te gaan praten, om hun levensverhalen aan te horen nu ze deze nog konden delen, om deze misschien als inspiratie voor gedichten te gebruiken. Twee jaar en vele ontroerende gesprekken later resulteerde dat in Woon ik hier.
Evenals in het hier weergegeven gedicht spreekt de dichter de ouderen meestal met ‘u’ aan. Hoewel dat in de omgang een logische keuze is, schept het in de gedichten ook afstand. Ik voel me als lezer buitengesloten, buiten het gesprek dat de dichter met de ouderen heeft. Meer nog dan wanneer de derde persoon enkelvoud gebruikt zou zijn: ‘Zij die geen moeder was koesterde / foto’s van kinderen (…)’. Met deze formulering heb ik meer het gevoel samen met de dichter door het raam te kijken.
Van de vorm moet deze poëzie het niet hebben. De meeste gedichten lezen als versjes, vaak met een dreinerige viervoetige jambe. ‘Nu zit u met die voet, gebroken, / u moet straks naar het ziekenhuis, / vanavond gaat u verder in / uw leesboek, Hoeve in de storm.’ De keuze van het woord ‘leesboek’ verraadt dat de dichter het ritme bewust na heeft gestreefd. Des te merkwaardiger is de opening van dit gedicht: ‘Uw beertjes kijken, dag en nacht, / uw bambihertjes ook, glanzend / op uw buffet, met grote ogen, / en uw zigeunerjongen huilt.’ Regel twee valt volledig uit het metrum, zonder dat dit als antiritmie functioneel is.
Het gedicht ‘Tobelo’ heeft geen last van deze vormdwang. Het is een aardig verhaaltje, daar niet van. Maar het zou beter geweest zijn om het als prozagedicht af te drukken, een vorm die sinds een jaar of tien in zwang is. Niet te veel pretenties, gewoon pas een nieuwe regel beginnen als de oude vol is.
Het hierboven aangehaalde gedicht ‘Uw zigeunerjongen huilt’ legt ook wat de inhoud betreft een vinger op de zere plaats. De gedichten lijken soms zelf een ‘Zigeunerjongen met traan’. Respectvol opgeschreven, maar vaak ook sentimentele anekdotes. Indringende verhalen, dat zeker. Over hoe de oorlog voor veel van de bewoners nog springlevend is. Over hun jeugdherinneringen, die juist nu ze oud zijn boven komen drijven. En over de eenzaamheid. Het is goed, dat de dichter bij zijn overburen op bezoek is geweest. Of dit ook goede poëzie heeft opgeleverd is de vraag.

***
Jos Versteegen (2016). Woon ik hier. Nieuw Amsterdam, 64 blz. € 19,99

 

Geert Buelens (red.), Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of the Somme

Door Hans Puper

Plots hel het werd is een boek over de receptie en invloed van de Engelse propagandafilm The battle of the Somme uit 1916, die internationaal een schokgolf veroorzaakte: het aantal slachtoffers kwam aan het eind van de slag boven het miljoen. Het medium stond nog in de kinderschoenen; films als deze waren volstrekt nieuw. De bezoekers kregen de oorlog te zien zoals hij echt was en daarin bleef weinig heel van de mythe van koene, vaderlandslievende strijders die onvervaard optrokken tegen de vijand. Ze zagen beelden van het leven in modderige loopgraven, kraters vol water, gewonden, doden, onafzienbare rijen soldaten op weg naar het front, die soms vrolijk naar de camera zwaaiden en in wie
Engelse bioscoopbezoekers soms een gesneuvelde zoon, echtgenoot of vader herkenden.
Een van die bezoekers was Jac. van Looy, voormalig Tachtiger en schilder. Dat is bijzonder, want een voornaam man als hij trof je in bioscopen weinig aan: film werd door cultuurdragers – met uitzondering van een enkeling als Van Ostaijen – nog beschouwd als een ordinair medium. Van Looy doet verslag in zijn lange gedicht ‘Het verhaal van den provinciaal’, waarin hij over zijn ontzetting geen twijfel laat bestaan. In een kort radio-interview van Frits Spits met Geert Buelens, de redacteur en inleider van dit boek, zijn fragmenten van ‘Het verhaal’ te beluisteren.
Het boek bestaat naast Buelens’ inleiding uit vier artikelen en een DVD met interviews, fragmenten uit de film en een voorlezing van Van Looys gedicht. Interessant is het artikel ‘Ik kan niet alles ordelijk vertellen’ van Fabian Stolk, waarin hij onder andere ingaat op de negentiende-eeuwse literaire conventie van de manuscriptfictie, die Van Looy lijkt te ironiseren. De manuscriptfictie, in mijn woorden weergegeven: de schrijver of dichter doet het voorkomen of zijn werk een bewerking is van een (bijvoorbeeld) nog onbekend, vaak middeleeuws manuscript dat hij in handen heeft gekregen. Aanvankelijk werd dat geloofd, maar naarmate zo’n waarheidssuggestie vaker voorkwam, werd die terecht opgevat als fictie. Multatuli ironiseerde dat procédé: hij claimt dat het manuscript in de Max Havelaar, het ‘pak van Sjaalman’, wel degelijk waarheid bevat. De lezer moest aan het slot met een schok tot de ontdekking komen dat het boek geen exotische roman is, maar een aanklacht tegen de uitbuiting van Javanen. Stolk laat zien dat Van Looy vele jaren later iets dergelijks lijkt te doen: het gedicht zou een onderdeel van een nalatenschap zijn. Het besef van de lezer dat het hier niet om fictie, maar om de keiharde werkelijkheid gaat, geeft het gedicht een extra lading.
In het artikel ‘Het hoe en het wat. Jac. van Looy en andere Tachtigers in de Groote Oorlog’ onderzoeken Tessa Lobbes en Laurens Ham het engagement van Tachtigers ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Het is natuurlijk niet vreemd dat de opvattingen van de in hun begintijd onmaatschappelijke estheten dertig jaar nadien niet meer hetzelfde waren – rond 1890 stelden Gorter en Van Eeden hun kunst al in dienst van respectievelijk het socialisme en spiritueel ingegeven maatschappijhervormingen – maar desalniettemin is het boeiend te lezen over hun publieke optreden en publicaties (of de afwezigheid daarvan) in de Eerste Wereldoorlog.
De titels van de andere twee artikelen spreken voor zich: ‘De dood op het doek. The battle of the Somme als mediagebeurtenis in Nederland’ en “Want de Oosterling is voor niets zoo toegankelijk als voor het levende beeld op het projectie-doek’. The battle of the Somme in Nederlands-Indië.’ Ze zijn van respectievelijk Klaas de Zwaan en Natalia Stachura.

***
Geert Buelens (red.) (2016). Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of de Somme. Huis Clos, 112 blz. € 27,50

 

Amarantha Groen, De geschiedenis van zand

Door Hans Puper

De geschiedenis van zand is de debuutbundel van Amarantha Groen. Het is ‘een zintuiglijke reis door haar gedachtewereld’, lezen we op het achterplat. Dat is de zien: de gedichten zijn beeldend en associatief en daardoor niet altijd begrijpelijk. Dat hoeft ook niet, als ze maar werken. Dat doen ze ongetwijfeld op het podium, maar op papier is een aantal gedichten niet tegen herlezing bestand. In ‘Romance’ schrijft ze bijvoorbeeld: ‘Op een half beschaduwd plein / wachtte je op mij, de dwaling // droop als kaarsvet uit de lucht / het brandde kort / op onze huid en bleef / aan onze vingers kleven ( … )’. Een als kaarsvet druipende dwaling in combinatie met ‘uit de lucht’ vind ik ongelukkig. Geen kaarsvet zonder een vlammetje; ik moest denken aan een sadistisch opperwezen dat een kaars scheef houdt en dat lijkt me niet de bedoeling. Als de dichter ‘uit de lucht’ had weggelaten, had ik het beter gevonden.
‘Object’ is een gedicht dat ik goed vind. Ik citeer het in zijn geheel.

De figuur tegenover mij kijkt niet
naar mij, maar naar een coördinaat
in lucht. Een lijn
tussen ons breekt. Beduusd
dwaal ik de ogen af.

Mijn blik leunt tergend op zijn lichaam,
tast de structuur af van zijn hemd –
touwachtig, grof, als een rieten mat.

Dan laat de man zijn punt varen en
merkt me op. De lijn tussen ons
zet zich schrap.

Ik lees dit gedicht als volgt.
De ik-figuur is een punt, een ‘coördinaat / in lucht’ en wordt niet gezien als de persoon die zij is. Hij ook niet trouwens, anders spreek je niet van een ‘figuur’. Een coördinaat wordt bepaald door twee lijnen en die moeten in dit geval van de figuur uitgaan: vanuit zijn ogen en vanuit zijn geslacht? Ziet hij haar alleen als seksobject? In ieder geval breekt er een van de lijnen. Mooi is het zinnetje: ‘Beduusd / dwaal ik de ogen af’. Voor ‘de ogen’ kun je lezen ‘zijn ogen’ en dan probeert de ‘ik’ de man tegenover haar te peilen. Je kunt ook ‘mijn ogen’ lezen en dan wendt de ik haar ogen af, besluiteloos, zonder doel. Het woord ‘dwaal’ is in beide gevallen mooi gekozen.
De tweede strofe onderstreept de afstand die zij ondervindt: de man beschrijft zij als een object tot het moment dat hij haar ziet als persoon: de overgebleven lijn ‘zet zich schrap’. Dat kan twee dingen betekenen: de lijn trekt strak en dat betekent toenadering of de lijn maakt zich klaar voor verzet.

Ook het beeld van de lijnen is niet helemaal waterdicht, maar het is een kniesoor die daarop let: Amarantha Groen kan zich ontwikkelen tot een goed dichter.

Amarantha Groen (2016). De geschiedenis van zand. Uitgeverij Liverse, 44 blz. € 15,95

Gedichten

Kikker gooit handgranaat

1

Een manufacturenzaak in Oost, groot gezin,
met een broer sliep ik in het schuurtje.
De muizen, steeds. Vliegende muizen, zeiden wij.
’s Ochtends in je hemd door het gras
naar de gootsteen in de keuken.

De buurman had een kolenhok.
In onze tuin wrikte ik een plank los, onderaan,
dan schepte ik wat kolen weg, niet veel,
hij mocht de voorraad niet zien slinken.
Als je geen plezier had, lag het aan jezelf.

Veel op straat, laat op school.
De Berlagebrug stond open –
de broeder zei het eerder nog dan wij.
Lachen, streken, kleine rottigheid.
Scheldnamen, elke jongen. Ik was Kikker.

2

Bij Bertels stonden olietanks
met kranen buiten, aan de Keulsevaart.
Bij die fabriek met Duitsers,
daar liet je ’s nachts je pannetje vollopen.

Je ging de leeggehaalde huizen in,
je zocht naar penningen voor gas en licht.
Ik heb nog een matras gestolen van een schuit
met spullen uit die woningen:
Liebesgaben aus den Niederlanden.

De onderduik in Brabant, later, bij een boer.
Spruitjes plukken, koude handen.
Paard voor het karretje, tweewielig,
dan fluitend naar de markt.
Je droeg een hoed, een sjaal,
want jong zijn was gevaarlijk in die tijd.

3

Achttien was Fons, mijn broer.
Hij moest naar Duitsland.
We hoorden niets van hem.
Pas later kwam het nieuws:
bombardement op zijn fabriek,
waar ze machines maakten.

Ik heb betaald en hij is opgegraven.
Elk jaar ging ik naar Loenen,
bloempotje zetten in het gras.
Zwart van de mensen zag het dan.

Mijn zoon, die regelt alles nu,
hij krijgt elk jaar
de giro voor het onderhoud,
ik krijg elk jaar een foto.
Het ziet er keurig uit bij Fons.

4

Er was muziek in Medan, aan de kade,
dat was je welkom, maar wij mochten niet van boord.
Tyfus. Een dode jongen voorbij Port Said.
Dat een, twee, drie, in godsnaam voor altijd in je hoofd.

Geen gevechten meegemaakt, ik was chauffeur,
een beetje roken in zo’n legertruck, verboden, ja hoor,
dan zei ik dat mijn sigaret niet brandde.
Als je geen plezier had, lag het aan jezelf.

Soms, in een bocht, gooide ik een handgranaat
naar hutjes waar geen mens meer woonde,
het leek een aanval uit een hinderlaag.
Dan vuurden ze, de jongens achter mij, dan vuurden ze.

Recensie van Een huis verlaten - Jos Versteegen

De trouwring van je vader

Jos Versteegen
Een huis verlaten
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2012
ISBN 9789046813522
€ 17,50
56 blz.

In de bundel Een huis verlaten van Jos Versteegen ruimt een zoon de spullen van zijn overleden ouders op en schetst aan de hand van de voorwerpen die hij tegenkomt portretten van hen. Je kunt je voorstellen dat hij als kind zijn ouders bij het gebruiken van de voorwerpen eindeloos bestudeerd heeft. Als volwassene komen de herinneringen naar boven. De moeder komt het meest aan bod. Een voorbeeld, uit de sectie ‘Warmte in de stof’:

Strijkbout

Dit is haar strijkbout, zonder lampje,
het snoer bekleed met grijze stof
die over twintig centimeter
rafelt: daar liggen draadjes bloot,
gebarsten plastic, bruin en geel.

De strijkbout in haar rechterhand,
de onderzijde naar zich toe
alsof ze in de spiegel kijkt
en dan haar bolletjes van spuug
die dansen op het hete ijzer.

Ze legt een theedoek op je hemd,
je broek. Het sissen en de stoom,
de kleine wolken of zij daar,
achter die uitgeklapte plank,
schort voor, iets heiligs staat te doen.
Zij schuift de warmte in de stof.

Er spreekt veel eerbied uit voor de moeder. De gedichten die herinneringen aan haar oproepen zijn de meerderheid. Dat roept meteen de vraag op, of de liefde voor de moeder groter was. Een andere verklaring: als huisvrouw was zij vaker zichtbaar voor het kind. Traditioneel werken vaders buiten de deur. En hier worden traditionele, oer-Hollandse taferelen geschetst: moeder aan het koken en aan de strijk, vader doet handjeklap op de veemarkt, rookt en speelt kaart. De eerbied voor beide ouders neemt verschillende vormen aan. Naast huishoudelijke voorwerpen worden ook voorwerpen bedicht die van vader zijn geweest, een polshorloge, een portemonnee. Of voorwerpen die door beide ouders werden gebruikt, zoals oude stukken zeep die nu in gebarsten tongen zijn veranderd. 

Vader wordt minder ‘heilig’ geschetst dan moeder, lees bijvoorbeeld:

Asbak

De sigaret plakt aan zijn onderlip,
hij knijpt zijn ogen bijna dicht,
deelt kaarten uit: een nieuwe ronde.
Je ziet een klein, oranje vuur
dat in zijn mond wil kruipen, lijkt het.
Hij zwijgt. Rook langs zijn neus en voorhoofd.
En dan opeens zijn linkerhand,
smijtend: een troef op tafel.

De stompen van zijn bolknaks, groot,
die onder duimen zijn geplet,
de sigarettenpeuken, krom,
als reddeloze witte knietjes,
in deze asbak op de kamertafel,
op zondagmiddag, als je vader
wint van mannen uit de buurt.

Ook hier roept het voorwerp, de asbak, een zee van herinneringen op. De vader wordt krachtig neergezet. Een winnaar die met kaarten smijt en sigaren of sigaretten platdrukt. Een man die ontzag afdwingt. Iets minder krachtig komt de vader naar voren uit het vierluik ‘Kunstleren fauteuil’: […] Daar ligt hij na / de pudding en de sigaret, / met bruine sokken, broekknoop los. //

Beide ouders worden geëerd in deze bundel. In de laatste sectie, vijf gedichten onder de noemer ‘Wie het vuur ontsteekt’ komen alle voorwerpen nog eens samen: het deel van de voorwerpen dat naar de vuilverbranding gaat, het deel dat nog bruikbaar is en meegaat, tot en met de trouwring van vader, die bijna stiekem aan zijn vinger wordt gestoken. 

Laatste wens

[…] 

Het is misschien niet toegestaan,
maar aan je vinger, in het licht:
de trouwring van je vader,
zes gram, met krassen van zijn werk.

Spreekt hier aan het einde van de bundel het jongetje dat met zijn moeder had willen trouwen? 

***
Jos Versteegen (1956) debuteerde met de voor de C. Buddingh’-prijs genomineerde bundel Voorgoed volmaakt.
Een huis verlaten vormt een drieluik met Slapen bij een warme man (over zijn moeder) en Zijn overhemden op jouw huid (over zijn jeugd op het platteland).

Recensie van Zijn overhemden op jouw huid - Jos Versteegen

Het verhaal was nog niet af

Jos Versteegen
Zijn overhemden op jouw huid
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2010
ISBN 9789046808177
€ 14,90
76 blz.

In veel opzichten is Zijn overhemden op jouw huid, de nieuwste dichtbundel van Jos Versteegen, een vervolg op zijn voorganger Slapen bij een warme man. De man waar beide titels naar verwijzen is dezelfde: Versteegens vader. Slapen bij een warme man was echter vooral een hommage aan Versteegens moeder en een requiem voor de taaie boerin die zij was, totdat zij oud werd en afhankelijk van anderen. Ook de oude boerderij waar Versteegen opgroeide, en die uiteindelijk ten prooi viel aan de vooruitgang, en de dieren waar het boerenerf altijd mee gevuld was, speelden een belangrijke rol in de vorige bundel. Stilistisch viel Slapen bij een warme man op door zijn relatief lange, verhalende, maar toch intens emotionele en beeldrijke gedichten. Versteegen was een verhaal aan het vertellen. Hij was bezig, terwijl het leven van zijn ouders ten einde liep, de herinneringen aan zijn jeugd, zijn ouders en het platteland waar hij zo mee verbonden is, in een systeem te vatten. Zo, leek het, probeerde hij vat te krijgen op wie hij was als volwassen mens.

En het verhaal was blijkbaar nog niet af. Zijn overhemden op jouw huid behandelt min of meer dezelfde thema’s. Alleen, nu staat niet de moeder centraal, maar de vader. Ook krijgt de ikfiguur – je moet er overigens, zelfs bij dit soort intens persoonlijke literatuur, mee oppassen om die ikfiguur al te klakkeloos met de dichter te vereenzelvigen – meer focus. De stijl is zo’n beetje het zelfde gebleven: Versteegen is een verhalenverteller. Hij doet dat zo goed, met zulke intense beelden die in gelijke mate anekdote en metafoor zijn, dat je je afvraagt of hij niet ook nog een verpletterende plattelandsroman in de pen heeft. Het lijkt wel of de beelden nog intenser zijn geworden, een extra mystiek hebben meegekregen die misschien samenhangt met het feit dat Versteegen in deze bundel nog vaker het perspectief van het kind gebruikt.
Chronologisch gezien zou je, omdat de vader eerder stierf dan de moeder, Zijn overhemden op jouw huid een prequel van Slapen bij een warme man kunnen noemen.

De omgang met dieren op het boerenerf en de harde, alomtegenwoordige werkelijkheid van leven, eten en sterven die er bij hoort hebben Versteegen gevormd. Het aardse leven van katten, muizen en kleinvee in al zijn schoonheid maar met zijn vaak abrupte einde dient hem als dichter, en waarschijnlijk ook als mens, tot mal voor zijn denken over leven en dood. ‘Gewond’ is dan ook een typisch Versteegen-gedicht:

Gewond

Het is een kat met veel oranje,
die langs je witte knieën strijkt.
Ze drukt zich tegen je hand omhoog,
met golven, en je zegt haar naam.

Je ziet haar spelen met een muis
die wegrent, bloedend uit de ogen.
Ze haakt zich aan het dier, ze schuift
het naar zich toe, ze laat het rennen.

Je roept haar en ze is er niet,
maanden. Een kat verwildert soms:
het is goed jagen op de vogels
die piepend uit de hemel tuimelen.

Op woensdagmiddag vind je haar,
diep in een stal, in oud karton,
gebogen om een nest van vier.
Je strekt je hand uit en ze blaast.

Wanneer je zwoerd en melk brengt, ‘s avonds,
heeft zij haar jongen al versleept.
Je gaat het huis door, en de schuren,
haar naam een stilte in je mond.

Ze helt naar rechts alsof ze valt,
haar ogen kijken blind. Dat is
in februari, in het hooi,
en bij het eten zeg je niets.

De onverschilligheid die de natuur aan de dag legt tegenover de menselijke drang om zich aan anderen te binden: de kat lijkt vriendelijk, maar als het er op aankomt wordt affectie beantwoord met agressie en verlating. Eerst verstopt de kat zich nog gewoon, later kruipt ze weg om alleen te sterven. Het is een harde les voor een klein jongetje, maar hij is geleerd: het kind kijkt wel uit om zijn leed met iemand te delen. Hoewel het perspectief hier dat van het kind is, is het duidelijk dat hier een volwassen man aan het woord is. Het gaat over de kat van toen, maar ook over de gestorven vader van nu. En voor iedereen die wel eens een dierbare heeft verloren is het gevoel verlaten te zijn, al je liefde en affectie definitief afgewezen, pijnlijk herkenbaar.

Jos Versteegen (1956) heeft met Zijn overhemden op jouw huid de perfecte partnerbundel geschreven voor het fantastische Slapen bij een warme man. De requiems voor vader, moeder, boerderij en boeren levenswijze vormen samen ook een dichterlijke autobiografie. De laatste afdeling van de bundel heet ‘Laatste gedichten van thuis’. Is het verhaal hiermee dus uit? We zullen het zien.

Mei 2008 publiceerde Meander een interview met Versteegen. Lees het hier.

Gedichten

Het verplaatste nest

1. Boze warmte

De meidoorn staat te leven aan
het pad, dat in de bloemen stuift
en op de bladeren gaat liggen.
Je loopt naar huis. De mussen schieten
uit het groen. Je moeder roept je
voor het eten. 
                               ’s Ochtends, bij regen,
blaffen de honden naar de heg.
Je hurkt, duwt takken met je mouw
opzij. Je had haar niet gemist,
de hen met spikkels die een nest
gebouwd heeft aan het pad, begraven
in takken, stekels, bladgroen, wit.

De krassen in je huid wanneer
je in de diepte reikt. Het blaffen.
Lichtrode druppels – bloed en water –
die langs de veren rollen en
het dier dat niet vlucht. Dan: je breekt
de warmte open van de buik
en vleugels door haar op te tillen,
de broedster. Schorre keelgeluiden,
melkwitte eieren. 
                                      Je broer,
in regencape, fietst al naar school.
De honden rennen hem vooruit:
ze ruiken jacht, lijkt het, al is
het voorjaar nog maar net begonnen.

De boze warmte in je handen,
je loopt met haar het grasland door,
het hok in, waar de hennen broeden
aan de wand. Daarna het nest,
met lauwe eieren en al:
je legt het in een hoek, vlak bij
de graanzuil en de watergoot.

De hen met spikkels blijft paniek
of andere benauwenis
rondtokken, maar je kunt nu niets
meer voor haar doen. Een nevel hangt
als nat stof om je heen wanneer
je buiten komt. Je moet naar school,
van China leren, en de zee.

2. Op tafel

En thuis het hok, de rode pannen
die druppels laten vallen in
het gras. De perenbomen met
hun junivruchten en de heg
waarin de mussen driftig leven.
Het grijze water in de lucht.
Je vader die het land oploopt
en nadenkt over onkruidgif
terwijl de honden speurend langs
de bosrand gaan. 
                                    Je moeder roept je
voor het eten als je ’s middags,
fiets tegen de meidoorn, in
het hok bent, waar je veren raapt
om bij de eieren te leggen.
De kou zit in het nest, de hen
met spikkels loopt te wachten, denk je.

Vanavond trekt de regen naar
het oosten weg, slingert je broer
walnoottakken voor de honden,
dampt het gras, haalt hij zich open
wanneer hij distels neerslaat bij
het pad.
                Vanochtend was je moeder
om vijf uur aan het werk: ze raapte
eieren, ververste water,
vulde graan bij uit een emmer.
Er was geen haan, er brak op tafel
geen kuiken uit een witte schaal.

Iets moois voor films

De hennen zaten ’s ochtends nog
bijeengekropen aan de wand,
er lag een sneeuw van bruine veren.
Hij zag de rattenpoot waarop
de klem was dichtgeslagen, ’s nachts,
achter een scherm van kippengaas.
Het dier dat zich had losgevreten.

De buurman luistert, roert zijn koffie,
stoot sigaretten uit een pakje.
De lucifers, de rook, het lachen.

Hij trok de kaken los, viste
de rattenpoot uit mest en zaagsel
en wierp hem buiten van zich af,
een boemerang van vlees en bloed,
verdwenen in een struik maar door
de grote hond teruggehaald.
Het was om zes uur in de morgen.

Ze drinken bier – de flessen sissen –
en eten peperkoek met boter.

De rat zou doodgebloed zijn, dacht hij,
of anders hompelde ze nu,
iets moois voor films op televisie.
De poot lag aan zijn voeten in
het gras en werd hem nagedragen
tot bij de schuifdeur, waar de hond
ging liggen en de botjes kraakte.

De asbak met de peuken, smeulend,
de oliekachel hoog, en hoger,
de borden erwtensoep, het spek.
Naar buiten, staan tegen het huis,
dat koud is aan je rug.

Uit Zijn overhemden op jouw huid, uitgeverij Nieuw Amsterdam