Recensie van Wat ik mijzelf graag voorhoud - Lieke Marsman

Er hangt iets heel groots in de lucht

Lieke Marsman
Wat ik mijzelf graag voorhoud
Uitgever: Van Oorschot
2010
ISBN 9789028241534
€ 14,50
56 blz.

Lieke Marsman heeft, zoals veel dichters, een verleden bij Meander. In oktober 2008 stonden er drie gedichten van haar in de rubriek ‘Dichters’. Op basis van die inzending werd ze genomineerd voor de Meander Dichtersprijs 2009. Ze werd tweede. Toen we in 2009 de verzamelbundel Nog een lente gingen samenstellen, was haar naam dan ook bij de eerste die op de lijstjes verschenen. Ondertussen had Marsman ook in de papieren tijdschriften van zich laten horen. ‘Er hangt iets heel groots in de lucht’, dichtte zij in ‘New York’, dat in 2009 in Tirade verscheen. En ze had gelijk. Inmiddels is haar debuut al een tijdje uit en is het in zo’n beetje alle serieuze media besproken. Dat overkomt maar weinig debuterende dichters. Het overgrote deel van die recensies was juichend ook. Een aantal besprekingen ging vergezeld van een grote foto van de dichteres, die met haar tengere maar zelfverzekerde verschijning en haar doordringende blik – door Annaleen Louwes vastgelegd in een indrukwekkend auteursportret, dat ook het achterplat van de bundel siert – waarschijnlijk net zozeer als haar poëzie de aandacht van de redacties heeft getrokken. Ook op het podium maakt ze, met haar rustige, onopgesmukte manier van voorlezen, grote indruk. Lieke Marsman lijkt, kortom, alles mee te hebben om een grootheid te worden.

En dan heb ik het nog niet eens over haar gedichten gehad. Daar is inmiddels dus ook al heel wat over geschreven. En zelfs daarover heeft collega Edwin Fagel van De Recensent al weer iets geschreven.

Wat moet ik dus nog zeggen? Laat ik er gewoon even eentje citeren.

Hoe ver nog naar Tennessee

Zoals je opeens, op een gelukkige vrijdag,
ook met je andere oog kan knipogen: dat
verleer je niet meer, stopt de auto. Kleine Simon
grijpt in de berm naar zijn hoofd, misschien
naar de berm in zijn hoofd en zegt: Het is
die verdomde wurgziekte weer, ik kom er maar
niet vanaf – steeds wanneer niemand mijn hand
vasthoudt, wurg ik mezelf, vanzelf, waar moet ik die
handen anders ook laten. Ik vraag of we wellicht
kunnen vluchten, dus rennen we door de woestijn
naar Memphis. We lijken wel een goedkope hollywood-scène
en zouden nu graag vleugels krijgen, maar krijgen
vermoeide armen en benen.

Of zoals je opeens, uit het niets, twee dagen
op rij deze koortsdroom hebt en niemand
stopt de auto, geeft je een knipoog. Wel legt iemand
een warme kruik naast je neer, dat voelt aan
als een mensje. Ik leg het soms
in de ruimte tussen mijn benen
tegen mijn kruis, dan
begint het mensje te huilen.

Dit is een typisch Lieke Marsman-gedicht. Het voelt als een anekdote – of liever: een aantal aan elkaar gemonteerde anekdotes – maar het is nooit duidelijk waar het precies allemaal naar toe gaat. Het is zinnelijk en fysiek en heeft een sterke band met haar/het vrouwelijk lichaam. Het is, om die andere Marsman er maar even bij te halen, groots en meeslepend, maar refereert ook regelmatig aan de wereld van het kind. Amerika komt als thema vaak terug in deze bundel en geeft vorm aan de grote gedachten en grootse beelden in het hoofd van de dichteres. Maar het gedicht eindigt in de intimiteit van het eigen bed. Amerika kan ook, zoals bijna alles in deze bundel – de dichteres zelf op de eerste plaats, op een ironische sneer rekenen: ‘We lijken wel een goedkope hollywood-scène’. Een sneer die overigens ook weer opgevat kan – en moet – worden als ironisch gebruik van een gemeenplaats. En dan is er het klankspel en het subtiele gebruik van herhaling dat deze gedichten zo geschikt maakt voor het podium: ‘ in de berm naar zijn hoofd, misschien / naar de berm in zijn hoofd’, ‘mezelf, vanzelf’, wellicht – woestijn, ‘vleugels krijgen, maar krijgen / vermoeide’, niemand – iemand, ruimte – kruis – huilen.

De kritiek is makkelijk te formuleren: door hun wat laconieke babbeltoon, hun losse associaties en hun open, breed uitwaaierende structuur zou je deze gedichten voor ‘makkelijk’ of ‘vrijblijvend’ kunnen uitmaken. Toch zou je daarmee wat mij betreft de plank misslaan. Want deze gedichten zijn goed.

Dat heeft, zoals altijd bij goede poëzie, ook met muziek te maken. En met plezier. De gedichten van Marsman lopen, ondanks hun grote hoeveelheid tekst, als popliedjes. Ze lezen dus ook gewoon lekker. Het zijn plezierige gedichten met mooie beelden, een flinke dot puberaal melodrama – afgewisseld met volwassen observaties – en een zangerige, licht ironische toon die duidelijk maakt dat ze ook met plezier geschreven zijn. Bovendien, als een gedicht bij eerste lezing zo gemakkelijk en soepel als het hierboven geciteerde gedicht al zo’n complexe structuur van betekenislagen laat zien, maakt het weinig meer uit of de vorm hier en daar rafeltjes vertoont. Sterker nog, de losse vorm versterkt het gedicht en geeft de lezer ruimte: bladerend door Wat ik mijzelf graag voorhoud kun je makkelijk midden in een gedicht beginnen te lezen en binnen het gedicht een heel nieuw verhaal ontdekken.

Lieke Marsman is twintig. Als ze de rest van haar leven iedere twee à drie jaar een bundel produceert, zit er een oeuvre van tientallen bundels in. Wat een rijkdom zal dat zijn voor de Nederlandse poëzie.

Recensie van Het spook van de vrijheid - Erik Bindervoet

Uitstekend gemaakte kitsch

Erik Bindervoet
Het spook van de vrijheid
Uitgever: De Harmonie
2010
ISBN 9789061699484
€ 15,90
86 blz.

Erik Bindervoet is bekend geworden door de opvallende vertaalprojecten die hij, vaak met kompaan Robbert-Jan Henkes, aanpakt. Liedteksten van Bob Dylan en The Beatles, romans van James Joyce: Bindervoet is ambitieus. Ook als dichter schuwt hij een groot project niet, getuige zijn lange gedicht Aap (2002 – bij dit gedicht schreef Bindervoet trouwens, ter gelegenheid van de presentatie van Hout van Bas Belleman een epiloog die onder de titel ‘Epiloog voor B. B.’ is opgenomen in Het spook van de vrijheid). Daarom was ik bij het lezen van het eerste deel (‘Pessoa in het Vondelpark’) van Het spook van de vrijheid een beetje teleurgesteld. Bindervoets stijl van dichten hangt in zijn lichtvoetigheid altijd een beetje tegen het melige aan, maar met de korte gedichten waar Het spook van de vrijheid mee opent lijkt hij het zich toch echt een beetje te makkelijk gemaakt te hebben:

Dichter in New York

Stel
Het zijn geen auto’s die je
‘s Nachts
Hoort of gele taxi’s
Of politiesirenes
Maar wervelwinden van duiven
Gestreepte anemonen op wieltjes
Achternagezeten door een apatosaurus
Of cirkels en balken
Die terugkeren naar de werkelijkheid
Van een slapend meisje bij het raam?

Veel beelden, veel referenties naar de wereldliteratuur, maar wat staat er nou eigenlijk? Een apatosaurus, een slapend meisje, politiesirenes, het riekt naar effectbejag. In het gedicht dat deze afdeling zijn titel leende lezen we:

Ik ruk een tak van een boom
En weet dat ik elke keer
Als ik de tak in het zand plant
Een gedicht heb.

Bindervoet zal het vast ironisch bedoelen, maar het geeft wel goed het gevoel weer dat ik bij deze gedichten heb.
Niet dat er in dit eerste deel geen aardige gedichten staan. Als hij mededichters op de hak neemt is Bindervoet bijzonder geestig, zoals in ‘De Tjitske-cyclus’, waarin hij spot met Koerikoeloem, de tweede bundel van Tjitske Jansen (waar ik destijds ook het een en ander over te zeggen had):

Tjitskes dichtkunst

Een lezer vroeg op een gegeven moment aan Tjitske:
“Als ik niks in mijn hoofd heb, wat moet ik dan doen?”
Tjitske antwoordde:
“Gooi het eruit.”
De lezer vroeg:
“Maar ik heb niks, hoe kan ik het er dan uitgooien?”
En Tjitske antwoordde:
“Draag het er dan uit.”

Verderop in de bundel moet ook Anna Enquist het ontgelden: ‘Ze loeide over het eiland, / Waar het altijd waait. / Het was Anna E. / Zij had verdriet / En zij sprak de waarheid / Want zij had verdriet / En zij sprak de waarheid.’ (uit: ‘Paarse puntschoenen van vroeger’)

De volgende afdeling, ‘Toonladder naar de maan’, opent met de gelijknamige, rijmende, liedtekst en bevat verder rijmende en niet-rijmende sonnetten. De gekozen vormen geven Bindervoet uitgebreid de gelegenheid om te laten zien hoe geestig hij is en hoe hij de kneepjes van het dichtersambacht beheerst, maar ook hier ontbreekt meestal diepgang. Er is wel heel veel kitsch. Kunstige, uitstekend gemaakte kitsch, maar toch vind ik er niet zo veel aan:

Hadden mijn woorden voeten
Dan liep ik naar je toe
Ik beklom de hoogste ladder
En zong dan Love me do

(uit: Toonladder naar de maan)

De dagen vallen minder zwaar, ‘t is vreemd:
Ze zijn, als jij op dit moment, ontheemd
En wij door liefde, met geluk, bevrijd.

(uit: Blonde zon)

Het spook van de vrijheid wordt pas echt interessant na een pagina of 50, als de derde en laatse afdeling ‘Scènes uit een vorig leven’ begint. De lichtvoetigheid blijft, maar er komen diepgang en meerduidigheid bij. ‘In zekere zin heb ik mooie paarse schoenen’, opent het lange gedicht (‘Scènes uit een vorig leven’ bevat veel lange, proza-achtige gedichten) ‘Paarse puntschoenen van vroeger’. En Bindervoet blijft natuurlijk een dichter met een bijzonder ontwikkeld taalgevoel:

Mediterrane automobilisten karren af en aan
Dwars door de met met geluid verzwaarde lucht gevulde hitte.
Ze scheuren de hoek om
Zonder richting-
Aanwijzer maar met -sgevoel.

Het spook van de vrijheid is een onevenwichtige bundel. Enerzijds laat Bindervoet zien dat hij een erudiet en vakkundig dichter is en levert hij een groot aantal interessante gedichten af,  anderzijds staat er ook veel in deze bundel dat, hoe virtuoos ook, eigenlijk te ‘dun’ is.


Recensie van Divina Noir - Jacob Groot

Laat je overspoelen

Jacob Groot
Divina Noir
Uitgever: De Harmonie
2010
ISBN 9789061699521
€ 15,90
112 blz.

Mijn naam staat achter op Divina Noir, de nieuwe bundel van Jacob Groot. Dat komt omdat ik hem in de recensie van zijn vorige bundel Lofzang, ondanks een paar kritiekpuntjes, een ‘briljant dichter’ heb genoemd. Andere recensies die worden geciteerd op het achterplat zijn onder andere van Piet Gerbrandy en Ilja Leonard Pfeiffer. Voor wie die heren een beetje volgt, zijn hun namen een indicatie dat het hier niet om een makkelijke dichter gaat. De stijl van Jacob Groot is intens zintuiglijk en erg gericht op klank, waarbij de inhoud het vaak vooral van suggestie en associatie moet hebben. Zijn gedichten zijn lang (zijn bundels laten zich zelfs vaak lezen als één lang gedicht) en bevatten weinig makkelijk citeerbare regels. Veel meer willen zij de lezer meeslepen en dat vereist een overgave die niet alle lezers kunnen opbrengen.

Dat gezegd hebbende moet ik constateren dat Divina Noir een veel meer verhalende toon heeft dan zijn voorganger. Zeker op de eerste pagina’s overheerst een nadenkende toon die zelfs af en toe aan Nachoem Wijnberg doet denken:

wat?

Ik ging tot in het noir, zoals me
gezegd was, waarna ik de lamp

ontstak, wat kan worden uitgelegd als
dat ik ging alsof ik niet terugkwam, zoals ik
zei ik ga om er even uit te zijn, want het staat

geschreven dat je gaat zoals je komt, namelijk
als onbestaande, wat me verbond
met het donker om ons heen, met name

op de weg, al of niet aangelegd, die noodzaakte
tot een buiging als m’n hand raakte aan via
het instrument de band, juist met de weg, die langs

m’n vingers streek, waarna ik de lamp
ontstak, niet om te zien
waar ik ging, maar, zoals gezegd

wordt, om gezien te zijn


Maar ook Jacob Groot de klankdichter is al meteen present, zoals in ‘waar?’:

Ja zei ik, tegen
de opeens
godsgruwelijk grote me beringend indringende
om wie niet heen rinkelende
maar zich tot mij en alleen
tot mij niet alleen rechtstreeks
maar ook letterlijker dan een plechtige
rechter richtende
nacht die compleet uit het niets
verscheen

En, als een klassiek componist die af en toe op ironische wijze een citaat uit de populaire muziek gebruikt, gooit hij er een schmierende woordspeling achteraan:

Dat is ook eigenlijk veel heerlijker.

Een thema dat als een rode draad door Divina Noir loopt is dat van de spiegeling, de omkering. In het verlengde daarvan is de dichter niet bang om naar zichzelf te kijken en zijn ego ook dubbelzinnig te portretteren. In ‘mag ik me nu even voorstellen?’ schrijft hij over hoe hij met een microfoon ‘die bestond / uit een nieuwe aardappel geschroefd / op een oorlogswinterpeen’ popzangers nadoet. Verderop heet het: ‘Want niet ik zong namens mezelf / maar een ander en zweeg terwijl / ik luisterde naar de zender / die me voorschreef // er is maar één nummer 1’. En zo zet Groot heel vaak, met een serie subtiele omdraaiingen, alles op losse schroeven.
Later, in de afdeling ‘De Bergman komt’, waarin ‘Bergman’ voornamelijk begrepen moet worden als een verwijzing naar filmmaker Ingmar Bergman, werkt hij het spiegelthema – en dus het ego-thema, het idee van kijken naar jezelf c.q. je anders voordoen dan je bent – uit aan de hand van de film als metafoor. Maar hij kan het natuurlijk niet laten om daarbij ook weer de dingen om te draaien:

Jammer, Het Leven heet nu eenmaal
de film. Let op: we gaan
onverdroten door, maar je mond
bloedt nog? Dan beginnen we opnieuw. In de film
is het doodgewoon dat een kus wordt
overgedaan. In Het leven
filmen we de kus zelfs als traan.

(uit ‘close-up’)

Zo kan Groot lezen een intellectuele bezigheid zijn. Maar het kan ook helemaal anders. ‘voorkonde van vinyl’ zingt de lof van het draaien van een plaat. Het is een intens muzikaal en zintuiglijk gedicht:

O strot in het licht
op mijn hand breek
niet de drum in mijn bloed
of preek de snaar in mijn sop

[…]

de plaat draait

als een zee zich om
opdat ik maak mijn entree, mijn naam
heet diamant, ik loop door
de groeven in de chain gang

Ik las dit gedicht en besloot mijn bescheiden vinylverzameling te voorschijn te halen. Ik las toen de rest van de bundel, hangend op de zitzak in mijn werkkamer, platen draaiend van Black Sabbath en hun hedendaagse epigonen die vaak onder de noemer stoner rock worden gevat. Zo hard dat mijn buren gedacht moeten hebben dat mijn midlifecrisis begonnen was. Maar deze poëzie is nou eenmaal als harde muziek: hij komt pas echt goed over als je je laat overspoelen, overweldigen door de kolkende stroom associaties en beelden die de dichter op je afvuurt. Dan zie je ook waar de flauwe woordspelingen, de platte seks en de klankassociaties voor zijn. Lees je Groot te langzaam, te geconcentreerd, dan kun je je er aan ergeren. Maar zet je een plaat op, laat je het gekraak van het vinyl en de gruizige gitaren op je inwerken en lees je deze bundel op het tempo van de muziek dan zie je het: hier worden de zintuigen, niet het intellect, geprikkeld. Het zijn songs. Het is muziek.

En op de laatste twee pagina’s wordt het dan ineens weer heel erg stil als de dichter, bij wijze van afscheid, zichzelf en zijn werk nog even relativeert: ‘Dit is mijn geloof // Afhandig maakt het me alles // Door het niet weer te geven / laat ik het me / welgevallen als ons gezamenlijke / gebrek / Het gaat om bijna niets // Ik vertel er ook niks bij // Omdat de zege vanzelf spreekt’

Divina Noir is een echte Groot. Maar het is ook een compleet nieuwe. Jacob Groot maakt poëzie die altijd uit een aantal herkenbare ingrediënten bestaat, maar voor iedere bundel mengt hij ze in een andere verhouding. Zo vindt hij zichzelf telkens opnieuw uit, zonder het typische Groot-geluid geweld aan te doen. Dat maakt iedere bundel van hem weer een belevenis. En dat maakt Groot… nou ja, briljant dus.


Recensie van Clubsandwich - Gerrit Komrij

Clubsandwich – de debutanten

Gerrit Komrij
Clubsandwich
Uitgever: Van Gennep
2010
ISBN 9789055155897
€ 15,00
447 blz.
In 2000 werd Gerrit Komrij de eerste Dichter des Vaderlands. En waar zijn opvolger Driek van Wissen zijn ‘ambtsperiode’ toch voornamelijk vulde met het scoren van schnabbels en de huidige Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr zich lijkt toe te leggen op het politiek correct vullen van krantenpagina’s, deed Komrij zijn best om de Nederlandse poëzie daadwerkelijk verder te helpen. Dat deed hij onder andere door de ‘Sandwichreeks’ uit te geven. Aanvankelijk bij Uitgeverij 521 en nadat die uitgeverij in 2008 werd verpletterd onder de almaar voortdenderende stoomwals der commercie en schaalvergroting, bij Van Gennep. Twintig bundels verschenen er, waarvan tien van debutanten, negen van vergeten dichters uit het verleden en als sluitstuk één deeltje, Bombast en larie, met ‘de 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur’. Van Gennep heeft nu alle 20 delen nogmaals uitgebracht, gebundeld in twee banden, en Clubsandwich gedoopt.

Komrij legde de lat voor de reeks meteen hoog door in 2002 te openen met Niets met jou van Philip Hoorne. De toon was ook meteen gezet want, geheel in de lijn van wat je van Komrij mag verwachten, stond het debuut van Hoorne vol meligheid, bombarie en licht puberale gedichten over de naderende dood. Het is dan ook niet raar dat de bundel wat gemengd werd ontvangen. Komrij was daar misschien zelfs wel op uit. De bundel werd wel genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs.

Nummer twee in de reeks, Nu nog volop ventilatoren (2003) van Bas Belleman was mijns inziens wat minder van kwaliteit. Hoewel Belleman ontegenzeglijk een eigen geluid meebracht, bleef hij toch hangen in wat vrijblijvende gedichten met veel vrolijk taalspel en te vaak een punchline-achtig slot. De recensies waren ook over deze bundel niet eensluidend, maar zijn debuut leverde Belleman wel een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs op.

Abdelkader Benali is een beetje een vreemde eend in de sandwich-bijt. Weliswaar debuteerde hij in 2003 als dichter met Gedichten voor de zomer (2003), hij was verre van onbekend. Sterker nog, hij had al een Libris Literatuurprijs op zak voor zijn roman De langverwachte, die in 2002 was verschenen. Dat neemt niet weg dat zijn bijdrage aan de Sandwichreeks een van de zwakste van de tien is. Benali schrijft regelmatig gevormde gedichten en werkt daarbij vaak in reeksen (‘De zeven hoofdzonden’, ‘Schrijversportretten’, Zoet-Zuur-Bitter-Zout). De regels zijn vrij lang en de gedichten ook, dus er staat nogal veel tekst, waarbij Benali maar moeilijk tot de kern komt van wat hij wil zeggen en ik dus het gevoel krijg dat er wel het één en ander weg had gekund. Het is ook vaak bedacht en flauw, zoals in ‘Afgunst’: ‘Je pleegde // zelfmoord las ik, weer was je me voor, maar afgetroefd / Heb ik je wel, mijn brug was een stuk hoger!’.

Eenvoudig schedellichten (2004) van Erik Solvanger begint met de wat magere cyclus ‘Algenritme’, een poging tot uitgebeende taal die geforceerd overkomt. Maar in de cycli daarna, waarin de gedichten iets meer lucht krijgen, laat Solvanger zien wat hij waard is. Als arts heeft hij een duidelijk beeld van, en schijnbaar een obsessie met, de werking van het menselijk lichaam. Daar ontleent hij dan ook veel van zijn beelden aan. Het levert indrukwekkende, hele originele – en bij tijd en wijlen ranzige – gedichten op. Met zijn onheilspellende verzen, die naar mijn gevoel een sterke verwantschap vertonen met die van Willem Thies, is Solvanger misschien wel de meest on-Komrijse dichter uit de reeks. Op een kwinkslag, een clou of een dubbelzinnig grapje zul je hem niet gauw betrappen.
Danny Degenaar heeft die luchtige toon in Eternelle lust geen bollen (2005) wel. Dat levert in zijn geval, gecombineerd met een uitzonderlijk taal- en observatievermogen, bruisende, zeer intelligente poëzie op die me af en toe zelfs aan het werk van Daniïl Charms doet denken. En dat is een groot compliment.

Uit archief I

Het paard en de kat, jawel!
(voor mij geen poespas)

Ah, telefoon.
Dag dichter per telefoon, ik ben het
als invoerbare God
met de gekke vogel in het lichaam.

Nee, dichten is geen zaak van dieren,
daar zijn we het dan over eens (dieren stinken).
Hup, weg met dat paard, weg met die kat,
opgerot vogel!

Of jij bijv. buiten dit gedicht nog steeds
als dichter door het leven gaat, hoe binnenskamers
klinkt dat niet? Jij, die dronken en dichtend
in een door mij gebouwd café mag zitten,
zelfs aan het raam
dat ik hierbij gezet heb.

Ontmoet me er zondag, klokslag twee,
je herkent me aan mijn zilveren trekpen
en zelf kom ik ook, jou herken ik
aan je handen.

Het is dan ook verbazend – zeg maar gerust bizar – dat er van Degenaar na dit geweldige debuut niets meer vernomen is. Zou hij nog ooit met een tweede bundel komen?

Over Toendra (2006) van Willem Thies heb ik al vaker geschreven en ik blijf deze bundel bij iedere herlezing geweldig vinden. Het is donkere poëzie. Onevenwichtige, zoekende poëzie. En juist dat zoekende geeft Thies zijn eigen geluid. In de kritiek werd Toendra nogal eens ‘puberaal’ genoemd en in zekere zin is hij dat ook. Dat puberale zal ook een deel van de aantrekkingskracht van Thies op Komrij gevormd hebben. Maar zo’n kwalificatie doet de bundel ook onrecht, omdat Thies niet alleen bijvoorbeeld het dweperig doodsverlangen toont, maar ook de onzekerheid die hij ermee probeert te overschreeuwen. Die gelaagdheid geeft vrijwel ieder gedicht in Toendra ook een poëticale lading. Je leest de poëzie niet, je ziet haar gebeuren. ‘De lezer is er bij’, zoals Rein Bloem placht te zeggen. Volslagen terecht dus werd het debuut van Willem Thies bekroond met de C. Buddingh-prijs van 2006.
Op de presentatie van Toendra zag ik voor het eerst Helène Gelèns voorlezen. En dit was wat ik hoorde:

Stamel de naam!

adem rustig in en uit, adem in
en uit, denk aan de naamdrager, in en uit
in en uit, goed zo, in en spreek de naam uit

hap naar de naam, probeer te happen
naar de naam als naar adem, zo ongeveer:
haphap, happen naar de naam, haphap

niet hoesten, happen haphap, niet hoesten
adem rustig in en uit, adem in
en uit, niet hoesten, adem in adem in

snak naar adem als naar de drager van de naam
hap naar adem, probeer te happen
naar adem, je moet nog stamelen, hap! hap!

Pardon? Het was een tijdje geleden dat ik zo van mijn stuk was gebracht door een gedicht. Gelèns’ perfecte dictie en – althans, zo staat het mij bij – volstrekt onbeweeglijke verschijning terwijl ze het las maakten dat het ritme en de verwrongen maar spijkerharde logica van dit klankgedicht-maar-toch-ook-weer-geen-klankgedicht zich in mijn hersenen brandde. In de rest van Niet beginnen bij het hoofd (2006) maakt ze meer conventionele zinnen en gedichten maar dat ritme, dat enorm muzikale gekoppeld aan een ongrijpbare maar voor het gevoel volstrekt logische denktrant zit in alle gedichten. Ook Gelèns werd met haar Sandwich-debuut genomineerd voor de Buddingh’-prijs en dat ze er naast greep kan alleen maar gekomen zijn omdat de concurrentie (Pim te Bokkel, Ester Naomi Perquin en Bernard Wesseling, de uiteindelijke winnaar) zo ontzettend sterk was.

Weer een compleet ander soort dichter is John Schoorl, met A Capella (2007) de volgende sandwichdebutant. Schoorl is een muziekgek en zijn gedichten laten zich goed vergelijken met popliedjes: kort, pakkend, herkenbaar en niet te ingewikkeld. De gedichten in A Capella lopen over van liefde. Liefde voor het leven, de muziek, zijn zoon, voetbal, wielrennen, auto’s… Echte mannenpoëzie, zou je kunnen zeggen. En hoewel het vaak een beetje dun wordt – dat risico loop je met dit soort gedichten al gauw – is het ook vaak raak. Het frituurvet in de voetbalkantine pruttelt door de minuut stilte voor de tsunamislachtoffers heen en in de supermarkt zijn er ‘fruit, babyvoeding, // Franse kaas, paprikachips, groente, / Melk, bokbier, wijn, espressokoffie, // Vanillevla, gewone kaas, kadetjes, / Wasmiddel en wc-eend’ en de dichter vraagt zich af: ‘hoe vul ik in hemelsnaam / Die onbegrensde ruimte boven me.’. Nou, daar weet Maarten Inghels wel wat op.

Buiten dondert beneden en regent de nieuwe tuin plat,
er hangt een verlangen naar lucifers of warmer.
Ik sleep tweedehands dozen binnen, kleef etiketten en
geef alles een naam. Tussen mijn wimpers word ik bang.

In Tumult (2008) laat Inghels zich zien als een dichter met een schwung die ik ervaar als iets typisch Vlaams. Het is talige poëzie, maar ook poëzie met veel kroegen en bier en vaak het woord ‘hart’. Er is warme, liefdevolle erotiek en spleen. Er is, kortom, alles wat poëzie nodig heeft, maar er is ook af en toe kitsch: ‘zij draagt de herfst in haar knieën’, dat soort dingen. Vooral in de Vlaamse pers werd de bundel goed ontvangen.

Last en least van de sandwichdebutanten is Michiel van Rooij (Hoe hoog de maan, 2009). Zijn pompeuze, gezwollen dichtregels – ‘mijn dichtershart klapt gulzig open’ en dergelijke formuleringen – bevatten nogal wat uitroeptekens, maar het blijft hol geschreeuw. Net als Inghels is Van Rooij niet vies van een pilsje en een sigaret in zijn gedichten, maar hij mist het relaxte van Inghels waardoor hij verzandt in stoere praat. In oktober 2009 werd Van Rooij door Meander geïnterviewd voor ‘Dichters’. In dat interview kondigde hij voor het voorjaar van 2010 een nieuwe bundel, getiteld Barre tijden, aan bij Van Gennep. Die is tot nu toe nog niet verschenen, maar zo gaat dat soms in uitgeversland.

Wat ik vervelender vind, ik refereerde er al even aan, is dat er van Danny Degenaar geen opvolger verscheen. Dat wordt vijf jaar na zijn zeer veelbelovende debuut toch hoog tijd. De tweede bundel van Maarten Inghels, Waakzaam, verschijnt volgens de website van Inghels komend jaar bij De Bezige Bij.
Van de dichters die al wel een nieuwe bundel uitgaven, produceerde Schoorl verreweg de zwakste. Zijn Uitloopgroef (2009) is een verzameling gedichten bij popsongs, waarin twee gedichten uit A Capella onder een andere titel opnieuw werden geplaatst. Onderaan de pagina’s staan in kleine letters weetjes afgedrukt over de bezongen song. Op zich een leuk concept, maar omdat de gedichten nog korter en eerlijk gezegd ook een behoorlijk stuk dunner zijn geworden dan in A Capella, zijn ze wel erg kwetsbaar voor de afleiding die dat geeft. Het is wel duidelijk dat de taal van Schoorl zich heeft verdiept en verrijkt. De toon is minder jolig, ingetogener geworden en het zou zomaar kunnen zijn dat Schoorl, als hij een derde bundel publiceert, laat zien dat hij wel degelijk een dichttalent is.
En wat moet je zeggen over Panacee (2006) van Abdelkader Benali? Niet alleen is het eigenlijk maar twee derde van een bundel omdat een twintigtal van de achtenvijftig gedichten al in Gedichten voor de zomer stond (hoewel ze door aanpassingen strakker in de vorm zitten), ook toont Benali als dichter niet genoeg ontwikkeling om in zijn nieuwe werk zijn debuut te ontstijgen. Toegegeven, de cyclus ‘Kanti’, over rouw die verering die obsessie die religie die geestesziekte wordt, is mooi opgebouwd, maar Benali heeft nog steeds te veel woorden nodig. Philip Hoorne heeft inmiddels al twee nieuwe bundels uitgebracht: Inbreng nihil(2004) en Het ei in mezelf(2005). In 2009 publiceerde hij Grootste hits! De jaren nul, waarin hij een selectie uit zijn drie bundels, alsmede vier nieuwe gedichten opnam. Om praktische redenen neemt die bundel hier de plaats in van twee van de drie constituerende bundels. Ik heb hier al eens geschreven over dit boekje: het is interessant om te zien hoe Hoorne, die over een niet geringe dosis talent beschikt, geleidelijk aan de meligheid aflegt maar zijn originaliteit behoudt.

De voorhoede van de sandwichdichters wordt gevormd door Belleman, Solvanger, Thies en Gelèns. Belleman zei zijn taalspelletjes vaarwel en produceerde met Hout (2006) een zeer solide dichtbundel. 2006? Is het al weer zo lang geleden? Het wordt dus tijd voor een opvolger! Solvanger continueert in Slijp het sternum (2008) die verstilling en die macabere beelden uit de medische praktijk (‘haar buik een tas oneetbaar voedsel’) die zijn debuut zo bijzonder maakten, maar de kwaliteit van zijn werk is veel constanter. Met al zijn wanhopige, ongelukkige karakters, melaatsen en kannibalen is Slijp het sternum het toonbeeld van de ‘verontrustende poëzie’ waar sommige critici het graag over hebben.
Willem Thies gaf zijn tweede bundel (2008) de titel Na de vlakte, een expliciete verwijzing naar zijn debuut. Als de worstelende, zoekende dichter die hij is probeerde hij af te rekenen met zijn eersteling. Hij wilde stiller, kleiner en persoonlijker dichten. Hoewel juist die strijd Na de vlakte tot een bijzonder interessante bundel maakt, wist de kritiek er slecht raad mee.
Helène Gelèns liet met haar tweede bundel Zet af en zweef (2010) zien dat zij de ware revelatie van de Sandwichreeks was. ‘Stamel de naam!’ bleek een eerste stap in de richting van een zeer gestructureerde, ritmisch zeer strakke maar toch frivool aandoende mix van ironie en puur geluid:

vanaf nu wordt het leuk reken maar van yes
doen we alleen maar leuke dingen jiiiihaaa!
lekker eten, naar het strand, een cursus spaans
tappa tilde tortilla niet te moeilijk
beetje slenteren, filmpje maken relax
niets vermoeiends, een vleugje cultuur: toneel
sketches, niets zwaarmoedigs, iets om te lachen

Het is een geweldige klus om tussen alle literaire wannabes die de open podia bestormen en de brievenbussen van uitgevers verstoppen met hun schrijfsels dat ene talent, die ene unieke stem te vinden. Dat Gerrit Komrij het heeft gewaagd om in een tijdsspanne van zeven jaar tien debuutbundels uit te brengen, is dus zeer te prijzen. En al zitten er zeker een paar zwakke bundels tussen, als je Clubsandwich uit hebt, heb je enkele honderden gedichten van een zeer hoog niveau gelezen. Kijk je naar de bundels die op de sandwich-debuten volgden (en ga je er van uit dat het met die tweede bundel van Maarten Inghels helemaal goed gaat komen), dan kun je concluderen dat we er dankzij Komrij in Hoorne, Belleman, Solvanger, Thies en Inghels vijf bijzondere dichters en, in Helène Gelèns, een waar fenomeen bij hebben.


Recensie van Blanke Verzen - Fabian de Sackenay

Wie is Fabian de Sackenay?

Fabian de Sackenay
Blanke Verzen
Uitgever: De Manke God
2010
ISBN 9789490869021
€ 12,50
38 blz.

Wie is Fabian de Sackenay, de auteur van Blanke verzen? Het eenvoudige antwoord is: Fabian de Sackenay is, net als Mila Fertek, Berty Snellens (al bestaat die wel in persoon), Nol Krentsch, Mevrouw Leenschat van Bodegraven en Uitgeverij De Manke God, Kees Engelhart. Dat gaat echter voorbij aan een belangrijk aspect van het heteroniemenspel, zoals dat zeer bekwaam werd gespeeld door Pessoa en dat ook Engelhart met passie beoefent.
De Sackenay is namelijk niet zomaar een pseudoniem, maar een echte poging om vanuit een totaal andere aanpak gedichten te schrijven. Overigens, tegelijk met Blanke verzen brengt Engelhart met zijn uitgeverij De Manke God ook Fantastische gedichten uit (onder zijn eigen naam) en Treurspel van het zijn ‘van’ Berty Snellens. (Fantastische gedichten is hier al besproken door Joop Leibbrand.) Al met al is het dus niet vreemd dat het motto van de bundel spreekt van Alberto Caeiro en is ontleend aan Álvaro de Campos, beiden heteroniemen van Fernando Pessoa.

De gedichten van Engelhart kenmerken zich meestal door een vloeiende, verhalende vorm. Ze zijn een soort proza dat op een betekenisvolle manier met enjambementen in stukken is gehakt. De gedichten van De Sackenay zijn veel lyrischer, hoewel ze vaak door hun titels (‘Die ik niet licht vergeten zal’, ‘Op zondag’, ‘Om mijn angsten te bedwingen’) toch de suggestie meekrijgen dat er een anekdote verteld gaat worden. De gedichten krijgen op papier een grillige vorm door de vele inspringingen die De Sackenay gebruikt.

De taal van de gedichten is nogal zwaar en gewichtig. Dat enigszins pompeuze taalgebruik zie je ook wel in de gedichten van Engelhart, maar door de vorm valt het daar wat minder op. De gedichten in Blanke verzen doen qua toon wat gemaakt aan. Ook maken ze de indruk, hoe kan het ook anders met zo’n enorme productie en een eigen uitgeverij, snel geschreven te zijn. Te snel. Meteen bij eerste lezing vallen storende slordigheden en overbodigheden op, zoals een verkeerde verwijzing in deel 2 van het eerste gedicht, ‘Over het ding dat mij heeft voortgebracht’: ‘Er zijn meer dingen die men wreed noemt / Ook van hen heb ik leren houden’, of ‘af en toe meestal overigens’ in ‘Die ik niet licht vergeten zal’. Soms wordt de toon babbelig, zoals in ‘En faalt’: ‘Het is fijn om succes te hebben / Succes is altijd fijn En / Iedereen wil het voor zichzelf alleen / Maar succes is schaars / En niet velen zijn in staat het / Te bemachtigen’. (afgedrukt met veel inspringingen). Thematisch zijn de gedichten vaak moeilijk te plaatsen en maken ze soms de indruk van losse regels of strofen aan elkaar te hangen.

Dat neemt allemaal niet weg dat er van deze gedichten een grote lyrische kracht uitgaat. Juist het gevoel dat deze gedichten rauw en spontaan, als het ware in een opwelling, op schrift gesteld zijn kleurt de leeservaring van Blanke verzen.

De Sackenay maakt ook mooie beelden. In ‘En bewonderd en aanbeden’ bijvoorbeeld (door technische beperkingen is het niet mogelijk de gedichten grafisch gezien helemaal goed te citeren):

         Dan pak je een steen van de straat
                    En gooit de etalageruit in
        Je stapt de etalage binnen en je past precies
Door het gat dat je gegooid hebt om plaats te nemen
                    Tussen de goddingen
Om net als zij gezien te worden

Of in het macabere ‘Een dode zwarte’:

EEN DODE ZWARTE

Ik kon haar niet benaderen
        Zij was zo mooi
Doodsangst pakte mij
        En legde mij neer

                Twintig meter achter haar
                Bleef ik lopen door de straten
                En winkelcentra het werd
                Donker en koud met natte
                Sneeuw en harde wind
                En het waaien der schaduwen
                Deed mij twijfelen of ik haar
                Nog volgde danwel een ander

        In een zijstraat
        Vrijwel verdwaald
        Stuitte ik op een
        Dood zwart dier

            Onmiddellijk wenste ik mij
            In vreemdheid te wentelen

En het gebeurde

                Onwetend waar ik mij bevond
                Begon ik onder haar balkon
                Plots luid te zingen over de
                Vrouwen in mijn leven

            Een strijkkwartet was er
            En nog veel meer was er

   En ik dirigeerde
   Staande op
   Een hond

Van het dichterschap van Kees Engelhart gaat een enorme kracht uit. Die uit zich in een zeer intense manier van dichten en een enorme productie. Bij het lezen van Blanke verzen bekruipt me echter sterk het gevoel dat het zelfs voor iemand met zo veel talent en energie een beetje veel is, een leger heteroniemen uit de grond stampen, drie bundels tegelijk uitgeven, een uitgeverij opzetten… Je vraagt je af of Engelhart, De Sackenay, Fertek, Snellens, Krentsch en Leenschat van Bodegraven het niet wat rustiger aan zouden moeten doen.