Interview met Laura Demelza Bosma

Schrijven als pijn en extase

 

Laura Demelza Bosma (1986) –Demelza als tweede naam omdat er tijdens haar schrijfopleiding nog een Laura was – debuteerde in 2007 met de bundel Zo vliegen de walvissen . In 2010 verhuisde ze door liefde gedreven naar Oostenrijk en kreeg daar drie kinderen. Komend jaar zou haar tweede bundel verschijnen, maar het liep helaas anders. Laura blijft echter vol verwachting. Zeker nu ze haar rijbewijs heeft gehaald.
Kinderloze Rob de Vos probeerde te achterhalen wat zijn Meandercollega nu toch eigenlijk bedoelt met ‘barend schrijven’.

In 2007 verscheen je debuutbundel. Hoe zag je leven er toen uit?
Ik was tweedejaars student Writing for Performance aan de HKU maar de stad Utrecht was eigenlijk nog wat te indrukwekkend voor mij. In het eerste jaar reisde ik nog met de trein op en neer vanuit Friesland waar ik woonde met mijn toenmalige vriend. Tijdens dat tweede jaar vond ik een kamer in Utrecht maar ik ging nog steeds elk weekend naar huis. Ik had moeite met spreken in de klas, dacht veel te veel na over mezelf en anderen.

Hoe belandde je op die HKU?
Mijn uitgangspunt was vanaf het begin poëzie schrijven. Omdat ik als achttienjarige de landelijke Kunstbendefinale categorie taal en de Slauerhoff poëzieprijs had gewonnen en een voorronde van Writenow! besloot ik met mijn studie Creatieve Therapie te stoppen om me in het schrijven verder te kunnen ontwikkelen en daar mijn beroep van te maken. Het theaterschrijven en vooral ook de theaterwereld was nieuw voor me maar het schrijven lag me wel. Ik had een duidelijke eigen stem op papier en die groeide genoeg om de studie met succes af te kunnen ronden. Het ‘socializen’ kreeg ik in dat vierjarige tijdsbestek helaas niet onder de knie. Ik droeg trouwens wel graag en regelmatig op allerlei podia voor en deed ook mee aan poetry-slams, dus in die wereld had ik wel leuke contacten. Achter de woorden die ik schreef kon ik heel krachtig staan.

We zijn nu tien jaar verder en inmiddels woon je met man en drie kinderen in Oostenrijk, in een huis op het platteland met een grote tuin. Al die veranderingen hebben je poëzie vast beïnvloed. Op welke manieren, denk jij?
Door verschillende ervaringen in mijn privéleven gedurende het vierde studiejaar ging ik heel anders in het leven staan en kreeg ik ook heel andere interesses, bijvoorbeeld yoga, blotevoetendansfeestjes en naar de ashram gaan. Het gekwelde kind uit Zo vliegen de walvissen begon helemaal op te bloeien en dit had een directe invloed op mijn poëtische stem. De nieuwe stem was van iemand die simpelweg smoorverliefd was geraakt op het leven. Ik bleef voordragen op dezelfde podia maar kreeg van tijd tot tijd het gevoel niet meer op de juiste plaats te zijn. Ik voelde me als een mens die plots ontdekt naakt op het podium te staan.

Hoe bedoel je dat?
Ik kon alles doen waar ik van hield en wat ik wilde maar fladderde uiteindelijk alleen maar wat rond en ik miste daarbij een paar geaarde voeten. Daarom genoot ik ook zeer van mijn bijbaantje in de biowinkel want daar voelde ik de aarde wel. Ook als ik kookte en mijn kamer mooi maakte. In die situaties begon ik me een moeder te voelen en over het schrijven dacht ik: ‘ Ik wil eerst moeder worden want dan gaat mijn schrijven pas echt weer ergens over, en dan is dat werkelijke belangrijker voor me dan het schrijven. Ik wilde eerst een leven en dan daarover schrijven, in plaats van andersom.’

Is geen vreemde gedachte toch?
Op de academie werden veel van die mythen juist ontkracht, je hoeft datgene waar je over schrijft niet zelf te hebben beleefd. Maar zoals ik al zei, ging ik door die persoonlijke ervaringen heel snel in een hele andere richting. Ik werd ineens het soort mens dat kan zeggen: ‘Ik schrijf vanuit mijn baarmoeder.’ Dus hoe is mijn schrijven veranderd? Het heeft voeten gekregen. Ik vind dat mijn werk rijker is geworden en veelzeggender op een minder theatrale, dramatische manier. Er is nu veel meer liefde dan verlangen hoewel ik wat dat betreft niet positief discrimineer. Met dat laatste wil ik zeggen dat ik de scherpe gedachten en grillige beelden nog steeds waarneem en neerpen. Ik zie het een niet per se als beter dan het ander. Mijn kinderen en thuis behoren nu zeker ook tot mijn favoriete thema’s, waarbij ik het zorg willen dragen ook graag doortrek naar globaal niveau. Zo komt het moederinstinct in een gedicht naar boven om aan de Apocalyps zin te geven.

‘Schrijven vanuit je baarmoeder’ oftewel ‘barend schrijven’, zoals ik het je ook wel eens heb horen noemen: kun je aan mij als kinderloze man uitleggen wat je daarmee bedoelt?
Als je kijkt naar het metafysische concept van de chakraleer, dan zie je dat ter hoogte van de onderbuik vlak onder de navel het tweede chakra zit. In Sanskriet wordt dit chakra Swadhistana (zoetheid) genoemd en het is verbonden met het uiten van emoties, sensualiteit, seksualiteit en creativiteit. Dat zowel baby’s als creatieve uitingen daar ontstaan is dus zeker niet een heel nieuw door mij bedacht idee. Lichaam en geest zijn volgens deze filosofie een eenheid en daarom zijn beide onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Een gedicht komt uit mijn binnenste en moet daar groeien. Ik kan niet over wat ik in de wereld waarneem schrijven voordat ik het heb verinnerlijkt alsof het een deel van mezelf is. Voor ik een gedicht schrijf, voel ik me vaak onrustig, echt letterlijk alsof er een ei komt. Ik moet me ervoor afzonderen anders komt het niet en zo heeft een vrouw tijdens de weeën ook behoefte aan die rust. Zet er een tl-lamp en vijf dokters bij en de weeën ebben hoogstwaarschijnlijk weg. Soms ben ik ineens bang dat ik het niet meer kan, dat schrijven maar de drang is uiteindelijk altijd groter dan dit bedachte zelf. Zo bereiken vrouwen tijdens de bevalling ook vaak een punt dat ze denken ‘Ik kan dit niet’, maar de drang te baren laat zich niet zo gemakkelijk stop zetten. Schrijven is voor mij zowel met pijn als met extase verbonden; wat een alledaagse, hoog geconcentreerde zwoeghouding niet uitsluit trouwens. Ik schaaf en herschrijf. Als je kinderen met gedichten wilt vergelijken kun je zeggen dat het herschrijven de opvoeding is. Als moeder voed ik niet alleen mijn kinderen op maar vooral ook mijzelf als mens in het algemeen.

Is barend schrijven genderneutraal?
Ja, in die Oosterse termen hebben alle mensen daar hun chakra voor creativiteit zitten. Er zijn vast en zeker mannen die zichzelf buikschrijver zouden noemen, als ze mochten kiezen tussen hart, hoofd of buik. Helene Cixous sloot trouwens in haar theorie over het vrouwelijk schrijven, Écriture féminine, ook de man niet uit en noemt James Joyce als een voorbeeld. Als afstudeerthema aan de HKU koos ik surrealistische theaterteksten, teksten zonder opbouw of een totaal andere dan een klassiek drama, die meeslepend zijn in plaats van voortstuwend. Deze teksten zou ik als ‘gebaard’ kunnen benoemen en ze stamden alle vier van de hand van een man. (Antonin Artaud, Federico Garcia Lorca, Jan Fabre en Peter Verhelst)

Wil je met je gedichten ook andere mensen opvoeden?
Nee, opvoeden is ook niet een woord dat ik normaal voor volwassenen zou gebruiken, dat klinkt wat belerend. Een andere reden dat ik moeder wilde worden en later doula (coach van de vrouw tijdens zwangerschap, geboorte en daarna) is dat ik er geen vinger op kon leggen wat het effect is van mijn gedichten en ander schrijfwerk. ‘Verontrustend’ was een compliment dat ik kreeg voor mijn werk en daar heb ik over gepiekerd. Wil ik verontrusten? Is dat iets goeds? Als het kunst betreft blijkbaar wel en ja ik zoek die gelaagde beleving zelf ook in kunst, maar toch wilde ik op een meer directe manier iets goeds doen voor mensen. Inmiddels lukt het me steeds beter het eventuele effect van mijn werk bij de lezer te laten. Natuurlijk hoop ik wel dat ik ergens een welluidende en het liefst ook ecologisch verantwoorde snaar raak, inspireer, dat die vlam wordt doorgegeven maar of dit nou wel of niet gebeurt, verandert niets aan de kwaliteit van mijn creatieve expressie op het moment dat ik het schrijf of voordraag. Eigenlijk wil ik vooral mijn kinderen laten zien dat het mogelijk is je eigen weg te gaan door ze dat voorbeeld te geven en dat doe ik o.a. door het schrijven van poëzie. Zo gezien is het feit dat ik schrijf en schilder en daar duidelijk zichtbaar voldoening in vind, ook deel van de opvoeding van mijn kinderen. Mijn verloofde zei op een moment dat ik me onzeker voelde over hoe mijn werk ontvangen zou worden: ‘Beeld je in dat je het voor je kinderen maakt’ en die gedachte heeft me inderdaad geholpen bij het loslaten van de verdere bestemmingen van mijn werk.

Je bent al een hele tijd bezig met het maken van illustraties voor een prentenboek voor kinderen over thuis geboren worden, Born at home . Kun je iets meer vertellen over dat boek?
Born at home bedacht ik met mijn kennis als doula en de ervaring van de drie geboortes van mijn kinderen. Ik ontdekte dat er weinig prentenboeken te vinden zijn over de geboorte die thuis plaats vindt. Ik ben mijn hele leven al gek op prentenboeken, mijn moeder geeft ze me ook nog steeds cadeau. In het illustreren en schilderen kan ik mijn liefde voor kleur kwijt en daar ervaar ik dan een simpel geluksgevoel bij. In tegenstelling tot het schrijven wringt er helemaal niets bij het schilderen, misschien omdat daar door het ontbreken van een academische achtergrond het vergelijken met anderen en de onzekerheid ontbreekt. Het verhaaltje van het boek is simpel: Robin krijgt een broertje of zusje dat thuis geboren zal worden. Hij wordt bij de voorbereidingen van een natuurlijke thuisgeboorte betrokken, leeft daardoor (samen met zijn draak) mee en leert de geboorte als iets moois te zien. Het boek zal waarschijnlijk net als mijn onlangs verschenen Engelstalige dichtbundel verschijnen bij de Australische Tandava Press en dan meteen in drie talen, Duits, Engels en Nederlands, verkrijgbaar zijn.

Van welke poëzie ben je ondersteboven?
Lorca, Deborah Digges, Mebdh McGuckian, Marije Langelaar en Dorien de Vylder zijn nu de eerste vijf waar ik aan denk.
Vraag me morgen weer en het zou er weer net wat anders uit kunnen zien.

Je tweede Nederlandstalige bundel zou komend jaar verschijnen bij uitgeverij Stanza, maar dat ging vanwege de gezondheid van Ton van ‘t Hof niet door. Hoe heb je dat ervaren?
Toch wel als een schok, een rare cocktail van emoties. Medeleven voor Ton van ‘t Hof maar tegelijk toch ook een grote teleurstelling voor mezelf. Door Stanza’s ‘ja’ voor mijn manuscript voor Volle Wolfsmelk stelde ik me voor dat de deur naar het Nederlandse poëziewereldje voor mij weer open stond. Ik dacht al vooruit, over de kaft, de bundelpresentatie en was wekelijks aan het bijschaven. Als ik nu terugkijk is het toch vooral een goede lenigheidsoefening voor mijn vertrouwen geweest, dat die tweede bundel er echt wel gaat komen. Dat vertrouwen heb ik nu, al heb ik nog geen idee van het hoe en wat.

Door je verhuizing naar Oostenrijk ben je het directe contact met het Nederlandstalige poëziewereldje min of meer verloren. Welke gevolgen heeft dat?
Ik vind het vooral erg jammer dat ik niet meer voor kan dragen, dat deed ik bijzonder graag. Misschien dat een dichter die regelmatig voordraagt ook interessanter is voor een uitgeverij, omdat op die manier meer boekjes verkocht kunnen worden? Gelukkig is er het internet en kunnen verminderde mogelijkheden ook een bijdrage leveren aan het vergroten van de creativiteit. Nu ik mijn rijbewijs heb kan ik sparen voor een paar technische snufjes om op voordraag- en ook zanggebied meer via het internet te kunnen doen. Dat ik vrijwilligster ben voor Meander heeft de verbinding met het circuit trouwens wel al verbeterd en als de bundel er is, kom ik sowieso ook weer voordragen in Nederland.

Publicaties van Laura Demelza Bosma

  • Laura Demelza Bosma – Zo vliegen de walvissen (2007)
    Uitgeverij Holland, ISBN 9789025110284
  • Heath R. Thompsom (words) en Laura Demelza Bosma (art) – The Path That Weaves Through Clouds (2016)
    Tandava Press, ISBN 9780994377975
  • Laura Demelza Bosma – The Call Of The Ink Bird (2017)
    Tandava Press, ISBN 9780995358157

Verzamelsite

De oudste laag van Meander bestaat uit de gedichten die van najaar 1995 tot en met voorjaar 1998 op de site zijn gezet.  Het zijn 232 gedichten van 67 inzenders.
Deze verzameling gedichten werd in 1998 als de zogenaamde Verzamelsite een onderdeel van onze website. Na verloop van tijd kregen we nogal wat verzoeken van inzenders om hun gedichten van onze site te halen. Ze schreven inmiddels heel andere gedichten of dichtten helemaal niet meer.  Daarom hebben we na een paar jaar besloten dit gedeelte van de site af te sluiten.
De afbeelding laat de voorpagina van de Verzamelsite zien.

Behalve van de 67 inzenders vinden we hierop ook de namen van de allereerste redactieleden van Meander. Sommige redacteuren hadden toen nog niet eens internet, zodat ik schriftelijk en telefonisch contact met hen moest onderhouden. Het was een mooie tijd, maar gelukkig hoeft het nu niet meer zo.

Elk van de 67 inzenders had een eigen gedeelte op de website. Voor velen van hen maakte ik een aparte afbeelding. Zoals deze voor Hans Hamburger. Dat moet erg bewerkelijk zijn geweest.

Rob de Vos

Wie eindigden er op de derde plaats?

De zes voorrondes van de Meander Dichtersprijs 2017 hadden telkens twee winnaars. Die eindigden dus als het ware op een gedeelte 1e en 2e plaats. Zij gaan als kanshebbers door naar de eindronde.
Maar wie eindigden er in die rondes nu op de 3e plaats? (Soms is het een gedeelde 3e en 4e plaats.)
Dat maken we nu bekend.
Deze deelnemers mogen niet aan de eindronde meedoen, maar het scheelde maar weinig. Het lijstje is dus vooral bedoeld als aanmoediging.

1e ronde
3e plaats: Jeanet van Omme (1960)

2e ronde
3e/4e plaats: Michelle Brouwer (1991) en Jordi Lammers (1996)

3e ronde
3e plaats: Els Driessen (1963)

4e ronde
3e plaats: Pieter Olde Rikkert (1993)

5e ronde
3e/4e plaats: Arjan Keene (1963) en Elly Stolwijk (1957)

6e ronde
3e/4e plaats: Annette Akkerman (1962) en Rik Sprenkels (1988)

Eerst maar eens bestaan op papier

 

Negen jaar geleden won Vicky Francken (1989) de Meander Dichtersprijs. Onlangs verscheen haar debuutbundel Röntgenfotomodel bij De Bezige Bij.

Begin 2008 won je de Meander Dichtersprijs. Begin 2017 verschijnt je debuutbundel. Wat is er in die negen jaar gebeurd?
In het voorjaar van 2008 was ik heel tevreden toen Hollands Maandblad een paar gedichten van me wilde opnemen. Vanaf dat moment stuurde ik Bastiaan Bommeljé regelmatig wat gedichten en werden er meerdere bijdragen gepubliceerd. In 2009 mocht ik daarvoor de Hollands Maandblad Schrijversbeurs voor Poëzie in ontvangst nemen. Een prachtige stimulans natuurlijk. In de jaren daarna verschenen er, naast af en toe in Hollands Maandblad, ook gedichten in het Liegend Konijn, Tirade en Revisor, maar met grotere tussenpozen. Ik studeerde Frans en vertaalwetenschap aan de Universiteit Utrecht en legde me naast het schrijven steeds meer toe op literair vertalen. De liefde voor poëzie verdween geenszins, maar mijn eigen woorden stonden even op de achtergrond. Ook heel prettig eigenlijk.
In 2013 werd ik benaderd door de Bezige Bij en in oktober 2015 tekende ik het contract voor mijn eerste dichtbundel. In november 2016 leverde ik mijn bundel in en nu, in januari 2017, zal hij daadwerkelijk verschijnen. Misschien is het allemaal niet zo snel gegaan als had gekund of werd verwacht, maar daar heb ik geen spijt van. Nu is het goede moment. En bovendien, een zekere traagheid past me wel, niet voor niets citeer ik graag Vasalis: ‘Ik droomde, dat ik langzaam leefde… / langzamer dan de oudste steen.’

Waarom koos je voor Frans en vertaalwetenschap als studie?
In de brugklas had ik een heel goede lerares Frans, die dat jaar ook mijn mentor was. Daar begon mijn enthousiasme. Later, toen ik in de bovenbouw een exact vakkenpakket koos, voegde ik daar zoveel mogelijk talen aan toe. Aan het eind van de middelbare school besloot ik toch Frans te gaan studeren, omdat ik op die manier mijn liefde voor taal en literatuur kon combineren. En daarnaast vond ik het een mooi idee dat ik zo gevoelsmatig dichter bij mijn van oorsprong Belgische en tweetalige oma was – zij was toen al een paar jaar overleden, maar ik dacht regelmatig aan haar.
Tijdens de studie Frans vond ik zowel de colleges taalwetenschap als literatuur erg interessant. De master Literair Vertalen aan de Universiteit Utrecht was toen net in oprichting, dus ik volgde vakken literair vertalen waar ik kon.

Wat heb je zoal vertaald?
Proza en poëzie van o.a. Jean-Michel Espitallier en Amélie Prévost voor de literaire tijdschriften Terras, Kluger Hans, nY en de websites van The Chronicles en De Gids. In 2013 verscheen bij Prometheus een vertaling uit het Engels van The Valley of Amazement van Amy Tan, waar ik samen met Roland Fagel aan heb gewerkt. Onlangs nog was ik gastredactielid van Terras en heb ik samen met Kim Andringa een hedendaags Frans poëziedossier samengesteld. Daarvoor vertaalde ik gedichten van de in Nederland niet eerder op papier verschenen Jérôme Game en Sandra Moussempès.

Je vertelt ‘in oktober 2015 tekende ik het contract voor mijn eerste dichtbundel. In november 2016 leverde ik mijn bundel in’. Hoe verloopt zo’n jaar? Gebruikte je gedichten die je al voor oktober 2015 had geschreven of begon je met een schone lei? Had je meteen een samenhang in de gedichten voor ogen? Was een jaar gepland of wist je vooraf niet hoe lang het zou duren? En: heb je onderweg wel eens gedacht dat je last had van superbia (om een woord uit je bundel te gebruiken) om te denken dat je een bundel kon schrijven?
Er staan zeker ook gedichten van vóór oktober 2015 in, al heb ik wel een strenge selectie gemaakt, er zijn ook veel gedichten afgevallen. Daarnaast heb ik veel nieuws geschreven, toen ik bepaalde thematische lijnen voor me zag. Wat die superbia betreft: daar heeft het me eigenlijk nogal lang aan ontbroken. Het heeft niet voor niets jaren geduurd voordat ik de sprong durfde te wagen.

Het gedicht ‘Naast’ in je bundel begint met: ‘Je moet naast een ster kijken om hem het beste te kunnen zien / maar je moet wel weten dat je je blik omhoog richt.’ En verderop staat er: ‘Om te kunnen schrijven moet je niet nadenken over de geboorte / van je gedachten / anders worden ze dood geboren.’
Hoe heb je je de vaardigheid om ernaast te kijken eigen gemaakt?
Ik vrees dat ik dat nog steeds niet altijd of niet volledig onder de knie heb. Soms lukt het me om het cijferslot open te draaien. Zo zie ik dat voor me: alsof mijn denken, als het púúr en alleen denken blijft, ergens aan vastgeketend is. Geboeid – maar op de verkeerde manier. Beperkend. Het gedicht ‘Naast’ gaat inderdaad over die worsteling: als je zonder beperkende gedachten wilt schrijven, is dat een voornemen dat je in gedachten formuleert, waardoor de kwaal en het medicijn dezelfde zijn. Misschien ontkom je daar uiteindelijk ook niet aan. Ik heb in ieder geval nog geen universeel en tijdloos tegengif gevonden.

Maar nu komt toch je eerste bundel uit. De persoon in het titelgedicht ‘Röntgenfotomodel’ wordt grondig doorgelicht. ‘Je ligt op bed als op carbonpapier. / Je laat je sporen na.’ Voel je je als dichter soms ook zo? En misschien vooral nu je bundel gaat verschijnen?
Nee, eigenlijk niet. Het idee kwam ergens anders vandaan en ook nu ik erover nadenk, heeft dit voor mij niet zozeer met schrijven te maken.
Poëzie is volgens mij fictie en non-fictie tegelijk. Non-fictie, omdat ik iets wil schrijven wat wáár is, in zekere zin, en dan bedoel ik uitdrukkelijk níet waargebéurd, eerder: waarachtig. Hoewel die waarachtigheid dan ook weer kan zitten in de rookgordijnen die je optrekt, de vervreemding, dat wat niet klopt. Fictie, omdat geen gedicht terug te voeren is naar de absolute werkelijkheid. Ik breng geen verslag uit. Een gedicht is een heel klein op zichzelf staand universum. Met eigen wetten, eigen regels, eigen (on)mogelijkheden. En dat carbonpapier was misschien vooral bedoeld als passieve voetafdruk: je bent er en dat zien we aan de sporen die je achterlaat, ook al verzet je geen voet en gaat je spoor nergens heen.

Om bekend te worden als kunstenaar is het niet genoeg om mooie kunst te maken. Je moet tegenwoordig duidelijk aanwezig zijn in de media en daar onbekommerd je mening vertegenwoordigen. Zie Ellen Deckwitz. Heb jij ook plannen op dit gebied?
Ik vind het fantastisch wat Ellen Deckwitz voor de literatuur en in het bijzonder voor de poëzie doet. Ze weet niet alleen toekomstige lezers over de poëziedrempel te tillen, maar schrijft ook meeslepend voor de verstokte liefhebbers. Ik geloof niet dat ik zelf veel talent bezit voor grootse aanwezigheid en daar ligt momenteel mijn ambitie ook niet. Eerst maar eens bestaan op papier.

Er staan mooie gedichten in je bundel, vind ik. Neem het begin van het gedicht ‘Het eerste ontbijt’: Ontwaken van jewelste, vogels zetten het zonder vleugels / op een lopen en we horen ergens / van het baltsend vechtend vliegend hert / dat er een ei is uitgelekt.
Recensenten en uitgevers kunnen in een paar zinnen een bundel samenvatten. Mij lukt dat niet, maar wat me opviel is dat er een soort van gelatenheid uit de gedichten spreekt. Dat lees ik in regels als ‘wat win je / als je wint’, ‘ik stroom maar verplaats me / trager dan water’, ‘was ik maar een zwaard of hamer / sloeg ik niet gade’, ‘kijk, grijze lucht kondigt ons aan’, ‘wachten tot de troef wordt uitgespeeld’, ‘stel ik me open / dan stel ik mij samen / uit wat me omringt // en trek ik me terug’.
Al zijn er ook regels als ‘ik moet haastig en dagelijks / een schitterend kind baren’ en vooral ‘ik ben geen dader / maar zou dader willen zijn // doen is belangrijk’.
Zegt het feit dat deze gelatenheid me opviel wat over je bundel? Of toch meer over hoe ik het lees?
Ik denk dat je gelijk hebt, er spreekt inderdaad een zekere gelatenheid uit sommige zinnen. Maar het feit dat die spréékt, is natuurlijk lang zo gelaten niet. Die spanning tussen observatie, gedachte en reactie zou wel eens de gemene deler van mijn gedichten kunnen zijn. Nu we het hier over hebben, besef ik ineens: je hebt gelaten en geladen. De gelatenheid die je benoemt is geladen. Er wordt niet enkel ondergaan, er gebeurt ook iets en er is het verlangen om ‘dader’ te zijn, want ‘doen is belangrijk’. Al met al gaat het om een krachtenveld, denk ik, bestaande uit soms tegengestelde en soms elkaar versterkende krachten, die allemaal zoeken naar de juiste hoek, naar de juiste werking, naar de sterkste twijfelende stem.

Je portret staat op de site van je uitgever tussen die van vooraanstaande auteurs. Doet je dat wat? Ik zou in zo’n geval heel trots op mezelf zijn!
Het is inderdaad heel bijzonder om ineens ‘auteur’ te zijn, althans, om zo genoemd te worden. Maar ook al schrijf ik al even, met dit debuut kom ik pas net kijken. De uitgeverij geeft zoveel getalenteerde en ook zeer ervaren auteurs uit, dat ik me echt niet met hen kan of wil vergelijken. Soms heb ik nog steeds het idee nog maar net uit het ei gekropen te zijn. Maar eerlijk is eerlijk, al met al ben ik natuurlijk wel heel blij dat ik nu bij het poëziefonds van de Bezige Bij mag horen. Eenmaal uit je ei gekropen is dat zeker een geweldig nest.

 

Interview met Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre

‘Wat zegt dat over de taal die we allemaal spreken?’

Kort geleden verscheen Dichters van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw.
Vierentwintig dichters, van wie de debuutbundel in deze eeuw verscheen, worden besproken door evenzoveel literatuurwetenschappers. Rob de Vos stuurde een aantal vragen aan de samenstellers: Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre. Vragen over de poëzie van nu, over wat het boek daarover beweert en over de literatuurwetenschap.

 

Voor wie is het boek bedoeld?

Sarah: Voor iedereen die meer wil weten over de hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Het is, vind ik, onze kerntaak als literatuurwetenschappers om aan een breed publiek te tonen op welke manieren je poëzie kunt lezen en hoe je er met elkaar over kunt praten. Ik hoop dat we daarin geslaagd zijn door een divers boek samen te stellen, met verschillende kritische stemmen en over verschillende dichterlijke stemmen. Het boek kan gebruikt worden in letterkundeopleidingen maar het is geen syllabus. De hoofdstukken zijn niet opgehangen aan letterkundige concepten maar aan auteurs. De kans is groot dat de lezers al één of meerdere auteurs aan het werk hebben gezien of gehoord op een festival of in de media. Wanneer er in de hoofdstukken naar een theoretisch of academisch debat wordt verwezen, is dat steeds met de nodige uitleg en context. En de gedichten die voor elk hoofdstuk worden geciteerd stellen de lezers bovendien in staat mee te denken met de auteur.

Jeroen: Hoewel dit boek zoals gezegd bedoeld is voor iedereen die meer wil weten over Nederlandstalige dichters in de 21e eeuw, is het idee ervoor in een specifieke onderwijssituatie ontstaan. Een aantal jaar geleden gaf ik aan de universiteit een cursus over actuele Nederlandstalige poëzie. Het bleek toen een tour de force om geschikte literatuur te vinden om aan de studenten voor te schrijven. Buiten de nodige recensies vond ik praktisch niets, hetgeen de kwaliteit van de discussies in de colleges niet altijd ten goede kwam. Om een recente bundel van een bepaalde dichter goed te kunnen doorgronden, is namelijk een zekere vertrouwdheid met het eerdere werk van belang. Dichters van het nieuwe millennium voorziet dan ook in overzichtsessays over de vaak jonge oeuvres van hedendaagse dichters, die als basis voor een eerste kennismaking en een verdere discussie kunnen dienen. Natuurlijk staat daarbij voorop dat de besproken poëzie de basis voor de échte kennismaking vormt.

Is er nog een plaats voor de schoonheid en de troost in de poëzie? Ik vind daar zo weinig over in dit boek.

Sarah: Natuurlijk, maar door niet voor de traditionele lyrische insteek te kiezen en bijvoorbeeld ook in te gaan op het postuur van de auteurs (hoe ze hun dichterschap zien en hoe ze door hun collega’s en publiek worden gezien) en op het multimediale karakter van hedendaagse poëzie, willen we tonen dat het niet vastligt wat poëzie is. Dat wordt bepaald door de gemeenschap: door de dichters, door de lezers en door de technologie van de 21e eeuw, die de manier waarop poëzie gemaakt en geapprecieerd wordt grondig heeft veranderd. Tegelijk stellen we ook dat het lyrisch subject nog steeds het grote onderwerp is van de hedendaagse poëzie. De dichters die we bespreken geven lezers beelden, verhalen en ritmes om eenzaamheid, liefdesverdriet en verlangen naar een thuis te duiden. De auteurs van de hoofdstukken over die dichters tonen de lezers hoe we die beelden, verhalen en ritmes kunnen begrijpen als deel van een poëtische traditie en als reflecties op een bepaalde historische situatie.

Jeroen: ‘Schoonheid’ en ‘troost’ zijn aan de ene kant typisch universele begrippen, althans in de westerse cultuurgeschiedenis, die inderdaad nog altijd een rol spelen in hedendaagse poëzie. Het zijn echter ook begrippen die bij uitstek passen in een romantische poëtica. Ik denk bijvoorbeeld aan Willem Kloos, die in zijn Verzen (1894) over de dood proclameerde: “Wee, wie die snel-gewiekte schaduw derven, / Geen menschlijk woord, dat troost in ’t hart hun giet”. Dat soort expressies was in Kloos’ poëzieopvatting nog van fundamenteel belang, maar veel dichters uit ons boek staan eerder sceptisch tegenover een traditie waarin poëtisch taalgebruik een allerindividueelste emotie oproept die op haar beurt leidt tot ontroering en vervoering. Ze benaderen taal, en daarmee poëzie, eerder als een concept dan als een Esthetisch Artefact (met hoofdletters), en denken voortdurend na over de vraag hoe dat concept in wisselwerking staat met de wereld waarin zij leven. Misschien is het daarom dat je in Dichters van het nieuwe millennium wat minder leest over schoonheid en troost, ten opzichte van bijvoorbeeld taalfilosofie en engagement.

Ook in dit millennium is tot nu toe popmuziek nog veel populairder dan poëzie. Hoe zal dat komen?

Kila: Popmuziek is inderdaad veel meer mainstream dan poëzie. In Europa en Noord-Amerika althans. In het Midden-Oosten en in Midden- en Zuid-Amerika staat poëzie veel dichterbij mainstream populaire cultuur. Echter, ook in Nederland en Vlaanderen liggen poëzie en muziek dicht bij elkaar, dat is ook te zien aan de dichters in het boek: Ramsey Nasr maakte als Dichters des Vaderlands gelegenheidsgedichten in de vorm van een smartlap en een wiegelied, Els Moors schreef liederen, Annemarie Estor maakte teksten voor musici en Lies van Gasse, Hélène Gelèns en Mark Boog traden op met musici en dansers. Andersom kennen de twee genres ook overeenkomsten: verschillende Nederlandstalige songteksten worden als poëzie beschouwd en de rapcultuur is verwant aan het poëziecircuit. Afgelopen juli zei de negentienjarige rapper Sevn Alias nog in een interview in NRC Next: ‘Men noemt het straatrap, ik noem het poëzie’.

Jeroen: Ik denk dat je ook niet moet onderschatten dat aan poëzie een aantal stigma’s kleeft. Als ik met jongeren over gedichten spreek, komen er steevast twee terug: poëzie is vaag of ingewikkeld, en poëzie is voor eenzame zielen. Tegelijkertijd geven diezelfde jongeren aan dat ze het ‘tof’ zouden vinden als ze meer van gedichten begrepen, alleen staan hun daartoe maar weinig middelen ter beschikking. De vergelijking met popmuziek vind ik daarnaast nogal problematisch. Aan popmuziek valt namelijk niet te ontsnappen: loop een winkel binnen en je hoort een hitparadeliedje; zet een autoradio aan en daar klinken Coldplay en Justin Bieber. Ook poëzie is natuurlijk in de openbare ruimte te vinden, maar ze is daar veel minder alomtegenwoordig dan popmuziek. Naar de meeste poëzie zul je toch echt actief op zoek moeten.

Poëzie wordt tegenwoordig vooral ook voorgedragen. (Alle dichters in dit boek dragen hun werk voor.) Dat vind ik nogal opmerkelijk. Veel van deze dichters schrijven werk dat niet in een klap verstaanbaar is. Het vraagt tijd en herlezen om gedichten bij je binnen te laten komen. Hoe kan hetzelfde worden bereikt bij een keer voorlezen?

Kila: Eigenlijk is het niet zo opmerkelijk dat alle dichters in dit boek hun werk voordragen. De literaire cultuur van gesproken poëzie kan als een constante worden gezien in de literatuurgeschiedenis: van troubadours, minnezangers, sprooksprekers, minstrelen en rederijkers, via de levendige sociabiliteit in de 19e eeuw, de experimentele poëzievoorstellingen in de jaren twintig, poëzie op de radio in de jaren dertig, de poëzieperformances van de Vijftigers, de poëziehappenings in de jaren zestig, via de opkomst van grote poëziefestivals in de jaren zeventig, de rap- en poppoëzie in de jaren tachtig, de poetry slam in de jaren negentig, naar de virale poëzievideo’s van nu. Er wordt vaak gedacht dat de Tachtigers met hun ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ ook de ‘allerindividueelste’ manier voorstonden om poëzie tot je te nemen – met een boekje in een hoekje – maar ook de meeste Tachtigers droegen hun gedichten voor op podia. De poëziegeschiedenis is bezaaid met citaten van dichters over het feit dat je poëzie niet moet lezen, maar horen.
Meer nog dan het feit dat misschien niet alle poëzie zich leent voor voordracht is het zo dat niet alle dichters goed kunnen voordragen, al lopen de meningen daarover natuurlijk uiteen. Dat poëzie verstaanbaar moet zijn om voorgedragen te worden is echter niet juist. Kijk naar de Vijftigers, die met hun avant-gardistische poëzievoordrachten zelfs op tournee gingen, of naar hedendaagse performers als Jaap Blonk. Daarnaast heeft de uitvinding van de geluidsopname ervoor gezorgd dat we ook voorgedragen poëzie tot in het oneindige kunnen terugluisteren ‘om gedichten bij je binnen te laten komen’, zoals je het omschrijft. Door geluidsopname is ‘close listening’ mogelijk, in de termen van Charles Bernstein. Poëziefestivals zoals De Nacht van de Poëzie en Poetry International plaatsen na afloop video-opnames van de voordrachten online, zodat de poëzie gratis ‘herbeluisterd’ kan worden. Natuurlijk staan op die festivals ook altijd boekenstands, voor iedereen die de gedichten toch wil lezen. Aan de verkoop van poëziebundels te zien vinden echter niet overdonderend veel mensen dat nodig. Wat dat betreft had Paul van Ostaijen in 1922 al gelijk: ‘Boeken: een libretto-brosjuurtje voor de mensen die het per se willen hebben.’

Dichters zoeken steeds meer het publiek op in de vorm van festivals, Gedichtendag, de poëzieweek enzovoort. Als je met een aantal dichters bevriend bent op Facebook, vraag je je na het lezen van al hun berichten af waar ze de tijd vandaan halen om ooit nog een gedicht te schrijven. Ze zijn voortdurend op pad. Ze trekken in bussen de lage landen door, dragen gedichten voor op treinen en in geen enkel park kun je ze nog ontlopen.
Tegelijkertijd is de poëzie er in dit millennium niet eenvoudiger op geworden. Het is een spel op een behoorlijk hoog intellectueel niveau, blijkt ook uit jullie boek.
Hoe vallen deze twee ontwikkelingen te rijmen?

Kila: Veel dichters zijn inderdaad cultureel ondernemers. In het boek wordt dat aspect van het dichterschap in de 21e eeuw misschien wel het best uiteengezet door Elke Depreter in haar hoofdstuk over Ellen Deckwitz. Hedendaagse dichters beoefenen zelden één afgebakend beroep, verspreiden hun poëzie zelden in één medium, schrijven zelden één genre. Daarmee weerspiegelen ze ook een groot deel van hun publiek, dat bestaat uit culturele omnivoren die cultuuruitingen uit alle lagen en registers tot zich nemen in alle mogelijke media. De poëzie die via de vele (landelijke) manifestaties wordt aangeboden gaat mee in die grote variatie. Niet alles wat een groot publiek bereikt is complex of van ‘een behoorlijk hoog intellectueel niveau’, zoals jij het stelt. Ik denk aan het werk van Nico Dijkshoorn bij De Wereld Draait Door en aan De Versjes van Lars op social media. Maar het is zeker ook niet zo dat alles wat populair is toegankelijk of makkelijk is. Kijk bijvoorbeeld naar de poëzie van Dichter des Vaderlands Anne Vegter of de gedichten die al bijna vier decennia lang worden verspreid op posters, kussenslopen en andere gebruiksvoorwerpen door Plint.

Sarah: ‘Een behoorlijk hoog intellectueel niveau’ betekent ook niet dat er aan hogere wiskunde wordt gedaan. De meeste dichters, en zeker de dichters in ons boek, spreken de taal die we allemaal spreken. Ze doen er bijzondere dingen mee, maar ze vinden doorgaans geen nieuwe taal uit. Ik vind dat er soms al te betuttelend wordt gesproken over ‘het brede publiek.’ Dat publiek kan lezen en denken. Poëzie kun je bovendien op verschillende manieren gebruiken: je kunt er in je eentje schoonheid of troost in zoeken, een discussie over de toestand van de wereld mee voeden, of je studenten tonen dat wat dichters produceren niet zo gek veel verschilt van wat een Typhoon of Tourist LeMC doet.

Jeroen: Ik vraag me overigens af of die ontwikkeling naar een hoger intellectueel niveau wel klopt. Ik heb juist de indruk dat er de laatste jaren veel dichters zijn opgestaan die geen duidelijk poëticaal of theoretisch omlijnd programma uitdragen. Er zijn nog steeds dichters wier werk nauwelijks te begrijpen valt zonder dat je je hebt verdiept in de filosofie van Badiou of Rancière, of die je dwingen na te denken over de vraag wat marxisme nog betekent in de 21 e eeuw, maar daar staan tal van auteurs tegenover voor wie de band met theorie minder belangrijk is. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hun werk geen intellectuele diepgang heeft, maar deze dichters lijken zich minder om cultuurtheoretische trends of tradities te bekommeren – zoals vaak ook blijkt uit hun geringe essayistische productie op dat vlak. De meeste ‘moeilijke’ poëzie uit de vorige eeuw benaderen we nu net vanuit zulke essays – denk aan ‘Rifbouw’ van Van Bastelaere, Kouwenaars inleiding op Vijf 5 tigers of de ‘Gebruiksaanwijzing der Lyriek’ van Van Ostaijen.
Mocht er trouwens wél een ontwikkeling naar moeilijker poëzie zijn, dan zie ik nog steeds geen conflict met de groeiende populariteit van het voordrachtscircuit. In een performance gaat het er niet alleen om wat je brengt – de boodschap, dus – maar vooral ook om hoe je het brengt. Iemand als Martijn Teerlinck was een zeer begenadigd performer die grote groepen mensen aan zijn lippen gekluisterd hield, maar ik durf te betwijfelen of zij achteraf precies begrepen wat ze gehoord hadden (ik meestal niet in elk geval). Hoe ‘moeilijk’ sommige poëzie ook is: op een podium kunnen ritme, klank en voordraagstem de meest hardnekkige interpretatiedrang een halt toeroepen.

In de inleiding gaan jullie in op ontwikkelingen in het onderwijs. Dat is minder autoritair (of zelfs anti-autoritair) van opzet geworden en de creativiteit van het kind wordt bevorderd. Dan schrijven jullie:  Ondertussen, en daar attenderen Juliana Spahr en Joan Retallack ons op met hun boek Poetry and Pedagogy (2006), lijkt bijna niemand stil te staan bij de manier waarop de nieuwe, anti-autoritaire pedagogie een even smorend effect kan hebben: ‘The student who must question all authority must become the ultimate skeptic and therefore, paradoxically, cannot assume a critical stance toward the pedagogy of self-expression s/he is offered as an instrument of freedom’. 
De logica van de geciteerde uitspraak ontgaat me. Hoe werkt dat dan?

Sarah: Dat hangt samen met wat ik daarnet probeerde te zeggen over de taal die we allemaal spreken. Vroeger was het idee van een opvoeding dat er naar een burgermodel, en dus naar een gemeenschap, moest worden toegewerkt. Daar is in de jaren zestig en zeventig terecht tegen geprotesteerd: burgerzin werd gezien als een verouderd keurslijf. De reactie daarop was, zeker in de Amerikaanse context waarover Spahr en Retallack het hebben maar ook in Nederland en België, het centraal stellen van het individu met een eigen mening en een eigen traject. Dat leidde tot een democratisering van het onderwijs maar het zorgde er ook voor dat het gesprek over gemeenschap op losse schroeven is komen te staan. De paradox waarop Spahr en Retallack wijzen is dat de pedagogische focus op het individu, die natuurlijk samenhangt met een breder tijdsklimaat, dat individu niet in staat heeft gesteld zich kritisch te verhouden tot een neoliberale ideologie. ‘Vrije’ individuen zullen zelf wel beslissen wat ze kopen en zich niet snel laten bestempelen als behorend tot de een of andere groep – en dus ook nooit de macht hebben om als groep te protesteren en het systeem omver te werpen. Via de poëzie, betogen Spahr en Retallack, kunnen lezers nadenken over een collectieve, maar geen eenvormige, identiteit. Dat is ook waartoe wij met dit boek willen aanzetten. Hoe herkenbaar is de poëtische ik-figuur voor verschillende lezers? Waarom gebruikt een dichter reclameslogans en wat zegt dat over de taal die we allemaal spreken?

Ilja Leonhard Pfeijffer schreef in 2003 over het werk van Geert Buelens: ‘slimme poëzie […] van het type dat kenners niet durven te bekritiseren. Ze snappen er niets van, maar zijn bang dat toe te geven omdat de gedichten eruitzien als echte gedichten met een diepzinnige boodschap en goed doordacht woordspel’.
In hoeverre verwachten jullie dat men over twintig, dertig jaar over nogal wat dichters uit jullie selectie zag zeggen, dat ze in hun tijd werden overgewaardeerd?

Sarah: Geen idee. Verschillende stemmen uit de literaire kritiek zullen er altijd verschillende meningen op na houden – en gelukkig maar, een levendige literaire kritiek draait op verschil. De laatste jaren heeft de literaire kritiek door en op het internet wat mij betreft zeer hoopvolle nieuwe impulsen gekregen. De poëzieblog van Jeroen Mettes was heel belangrijk omdat hij de Nederlandstalige poëzie las vanuit een internationaal en politiek-theoretisch perspectief. Op Meander, De Reactor, Samplekanon en het recent opgerichte Klecks wordt door diverse recensenten veel poëzie grondig gelezen en goed besproken. En daarnaast heb je natuurlijk nog steeds de papieren tijdschriften. Een goede bespreking is er een waarin de recensent zonder angst toont wat de bundel wil doen, hoe de dichter daarin slaagt of faalt, en wat het allemaal betekent. En aangezien betekenis altijd ontstaat in een context, en die context per definitie veranderlijk is, zijn we nog lang niet klaar met het spreken over poëzie.

Jeroen: Als het citaat van Pfeijffer leidend is, dan zouden we moeten concluderen dat we met Buelens juist een ondergewaardeerde dichter hebben opgenomen. Verder houd ik me niet zo bezig met de vraag of de geselecteerde dichters over dertig jaar een plaats in de canon verworven hebben. Met Dichters van het nieuwe millennium hebben we geprobeerd een dwarsdoorsnede van de Nederlandstalige poëzie in de 21e eeuw uit te lichten, waarbij we als geen ander beseffen dat we daarmee zaken buiten beschouwing laten of juist dichters incorporeren die een andere samensteller weggelaten zou hebben. De verwijzing naar het genre van het stiftgedicht op de voorkant maakt dat ook duidelijk: selecteren betekent altijd wegstrepen. Als mensen zich over dertig jaar over ons boek buigen, zullen ze ongetwijfeld iets zinnigs kunnen zeggen over de keuzes die wij hebben gemaakt. In elk geval hebben ze dan tenminste een historische bron in handen die iets zegt over wie drie jonge literatuurwetenschappers destijds interessant genoeg achtten voor een nader commentaar.

Heeft de literatuurwetenschap objectieve, wetenschappelijk methoden om te bepalen of een tekst, bijvoorbeeld poëzie, kwaliteit heeft? Of gaat men vooral af op de meningen van degenen die worden geacht hier iets zinnigs over te kunnen zeggen?

Kila: Ik denk dat er geen objectieve, wetenschappelijke methoden bestaan om te bepalen of welke cultuuruiting dan ook kwaliteit heeft. Ik zie het ook niet als de taak van de geesteswetenschappen in het algemeen of de literatuurwetenschap in het bijzonder om daar überhaupt naar te streven. Het ingewikkelde is dat de literatuurkritiek daar wel naar streeft en deels wordt geschreven door mensen die ook werkzaam zijn als literatuurwetenschapper. Voor Dichters van het nieuwe millennium hebben we de 24 auteurs gevraagd om een overzicht te geven van de manier waarop de poëzie in kwestie is ontvangen door de literaire kritiek en daarop te reflecteren. Die vraag heeft geresulteerd in boeiende beschouwingen over hoe dichters en hun poëzie zijn ontvangen, welke invloed de toekenning van prijzen heeft gehad op hun posture en de verhouding tussen poëziekritiek op het internet en in papieren media.

Sarah: Nee, geen objectieve methodes, of toch niet de objectieve methodes zoals we die kennen uit, of toeschrijven aan, de harde wetenschappen. Objectiviteit is het spook dat de geesteswetenschappen blijft achtervolgen. Bij Wilhelm Dilthey, de grondlegger van de geesteswetenschappen, ligt de specificiteit van de geesteswetenschappen juist in het onophoudelijke interpreteren. Poëzie, romans, theater, geschiedkundig en beschouwend werk, de beeldende kunsten, al die disciplines vatten de manier waarop individuen, altijd als deel van grotere gemeenschappen, het leven voorstellen. En de commentaren daarop, de literatuur- of kunstkritiek, maakt daar eigenlijk deel van uit. De academische literatuurkritiek reikt ons lenzen aan om op verschillende manieren te kijken naar die spanning tussen tekst/kunstwerk en context, maar is zelf ook altijd het product van een bepaalde context. De meer essayerende literatuurkritiek bevraagt met meer nadruk dan de vaak historische inslag van de academische literatuurstudie onze tijd. Ook in de ‘harde wetenschappen’ wordt de manier waarop je naar iets kijkt natuurlijk aangestuurd door de context waarin je je als wetenschapper bevindt. Maar in de geesteswetenschappen ligt de nadruk niet zozeer op bewijzen en formules, waar de hele wetenschappelijke gemeenschap mee verder kan, als wel op de vraag op welke manieren je als gemeenschap naar expressievormen kunt kijken. Dat streven naar een gedeelde blik is ook een objectiveringsproces. Literatuurkritiek zonder wetenschappelijke ambities kan de subjectieve leeservaring centraler zetten en ook de vraag stellen of een tekst ‘goed’ is. Wat er onder ‘goed’ wordt verstaan hangt af van de positie van de criticus. Wat verlangt hij of zij van literatuur en waarom? De beste literatuurkritiek weet op die manier brede inzichten te creëren.

Uit het voorwoord krijg ik de indruk dat jullie een positieve betekenis toekennen aan discussie op internet. Ik zie dat -ook waar het over poëzie gaat- niet zo. Bij een zinnige discussie stel ik me voor dat iemand zegt ‘A beweert X en dat klopt niet omdat …’, maar de redenering op internet is meestal ‘A beweert Y en A is een lul dus Y slaat nergens op’. (De kritiek van Chrétien Breukers op jullie boek is daarvan een voorbeeld.) Zie ik dat verkeerd?

Kila: Niet alle discussies over poëzie op het internet zijn even zinnig inderdaad. Toch speelt het medium een steeds grotere rol in de manier waarop poëzie ontvangen wordt. Dichters, gedichten, uitgaven en genres waar de papieren media niet over schrijven, zoals poetry slam en poëzie op geluidsdragers, krijgen online wel kritische aandacht. Ook kunnen online discussies resulteren in veranderingen in andere media. Een concreet voorbeeld is dat Jos Joosten onlangs een Facebookpost schreef over het feit dat sommige online poëzierecensies van hogere kwaliteit zijn dan de meeste poëzierecensies in landelijke kranten. Hij gaf als voorbeeld de manier waarop de poëzie van Maarten van der Graaff besproken is op de website DeLeesfabriek.nl in vergelijking met in het NRC, een aspect dat hij ook in Dichters van het nieuwe millennium aankaart. Binnen 24 uur had het NRC dit opgepikt en werd Obe Alkema, de jonge criticus die voor DeLeesfabriek.nl over Van der Graaff had geschreven, uitgenodigd om over poëzie te schrijven voor het NRC.

Jeroen: Het lijkt mij een drogbeeld dat er op internet alleen gescholden wordt. Er zijn inmiddels verschillende onderzoeken gedaan naar de vorm en inhoud van online literatuurkritiek en daaruit blijkt dat er online minstens zo veel wordt geargumenteerd als in bijvoorbeeld kranten, en soms zelfs meer. Feit blijft natuurlijk dat iedereen op internet op persoonlijke titel zijn of haar zegje kan doen, en soms resulteert dat inderdaad in persoonlijke aanvallen die weinig met reflectie op poëzie te maken hebben (maar vaak wel geestig zijn om te lezen). Intussen verschijnen er echter genoeg zinnige bijdragen aan de discussie, en die kennen wij graag een positieve betekenis toe. Zeker in het hedendaagse mediaveld, waarin de ruimte voor gedrukte commentaren op poëzie meer en meer inkrimpt, mogen we blij zijn dat zich online scherpe stemmen beginnen te roeren.

Poëzie wordt, zoals jullie schrijven, steeds meer multimediaal. (Geldt dat ook voor proza trouwens?) Wat betekent dit voor het begrip literatuur en dus voor de literatuurwetenschap? Worden de overlappingen met bijvoorbeeld de film- en theaterwetenschappen steeds groter? Is dan het onderscheid nog wel zinnig?

Kila: Het betekent in ieder geval dat het idee op losse schroeven komt te staan dat poëzie vooral aan het medium ‘boek’ verbonden is. Als de literatuurwetenschap deze gedachtegang volgt zal het vakgebied inderdaad multidisciplinairder worden. We zullen methodologieën van andere vakgebieden moeten lenen en aanpassen. Een van de boeiendste vraagstukken van dit moment, vind ik, is hoe de toekomst van de literatuurwetenschap eruit ziet. Gaan we op in een ander vakgebied (mediastudies, cultural studies, digital studies)? Ontstaat er een nieuw, breder vakgebied? Of veranderen enkel de opvattingen over wat literatuur is en blijft de term ‘literatuurwetenschap’ bestaan?

Sarah: We zullen in elk geval blijven lezen, blijven interpreteren. Welke naam je daarop plakt is minder belangrijk dan de vragen die je je stelt. Volgens mij kunnen we nog wel een paar eeuwen verder met de vraag ‘wat betekent gedicht x?’, hoe gedicht x er ook mag uitzien.

Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre (red.) (2016). Dichters van het nieuwe millennium. Uitgeverij Vantilt. ISBN 9789460042669