Recensie van Atlas van de tijd - Anneke Wasscher

Woorden leggen op lege plekken

Anneke Wasscher
Atlas van de tijd
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411198
€ 15,00
78 blz.

Een bundel openen met een gedicht dat ‘Hartslag’ heet, waarin de dichteres speelt met woorden als blootgeven, het zwijgen van de lichaamstaal en het spreken van dromen, daarmee trek je de lezer ogenblikkelijk de bundel in, of hij niet nu wil of niet. Atlas van de tijd van Anneke Wasscher suggereert een overzicht van poëzie die in een bepaalde tijd geschreven is. Dat is ook zo, ik lees in de begeleidende tekst dat de bundel ‘de oogst van tien jaar dichterschap’ is, maar na het lezen van het eerste gedicht vermoed ik dat vooral het kleine, het intieme, het fragiele een belangrijke plaats inneemt in haar gedichten. Dat is dus meer dan een overzicht van de tijd. Dat laatste blijkt zeker uit de eerste reeks ‘we leggen nieuwe woorden op een open plek’. Het openingsgedicht luidt aldus:

hartslag

zolang we elkaar beminnen zullen
zomers koosnamen fluisteren
geef jij je bloot in elke kus en oogopslag
lichaamstaal weet niet wat zwijgen is

we leggen nieuwe woorden op een lege plek
de zin vindt klankkleur van een liefdeslied
hemelsbreed herhaalt een vergezicht het ritme
van een oud gedicht dat ooit geschreven werd

kom bij me liggen in de wieg van diepe slaap
waar dromen spreken in een taal die tijdloos is

Wanneer je verder leest in de bundel, ga je niet alleen op zoek naar wie de ‘je’ kan zijn, maar je ontdekt ook een tijdlijn die voor veel lezers herkenbaar zal zijn: van samenzijn naar toekomst naar scheiding naar het vasthouden van (pijnlijke) herinneringen. Kortom, de eerste reeks in de bundel is het poëtisch verslag van een crisis, die een lange periode van een leven in beslag neemt. Vanuit het perspectief van de tijd ziet het voortgaan van de tijd in de gedichten van Wasscher er zo uit: de tijd is onder andere zichtbaar in een scheefgezakte schutting, in verf die loslaat. Ze is een lijn die je kunt volgen, een lijn die een houvast is: een bomenrij, strepen op de weg, hoewel de dichteres ook zegt: ‘en ik / ben niet in staat iets vast te houden’. Vooruitkijken blijft mogelijk, maar: ‘we hebben uitzicht op de tuin waar / nooit iets nieuws meer groeien zal’ tot het moment dat ‘het laatste beeld van jou verdwijnt’. Deze eerste reeks eindigt met boosheid, gemis, met ‘brieven in de la’, met de dood van de ander: ‘zijn uitvaart draagt een boetekleed / met sluiers van besloten kring’. De laatste gedichten gaan over de vermeende aanwezigheid van de ander, over de stilte met de aanwezige tekens, littekens en levenstekens.

Na de tweede reeks ‘een vleugel vangt beloftes van de zon’ met een zevental miniaturen die namen van personen dragen, pakt de dichteres het thema van de voortgang en vergankelijkheid van de tijd in de derde reeks ‘de onbegrijpelijke pantomime van eeuwigheid’ weer op. De gedichten zijn in relatie tot de thematiek wat abstracter dan de gedichten in de eerste reeks. Onderwerpen als licht en donker, de maan, het levenslicht en de winter komen langs en voeren de lezer mee naar een eindpunt: ‘nog een laatste hek in ’t landschap / opgenomen, dan een wei’. De dichteres heeft ook in deze afdeling veel aandacht voor lijnen en verbindingen die tijd zichtbaar maken, zoals een web, de smalle paden van de ouderdom, de langdradige verhalen van een vergezicht in een winterlandschap en bomen die de rijen sluiten. Wanneer het je als dichter lukt de tijdsmomenten met elkaar te verbinden, dan krijg je wellicht vat op de tijd en op je eigen tijd van leven. Mooi is het gedicht ’cirkel’ met een bloedkoralen ketting als metafoor voor de familieband, de bloedband. Het gedicht ‘de tijd’, waarmee deze reeks opent, wil ik de lezer niet onthouden. Ook hier is de hartslag aanwezig:

de tijd

ik kan niet om haar heen
ze spint het levenslicht in
een onzichtbaar web

ontsnappen is onmogelijk
ik ben gebonden aan haar
flinterdunne rag

ze is lijfelijk dichtbij
het ritme van haar hart
is hoorbaar in mijn stem

soms stelt ze me gerust
met mythes over eeuwigheid

Verrassend is de vierde afdeling ‘schuilen in de schaduw van het zwijgen’ met ontroerende gedichten over haar ouder wordende vader en moeder. Hoe mooi is de eenzaamheid van een oudere verwoord in de tweede strofe van het gedicht ‘als het later wordt’ met de versregels: ‘nu iedereen is weggegaan en niemand / meer de naam draagt van een vriend / praat hij voortdurend in zichzelf’. De gedichten in deze reeks zijn een concretisering van het ouder worden van de vader, de noodzakelijke verzorging, en zijn sterven dat te lezen is in ‘zeemeeuw’, het slotgedicht van de reeks. Even denk ik bij de titel: al weer één. Welke dichter heeft geen gedicht geschreven met een ‘meeuw’-metaforiek? De Nederlandse poëzie is overstelpt met ‘meeuw’-gedichten. Meeuwen die onbeweeglijk op meerpalen zitten te peinzen of boven de wijde zee hun rondjes vliegen. Maar dit gedicht ‘zeemeeuw’ is zeer betekenisvol als afsluiter van de reeks en als verbeelding van de dood van de vader met de fraaie openingsstrofe: ‘de morgen is bewogen / wanneer ik langs het strand / je lichaam vind’.

In de laatste afdeling ‘altijd verder dan een weg of wens begrijpen zal’ spreekt in het gedicht ‘juttersgeluk’, dat een ode is aan J. Slauerhoff, de ‘ik’ de dichteres en haar dichterschap toe met ‘je’ en met beelden als ‘jouw zee’, jouw storm’ en ‘jouw levenslied’. Daarna neemt de dichteres de lezer mee naar monumenten als het kerkje van Midwolde, Borg Nienoord te Leek en de Martinitoren in Groningen om te eindigen in Westerbork met een gedicht over de davidster.

De poëzie van Anneke Wasscher is beeldrijk. De beelden die ze in haar gedichten hanteert zijn altijd raak en begrijpelijk. Haar gedichten zijn toegankelijk, ze roepen niet alleen een bepaalde sfeer op, maar ze durven ook op verfijnde wijze beladen onderwerpen aan de orde te stellen. De dichteres schrijft heel precies en is streng voor zichzelf. Gevoeligheid is alom aanwezig in haar poëzie, alles wat neigt naar het sentimentele is vermeden. De woorden die ze op lege plekken legt, moeten precies passen en dat doen ze ook.

***
Atlas van de tijd is het debuut van Anneke Wasscher (1946). Gedichten van haar zijn opgenomen in verschillende bloemlezingen. Een interview met haar is te lezen in Meander.

Gedichten

door Anneke Wasscher (1946)

onze herfsttuin

er spookt een herfstwind in de kruin
van onze boom, daar zucht het blad

de schutting is wat scheefgezakt door
klimop die vaak net als ik veel ruimte
nam en verder ging, te ver misschien
toch heb jij nooit een tak gesnoeid

er is niets jong gebleven op ons erf
de verf laat los en bladdert af en ik
ben niet in staat iets vast te houden

jouw armen blijven naar me reiken

bevolkingsonderzoek

de bus is dichtbevolkt met vrouwen uit het dorp
hun leeftijd is al aan de meldingsplicht gewend

ze zoeken in de zakken van hun regenjas weer
naar die ene gladde pas die geldt als plaatsbewijs

de wachtstand is gewoon net als hun prietpraat
die de kou van dagelijkse zorg op afstand houdt

ze zitten naast elkaar als zusters in hun bange dagen
de handen vast aan tassen met een vage kleur

een enkeling wordt door de folderglans verleid
ze weet niet dat het om een dreigbrief gaat

het rode lampje speelt het spel van aan en uit en
achter elke witte deur wordt uit- en aangekleed

de borsten laten zelden meer hun zachtheid zien
ze zoeken de geborgenheid in vest of nette bloes

het sprak vanzelf

geluid was altijd zo gewoon
een krant die omgeslagen werd
de achterdeur die openging

hoe zij zich telkens weer vergist
en denkt dat ze zijn voetstap hoort
de klemtoon van aanwezigheid

soms zet ze toch twee borden neer
of legt zijn leesbril naast een boek
het sprak vanzelf dat hij er was

Gedichten

door Anneke Wasscher (1946)

illegaal

wanneer ik dichter bij je kom
zie ik alleen een bange blik die
naakt zijn pijlen op me richt en
niemand die je warmen kan

een schaduw valt over me heen
negeert de grenzen tussen ons
ik inhaleer de lucht van treurigheid
zoek wapens tegen weerloos zijn

een mens die nergens welkom is
vervreemdt van zijn betekenis
het laatste oordeel telt de dagen
genade hoort je zeker niet

de tenten worden nu geruimd
jouw status schuilt in lichaamstaal
ik breng je dekens voor de nacht
zodat mijn binnenkou verdwijnt

hier en nu

in de genadeloze stilte van onze kamer
spreekt alleen mijn schaduw lichaamstaal

ik ben vandaag geen heer en meester hier
mijn handen kunnen de nacht niet witwassen

als dit het rustpunt was van onze reis dan
zou ik wel mijn ogen sluiten en slapen gaan

de nieuwe atlas van de tijd ligt op mijn schoot
er is niemand die over mijn schouder kijkt en

de weg wijst naar onbegonnen bergtoppen of
naar woestijnen die geduldig op ons wachten

ik vind in onze la het restje van een droom met
de vergeefse hoop dat hij wordt waargemaakt

geen vlag meer om de plekken te markeren die
we dachten te bereiken, de stof is al vergaan

het land van leegte reikt veel verder dan de horizon
ik mis mijn gids die elke bange voetstap horen kan

pas als de rouw me warm houdt als een oude jas
dan zal voor mij jouw weggaan onomkeerbaar zijn

Bitter

ze boent de laatste restjes glans en
zachtheid weg uit het bestaan zodat
haar huid aan grauwe lijnen wint

ze doet de voordeur dicht, zoekt
het tegoed in stille kamers waar
opgekropte woede wordt gespaard

ze kan het oude leven niet vergeven
denkt dat een wanklank onweer wordt
en nacht geen licht verdragen kan

haar spiegelbeeld vertelde nooit
een leugentje om bestwil
dus krijgt ook dat de schuld

er komt veel etter uit oud zeer
haar kindsbeen schrijnt
het heelt niet meer

Gedichten

door Anneke Wasscher (1946)

wachten

het wachten kleeft als trage naaktslak
vast aan natte tegels, zo troosteloos
met nog een lange weg te gaan

de tijd lijkt zich te hechten aan de
zwarte vlakken, een klok verraadt
aanwezigheid met nadruk van een tik

mijn glimlach heb ik afgedaan
illusie doolt nog met gesloten ogen
misschien beweegt de wind het licht

ik raak de angst aan met een rusteloos
verdoven, het spook van spanning
heeft een strak gezicht

de trilling van geluid meldt een bericht
en zet het pijnlijk wachten stil

overleven

beelden roepen haar al jaren na
ze weet niet meer wat echt is
misschien verspreekt de waarheid zich

is het gewoon een bange droom
een hersenspinsel dat nog hing
in rommelkamer van haar hoofd

steeds vaker komt de nachtmerrie
die gekke bokkensprongen maakt
de angst wordt vindingrijk zodat ze

nu alleen nog maar in monologen
spreekt, ze geeft de wanen weg
aan wie ze hebben wil

haar vrede heeft een onderduikadres
bij gratie van de roes, een synoniem
voor leven kent ze niet

sterven

als ze denkt aan doodgaan, krijgt
ze toch opeens weer hoop dat een
tiental zongerijpte korenschoven
klaarstaat voor de oogst

als haar tuin op sterven ligt, bederf
allang de kleuren stal, dan schudt ze
uit het dekbed van een droom wel
honderd bonte vogels in de bomen

als leven eens onbuigzaam lijkt, dan
veinst ze lenigheid met lach, beweegt
gedachten in een stem die zegt
ik kan wel duizend dingen doen

maar als verwachting tijd verdrijft
en elke stap weer achterblijft dan
opent ze de ramen

een laatste wil ligt op haar vensterbank
en adem van de wind verwaait de witte bladen