Gedichten

door Aloys Vonckx (1988)

Hij hield van wielrennen

zoals hij hield van het leven. Hij zei
O dalen zonder vallen zo verheven!

Hij droeg zijn pet scheef, zijn hemden
streek hij niet, de haren groeiden uit
zijn oren. Zo hoorde het. En dan liet

zijn geheugen de verhalen in de steek.
Hij vergat de naam van zijn vrouw, ook al
kleedde zij hem aan, er zaten Duitsers
op zolder, hij bracht hen witloof en hij

verzamelde balpennen in zijn brillendoos.
Hij huilde als hij naar de Tour keek, altijd
tijdens die laatste kilometer, hoe hij

zelf in het wiel van de tijd kroop
en onder luid applaus de koers verloor.

Rooster

Nog voor de BBQ is aangestoken
zijn onze gesprekken al verbrand.
We sleuren ze door de mayonaise
maar ze ruiken naar karkas.

De stilte loopt op hete kolen,
wij drinken dode vliegen op.
In de verte lachende puberkelen,
hier een mop waaraan een uier hangt.

Ik denk, dat alleen mensen
van ruimtes muren kunnen maken.
Dan de restjes verdelen en afwassen
om alles terug een plaats te geven.

Ik werk

De week is helder, elk uur kent zijn plicht
ik weet waar het vlees in de supermarkt ligt
de weg naar mijn graf is berekend, mijn geld
wordt gestort, de jaren ruiken naar vuilnis.

De tram haalt het vee op, een man kijkt
alsof zijn ziel naar het slachthuis moet
en bij elke halte staan wij stil bij de toekomst
hoe gaat de tijd als elke dag gewond is?

Ik werk, ik ga kapot. Ik heb een vrouw
die het verkeerde lotje trok (en dat beseft)
wij zijn trouw aan elkaar, wij doen ons ding
ons leven is een openstaande rekening.