Gedichten

door Menno Wigman (1966)

HEROSTRATOS

Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
Ze naaien mijn gedachten op.
Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,
zo hevig en dramatisch dat mijn naam
in alle kranten komt te staan.

Napoleon, las ik, was kleurenblind
en bloed was voor hem groen als gras.
En Nero, die bijziend was, hield het spel
in zijn arena bij door een smaragd.

Nu even stilstaan. Moet je horen: ik
ga straks de straat op, ik besta het, schiet
me leeg en verf de feeststad groen.

Nog voor het eind van het festijn
zal ik de grootste zoekterm zijn.

RIEN NE VA PLUS

                  Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien — Slauerhoff

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Zoals jij.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En ’s avonds op je kamer
zit je hardnekkig je verwekkers stuk te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een spotziek joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden —
ja en je hand die nu zo fel papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

PIJN

’s Nachts slaap ik op een mes. Hoe ik ook vecht,
een onbehouwen pijn brandt me uiteen.
Half drie. Mijn pijn zit tegenover mij.
We praten niet. We schreeuwen niet. We kijken
elkaar niet eens de kamer uit.

Zo lig ik maar te wachten in mijn huid.
Vier uur. Ik zie de dode met mijn naam.
Ik zie een lichaam in de kamer staan.
Sterk is het, tanig, stoer en jong —
sprekend mijn lichaam toen het alles kon.

Ik groet het niet. En toch, die vreemde schim
laat mij een kamer met een meisje zien,
ik lag te wachten bij een open raam
en kreeg die dag een lichaam met een naam.

Half vijf. Hoe moet ik slapen op een mes?
Half vijf. Hoe kom ik uit dit lichaam weg?

Recensie van Slordig met geluk - Menno Wigman

Blaren op een droom

Menno Wigman
Slordig met geluk
Uitgever: Prometheus
2016
ISBN 9789044623635
€ 14,95
56 blz.

Wigman laat er ook in deze bundel geen twijfel over bestaan: hij is een romantisch dichter. Dat blijkt al uit het motto, dat wordt toegeschreven aan Theresia van Ávila: ‘Er zijn meer tranen vergoten om verhoorde gebeden / dan om onverhoorde gebeden.’ Met andere woorden: de vervulling is het einde van de droom.
De bundel is doortrokken van seks en dood – de romantiek is bij Wigman zwart. Seksualiteit is geen onverdeeld genot. Zo eindigt het humoristische sonnet ‘De man die uit een vulva viel’ – een geboorte – met de regels: ‘Nog dertig jaar van dun geluk. Dan zakt / hij moe in een vermoeide scheur terug.’ Daartussen speelt zich zijn leven af: hij ‘verpleegt / de blaren op zijn droom met seks – veel seks. ( … ) Hoe lang nog voor hij aan de kater went? / Van bed naar bed, zo gaat het jaar na jaar. / Het at de kleur op van zijn haar.’
Het doodsbesef is voor hem een voorwaarde om te schrijven. Pas als hij voor het eerst geconfronteerd wordt met de dood, kan hij dichten. In ‘Toen ik begon te schrijven’ zegt hij dat expliciet:

Ik geselde mijn geest, zocht het bij Proust en Yeats,
verloor me in muziek en viel toen stil. – Later,
veel later. De dood stond aan mijn autodeur te rukken

en ik schrok weerloos wakker in een witte zaal.
Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot
en kwam ik grimmig zingend op verhaal.

Gedichten geven de angst vorm en die is daardoor beheersbaar. Het gedicht ‘Geluk heeft een adres’ lijkt in eerste instantie een beschrijving van geluk:

De zon schuift voor de zon, A day in bed,
hoe heet dat boek ook weer? Niet denken nu,
rust uit. Je hebt vandaag geen mens beschaamd,
               laat staan jezelf. Rust uit, het gaat je best:
                              geluk heeft een adres.

Opeens, heel vreemd, een woensdag van oud licht,
je moet naar school en ’s ochtends wrijft een hand
met spuug de slaap uit je ogen, de rij,
                de rekenles en daarna water, wit
                              en heilig zwem je weg.

De zon schuift voor de zon. Het is een dag
van koffie, kamerjassen en geluk
om niks. Het water kust de kaden schoon.
                 Een klas loopt door het licht. Toch mooi dat dit
                             gedicht niet nodig is.

Bij herlezing zie je dat het gedicht wel degelijk nodig is. A day in bed is geen boek, maar het ontroerende gedicht van Katherine Mansfield over een klein meisje dat ziek in bed ligt en bang is voor de harde wind met zijn onheilspellende geluiden. ‘I wish I was not so afraid; / It’s horrid to be small.’ Ze is bang dat iedereen is weggegaan, ‘And oh! I cannot go to sleep / Although I am in bed. / The wind keeps going creepy-creep / And waiting to be fed.’
De dichter lijkt zijn angst te bezweren. Hij doet het voorkomen alsof er een zon voor de zon schuift: de zon in hemzelf is zo sterk dat die voor de echte schuift. Maar direct daarna slaat de angst toe. In parafrase: ‘Niet denken nu, rust uit, het gaat goed, niets aan de hand, rust uit!’
In de tweede strofe herinnert hij zich ‘heel vreemd’ – hij houdt zichzelf voor de gek – ‘een woensdag van oud licht’ en dat is iets totaal anders dan een heldere zon van geluk. De dichter suggereert dat hij na school of, parallel aan de klas in de derde strofe, onder schooltijd te water is geraakt: ‘wit / en heilig zwem je weg.’ Wit, de kleur van de dood: hij leek uit het leven te zwemmen, hij verdronk bijna.
In de derde strofe loopt er opnieuw een klas, vlak bij het water. Niet in ‘oud licht’ dit keer, maar in ‘het licht’, een actuele dreiging dus. Het zien van het klasje wordt gepresenteerd als een van de voorbeelden van een weldadig ‘geluk / om niks’, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Het betekent hier: er is niks waarmee je gelukkig kunt zijn.
‘Toch mooi dat dit / gedicht niet nodig is’ – maar het is er toch en we weten nu waarom.
Dit soort paradoxen gebruikt hij vaker: ‘Ik wilde deze zomer niet. / Ik wilde een gedicht. // Maar iets met lipstick haalt me neer.’ Hoe weten we dat? Door dit gedicht – het is er tóch.
‘Geluk heeft een adres’ is een knap gedicht. Het demonstreert bovendien nog eens – net als in de meeste andere gedichten – dat Wigman een meester is van de vorm. Zo ondersteunt het jambische metrum in bovenstaand gedicht de schijn van rust; de antimetrieën ‘Rust uit’ – dat ook nog eens wordt herhaald – ‘heel vreemd’ en ‘oud licht’ ondersteunen de onrust. De antimetrie ‘Toch mooi’ heeft een andere functie: een nadrukkelijk, ook weer bezwerend begin van een tevreden conclusie. Daarnaast is het inspringen van de laatste regels van de strofen heel functioneel: ze zijn daardoor direct met elkaar verbonden.

Wigman plaatst zich zowel naar vorm als inhoud in een traditie. Je hoort verre echo’s van onderling zeer verschillende romantische dichters als Baudelaire, Paaltjens, Bloem, Slauerhoff en Weemoedt. Hij speelt daarmee. Zo laten zowel gefrustreerde ik-figuren van Wigman als van Piet Paaltjens zich op een vergelijkbare manier uit over hun geliefden. Paaltjens in het hilarische ‘Aan Betsy’: ‘Gij hieldt mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog / Van ’t lachen.’ Wigman (‘Iets met lipstick’): ‘Dat ligt nu hard te lachen op / het strand, het drinkt en klinkt en lacht / zich hees.’

Niet alle gedichten zijn even sterk. ‘We pizzen op je hond’, over lastige Marokkaanse jongens in Slotervaart, zal ongetwijfeld als stadsgedicht zijn gewaardeerd, maar in deze bundel hoort het mijns inziens niet thuis. De tweede strofe: ‘Wie zich verveelt moet zelf vervelend zijn. / Dus zizzen we wat mokkels na / en roepen dat we pizzen op je hond.’ Opvallend is ook dat de gedichten over eigen leed – zoals een opname op de intensive care wegens ernstige hartproblemen – wat vlak zijn. Een kwestie van te weinig afstand? De gedichten die hij als dichter voor de ‘Eenzame uitvaart’ schreef zijn sterker. Een strofe uit ‘Aarde, wees niet streng’: ‘Aarde, wees niet streng / voor deze man die honderd sleutels had, / nu zonder reiskompas een weg aftast / en hier zijn eerste nacht doorbrengt.’

Maar al met al is het een goede bundel van een vaardig dichter die rake, blijvende regels schrijft. In ‘Waar ik woon’: ‘Het sneeuwt. De kroegen zijn vol kansgezichten.’ In ‘Vandaag is iedereen mooi’, opgedragen aan Maarten van Roozendaal: ‘De ene helft van zijn leven had hij weggezopen, / de andere ging op aan katers.’ En: ‘Drinken is doodgaan en weer opstaan uit de dood.’

***

De laatste twee bundels van Menno Wigman (1966), die al vanaf 1984 publiceert, waren Mijn naam is Legioen (2012) en Harde modder (2014). In 2002 ontving hij de Gedichtendagprijs voor het gedicht ‘Misverstand’ uit de bundel Zwart als kaviaar. Voor deze bundel kreeg hij in hetzelfde jaar de Jan Campert-prijs; in 2015 ontving hij de A. Roland Holst-Penning. Hij was onder andere Stadsdichter van Amsterdam (2012 – 2104).

Recensie van Mijn naam is Legioen - Menno Wigman

De dichter en zijn bestaan

Menno Wigman
Mijn naam is Legioen
Uitgever: Prometheus ,Prometheus ,Prometheus
2012
ISBN 9789044619836
€ 14,95
70 blz.
De waanzin gaat goed gekleed.
Zijn werk vergt tact, precisie ook.
Dus kruist hij namen aan,

kamt steden uit, tast schedels af
 

Verwarring alom in deze wereld. Zo nu en dan slaan iemands hersenen op hol. ‘Verkeerd bedraad.//’, zegt de dichter dan.

Van Luther met zijn inktpot tot Feith,
van Freud tot jou en mij geen mens
die zijn stramien begrijpt.

Deze woorden zijn typerend voor Mijn naam is Legioen, de nieuwste bundel van Menno Wigman. Hoe zit het met al die waanzin in en om mij heen? Hij verwijst daarin naar het verhaal uit Marcus 5:9. Daarin staat de overweldiging door Jezus van duivelse krachten in een bezetene centraal. Wigman weet zich omringd door alle soorten kwaad. De lust tot leven en dichten dreigt hem te vergaan. Hij zoekt woorden ‘voor alles waar geen woord voor is’. Hij vraagt zich wanhopig af of zijn missie als dichter zal slagen. Hoe kan mijn dichterschap in deze wereld functioneren? Wat drijft ons tot waanzin? Hoe werkt de dood op ons in? Maar vergeet ik de liefde niet? Kan ik het leven nog begrijpen in deze mediageile, hectische en vervreemdende wereld?

Het lyrisch ik weet zich overweldigd door dit kwaad, maar kent nog een sterk verlangen naar goedheid en schoonheid. Hij lijkt de aftakeling allemaal als een oosterse ‘pasja’ te ondergaan: ogenschijnlijk onaangedaan, maar innerlijk boos. De rol van machteloze toeschouwer lijkt overheersend te worden. Zelfverlies dreigt. Hij voelt zich verongelijkt, zoals in het gedicht ‘Nachtrit’ waarin Wigman een man uit de éénentwintigste eeuw schetst die onvervreemdbaar recht heeft op seks: ‘(Mijn naam is Legioen, wij zijn met velen)’. Hij is ‘al jaren in zichzelf verongelijkt’. Maar gelukkig zijn daar de ‘scherpe meiden’. Hij vraagt zich dan ook af, wanneer hij weer voor de zoveelste keer naar hen heeft gebeld, waarom hij dan toch nog medelijden met zichzelf zou moeten hebben. Zijn lust moet zijn onlust blussen en zijn gevoel van vervreemding uitvegen. Wat gebeurt er in vredesnaam in deze snel veranderende wereld om mij heen? Hoe verhoudt zich dat alles tot het dichterschap?

In zijn dichterlijke observaties voltrekt zich aan de ik een metamorfose. Zij draagt ertoe bij, dat hij in wisselende situaties met een veranderde blik naar zichzelf en de ander leert kijken. Met aanstekelijke humor en een scherp oog voor de situatie toont hij dat aan in een gedicht als ‘Glazenwasser ziet schilderijen’. De glazenwasser, geklemd tegen een glazen wand, figuurtje in zijn eigen schilderij, die vanaf zijn hoogte een meisje en de omgeving bespiedt:

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij –

Wie kijkt er naar wie? Het verspringend perspectief werpt een interessant licht op de glazenwasser in zijn verheven positie. Er gloort uiteindelijk een glimp van hoop op uit de denkbeeldige lijst waarin hij hangt.
Het gebeurt wel vaker dat Wigman je in deze bundel laat ervaren wat het betekent om in je tegendeel te verkeren. Niets ligt vast, niets blijft zoals het was. Perpetuum mobile. Je merkt dat hij zijn machteloosheid als dichter hem hindert, maar hij blijft zijn heil zoeken in de woorden. In het gedicht ‘Natte woorden’ tracht hij zich te verenigen met de gedichten van de Griekse dichteres Sappho, van wie we hoegenaamd niets weten.

[Z]e spon me in

met heupen en verhalen, oogwit, lipstick, blik.
En toen die natte woorden.

Een verregaande identificatie. De ik realiseert zich niet aan haar gelijk te kunnen worden:

We passen met z’n tweeën nooit in dit gedicht.

In veel gedichten zoals deze gebruikt Wigman woorden die het fysieke (pik!) aanduiden, om dichterbij de werkelijkheid te komen, als het met de geest even niet meer wil lukken.
Wigmans gedichten zitten strak in het pak: terzinen, kwatrijnen, kwintetten, overigens zonder eindrijm. Vormgeving als wapen tegen de chaos buiten en in het hoofd. De vorm sleept de inhoud voort, en niet omgekeerd. Deze poëzie komt recht uit het hart, het hoofd én het lijf. In die zin zoekt Wigman naar wat hij noemt: de ‘hemel en de straat’. Hij wil per se gelezen worden, en niet met zijn werk bij De Slegte terechtkomen.
Ik vind zijn woordkeuze, beeldtaal en keuze van situaties opwindend, aansprekend en scherp geformuleerd. Er zit vaart in zijn verzen. Hij heeft de tijdgeest raak getypeerd.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen zonder titel, omgeven door een losstaand openings- en slotgedicht. In het eerste gedicht de wanhoopskreet of hij wel zo gek moet zijn om te gaan dichten en in het laatste nogmaals de ontreddering, maar dan wel met de toevoeging dat hij hoe dan ook ‘in zestigduizend hoofden [wil] ruisen.’

Het lyrisch ik is weinig complimenteus over de mensheid en zichzelf. Niet het boek, maar het beeld domineert langzamerhand ons bestaan:

Mijn tv – die niet weet dat ik besta –
bewoont een kamer waar ik alles zie.

Niet letters, maar pixels zijn bepalend voor ons genot. Zaad onder de pc. Hoe moet het in zo’n wereld nu verder met de reflectie op ons handelen? De ik lijkt niks geleerd te hebben. De toekomst van het boek ziet er somber uit:

De schrijver met zijn ongeschoren woede,
de dichter van drie doodgeboren boeken:
daar staan ze met hun doos vol slome woorden.
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,
we naderen de uitvaart van het boek.

De ik spreekt zichzelf vervolgens tegen beter weten moed in: ‘We lezen om te leren hoe te leven.’ Blijf schrijven: ‘smeer je wijsheid uit.’ Maar wat drijft je als dichter ten diepste? Eerzucht, begeerte, ‘verdwaasde hoogmoed’, dunne roem en ‘een goddelijk trauma dat ik niet noem.//’? Wigman worstelt met het dichterschap in een tijd vol zucht naar roem. De schrijver als celebrity. Hij merkt dat hij tegenwoordig zijn woorden stroever aaneenrijgt. Hij krijgt daardoor medelijden met zijn lezers. Bekommernis over een aangevreten dichterschap.

Wigmans observaties over dood en verval zijn scherp en raak. Heeft een dichter wel bestaansrecht? De aftakeling van zijn moeder versterkt alleen maar zijn eigen gevoel van neergang. In de spiegelruit ziet de ik zijn eigen lelijkheid: ‘De goede handel die ons lichaam was/ vervloog en bijna elke winkelruit/ verspreekt zich en beledigt nu je hoofd.//’ Met dit spiegelbeeld typeert hij tevens het narcisme van onze tijd. Waar is er nog waardering voor bezinning en wijsheid in deze tijd? Waanzinnige leuzen als ‘maak kapot wat jou kapot maakt’. Vuilstortplaatsen als terpen van dode dingen, de kernreactor van Petten als scheur in de Hollandse natuur.

Wigman spreekt zich onverbloemd uit over alles wat ons bedreigt. Daarenboven heerst in de stad angst voor al die mensen uit den vreemde. Voor middenstanders en voorbijgangers zijn we op straat ‘tot een prooi bent verlaagd.’ De jaaromzet gaat voor. Weinig respect voor het leven in deze maatschappij: ‘Je sterft alsof een fruitkast geld uitkost.’ Dat is de slotsom van ieders leven. ‘Soms voel je bijna dat je leeft./’ Geen tot vrolijkheid stemmend mens- en wereldbeeld. Ook God schemert op de achtergrond. Het Alziend Oog, het ‘loeroog’. (Een nieuw woord!) Je bent er niet, of toch wel. Hoe het ook zij, de ik denkt aan die arme ziel op drie hoog achter, die dood in zijn huis lag. Zijn hoofd is vol sterrenstof. Herinnering aan De Kleine prins van Antoine de Saint-Exupéry. Is dat de dichter zelf soms? In de ‘Openbaring in de H&M’ tracht een ‘zij’ een nieuw gezicht te kopen door voor zichzelf een betaalbare jurk te kiezen. Al passend ziet ze haar eigen spookgezicht in de spiegel. ‘En denkend aan/ de dood hing zij haar jurk terug./’ Uiterlijk vertoon om de dood voor te blijven.

Ik sluit af met wat ik één van de mooiste gedichten uit de bundel vind, ‘Promesse de bonheur’:

Ik in haar bed en zij die net de douche uit stapt.
Zoals zij loopt, zoals zij naakt het huis door loopt,
zo zullen vanaf nu de dagen lopen.

Ze neuriet en ik zit verhevigd in haar bed.
Oneindig wakker is ze, warm en trots en zacht
en mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.

Het is een liefde die. Het is een wonder dat.
En alles wat ik van een lichaam heb verlangd
staat voor mijn ogen naakt te zijn,

naakt en van mij. De kamer hijgt nog, geil en stroef.
Haar mond, gemaakt voor lippen en genot, haar mond,
haar stoere, hoogverheven mond staat goed.

Tederheid en schoonheid. De ondertoon van de gedichten is er één van een sluimerend optimisme, maar het is voor de ik wel diep graven in de puinhopen van deze maatschappij, diep graven naar geluk en harmonie.‘

Ik zou wel willen dat het anders was.
Dat is het ook. Je mist iets en verpleegt het.

Het is helaas voornamelijk in leven blijven. De dichter is ervoor om hier weerstand aan te bieden met prachtige regels als: ‘De maan is onder en ik denk me naar je toe/’.