Gedichten

door Wout Waanders (1989)

alle dagen

kairuku. ik ben een duiker die met voedsel terugkeert,
zei ze en ze nam een hap van haar boterham.
ik pakte het plastic zakje aan, twee mueslibollen
zaten er nog in. en ik wist:
als ik deze vrouw voor me win,
zal ik alle dagen eten hebben.

maar ze ziet soms als een reiger,
haar kaken zijn om te kauwen, niet veel meer,
en haar voeten zijn log, en toch:
duizend huizen zou ik voor haar willen bouwen,
ik weet niet waar die drift van komt.

ze zegt: ik ben zo weer terug,
maar ik zie haar niet meer, het is te druk op de straat
waar zich een markt bevindt. ik roep haar zonder richting.
kairuku. ze is een duiker.
ze zal met voedsel terugkeren.

gelatine

in de schuur op een vlaams strand
smeerde joris gelatine in zijn haar
dan blijft het mooi naar achter staan,
zei hij. ik bond mijn zwembroekveters samen.

het was vroeg, de zee was leeg. wat ziet hij groen,
zei tobias toen hij naar het water wees.
joris deed wat gelatine in zijn haar,
wij renden naar de schuimkoppen toe,

die we wegtrapten. elke kop in de wind
eindigde honderden meters ver.
joris deed wat gelatine in zijn haar,
daarna zijn we gaan zwemmen.

toen we terug kwamen was vrijwel
heel het strand wit. dat verdomde schuim,
mopperde tobias. we zijn een kolonie algen,
zei joris en hij deed wat gelatine in zijn haar.

het laatste geluid

de verregende markiezen
en het stoffige pianootje zeiden zacht
er is alles wat je wenst buiten
maar de eerste stappen uit het café
verraadden: er is gewoon weer storm op komst

in mijn handen had ik al die hele dag
een klein briefje gehad
ik wist – het gaat mijn wandeling
niet overleven en toch hield ik het
er stond geen boodschap van waarde op

al lopend voelde ik de woorden in mijn
hand beetje bij beetje
verdwijnen in het water

pas na het derde huizenblok kwam het
weer in zicht – ik was er nooit geweest
ik had de naam nooit opgeschreven