Gedichten

door Laurens Windig (1943), Jana Arns (1983), Johan Wambacq (1950)

Laurens Windig (1943)

Poëzie is mijn dagelijks voedsel

Tatoeage

Zij heeft een treurwilg in haar huid geplant
met inktblauwe lianen

exact in ‘t midden van de heuvelrug

vanaf de zichtkant is hij niet te zien
maar achter haar sleept zijn schaduw.

Jana Arns (1983)

Ik heb klassieke muziek gestudeerd en daarna fotografie. Mijn allereerste liefde was de poëzie. De smeltkroes tussen deze drie kunstvormen is voor mij van erg groot belang. Het ene kan niet zonder het andere.

Lente

De fotogravin in mij
geeft zich gewonnen:
er is geen ansicht vandaag.

Konijnen graven een grastapijt uit,
mensen halen een zonnebank leeg,
vakantiegekte op één-vierkante-meter

achtertuin. Ook ik plant mij uit.
De bibliotheek in mijn hoofd
ontleent mij een a

en al scheld ik mijzelf doorgaans
in meerdere klanken kwijt,
ik neem hem aan, deze klinker

waarop ik sta en ga, dit voorjaar.
En hiermee moet ik het doen:
een beeld dat zich niet laat vangen,

taal die ontoereikend blijkt.
Een aria schalt mijn initiaal
onder de pijnboom. Solitair.

Johan Wambacq (1950)

Ik wil gedichten schrijven die bedrieglijk helder zijn.

Meisjes

De theoloog en ik zaten op een terras
en keken naar de mysterieuze meisjes,
hun golvende mystiek, het was
ongetwijfeld mei.

God, zei de theoloog, spreekt via meisjes,
zij zijn komma’s in Zijn eindeloze tijd,
toegift in Zijn zijn om niet. Hij keek
blij en ongetwijfeld.

Meisjes, zei ik, zijn gedachtestreepjes,
in hun eeuwenoude glimlach zijn zij
van zichzelf en werelds,

zij vatten voor het slapen gaan de wereld
samen, zie hun ogen stralen, zie ze tuimelen
van tijd tot tijd.