Gedichten

hij kust je borsten2.0

de dokter heeft mappen vol foto’s
van zijn beste werk.

de perfecte schaamlipcorrectie.
het perfect gelifte gezicht.

links voor, rechts na de ingreep.

hij legt een handdoek naast z’n bureaustoel
en trekt zijn broek naar beneden.

hij slaat de map open.

ze trekt haar kleren uit,
de dokter heeft een blauwe viltstift.

hij rijdt op een kruk op wieltjes rond haar lichaam
en tekent lijnen op haar borsten.

‘geen reden om bang te zijn,’
hij knikt naar haar,

‘ik kon vroeger al jong
netjes binnen de lijntjes kleuren.’

ze kijkt naar zichzelf in de spiegel.

’s avonds in de huiskamer leest ze
nog een keer de infofolder.

‘na de verdoving maken we heel nauwkeurig
de incisies.

het borstweefsel wordt in vorm gebracht,
de tepels hoger geplaatst.

we plakken alles dicht met chirurgische tape.’

haar vriend komt binnen,
gaat naast haar zitten.

‘en,’ zegt-ie, ‘hoe ging het.’

hij legt z’n hand op de huid boven haar borsten
en trekt ze een eindje omhoog.

‘je wordt mooi,’ zegt hij.

I
ik staar in mijn roosvicee, kringgesprek
peuterspeelzaal.

iedereen heeft van het weekend iets gedaan,
het zou me wat.

het slappe rode water.
hun slappe verhalen.

op de houten glijbaan lijk ik erg tevreden.
tussen de bovenkant van de trap
en het landen
ben je alleen.

‘vertel. wat deed je van het weekend.’
ik verzin een verhaal.
ze kijken ongelovig.

II
een juffrouw van de basisschool
belt bezorgd mijn ouders op.

‘uw kind heeft met een speelgoedschep
een vliegenzwam kapotgeslagen.’

er hadden kinderen omheen gestaan,
zij vonden hem mooi.

‘dat is een schimmel,’ had ik gezegd
‘en giftig ook.’
sloeg toe.

de juf had in haar handboek gevonden
welke stoornissen dit konden veroorzaken.

‘vertel. waarom deed je dat.’
ik haal m’n schouders op.

ik kreeg huisarrest, 1 week.
telde de knopen in het vloerkleed
op mijn kamer.

III
er staan klasgenootjes om me heen.
ze vinden me niet aardig.
ze weten niet precies waarom.

het is de ene keer mijn gezicht
de andere keer de kleren.

ik vind hen vies.
zij vinden mij vies.

we weten niet precies waarom.

IV
ik sta aan de straat voor ons huis
en zet een klappertjespistool tegen m’n hoofd.

de loop is dichtgemaakt met plastic.

ik ben bang voor de knal.

over 3 meter komt een buurvrouw
de hoek om
en ziet een zevenjarig jongetje
dat zich prima alleen kan vermaken.

jongen. 12. kan ontvangen

we gooien vuurballen naar
pokémons in aanvalshouding,

naast elkaar op de bank.

de controllers van de spelcomputer
trillen als je bijna doodgaat.

hij houdt het plastic tegen z’n kruis
en laat zich beschieten.

even later verschijnt ook in mijn schermhelft
‘game over.’

er zijn werkwoorden
waar we nieuwsgierig naar zijn.

hij kijkt me aan, likt z’n lippen.
‘wil je het proberen,’ zegt hij,
‘m’n ouders zijn er niet.’

ik knik.

hij doet de gordijnen dicht, gaat zitten
en trekt z’n t-shirt omhoog.

hij heeft een broek zonder knopen.

ik buig voorover.

de 2 controllers liggen stil op tafel,
het scherm staat op menu,
de introtune wordt steeds herhaald.

ik kijk weer op.

met een hand voor m’n mond
zoek ik iets om in te spugen.

ik vind een restje sinas.

hij gebruikt na mij
hetzelfde glas.

we eten chips tegen de smaak.

naast elkaar op de bank.

we spreken een codewoord af
voor aan de telefoon:

multiplayer.

Recensie van Crowdsurfen op laag water - Daniël Vis

Het verlangen naar kicks

Daniël Vis
Crowdsurfen op laag water
Uitgever: Prometheus
2014
ISBN 9789044625516
€ 15
80 blz.

Ik heb me rotgezocht, maar niet kunnen vinden waar ik het gedicht gelezen had. ‘Niet mijn poëzie’, had ik gedacht, maar toen ik het gedicht van Daniel Vis (zijn naam was ik vergeten) terugvond in de bundel Crowdsurfen op laag water, was ik verrast dat ik elke strofe herkende.
Het was een beetje als met de kunstwerken van Jeff Koons, die, of je wilt of niet, zich in je geest nestelen om nooit meer uit te vliegen. Je herinnert je de glimmende opgeblazen luchtballon hond, de beelden van Michael Jackson met het aangeklede aapje, en van zichzelf met zijn toenmalige vrouw, voormalig pornoster en kamerlid Cicciolina. Zo ook herinnerde ik mij het gedicht:

1800 WATT. IN DE AANBIEDING BIJ BLOKKER

hij komt thuis.

ze zit op de grond
naast de stofzuiger
en graait in de zak.

‘heb je iets opgezogen.’ vraagt hij.

ze sikt.

het snoer is afgerold
tot voorbij het gele streepje.

ze heeft geen broek aan.
ze heeft de smalste mond op de buis gezet.

op de vloer onder het stopcontact
ligt de verscheurde verpakking van een zwangerschapstest.

ze staat schreeuwend op de stoeprand,

er zit bloed onder haar
gemanicuurde nagels.

hij heeft diepe krassen in zijn nek,
hij heeft een sigaret vast
en loopt op haar af.

ze haalt haar tong langs haar nagels.

ze kent een plek tussen z’n benen.

hij komt thuis.

er ligt op tafel een briefje:

‘het is eruit.
M’n huissleutel zit in de brievenbus.

ps.
koop een betere stofzuiger.’

Of het de verdienste is van een schrijver of kunstenaar dat een tekst of een beeld zich onuitwisbaar in je geest settelt, geen idee. Ik zie wel een overeenkomst tussen het werk van Koons en het schrijven van Daniël Vis: een bepaalde koude gevoelloosheid waarmee hij ons in zijn wereld trekt.
Het eerste gedicht van de bundel:

DE SPIEREN VAN CARTMAN

1
hij heette abram
en zat in een elektrische rolstoel.
Stond erop tikkertje mee te doen.

we mochten hem geen klootzak vinden.

‘abram. abram. pak me dan,
als je kan.’

het schoolplein is wreed.

hij reed je vastberaden achterna.
zijn hand ferm
om de stuurknuppel geklemd,

zoemend.

we lieten hem soms winnen.

2
na school werd hij opgehaald.
zijn moeder had een speciale auto.
een bergingswagen.

abram zelf had motorpech.

we waren alleen jaloers
als het regende.

Je zag z’n gezicht door de ruit.
hij zat achterin, in z’n rolstoel,
als bagage.

‘heb je een leuke dag gehad,
lieverd.’

‘ja, twee jongens getikt en
er eentje aangerreden.’

ik had een blauwe plek op mijn been.

zijn spierziekte kroop langzaam verder.
en we mochten hem geen klootzak vinden.

Woordgrapjes als de elektrische (rol)stoel, de bergingswagen en abram als bagage getuigen niet van grote gevoeligheid of betrokkenheid bij zijn lijdend voorwerp.

Mijn aversie zegt niets over zijn gedegen manier van schrijven. En Vis oogst waarschijnlijk bij een lachgraag publiek succes, gezien het feit dat hij de NK Poetry Slam prijs 2014 gewonnen heeft. Leedvermaak is nog altijd een geliefde tijdspassering. Verveling, die verdreven wordt, eventueel ten koste van anderen.
Over dat laatste het laatste gedicht van de bundel:

MICHEL F. KNIPOOGT NAAR ALLES

1
hij kijkt alsof hij een trucje doet
en steekt zijn hoofd in een boodschappentas.

het plastic rond z’n mond beweegt heen en weer.

ik kijk en wacht tot het stopt.

na een paar minuten trekt hij de tas
van z’n hoofd.
hij is bezweet.

‘zo makkelijk gaat het niet.’ zegt ie.

‘misschien,’ zeg ik, ‘werkt krimpfolie beter,
of moet je’m met een elastiek om je nek doen,

dan sluit het beter af.’

2
op een middag probeer ik mezelf te waterboarden
met een 1000-dingendoekje.

ik kruip met m’n gezicht naar boven
op handen en voeten de douchecabine in.

leg het doekje over m’n neus, mond en ogen
en draai aan de knop.

het voelt alsof ik stik.

niemand houdt me vast. ik draai m’n hoofd weg.

‘je bent niet gebroken,’ zeg ik hardop
en wring het doekje uit.

3
een meisje met felgele kniekousen
en een simpel slipje zet haar webcam aan.

ze is live. voor 75 cent per minuut doet ze
wat je vraagt.
jennifer, net 18, zit wijdbeens op een bed vol knuffels.
ze heeft een injectiespuit met lucht erin.
ze zet de naald op een ader in haar dijen.

aan iedereen die inlogt vraagt ze
of ze het moet doen.

met is 4 uur ‘s nachts.
ik zit achter m’n computer en verveel me.

Wurgseks, datingsites, second love, transseksualiteit, masturbatie, kinder-, zelfs peuterervaringen, vrijwel alles deze getuigt van het verlangen naar kicks, misschien zelfs van de noodzaak ervan. Alsof de hoofdpersoon een zo geringe gevoeligheid heeft, dat slechts de heftigste ervaringen een rimpeling kunnen veroorzaken. In een van de gedichten vertelt de dichter hoe hem wordt uitgelegd wat kanker is, een ziekte waaraan zijn moeder lijdt, en waarover hij schrijft op dezelfde toon als over het voeren van levend aas aan piranha’s.

(..)
‘kijk,’ zegt ze, en wijst naar een zwart rondje
met een gemeen gezicht.

‘dit is kees de kankercel.
kees woont in je moeder.’

mamma legt haar hand op m’n been
en knijpt zachtjes.

op haar arm zit een naald vastgeplakt.
er loopt een buisje vanuit een doorzichtige zak
omlaag naar haar arm.

medicijnen heeft de verpleegster uitgelegd.
.
ik kijk naar het langzame druppelen
van de vloeistof.

het lijkt gewoon op water.

EEN KUTAFLEVERING VAN DE COSBY SHOW heet het gedicht.
‘Niet mijn soort poëzie’, dacht ik.

***
Daniël Vis (1988) is student filosofie en dichter, met publicaties in o.a. Het liegend konijn. Zowel in 2011, 2012 en 2014 stond hij in de finale van het NK Poetry Slam, dat hij in 2014 won. Hij trad daarmee in de voetsporen van onder andere Erik Jan Harmens, Ellen Deckwitz en Kira Wuck. Beluister hem hier
Meander had in 2012 een interview met hem en publiceerde toen ook enkele van zijn gedichten.

Gedichten

 de sekspustels

I
ze nam me apart, na de les,
onze lerares verzorging.

legde een hand op mijn arm
en sprak
het zorgvuldig uit in mijn gezicht:
dermatoloog.

en ze keek alsof het haar pijn deed,
alsof het haar speet.
want je kon een talglaag ook zien
als een glimmend jasje.
als een lach.

II
het bezoek aan poppodia.
je acne bezweet, weerspiegeld
in een plastic glas bier.

de muziek, drie woedende akkoorden
vol distortion.

geen garderobe.

en de meisjes, jong,
achteloos geil. hun ongebroken huid.
een belofte, op afstand.

72 maagden met arafatsjaaltjes.

III
in ziekenhuizen ingedeeld
bij dezelfde poli als de soa’s.

trui uit.

die handschoen op je borstbeen,
tegen je wang.

zijn hoofd ver in de personal space
van mijn felle infecties.

de pillen die je slikte als een junk.

IV
ze namen je apart, na de les,
in het fietsenhok.

twee duwden je tegen een muur,
de derde pakte uit z’n tas

een meter schuursponsjes.
een kuipje groene zeep.

zou dit dan werken, dacht ik

ze bleven komen

deze bomgordel is ongeschikt voor kinderen jonger dan drie

I
ze spelen terroristje op het schoolplein.

het is groep 8 tegen de rest,

de meisjes kijken toe.
het maakt ze niet uit wie er wint,

gelaatsbedekking is sinds kort verboden.

de prijs van een speelgoedkalasjnikov
ligt hoger dan van een echte.

ze vouwen straaljagers
van hun plakboek.

II
de stoersten hadden het
als eerste gezien.
het ging rond.

ik hoorde het bij scheikundeles,
het 5e uur.
op internet
circuleert een onthoofdingsfilmpje.

reality-tv moet je zien
om erover mee te kunnen praten.

in de mediatheek heerste een verbod.

ik haastte me naar huis die middag.

wij hadden net zo’n zaag in de garage.

III
de bel gaat, kampen breken op.
vanmiddag na school
weer verder.

de afspraak is
tijdens begrijpend lezen
geen aanslagen.

kraaien pikken door de resten
van de pauze.

als het buitenlicht uit is

I
de achtertuin groeit
tegen het tentdoek aan,

de bekende plek lijkt groter,
’s avonds laat. geheim.
we sluipen rond het huis,

zij en ik

ze daagt me uit
tegen de trotse rode beuk te plassen.
dit durf ik niet.

II
we hebben een knuistje snoep
uit de trommel gegapt
vanmiddag.

voor ons, jeugdige kampeerders,
wordt een oogje toegeknepen.

we verdelen de maaltijd.

ik eet giechelend een autodropje
van haar uitgestoken tong.

III
mijn moeder komt nog even kijken
of alles goed gaat.
het buitenlicht gaat uit.

we fluisteren achter de dichte rits.

kruipen naast elkaar
op een luchtbed,

we snappen niet precies
hoe het moet.

ze steekt haar tong uit
zonder dropje.