Recensie van Vertraagd stilleven - Dorien De Vylder

Gedurfde eenvoud

Dorien De Vylder
Vertraagd stilleven
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015885
€ 17,95
-/- blz.

Het debuut van Dorien De Vylder is sober uitgegeven. Een roomwitte, bijna vierkante bundel. Grijs de naam van de auteur, de titel van de bundel in reliëf aangebracht, zonder kleur. En wat voor een titel! Terwijl een stilleven per definitie geen beweging kent, spreekt de dichter van een ‘vertraagd’ stilleven.

VROEGSTE HERINNERING

Je zit hier zolang je je kan herinneren.
Al je herinneringen lijken op elkaar.

Als je je verroert, voel je ze
schuren in je liezen.

Het tweede gedicht uit de bundel borduurt voort op het eerste gedicht, dat opent met ‘Je zit hier al altijd.’ De dichter lijkt een mate van stilstand na te streven, eenvoudigweg door te constateren dat die stilstand er is. De tweede persoon enkelvoud ‘je’ lijkt hier een vorm waarmee de dichter zichzelf toespreekt (verhuld ik). Het is ook een manier van schrijven, waardoor de lezer meer uitgenodigd wordt de beschreven ervaring op zichzelf te betrekken. Zou er staan: ‘Ik zit hier zolang ik me kan herinneren. / Al mijn herinneringen lijken op elkaar.’ dan wordt de waarneming veel anekdotischer, en roept deze ook een soort ergernis op: blijf jij maar lekker zitten met je herinneringen, wat heb ik daarmee te maken? Pas wanneer de hoofdpersoon van het gedicht zich beweegt, wordt het gevoel van tijdloosheid doorbroken, en komen de herinneringen boven, hetgeen onderstreept wordt door het enjambement. Deze herinneringen kunnen ‘schuren’, kunnen zeer doen, vragen oproepen. Het ‘schuren’ heeft echter ook een letterlijke betekenis: ‘Vertraagd stilleven’ ontstond tijdens een rondreis door Andalusië in de nazomer van 2015 en een reis door het Atlasgebergte, van Marrakech naar de Sahara, in juni 2016.’ Veel brandende hitte dus in de bundel, en ja, ook veel zand.

De meeste gedichten zijn kort, een regel of acht. Sommige zelfs korter. De stilte of bewegingloosheid die uit veel gedichten spreekt, verdraagt zich slecht met veel woorden. ‘Er zijn dagen dat ik je slechts een zin te zeggen heb. / Een formidabele zin. / Een zin van weinig woorden. / Hoe schik ik de stilte daarrond?’ (uit: ‘Gesprek’). In dit voorlaatste gedicht uit de bundel heeft de ‘je’ opeens een hele andere betekenis gekregen, die van een andere persoon tot wie de dichter zich verhoudt, en die sluipend de bundel binnen is gekomen. Ik kom hier zo dadelijk op terug.
In de vele observaties plaatst de hoofdpersoon zich tegenover het landschap, tegenover de eeuwige natuur. Zij observeert ook mensen, maar dit blijven veelal passanten. De dichter ervaart zich als op zichzelf teruggeworpen. Dergelijke ‘stilstaande’ poëzie is niet zonder risico’s. Voor je het weet beland je bij tegeltjeswijsheden of andere open deuren. Bij Vertraagd stilleven heb ik dat gevoel nooit. Dit zijn niet zomaar regels die eventjes zijn neergeschreven. Misschien zijn de gedichten wel zo kort, omdat de dichter een meester is in het schrappen. Dit lezen we ook terug in het interview dat Laura Demelza Bosma voor Meander met de dichter had. Dorien De Vylder: ‘Ik heb in totaal twee jaren gewerkt aan Vertraagd stilleven: het eerste jaar zijn alle gedichten ontstaan. Vervolgens heb ik nog een jaar geschaafd.’ In één extreem geval heeft dat ertoe geleid, dat het gedicht verdwenen is, en slechts een voetnoot is overgebleven.

Een aantal woorden komt veelvuldig voor in deze bundel: water, rivier, steen, zitten, olijfboom en kuifeend (!). Ook je, ik en mij zijn belangrijke woorden. Een aantal gedichten benadert hetzelfde fenomeen vanuit een verschillende invalshoek, en geeft daarmee commentaar op elkaar. ‘Geduld’ eindigt met de zin: ‘Je zit hier niet te wachten.’ Het gedicht op de tegenoverliggende bladzij opent met de regels: ‘Je zit hier om het wachten voor te zijn. / Je neemt waar.’ In veel gedichten probeert de dichter de dingen te laten wat ze zijn, zonder oordeel, zonder ze in een begrip te willen vangen. Taaltechnisch een lastige opgave, want met elk woord, met elke zin gooi je een net over de werkelijkheid. ‘Je laat de olijfboom / een boom.’ (uit ‘Luchtspiegeling’) ‘Er is niet meer dan je ziet. / Maar er is meer dan je denkt.’ (uit: ‘Werkelijkheid’).

MADELIEFJE

Ik ben een gedachte, ik ben
geen gedachte, ik ben die gedachte, ik ben niet die gedachte.

Die drie palmen aan de overkant doen niets dan instemmend knikken.
Was ik maar gebleven,
dan had je me kunnen vragen of ik die gedachte ben, of niet.

Ik ben werkelijk. En als daarop had gevolgd:
Werkelijkheid van wie?
had ik in je arm gebeten.

Of er madeliefjes groeien in Andalusië of Noord-Afrika weet ik niet, het madeliefje komt verder in het gedicht niet voor. Maar een madeliefje kan ook in gedachten worden gebruikt om te beslissen wat waar is: zij-houdt-van-me / zij-houdt-niet-van-me enz. Zowel in de oosterse filosofie als in de neurowetenschappen wordt benadrukt dat we onze gedachten niet zijn. Victor Lamme, bekend van het boek De vrije wil bestaat niet, spreekt in dit verband van ‘kwebbeldoos’. In meditatie worden we aangespoord gedachten te laten voor wat ze zijn, als een wolk voorbij te laten drijven. De dichter blaast deze discussie nieuw leven in. Met het enjambement aan het eind van de eerste regel komt ook Descartes het gedicht binnenlopen. Het is al eerder gezegd: er is lang geslepen aan deze gedichten. Zo balanceert regel vijf kunstig op twee interpretaties. ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, of dat ik die gedachte niet ben. Of: ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, maar ‘je’ had dat ook niet kunnen doen. Het is zoals eerder aangekondigd duidelijk dat de ‘je’ in dit gedicht geen verhuld ik meer is, maar echt een andere persoon, die ‘ik’ in ‘je arm’ kan bijten. Mooie uitsmijter, resonerend aan het in je eigen arm knijpen om na te gaan of je droomt of niet. Er heeft blijkbaar een breuk plaatsgevonden, waarbij één van beiden is gebleven, en de ander verder is gereisd. Het is niet altijd duidelijk wie bleef en wie vertrok: ‘Als je was gebleven, had ik je op den duur / genegeerd’ (uit: ‘Stoorzender’).

De rivier is in deze bundel zowel de rivier die het voortgaan van de tijd symboliseert (het ‘alles stroomt’ van Heraclitus) als de koele, voedende plek in het droge landschap waar de dichter ons naartoe lokt, ‘to her place near the river’. In het slotgedicht vloeit het thema van de rivier samen met twee andere belangrijke thema’s uit deze bundel: identiteit (ik) en relatie (ik-jij).

VORMELOOS

Als ik in de rivier glijd, wijkt het water
telkens ik, in gedachten verzonken, beweeg
past het stante pede zijn vorm weer aan.

Water is er altijd voor de ander, maar verliest nooit
zichzelf. Het zal niet antwoorden
maar wordt de vragen nooit moe

en als ik jou hier bij me uitnodig, zal het willoos
plaatsmaken, zich tot een mal gieten
waarin jij je dan neerlegt.

Alsof het altijd zo geweest is.

De laatste regel uit de bundel sluit naadloos aan bij de openingsregel: ‘Je zit hier al altijd’. Vertraagd stilleven is een sobere bundel, in gedurfd eenvoudige taal geschreven. Een indrukwekkend debuut.

***
Dorien De Vylder (1988) behaalde selecties in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, Write Now!, Naft voor Woord, won diverse poëzieprijzen en publiceert nu en dan in literaire tijdschriften. Ze is (eind)redacteur bij Kluger Hans, woont en werkt als huisapotheker in Gent. Vertraagd stilleven werd op 4 oktober gepresenteerd. November jongstleden verscheen reeds de tweede druk.

Voor Ooteoote.nl schreef ik een Eerste Indruk over het gedicht ‘Open grenzen’.

Gedichten

MADELIEFJE

Ik ben een gedachte, ik ben
geen gedachte, ik ben die gedachte, ik ben niet die gedachte.

Die drie palmen aan de overkant doen niets dan instemmend knikken.
Was ik maar gebleven,
dan had je me kunnen vragen of ik die gedachte ben, of niet.

Ik ben werkelijk. En als daarop had gevolgd:
Werkelijkheid van wie? had ik in je arm gebeten.

DE SLAPER

Het jongetje slaapt, zoals een rivier
stroomt tussen haar oevers.

Misschien ben jij in zijn droom
wat hij in jouw werkelijkheid is:

een warm lichaam dat ademt.

FOCUS

Je buigt voorover,
raapt een sinaasappel op van de grond,
toont hem in je rechterhand,
slaat je benen over elkaar,
legt je linkerelleboog te rusten op de rugleuning van de bank,

kijkt.

LUCHTSPIEGELING

Je laat de olijfboom
een boom. Een lichtblauwe vrouw
zit in zijn koelte gehurkt, ze lijkt naar je

te willen luisteren. Maar jij hebt niets te vertellen,
niets van belang. Ze leert je
schaduwen schikken in een oogopslag.

Jij vraagt je af hoe groots
een schaduw moet zijn
om er schaduw in te vinden.

Gedichten

Gedichten die opvielen tussen de inzendingen in de derde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017

Els Driessen (1963)

Als haar schoenen huilen

De wind waait niet langer binnen
De verlaten tafel smacht naar bezeten stoelen
Een hooggehakt paar schoenen huilt om damesvoeten
De oude hond klauwt naar een gebroken snaar

Wijn uit een omgevallen glas druppelt
in rood spijkerschrift een roman op de vloer
Gevallen zaad van de gekooide parkiet komt niet tot groei
Het rozig marmer laat geen water toe

In een gestreepte jurk de gekantelde blik
van een vrouw, kater Kismo schuurt met z’n tong
haar gelaat uit de vouw, geleden jaren weggeboend

Om vijf uur thuis, de oude hond staat langzaam op
Met dronken handen aangelijnd uitgelaten
Vanmorgen deden ze dat nog samen.

 

Jan De Bruyn (1959)

brains & branie

Onder hazelaars droomt mijn vader van liefde
die niet van deze aarde is

ik ben zijn erfgenaam maar hij wuift naar me
met een zakdoekje van niets omdat ik me vergis
en al dat zoeken jongen weinig zoden zet
hij wist hoeveel hout je moest klieven

om zomers lang te laten duren
om te overwinteren met je geliefde

en dat lekkages juist geen hinder zijn
maar iets om gemoedelijk mee om te gaan
een pleistermes een roestige spijker en een screwdriver
will do nicely

je moet het met je handen doen je brains en branie
niets om je over te schamen

Dorien De Vylder (1988)

OASE

Je laat de olijfboom
een boom. Een lichtblauwe vrouw
zit in zijn koelte gehurkt, ze lijkt naar je

te willen luisteren. Maar jij hebt niets
te vertellen, nog niets van belang.
Ze leert je de schaduw schikken.

Je vraagt je af hoe groot
een schaduw moet zijn
om er rust in te vinden.

Paul van der Laan (1968)

hulp

uit een scheur in de stad
kruipt ze omhoog
gaat op muren staan
die ze zelf ooit bouwde

door de lucht
ziet ze mannen vallen
die even boven de aarde
hun doeken openvouwen
opeens hangt hun vlucht
aan dunne draden

nog nooit is ze zo blij geweest
met witte lakens
samen zoeken ze haar naasten
onder te zware stenen

nadat de hulp verdwenen is
begint ze met nabestaan
bouwt met wat ze dragen kan
een huis om weer te schuilen
voor wie terug gaat slaan