Het is een visionair project

 

Els Moors is geboren in Poperinge, 1976.  Ze is net aangetreden als de nieuwe Dichter des Vaderlands van Belgiё. Haar debuut in 2006, de poëziebundel Er hangt een hoge lucht boven ons, werd bekroond met de Herman de Coninckprijs. In 2008 publiceerde zij de roman Het verlangen naar een eiland en in 2010 de verhalenbundel Vliegtijd. Ze ontving de J.C. Bloemprijs voor Liederen van een kapseizend paard (het balanseer/Nieuw Amsterdam, 2013). Naast docent creatief schrijven is ze ook redacteur van het literaire tijdschrift nY.


foto: Guy Kokken


Van harte gefeliciteerd met de benoeming tot derde Dichter des Vaderlands van Belgiё.

Dank voor de felicitaties en de interesse.

In een interview met jou las ik dat je ondanks je bekendheid als dichter liever gewaardeerd zou worden om je proza. Wat is dat toch dat schrijvers hun poëzie onderschatten of anders waarderen dan hun proza. Of zie ik dat verkeerd?
Dat zie je verkeerd. De vorm en de inhoud van mijn romans werden tot nog toe, en op enkele uitzonderingen na, beoordeeld aan de hand van normaliserende, kapitalistische maatstaven. Het is volstrekt normaal dat ik me daar als schrijver tegen verzet. Mijn werk als schrijver bestaat alleen maar uit verzet tegen de norm van het kapitaal. Ik kan toch niet die romans gaan schrijven die de critici willen lezen? Ik ben een schrijver die zijn werk doet. En als ik aan het werk ben, wil ik serieus worden genomen.

Ook las ik in een interview dat je switcht tussen de genres bij het schrijven. Is er voor jou geen onderscheid of een kunstmatig onderscheid?
Elke tekst is voor mij in de eerste plaats een kritisch onderzoek naar het genre zelf. Het verschil tussen de genres is ook het resultaat van een reële historische literaire traditie. Ik verhoud me noodgedwongen tot die traditie, zoals een boer zich tot de grond verhoudt. Er zonder kan ik mijn groenten niet verbouwen. Het onderzoek dat ik in het ene genre voer, besmet vanzelfsprekend het onderzoek dat ik in het andere genre voer. Maar er is nog zoveel: televisie, filosofie, het werk van beeldende kunstenaars, de wereld waarin we leven. Alles is besmettelijk. Om een doorbraak te forceren kan het geen kwaad je te concentreren op het probleem dat voor je ligt.

Je bent Dichter des Vaderlands van België geworden. Wat houdt deze titel in, wat moet je doen en wat zijn je plannen?
Het is een publiek geheim dat België worstelt met zijn politieke geschiedenis en de verschillende talen die er gesproken worden. De titel Dichter des Vaderlands is een initiatief van verschillende poëziehuizen en literaire organisatoren om de verschillende taalgemeenschappen tegen de politieke verdeel- en heerstactieken in, op een constructieve manier met elkaar te verbinden. Pas als poëzie over alle taalgrenzen heen verstaan wordt, kunnen we beginnen te dromen van een solidair België in een solidair Europa in een solidaire wereld die alle op een humane leest werden geschoeid. Het is een visionair project dat ik wil ondersteunen. De gedichten worden ook in het Duits en Frans vertaald (EW). Ik wil vooruit kijken. Met de hulp van verschillende partners wil ik in Brussel een festival van de Arabische Poëzie op poten zetten, het schitterende Zoniënwoud in Brussel poëtisch in kaart brengen enz. Maar dat werk doe ik gelukkig niet alleen. Mijn enige echte plicht en verantwoordelijkheid is over een periode van twee jaar twaalf gedichten schrijven die verband houden met de actualiteit.

Hoe lang ben je Dichter des Vaderlands?
In principe twee jaar, maar ik ben eigenlijk vorig jaar al begonnen als ambassadrice van Laurence Vielle, de toenmalige Franstalige dichter des Vaderlands. Laurence Vielle heeft er zelf al drie jaar opzitten en blijft ook nu nog even aan mijn zijde als ambassadrice. Het is erg leuk dat teamwerk, verschillende talen in een land verenigen heeft zo zijn voordelen.

Je bent een collega van Perquin, vergelijk je je ook met haar of met een andere eerdere Dichter des Vaderlands?
Het afgelopen jaar heb ik als ambassadrice van Laurence Vielle ontzettend veel geleerd, niet alleen omdat Laurence Vielle een geweldige staatsman is, maar ook omdat ze een vrouw is. Op dezelfde manier ben ik er zeker van dat ik ooit met Esther Naomi Perquin een gesprek zal voeren over haar ervaringen. Maar Nederland en België kennen een andere politieke werkelijkheid en daar moeten andere vragen beantwoord worden. Ik leer trouwens van elke dichter iets.

Heb je er een baan naast of ben je anderszins actief?
Naast lezingen, workshops en allerlei losse projecten, geef ik les Creatief Schrijven in Arnhem, Antwerpen en Brussel. Ik moet actief zijn, want Dichter des Vaderlands is geen officiële baan, al is het boeiend werk. Ik kijk of het me lukt om beide zaken blijvend te combineren. Ik word gelukkig van het begeleiden van andere schrijvers, misschien omdat ik de omwegen en valkuilen van het schrijfproces steeds beter leer te begrijpen en ik word ook steeds beter in wat ik doe. Maar ik wil ook blijven schrijven. Dat is wat me echt voldoening schenkt omdat ik er het meest van leer. Het eigen schrijfwerk is taaier en moeilijker, het duurt langer en is onoverzichtelijker, maar de winst is groter.

Wat is je volgende schrijfproject? Wat zijn je toekomstplannen?
Zodra ik de handen vrij heb en de studenten me even niet nodig hebben, ga ik de roman waar ik al een tijd mee bezig ben, afmaken. Daar snak ik naar. Ondertussen heb ik materiaal voor een nieuwe dichtbundel verzameld. Als ik er in slaag beide projecten binnen afzienbare tijd tot een goed einde te brengen, worden het twee belangrijke jaren voor me.

Interview met Joris Denoo

Een pijnlijke bundel

 

Joris Denoo (Torhout, 1953) is een Vlaams germanist, dichter, proza-en toneelschrijver. Van hem verscheen in augustus 2017 de poëziebundel Zwaartekracht bij uitgeverij Kleinood & Grootzeer in een oplage van 100 genummerde en gesigneerde exemplaren. Joris Denoo schrijft al decennia. Zijn verhalen stonden eens in het vroegere Meander, maar zijn proza is meestal totaal anders dan zijn poëzie, zoals hij hier vertelt.

Je hebt een omvangrijk oeuvre opgebouwd en je beoefent alle genres. Je zou dus kunnen zeggen dat je taalkundige, letterkundige en taalkunstenaar bent. Van dichter tot prozaschrijver of toneelschrijver tot jeugdboekenauteur . Wat schrijf je met het meeste plezier?
Ik schrijf het liefst korte verhalen en novellen (en ook wel columns) voor een volwassen publiek. Het korte proza boeit me Bijvoorbeeld mijn Miljarden Flarden op Facebook en op mijn blogs. Jammer genoeg is het aartsmoeilijk om korte verhalen in boekvorm gepubliceerd te krijgen. Ik zocht vroeger mijn toevlucht tot literaire tijdschriften (De Brakke Hond, DW&B, Kreatief, Lava, Mens & Gevoelens, Hollands Maandblad, De Gids); heden ten dage doe ik dat digitaal. (Zie de links onder het interview.)

Is het zo dat al je bezigheden samenkomen in de poëzie, bijvoorbeeld in je nieuwe bundel Zwaartekracht? Als een soort verdichting. Of is dat te mooi gedacht?
Mijn ‘oeuvre’ helt wat over naar de positieve luchtige kant (satire, humor, fantasie), maar ik heb ook – noodgedwongen – wat ‘probleemboeken’. Vallen en opstaan en Een blauwe plek bijvoorbeeld zijn twee jeugdboeken die over epilepsie gaan. Zwaartekracht is een hoogstpersoonlijke poëziebundel die eigenlijk over mijn zoon gaat (… en dus ook over epilepsie). Maar je kunt die ook op een algemeen plan lezen, bv. over oorlog. Enkele jaren geleden las ik er (in manuscriptvorm) passages uit voor in Flander’s Fields Ieper, ter gelegenheid van de herdenkingen in het kader van WO1. In de Vier brieven aan mijn zoon kon ik niet om de beeldspraak van een oorlog heen. De dichters Benno Barnard en Geert Van Istendael waren er ook en raadden publicatie aan, want ze waren, zeiden ze, onder de indruk. Jaren later zette ik de stap. Het is eigenlijk niet prettig om over zulke zaken te schrijven, maar soms helpt het wat.

Om welke thema’s gaat het in de bundel Zwaartekracht ? Religie, Jezus aan het kruis, ouder worden? De bundel sprak me heel erg aan omdat er pijn voelbaar is.

Alleen maar zwaartekracht, pijn en epilepsie. Uitdrukkelijk epilepsie. Zelfs de Jezusthematiek: de doornenkroon verwijst in dit gedicht alleen maar naar het encefalogram (dat mijn zoon zo vaak heeft moeten ondergaan), en de rouwende vrouw(en) naar de moederfiguur. Leven met moeilijk behandelbare epilepsie is leven onder permanente terreurdreiging. We zijn al meer dan dertig jaar ‘ervaringsdeskundig’, zoals dat dan heet. Een eufemisme voor ‘in staat van beleg’.

Hoe is je bundel ontvangen en zijn er al recensies over Zwaartekracht ?
Ik heb al diverse mondelinge reacties gekregen. Omdat sommige mensen heel goed beseffen waar het over gaat, gaan die heel diep. Het is een pijnlijke bundel. Ze proberen dit dan op een gepaste manier te verwoorden. Er wordt ook wel uit deze bundel gebloemleesd, omdat diverse gedichten eruit passen in een bepaalde (pijnlijke) context. Klassieke geschreven recensies in de papieren pers heb ik nog niet gezien. De oplage van de bundel is daar te klein voor. Ik heb ook liever dat de bundel bij de juiste mensen terechtkomt, en niet bij een boekbespreker uit het ons-kent-ons-circuit of een zogenaamde ‘recensent’ die zichzelf via namedropping of een bête voorkeur voor ‘grote’ uitgeverijen z’n eigen persoontje omhoog probeert te schrijven.

Was het samenstellen van de bundel zwaar voor je?
Ik kan niemand echt vertellen hoe ‘erg’ de bundel Zwaartekracht eigenlijk is.
De bundel heeft inderdaad veel tijd nodig gehad om te verschijnen. Ik heb lang getwijfeld. Het verschijnen van gelijkaardige boeken haalde me over de streep. Toch meen ik dat het nog voldoende ‘verhullend’ is; ik gebruik bijvoorbeeld nergens het woord ‘epilepsie’.

Leid je nog jonge leraren op of verricht je andere arbeid ?
Ik werkte in de lerarenopleiding als docent Taal, Literatuur, Taalbeschouwing, Taalmuzische Vorming, Spelling, Expressie, Grammatica. Ik heb ook het statuut van schrijver (‘in bijberoep’, zoals dat in Vlaanderen dan heet). Mijn voordrachten in dat verband bestaan momenteel uit workshops voor leraren (Taalmuzische Vorming, Omgaan met Gedichten) en luchtig literaire causerieën voor volwassenen. Sporadisch trek ik er nog op uit met mijn jeugdboeken. Dan heb ik het over liefde voor de boeken, het zoeken en vinden van ideeën, de hobbels bij het schrijven en over hoe uitgevers omgaan met je aanbod.

Waar ben je op het ogenblik qua schrijven mee bezig en wat zijn je toekomstplannen ?
Er staat momenteel een biotrilogie getiteld Upperdog op stapel bestaand uit Upperdog, Upper Class en Uppercut. Upperdog bestaat uit biografische en semi-biografische verhalen. Upper Class evoceert op hilarische wijze mijn stad en dorp (Kortrijk en Heule). Uppercut is een thriller waarin mijn anderik/alter ego Bjarne Donderdag, het pseudoniem waar ik jarenlang gebruik van maakte, de hoofdrol speelt. Upperdog verschijnt 2018 bij uitgeverij Bibliodroom.

Het is waarschijnlijk de aard van het beestje

 

Anneke Wasscher (1946) debuteert in oktober met de bundel Atlas van de tijd bij uitgeverij Kontrast.
Ze gaf Meander al twee mooie interviews de afgelopen jaren. Hoe denkt ze nu over haar eerdere uitspraken en hoe gaat het met haar?

Ideaal zou ik het vinden als een uitgever mijn beste gedichten aan de man zou brengen. Als dat er niet van komt, zal ik waarschijnlijk eens in eigen beheer een bundel uitgeven die ik kan weggeven’ zei je in een vorig interview in Meander. Hoe kijk je nu aan tegen deze uitspraak uit 2015?
Eigenlijk sta ik nog wel achter deze uitspraak. In de loop van de tijd heb ik ontdekt dat poëziebundels over het algemeen niet goed verkopen. Voor uitgeverijen dus niet echt aantrekkelijk. Ik heb het geluk gehad dat Jos van Hest, dichter, schrijver, docent en tevens redacteur van uitgeverij Kontrast, mijn werk kende en mij gevraagd heeft een bundel uit te geven. Als dit niet op mijn pad gekomen was, dan had ik misschien eerst nog mijn manuscript naar een paar uitgevers gestuurd. Wanneer dat niet tot succes had geleid, was plan B aan de orde gekomen: in eigen beheer op een goedkope manier een bundel uitgeven. Ik heb in mijn kennissenkring van dichters diverse positieve resultaten gezien. Bij de uitgever neem ik nu een flink aantal bundels af die ik zelf verkopen moet. Wel tegen het door de uitgever vastgesteld bedrag natuurlijk. Weggeven mag ook…. In bepaalde situaties zal ik dat zeker doen. Het is echter te kostbaar om ze allemaal cadeau te geven!

Wanneer wordt je bundel gepresenteerd?
De bundel verschijnt op 15 oktober in Leek. De presentatie is onderdeel van een poëziemiddag in de Borg Nienoord te Leek. Dit alles in het kader van ‘Kunst op Nienoord’.

Hoe is dit debuut ontstaan en heb je lang over het verzamelen en selecteren van de gedichten gedaan?
Het was niet moeilijk uit een paar honderd gedichten van een tiental jaren er ruim veertig te sorteren voor de bundel. Mijn uitgangspunt was natuurlijk dat deze gedichten ‘goed’ moesten zijn. Ik koos daarom in eerste instantie mijn winnende en genomineerde gedichten die doorgaans ook geselecteerd waren voor verzamelbundels of literaire tijdschriften. Mijn gedichten staan in meer dan zestig verzamelbundels. Vaak zijn dat bundels die worden uitgegeven als gelegenheidsbundel naar aanleiding van een gedichtenwedstrijd. Er is nooit eerder een dichtbundel met alleen mijn eigen gedichten verschenen.
Daarnaast voegde ik nog een aantal gedichten toe waarmee ik bij mijn optredens succes had. Dus de keuze was duidelijk afhankelijk van de smaak van jury’s en het publiek. Tenslotte moet het de lezer bevallen. Overigens ben ik zelf tevreden met deze selectie.

Is het een bundel met een bepaald thema?
Het thema ‘tijd’ heb ik als uitgangspunt gekozen. Dat is een bron van inspiratie. De dichter Rutger Kopland heeft ooit een prachtig gedicht geschreven met als titel ‘tijd’. Een paar zinnen zijn mij bij gebleven:

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

Ik had behoefte mijn gedachten een tastbare plek te geven. De noodzaak voor mezelf iets vast te houden en te delen. Misschien ook omdat ik er regelmatig bij stil sta dat ik straks iemand ben die ‘voorbij’ zal zijn. In Atlas van de tijd zijn gedachten, gevoelens en observaties in kaart gebracht.

Hoe gaat de bundel eruit zien qua opbouw?
De bundel bestaat uit vijf series gedichten. De eerste gaat over het thema ‘relaties’, vanuit diverse invalshoeken benaderd. Veranderingen in de loop van de tijd. Onomkeerbaarheid in een proces: ‘herfsttuin‘. Eindigheid: ‘het sprak vanzelf ‘. De tweede serie schetst zeven portretten van mensen in bepaalde fasen of omstandigheden van hun leven. Totaal verschillende personen zoals een buitenstaander, een oorlogsslachtoffer, het meisje dat uitgehuwelijkt is en terug moet naar het land van herkomst. In de derde verzameling probeer ik grip te krijgen op het fenomeen tijd zoals in: ‘gesprek met de nacht’. De serie met de titel: ‘schuilen in de luwte van het zwijgen’ heeft met name betrekking op de ouder wordende mens: ‘bevolkingsonderzoek’ en ‘ de tijd kwijt’. Zelf vind ik dat deel van de bundel het best. In de laatste reeks beschrijf ik hoe een bepaalde tijd invloed had/heeft op onze cultuur. Bijvoorbeeld hoe in de periode van de Tweede Wereldoorlog de Davidster tot een bijzonder symbool verwerd: gedicht ‘symbool’. Natuurlijk beschrijf ik ook de positieve nalatenschap: ‘ juttersgeluk’ dat een ode is aan dichter J.J. Slauerhoff.

Hoe komt het dat je zulke melancholische gedichten schrijft? Voel je die melancholie zelf?
Het feit dat ik zulke melancholieke gedichten schrijf, heeft te maken met mijn aard. Een onderstroom in mezelf is ‘weemoed’, overigens een antiek woord waar ik van hou. Het is in mijn geval niet leeftijdgebonden. In mijn jeugd was ik al ernstig. Als ik terugdenk aan de opstellen die ik vroeger als kind schreef, was de rode draad vaak de tragiek. Op de middelbare school waren het vooral boeken als Eline Vere (Louis Couperus) en Van de koele meren des doods (Frederik van Eeden) die me aanspraken. Het is waarschijnlijk de aard van het beestje, waardoor ik me focus op dingen als tekorten, aftakeling, verlies etc. Zaken die in elk mensenleven voorkomen. Ik sta er alleen regelmatig bij stil en vergroot ze. Tegelijkertijd is dat natuurlijk ook een valkuil voor me bij het schrijven van gedichten. Lezers zitten misschien niet te wachten op dergelijke poëzie. Alhoewel ik bij een optreden vaak bij een treurig gedicht herkenning ontmoet. Mensen reageren dan na afloop heel positief. Ik zou mijn bundel Atlas van de tijd realistisch willen noemen. In de gedichten bestaat er altijd een verbinding met mijn eigen leven. De ervaringen en verhalen van mensen die mij na staan. Ze hebben indruk gemaakt en ik geef het gevoel woorden.

In een mail schreef je dat je twijfelde over je dichterschap. Je hebt zo veel prijzen gewonnen dat je daar toch niet aan zou hoeven twijfelen?
Inderdaad heb ik veel prijzen behaald de afgelopen jaren. Dit jaar won ik nog een prijs. Toch is de twijfel gaan knagen. Het is met name het laatste jaar dat ik me afvraag of ik écht goed dichten kan. Of ik eigenlijk wel voldoe aan een bepaald niveau. Waarschijnlijk heeft dit momenteel met twee dingen te maken. In de eerste plaats had ik een heel bekwame redacteur, die al mijn gekozen gedichten onder zijn vergrootglas legde. Hij stak daar veel tijd in. Het resultaat was dat mij werd geadviseerd woorden en soms hele strofen te schrappen. Ik moet toegeven dat de ‘producten’ daar inderdaad sterker van werden. Natuurlijk ben ik er blij mee en dus ook dankbaar voor, maar tegelijkertijd heb ik het bij sommige teksten toch ervaren als een verlies. In dezelfde periode maakte ik nog deel uit van de dichtgroep WP99. Ik vond het een eer toen ik daar een paar jaar geleden voor gevraagd werd. Een van mijn motieven om lid te worden was: ‘beter leren dichten’. Een ervaren docent/dichter gaf ons maandelijks een opdracht. De resultaten werden uiteraard in de groep besproken. In de op- en aanmerkingen hoorde ik dezelfde kritiek als die van mijn redacteur. Dubbelop dus. Kennelijk was ik niet goed in staat om die kritiek een positieve draai te geven. Rationeel gezien wel, maar ik voelde het als ‘mijn poëzie is toch niet goed genoeg’. Als een gedicht een keer als ‘goed’ beoordeeld werd, telde het haast niet. Een soort alles of niets gevoel dus. Duidelijk een leerpunt voor mij om hier ooit in een soortgelijke situatie anders mee om te gaan. Het gekke is dat in die periode ook mijn inspiratie voor het schrijven van nieuwe gedichten verdween. Ik begon eisen aan mezelf te stellen die ik niet waar kon maken. Voelde het haast als een noodzaak om mijn stijl te veranderen. Vergeleek mezelf met moderne dichters en kon me daar niet mee meten. Toch blijft poëzie een essentieel onderdeel van mijn leven. Tijdelijk lees ik veel gedichten van andere dichters uit diverse perioden en dat is ook heel leerzaam in een pauze.

Een nieuw dichtersplatform

 

Heleen Bosma (1964) was in de jaren 2009-2011 stadsdichter van Deventer en van 2013 tot 2015  provinciedichter van Overijssel. Vier keer drong ze door tot de top 100 van de Turingwedstrijd.  Ze publiceerde Oostenwind en Liefdesspoor. Heleen Bosma is dichter en schrijfdocent. Recent lanceerde zij een nieuw soort dichtersplatform Dichter bij dichters. Esther Naomi Perquin noemt dat platform een heel stevig platform. Wat is het precies dat dichtersplatform en wat beweegt Heleen Bosma om poëzie te schrijven?

We hebben je uitgenodigd om poëzie in te sturen en in twee van de drie gedichten die je stuurde komt Finland voor. Is Finland willekeurig gekozen in je gedichten of heb je daar iets speciaals mee?
Ik ben wel erg onder de indruk van de gedichten van Sirkka Turkka. Ze hebben een archetypische en soms wat gekke sfeer met zwarte honden, stille rivieren en nieuwe maan. Er spreekt veel kracht uit, ook kracht om eenzaamheid en verlatenheid aan te kunnen. Ik denk dat daar mijn Finlandbeeld vandaan komt. Het verlangen naar rust en ruimte en eigenheid en tegelijk het beeld van de innerlijke kracht of natuurbinding die je nodig hebt om al die verlatenheid te dragen. Ik ben nog nooit in Finland geweest, het heeft voor mij een symbolische lading. Daarin resoneert denk ik mijn Drentse verleden. Als kind sjeesde ik op mijn fietsje rond het dorp en maakte hele zwerftochten. Een wonder en geschenk dat mijn ouders dat allemaal goed vonden. Ik ervoer een groot gevoel van schoonheid, vrijheid en verbondenheid met het landschap.

Hoe lang houd je je al met poëzie bezig?
Ik schreef mijn eerste gedicht toen ik acht was. Over een konijn op het mos in het bos. Het gedicht begint heel schattig. Het konijn krijgt een pakje en het gedicht eindigt met de vraag: ‘Weet je wat erin zat? Een dikke vette pad. ‘ Ik herinner mij mijn verbazing dat mijn moeder in de lach schoot toen ze het las. Ik besefte op dat moment dat zij blijkbaar door die letters op papier kon zien wat zich in mijn hoofd had afgespeeld. Die fascinatie heeft me eigenlijk nooit meer losgelaten.

Je geeft ook les in poëzie. Waar doe je dat en wat zijn je ervaringen?
Ik geef les aan volwassenen en kinderen. Ook aan docenten van basisscholen, zodat zij het weer door kunnen geven aan hun leerlingen. Het is altijd mooi om te zien dat mensen bij zichzelf uitkomen als ze schrijven, bij hun eigen ervaringen. Ik kom in mijn gedichten ook vaak uit bij het ik. Je zit altijd aan je eigen hoofd vast. Dat vind ik zo’n enorm gegeven in een mensenleven. Toch heb ik altijd de wens even in het hoofd van een ander te kunnen kruipen. Samen gedichten lezen of schrijfles geven is geweldig: je mag daar heel even in de buurt komen, bij die ander. Dat is echt een groot cadeau.

Kan poëzie je leven veranderen volgens jou en heb je daar een voorbeeld van?
Ik wilde dat ik nu kon zeggen dat één speciaal gedicht ooit een cruciale wending in mijn leven heeft gebracht, dat zou ik prachtig vinden, haha! Als er mensen zijn met zulke voorbeelden hoor ik ze heel graag! Ik denk dat het bij mij eerder omgekeerd is. Poëzie schrijven en lezen verandert niet iets maar geeft een diepe uitdrukking aan wat in je leeft. Aan je levensgevoel en je kijk op de wereld. Het verrijkt ook je kijk op de wereld. Poëzie doet dat, alleen al door het creatieve gebruik van de taal, op een speelse, lichte manier. Die combinatie van lichtheid en diepgang daar houd ik heel erg van.

Je bent initiatiefneemster van de site Dichter bij dichters die onlangs is geopend met behulp van webbouwer en support. Wat houdt deze site in en wat is je doel ermee? Wat voegt het toe aan de al bestaande poëziewereld?
Dichter bij Dichters is een online gedichtenleesclub. Er verschijnen zoveel prachtige bundels, die wil ik graag bekendheid geven. Ik vind het ook fijn om recht te doen aan de gedichten en er samen even in te duiken, want wat lees jij nou in het gedicht. Elke twee maanden staat er een andere dichter of dichteres in de schijnwerpers. Vragen en mijmertips nodigen de deelnemers uit tot overpeinzingen en er is de mogelijkheid je inzichten en vragen te delen op het online forum. Er heerst een open en onderzoekende sfeer. Het is echt prachtig wat mensen op het forum schrijven. Het legt een diepe laag in mensen bloot die je in de buitenwereld niet altijd meteen ziet maar die er wel is. Dat vind ik heel fijn om te ervaren. Het maakt mijn binnen- en buitenwereld synchroon. Mensen zijn vaak ook verrast hoe positief het forum is, en dat dat op internet mogelijk is. Aan het eind van de reeks gedichten komt de dichter of dichteres online om over de gedichten te vertellen. Dat is altijd geweldig. We hebben afgelopen tijd onder meer Maud Vanhauwaert, Tjitske Jansen en Ester Naomi Perquin te gast gehad. Het waren pareltjes.

Er zijn veel gedichten te lezen op je site, maar kunnen mensen ook publiceren op de site Dichter bij dichters?
Op dit moment kunnen mensen nog niet op de site publiceren. Ik krijg wel vaak gedichten toegezonden, en ook mooie gedichten, dus wellicht dat ik over een tijdje die mogelijkheid ga bieden.

Wat is het leukste dat je hebt meegemaakt als dichteres van Overijssel ?
Ik heb een reis zonder geld gemaakt als dichteres van Overijssel. Dat ging natuurlijk ook over de ontmoeting met de ander. Daar heb ik gedichten van gemaakt en die staan met foto’s en filmpjes in de Feestbundel die mensen online konden en kunnen downloaden op mijn website. Ik geef er ook graag lezingen over.

Dat je dat gedurfd hebt, super!
Dat durven is een verhaal op zich haha. Het meest bijzondere van de reis was dat mijn kwetsbare positie een enorm direct contact teweegbracht. Dat had ik van tevoren helemaal niet bedacht. Ik heb alle mensen die me van oost naar west hebben geholpen voor altijd in mijn hart gesloten. Waaronder Anton, 72 jaar, met zijn aardig ruige vriendenkring uit de kroeg. Bij het zoeken naar een slaapplaats stelde de barman Anton voor. Ik vroeg me hardop af in de kroeg, of dat wel slim was, een vrouw alleen bij een man alleen. Maar iedereen aan de bar wist heel zeker; bie Anton ku’j goed ligg’n. Ik vond het heel spannend maar heb uiteindelijk bij Anton thuis zijn hele levensverhaal gehoord. Hij was voor een vermogen bedrogen door een oplichtster die zogenaamd zijn partner wilde zijn. De volgende ochtend namen we afscheid met een kushandje. Ik met die grote rugzak achterop in de ochtendschemer en Anton met zijn pyjama in de deuropening. Mijn hart gloeit nog als ik er aan denk. We hebben nog steeds contact.

Het voelde echt als een noodzaak om het woord de kans te geven

 

Aly Freije won in 2008 de Freudenthal-prijs, publiceerde een Groningstalige bundel Wondpoeier (Groningen, 2009) en debuteerde nog een keer, nu met Door het vanggat (In de Knipscheer, Haarlem) in het Nederlands in 2016. Aly Freije is dichter en docent aan de Schrijversvakschool Groningen.

Je hebt een nieuwe bundel uit met de titel Door het vanggat. Waar komt de titel vandaan en wat bedoel je ermee?
Vanggat is een oogstterm, uit de tijd dat het koren nog werd gezicht met een zichtmachine en de schoven op wagens naar de schuren werden gebracht. Daar werden de schoven van de wagens geprikt in een vak van de schuur en schoof voor schoof doorgegeven tot ze bij de man belandden die ze in rijen stapelde. Dat deed mijn vader. Omdat schoven steeds hoger en hoger moesten worden doorgegeven en gestapeld, werd er een vanggat gemaakt, waar een man met een vork stond, die de schoof verder omhoog gooide naar de volgende man of vrouw. In het gedicht In lichtbundels danst het stof, IV wordt dat proces verbeeld. Maar vanggat heeft een dubbele betekenis, je vangt daarin herinneringen en vangt iets met taal, maar tegelijkertijd ontsnapt het beeld je weer, het verdwijnt in een gat. In je herinneringen zelf zit ook een vanggat. Er vallen gaten, zoals ik in het gedicht Kieren verwoord. En Vanggat staat ook voor verdwijning, sterven en doorgaan na de dood, belangrijke thema’s in mijn bundel.

Het eerste deel van de bundel heet Houtopstand. Speelt het ook een rol dat daar het woord ‘opstand’ inzit, of is dat te ver gezocht?
Houtopstand, daarin zit inderdaad ook een zekere opstandigheid tegen het lot, de benauwdheid als meisje in een dorp, en een verlangen om naar de grote wereld te ontsnappen. Tegelijk verwijst het woord voor mij naar het woord houtwal en dat vormt een beschutting, een strookje bos waarin ik met boomtakken een huisje bouwde. Houtopstand is daarnaast ook woekering, waar ik met taal een weg doorheen moet zien te hakken.

Hoe vind je dat de bundel door recensenten is ontvangen?
De ontvangst van mijn bundel verloopt goed, er zijn een aantal zeer positieve recensies over verschenen in noordelijke bladen, bij Literatuurplein en 8WEEKLY. Sommige van de gedichten verschenen al landelijk in tijdschriften als Extaze, Tzum, Krakatau, Liegend Konijn, Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Maar ze zijn minder te vinden in de ‘grote’ Nederlandse tijdschriften, tot nu toe tenminste. Dat zegt ook iets over hoe mijn poëzie wordt opgepikt, gedichten waarin de natuur veel als beeld wordt gebruikt, waarin het landschap en de dieren vaak meelopen en gekoppeld worden aan aspecten van het menselijke bestaan als erotiek, verlies en dood. Ik geloof dat in Vlaanderen een sterker natuurbewustzijn leeft dan hier in het verstedelijkte Nederland. Er zijn enkele gedichten van mij in het Duits vertaald; misschien speelt ook daar de natuur een grotere rol in de literatuur. In Duitsland heb ik een paar keer gedichten gepresenteerd, in Oost-Friesland en in Berlijn, samen met (werk van) beeldend kunstenaar Friederike Linssen. Ik signaleer via mijn gedichten de aantasting van de natuur, de verschraling van het landschap en de essentie om als mens de elementen te ervaren. Letterlijk leef ik hier in een gebied met aardbevingen, een gebied dat ernstig wordt aangetast, met veel ellende voor de bewoners, maar ook met een vernietiging van eeuwenoude monumenten. En met de schaalvergroting van landbouw en veeteelt wat landschappen erg aantast.

Schreef je aanvankelijk in het Gronings toen je begon met schrijven of is dat later gekomen?
Ik ben tweetalig, de taal van mijn jeugd was het Gronings, een spreek- en werktaal. Mijn verdere ontwikkeling verliep in de Nederlandse taal, de taal waarin ik nu dagelijks leef. Toen ik de poëzie ontdekte ging dat via Nederlandstalige gedichten. Eigenlijk ben ik door een toeval gedichten in het Gronings gaan schrijven, toen ik contact kreeg met de Groningse dichter Jan Glas, die nu ook voornamelijk in het Nederlands schrijft. Ik stuurde een serie Groningstalige gedichten in voor de Freudenthalprijs, de belangrijkste prijs voor nieuwe Nedersaksische Literatuur, en ik werd prijswinnaar. Ik ontdekte dat de Groningse taal me weer de muzikaliteit liet zien, en zo ontstond mijn eerste Groningstalige bundel Wondpoeier. Maar in de Nederlandse taal heb ik een grotere woordenschat en meer bereik, dus nu schrijf ik voornamelijk in het Nederlands.

Schrijf je al je hele leven of heb je een ander beroep ernaast?
Ik kom niet uit een geletterd gezin, maar ik las al vroeg erg veel en fantaseerde allerlei verhalen. Het belang van een beroep met een zelfstandig inkomen werd me al vroeg duidelijk, toen mijn moeder weduwe werd en de boerderij over moest nemen om inkomen te hebben. Dat was al voordat ik me in de vrouwenbeweging ging roeren. Ik studeerde sociologie en werkte later in het onderwijs, tweedekansonderwijs heette dat toen. Ik begeleidde groepen, ontwikkelde leerplannen en gaf didactieklessen. Ik werkte samen met een dramadocent om docenten in opleiding een creatieve leergang te bieden en ontdekte dat ik dat zelf heel graag verder wilde ontdekken. Ik ben toen naar de Schrijversvakschool Amsterdam gegaan om mijn schrijven te ontwikkelen, ik was toen veertig. Het voelde echt als een noodzaak om het woord de kans te geven. Ik ging in Amsterdam werken bij een stichting voor amateurschrijvers, het blad Schrijven komt daaruit voort. Daar kwam ik zelf niet meer aan veel schrijven toe met al mijn projecten. Ik volgde wel een opleiding tot docent schrijven en begon schrijflessen en workshops te geven voor allerlei groepen. Toen ik uit Amsterdam vertrok ben ik het schrijven echt serieus gaan nemen. Nu ben ik naast dichter en schrijver nog steeds docent schrijven bij de Schrijversvakschool Groningen.

Op de achterflap van de dichtbundel staat dat je werd geconfronteerd met gedwongen vertrek uit Groningen en met de dood van dierbaren. ‘Ze onderzoekt de werking van herinneringen en hoe daar via de taal toegang tot te krijgen is.’ Wat voor gedwongen vertrek was dat?
Het gedwongen vertrek komt voort uit een concrete gebeurtenis. Door de ziekte en vroegtijdige dood van eerst mijn vader en vijf jaar later mijn moeder verloor ik het ouderlijk huis. Begin twintig was ik en ik had alleen nog mijn studentenkamer. Heel lang zaten de woorden op slot. Tot ik ging schrijven en er niet meer omheen kon. Het verlies van een plek is al terug te vinden in mijn Groningstalige bundel in de serie In lichtbundels danst het stof die vertaald in deze nieuwe bundel is opgenomen. En ook in de serie Terugspoelen en de afdeling Vluchtstroken ben ik hiermee verder gegaan. Ik zie de taal als een vluchtstrook waar ik wel moet stoppen, uitstappen en woorden verzamelen, waarna ik weer de rijbaan opga.