Het is waarschijnlijk de aard van het beestje

 

Anneke Wasscher (1946) debuteert in oktober met de bundel Atlas van de tijd bij uitgeverij Kontrast.
Ze gaf Meander al twee mooie interviews de afgelopen jaren. Hoe denkt ze nu over haar eerdere uitspraken en hoe gaat het met haar?

Ideaal zou ik het vinden als een uitgever mijn beste gedichten aan de man zou brengen. Als dat er niet van komt, zal ik waarschijnlijk eens in eigen beheer een bundel uitgeven die ik kan weggeven’ zei je in een vorig interview in Meander. Hoe kijk je nu aan tegen deze uitspraak uit 2015?
Eigenlijk sta ik nog wel achter deze uitspraak. In de loop van de tijd heb ik ontdekt dat poëziebundels over het algemeen niet goed verkopen. Voor uitgeverijen dus niet echt aantrekkelijk. Ik heb het geluk gehad dat Jos van Hest, dichter, schrijver, docent en tevens redacteur van uitgeverij Kontrast, mijn werk kende en mij gevraagd heeft een bundel uit te geven. Als dit niet op mijn pad gekomen was, dan had ik misschien eerst nog mijn manuscript naar een paar uitgevers gestuurd. Wanneer dat niet tot succes had geleid, was plan B aan de orde gekomen: in eigen beheer op een goedkope manier een bundel uitgeven. Ik heb in mijn kennissenkring van dichters diverse positieve resultaten gezien. Bij de uitgever neem ik nu een flink aantal bundels af die ik zelf verkopen moet. Wel tegen het door de uitgever vastgesteld bedrag natuurlijk. Weggeven mag ook…. In bepaalde situaties zal ik dat zeker doen. Het is echter te kostbaar om ze allemaal cadeau te geven!

Wanneer wordt je bundel gepresenteerd?
De bundel verschijnt op 15 oktober in Leek. De presentatie is onderdeel van een poëziemiddag in de Borg Nienoord te Leek. Dit alles in het kader van ‘Kunst op Nienoord’.

Hoe is dit debuut ontstaan en heb je lang over het verzamelen en selecteren van de gedichten gedaan?
Het was niet moeilijk uit een paar honderd gedichten van een tiental jaren er ruim veertig te sorteren voor de bundel. Mijn uitgangspunt was natuurlijk dat deze gedichten ‘goed’ moesten zijn. Ik koos daarom in eerste instantie mijn winnende en genomineerde gedichten die doorgaans ook geselecteerd waren voor verzamelbundels of literaire tijdschriften. Mijn gedichten staan in meer dan zestig verzamelbundels. Vaak zijn dat bundels die worden uitgegeven als gelegenheidsbundel naar aanleiding van een gedichtenwedstrijd. Er is nooit eerder een dichtbundel met alleen mijn eigen gedichten verschenen.
Daarnaast voegde ik nog een aantal gedichten toe waarmee ik bij mijn optredens succes had. Dus de keuze was duidelijk afhankelijk van de smaak van jury’s en het publiek. Tenslotte moet het de lezer bevallen. Overigens ben ik zelf tevreden met deze selectie.

Is het een bundel met een bepaald thema?
Het thema ‘tijd’ heb ik als uitgangspunt gekozen. Dat is een bron van inspiratie. De dichter Rutger Kopland heeft ooit een prachtig gedicht geschreven met als titel ‘tijd’. Een paar zinnen zijn mij bij gebleven:

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

Ik had behoefte mijn gedachten een tastbare plek te geven. De noodzaak voor mezelf iets vast te houden en te delen. Misschien ook omdat ik er regelmatig bij stil sta dat ik straks iemand ben die ‘voorbij’ zal zijn. In Atlas van de tijd zijn gedachten, gevoelens en observaties in kaart gebracht.

Hoe gaat de bundel eruit zien qua opbouw?
De bundel bestaat uit vijf series gedichten. De eerste gaat over het thema ‘relaties’, vanuit diverse invalshoeken benaderd. Veranderingen in de loop van de tijd. Onomkeerbaarheid in een proces: ‘herfsttuin‘. Eindigheid: ‘het sprak vanzelf ‘. De tweede serie schetst zeven portretten van mensen in bepaalde fasen of omstandigheden van hun leven. Totaal verschillende personen zoals een buitenstaander, een oorlogsslachtoffer, het meisje dat uitgehuwelijkt is en terug moet naar het land van herkomst. In de derde verzameling probeer ik grip te krijgen op het fenomeen tijd zoals in: ‘gesprek met de nacht’. De serie met de titel: ‘schuilen in de luwte van het zwijgen’ heeft met name betrekking op de ouder wordende mens: ‘bevolkingsonderzoek’ en ‘ de tijd kwijt’. Zelf vind ik dat deel van de bundel het best. In de laatste reeks beschrijf ik hoe een bepaalde tijd invloed had/heeft op onze cultuur. Bijvoorbeeld hoe in de periode van de Tweede Wereldoorlog de Davidster tot een bijzonder symbool verwerd: gedicht ‘symbool’. Natuurlijk beschrijf ik ook de positieve nalatenschap: ‘ juttersgeluk’ dat een ode is aan dichter J.J. Slauerhoff.

Hoe komt het dat je zulke melancholische gedichten schrijft? Voel je die melancholie zelf?
Het feit dat ik zulke melancholieke gedichten schrijf, heeft te maken met mijn aard. Een onderstroom in mezelf is ‘weemoed’, overigens een antiek woord waar ik van hou. Het is in mijn geval niet leeftijdgebonden. In mijn jeugd was ik al ernstig. Als ik terugdenk aan de opstellen die ik vroeger als kind schreef, was de rode draad vaak de tragiek. Op de middelbare school waren het vooral boeken als Eline Vere (Louis Couperus) en Van de koele meren des doods (Frederik van Eeden) die me aanspraken. Het is waarschijnlijk de aard van het beestje, waardoor ik me focus op dingen als tekorten, aftakeling, verlies etc. Zaken die in elk mensenleven voorkomen. Ik sta er alleen regelmatig bij stil en vergroot ze. Tegelijkertijd is dat natuurlijk ook een valkuil voor me bij het schrijven van gedichten. Lezers zitten misschien niet te wachten op dergelijke poëzie. Alhoewel ik bij een optreden vaak bij een treurig gedicht herkenning ontmoet. Mensen reageren dan na afloop heel positief. Ik zou mijn bundel Atlas van de tijd realistisch willen noemen. In de gedichten bestaat er altijd een verbinding met mijn eigen leven. De ervaringen en verhalen van mensen die mij na staan. Ze hebben indruk gemaakt en ik geef het gevoel woorden.

In een mail schreef je dat je twijfelde over je dichterschap. Je hebt zo veel prijzen gewonnen dat je daar toch niet aan zou hoeven twijfelen?
Inderdaad heb ik veel prijzen behaald de afgelopen jaren. Dit jaar won ik nog een prijs. Toch is de twijfel gaan knagen. Het is met name het laatste jaar dat ik me afvraag of ik écht goed dichten kan. Of ik eigenlijk wel voldoe aan een bepaald niveau. Waarschijnlijk heeft dit momenteel met twee dingen te maken. In de eerste plaats had ik een heel bekwame redacteur, die al mijn gekozen gedichten onder zijn vergrootglas legde. Hij stak daar veel tijd in. Het resultaat was dat mij werd geadviseerd woorden en soms hele strofen te schrappen. Ik moet toegeven dat de ‘producten’ daar inderdaad sterker van werden. Natuurlijk ben ik er blij mee en dus ook dankbaar voor, maar tegelijkertijd heb ik het bij sommige teksten toch ervaren als een verlies. In dezelfde periode maakte ik nog deel uit van de dichtgroep WP99. Ik vond het een eer toen ik daar een paar jaar geleden voor gevraagd werd. Een van mijn motieven om lid te worden was: ‘beter leren dichten’. Een ervaren docent/dichter gaf ons maandelijks een opdracht. De resultaten werden uiteraard in de groep besproken. In de op- en aanmerkingen hoorde ik dezelfde kritiek als die van mijn redacteur. Dubbelop dus. Kennelijk was ik niet goed in staat om die kritiek een positieve draai te geven. Rationeel gezien wel, maar ik voelde het als ‘mijn poëzie is toch niet goed genoeg’. Als een gedicht een keer als ‘goed’ beoordeeld werd, telde het haast niet. Een soort alles of niets gevoel dus. Duidelijk een leerpunt voor mij om hier ooit in een soortgelijke situatie anders mee om te gaan. Het gekke is dat in die periode ook mijn inspiratie voor het schrijven van nieuwe gedichten verdween. Ik begon eisen aan mezelf te stellen die ik niet waar kon maken. Voelde het haast als een noodzaak om mijn stijl te veranderen. Vergeleek mezelf met moderne dichters en kon me daar niet mee meten. Toch blijft poëzie een essentieel onderdeel van mijn leven. Tijdelijk lees ik veel gedichten van andere dichters uit diverse perioden en dat is ook heel leerzaam in een pauze.

Een nieuw dichtersplatform

 

Heleen Bosma (1964) was in de jaren 2009-2011 stadsdichter van Deventer en van 2013 tot 2015  provinciedichter van Overijssel. Vier keer drong ze door tot de top 100 van de Turingwedstrijd.  Ze publiceerde Oostenwind en Liefdesspoor. Heleen Bosma is dichter en schrijfdocent. Recent lanceerde zij een nieuw soort dichtersplatform Dichter bij dichters. Esther Naomi Perquin noemt dat platform een heel stevig platform. Wat is het precies dat dichtersplatform en wat beweegt Heleen Bosma om poëzie te schrijven?

We hebben je uitgenodigd om poëzie in te sturen en in twee van de drie gedichten die je stuurde komt Finland voor. Is Finland willekeurig gekozen in je gedichten of heb je daar iets speciaals mee?
Ik ben wel erg onder de indruk van de gedichten van Sirkka Turkka. Ze hebben een archetypische en soms wat gekke sfeer met zwarte honden, stille rivieren en nieuwe maan. Er spreekt veel kracht uit, ook kracht om eenzaamheid en verlatenheid aan te kunnen. Ik denk dat daar mijn Finlandbeeld vandaan komt. Het verlangen naar rust en ruimte en eigenheid en tegelijk het beeld van de innerlijke kracht of natuurbinding die je nodig hebt om al die verlatenheid te dragen. Ik ben nog nooit in Finland geweest, het heeft voor mij een symbolische lading. Daarin resoneert denk ik mijn Drentse verleden. Als kind sjeesde ik op mijn fietsje rond het dorp en maakte hele zwerftochten. Een wonder en geschenk dat mijn ouders dat allemaal goed vonden. Ik ervoer een groot gevoel van schoonheid, vrijheid en verbondenheid met het landschap.

Hoe lang houd je je al met poëzie bezig?
Ik schreef mijn eerste gedicht toen ik acht was. Over een konijn op het mos in het bos. Het gedicht begint heel schattig. Het konijn krijgt een pakje en het gedicht eindigt met de vraag: ‘Weet je wat erin zat? Een dikke vette pad. ‘ Ik herinner mij mijn verbazing dat mijn moeder in de lach schoot toen ze het las. Ik besefte op dat moment dat zij blijkbaar door die letters op papier kon zien wat zich in mijn hoofd had afgespeeld. Die fascinatie heeft me eigenlijk nooit meer losgelaten.

Je geeft ook les in poëzie. Waar doe je dat en wat zijn je ervaringen?
Ik geef les aan volwassenen en kinderen. Ook aan docenten van basisscholen, zodat zij het weer door kunnen geven aan hun leerlingen. Het is altijd mooi om te zien dat mensen bij zichzelf uitkomen als ze schrijven, bij hun eigen ervaringen. Ik kom in mijn gedichten ook vaak uit bij het ik. Je zit altijd aan je eigen hoofd vast. Dat vind ik zo’n enorm gegeven in een mensenleven. Toch heb ik altijd de wens even in het hoofd van een ander te kunnen kruipen. Samen gedichten lezen of schrijfles geven is geweldig: je mag daar heel even in de buurt komen, bij die ander. Dat is echt een groot cadeau.

Kan poëzie je leven veranderen volgens jou en heb je daar een voorbeeld van?
Ik wilde dat ik nu kon zeggen dat één speciaal gedicht ooit een cruciale wending in mijn leven heeft gebracht, dat zou ik prachtig vinden, haha! Als er mensen zijn met zulke voorbeelden hoor ik ze heel graag! Ik denk dat het bij mij eerder omgekeerd is. Poëzie schrijven en lezen verandert niet iets maar geeft een diepe uitdrukking aan wat in je leeft. Aan je levensgevoel en je kijk op de wereld. Het verrijkt ook je kijk op de wereld. Poëzie doet dat, alleen al door het creatieve gebruik van de taal, op een speelse, lichte manier. Die combinatie van lichtheid en diepgang daar houd ik heel erg van.

Je bent initiatiefneemster van de site Dichter bij dichters die onlangs is geopend met behulp van webbouwer en support. Wat houdt deze site in en wat is je doel ermee? Wat voegt het toe aan de al bestaande poëziewereld?
Dichter bij Dichters is een online gedichtenleesclub. Er verschijnen zoveel prachtige bundels, die wil ik graag bekendheid geven. Ik vind het ook fijn om recht te doen aan de gedichten en er samen even in te duiken, want wat lees jij nou in het gedicht. Elke twee maanden staat er een andere dichter of dichteres in de schijnwerpers. Vragen en mijmertips nodigen de deelnemers uit tot overpeinzingen en er is de mogelijkheid je inzichten en vragen te delen op het online forum. Er heerst een open en onderzoekende sfeer. Het is echt prachtig wat mensen op het forum schrijven. Het legt een diepe laag in mensen bloot die je in de buitenwereld niet altijd meteen ziet maar die er wel is. Dat vind ik heel fijn om te ervaren. Het maakt mijn binnen- en buitenwereld synchroon. Mensen zijn vaak ook verrast hoe positief het forum is, en dat dat op internet mogelijk is. Aan het eind van de reeks gedichten komt de dichter of dichteres online om over de gedichten te vertellen. Dat is altijd geweldig. We hebben afgelopen tijd onder meer Maud Vanhauwaert, Tjitske Jansen en Ester Naomi Perquin te gast gehad. Het waren pareltjes.

Er zijn veel gedichten te lezen op je site, maar kunnen mensen ook publiceren op de site Dichter bij dichters?
Op dit moment kunnen mensen nog niet op de site publiceren. Ik krijg wel vaak gedichten toegezonden, en ook mooie gedichten, dus wellicht dat ik over een tijdje die mogelijkheid ga bieden.

Wat is het leukste dat je hebt meegemaakt als dichteres van Overijssel ?
Ik heb een reis zonder geld gemaakt als dichteres van Overijssel. Dat ging natuurlijk ook over de ontmoeting met de ander. Daar heb ik gedichten van gemaakt en die staan met foto’s en filmpjes in de Feestbundel die mensen online konden en kunnen downloaden op mijn website. Ik geef er ook graag lezingen over.

Dat je dat gedurfd hebt, super!
Dat durven is een verhaal op zich haha. Het meest bijzondere van de reis was dat mijn kwetsbare positie een enorm direct contact teweegbracht. Dat had ik van tevoren helemaal niet bedacht. Ik heb alle mensen die me van oost naar west hebben geholpen voor altijd in mijn hart gesloten. Waaronder Anton, 72 jaar, met zijn aardig ruige vriendenkring uit de kroeg. Bij het zoeken naar een slaapplaats stelde de barman Anton voor. Ik vroeg me hardop af in de kroeg, of dat wel slim was, een vrouw alleen bij een man alleen. Maar iedereen aan de bar wist heel zeker; bie Anton ku’j goed ligg’n. Ik vond het heel spannend maar heb uiteindelijk bij Anton thuis zijn hele levensverhaal gehoord. Hij was voor een vermogen bedrogen door een oplichtster die zogenaamd zijn partner wilde zijn. De volgende ochtend namen we afscheid met een kushandje. Ik met die grote rugzak achterop in de ochtendschemer en Anton met zijn pyjama in de deuropening. Mijn hart gloeit nog als ik er aan denk. We hebben nog steeds contact.

Het voelde echt als een noodzaak om het woord de kans te geven

 

Aly Freije won in 2008 de Freudenthal-prijs, publiceerde een Groningstalige bundel Wondpoeier (Groningen, 2009) en debuteerde nog een keer, nu met Door het vanggat (In de Knipscheer, Haarlem) in het Nederlands in 2016. Aly Freije is dichter en docent aan de Schrijversvakschool Groningen.

Je hebt een nieuwe bundel uit met de titel Door het vanggat. Waar komt de titel vandaan en wat bedoel je ermee?
Vanggat is een oogstterm, uit de tijd dat het koren nog werd gezicht met een zichtmachine en de schoven op wagens naar de schuren werden gebracht. Daar werden de schoven van de wagens geprikt in een vak van de schuur en schoof voor schoof doorgegeven tot ze bij de man belandden die ze in rijen stapelde. Dat deed mijn vader. Omdat schoven steeds hoger en hoger moesten worden doorgegeven en gestapeld, werd er een vanggat gemaakt, waar een man met een vork stond, die de schoof verder omhoog gooide naar de volgende man of vrouw. In het gedicht In lichtbundels danst het stof, IV wordt dat proces verbeeld. Maar vanggat heeft een dubbele betekenis, je vangt daarin herinneringen en vangt iets met taal, maar tegelijkertijd ontsnapt het beeld je weer, het verdwijnt in een gat. In je herinneringen zelf zit ook een vanggat. Er vallen gaten, zoals ik in het gedicht Kieren verwoord. En Vanggat staat ook voor verdwijning, sterven en doorgaan na de dood, belangrijke thema’s in mijn bundel.

Het eerste deel van de bundel heet Houtopstand. Speelt het ook een rol dat daar het woord ‘opstand’ inzit, of is dat te ver gezocht?
Houtopstand, daarin zit inderdaad ook een zekere opstandigheid tegen het lot, de benauwdheid als meisje in een dorp, en een verlangen om naar de grote wereld te ontsnappen. Tegelijk verwijst het woord voor mij naar het woord houtwal en dat vormt een beschutting, een strookje bos waarin ik met boomtakken een huisje bouwde. Houtopstand is daarnaast ook woekering, waar ik met taal een weg doorheen moet zien te hakken.

Hoe vind je dat de bundel door recensenten is ontvangen?
De ontvangst van mijn bundel verloopt goed, er zijn een aantal zeer positieve recensies over verschenen in noordelijke bladen, bij Literatuurplein en 8WEEKLY. Sommige van de gedichten verschenen al landelijk in tijdschriften als Extaze, Tzum, Krakatau, Liegend Konijn, Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Maar ze zijn minder te vinden in de ‘grote’ Nederlandse tijdschriften, tot nu toe tenminste. Dat zegt ook iets over hoe mijn poëzie wordt opgepikt, gedichten waarin de natuur veel als beeld wordt gebruikt, waarin het landschap en de dieren vaak meelopen en gekoppeld worden aan aspecten van het menselijke bestaan als erotiek, verlies en dood. Ik geloof dat in Vlaanderen een sterker natuurbewustzijn leeft dan hier in het verstedelijkte Nederland. Er zijn enkele gedichten van mij in het Duits vertaald; misschien speelt ook daar de natuur een grotere rol in de literatuur. In Duitsland heb ik een paar keer gedichten gepresenteerd, in Oost-Friesland en in Berlijn, samen met (werk van) beeldend kunstenaar Friederike Linssen. Ik signaleer via mijn gedichten de aantasting van de natuur, de verschraling van het landschap en de essentie om als mens de elementen te ervaren. Letterlijk leef ik hier in een gebied met aardbevingen, een gebied dat ernstig wordt aangetast, met veel ellende voor de bewoners, maar ook met een vernietiging van eeuwenoude monumenten. En met de schaalvergroting van landbouw en veeteelt wat landschappen erg aantast.

Schreef je aanvankelijk in het Gronings toen je begon met schrijven of is dat later gekomen?
Ik ben tweetalig, de taal van mijn jeugd was het Gronings, een spreek- en werktaal. Mijn verdere ontwikkeling verliep in de Nederlandse taal, de taal waarin ik nu dagelijks leef. Toen ik de poëzie ontdekte ging dat via Nederlandstalige gedichten. Eigenlijk ben ik door een toeval gedichten in het Gronings gaan schrijven, toen ik contact kreeg met de Groningse dichter Jan Glas, die nu ook voornamelijk in het Nederlands schrijft. Ik stuurde een serie Groningstalige gedichten in voor de Freudenthalprijs, de belangrijkste prijs voor nieuwe Nedersaksische Literatuur, en ik werd prijswinnaar. Ik ontdekte dat de Groningse taal me weer de muzikaliteit liet zien, en zo ontstond mijn eerste Groningstalige bundel Wondpoeier. Maar in de Nederlandse taal heb ik een grotere woordenschat en meer bereik, dus nu schrijf ik voornamelijk in het Nederlands.

Schrijf je al je hele leven of heb je een ander beroep ernaast?
Ik kom niet uit een geletterd gezin, maar ik las al vroeg erg veel en fantaseerde allerlei verhalen. Het belang van een beroep met een zelfstandig inkomen werd me al vroeg duidelijk, toen mijn moeder weduwe werd en de boerderij over moest nemen om inkomen te hebben. Dat was al voordat ik me in de vrouwenbeweging ging roeren. Ik studeerde sociologie en werkte later in het onderwijs, tweedekansonderwijs heette dat toen. Ik begeleidde groepen, ontwikkelde leerplannen en gaf didactieklessen. Ik werkte samen met een dramadocent om docenten in opleiding een creatieve leergang te bieden en ontdekte dat ik dat zelf heel graag verder wilde ontdekken. Ik ben toen naar de Schrijversvakschool Amsterdam gegaan om mijn schrijven te ontwikkelen, ik was toen veertig. Het voelde echt als een noodzaak om het woord de kans te geven. Ik ging in Amsterdam werken bij een stichting voor amateurschrijvers, het blad Schrijven komt daaruit voort. Daar kwam ik zelf niet meer aan veel schrijven toe met al mijn projecten. Ik volgde wel een opleiding tot docent schrijven en begon schrijflessen en workshops te geven voor allerlei groepen. Toen ik uit Amsterdam vertrok ben ik het schrijven echt serieus gaan nemen. Nu ben ik naast dichter en schrijver nog steeds docent schrijven bij de Schrijversvakschool Groningen.

Op de achterflap van de dichtbundel staat dat je werd geconfronteerd met gedwongen vertrek uit Groningen en met de dood van dierbaren. ‘Ze onderzoekt de werking van herinneringen en hoe daar via de taal toegang tot te krijgen is.’ Wat voor gedwongen vertrek was dat?
Het gedwongen vertrek komt voort uit een concrete gebeurtenis. Door de ziekte en vroegtijdige dood van eerst mijn vader en vijf jaar later mijn moeder verloor ik het ouderlijk huis. Begin twintig was ik en ik had alleen nog mijn studentenkamer. Heel lang zaten de woorden op slot. Tot ik ging schrijven en er niet meer omheen kon. Het verlies van een plek is al terug te vinden in mijn Groningstalige bundel in de serie In lichtbundels danst het stof die vertaald in deze nieuwe bundel is opgenomen. En ook in de serie Terugspoelen en de afdeling Vluchtstroken ben ik hiermee verder gegaan. Ik zie de taal als een vluchtstrook waar ik wel moet stoppen, uitstappen en woorden verzamelen, waarna ik weer de rijbaan opga.

Interview met Jante Wortel

Kauwgom, koffie en schrijven

 

Jante Wortel (1996) volgt een opleiding aan de ArtEZ en won de landelijke finale Kunstbende Taal 2015. Ze heeft gepubliceerd in de bundel POETSVROUWEN!, in Op Ruwe Planken en Perplex. Ze stond ook in de top 100 van de Turing gedichtenwedstrijd 2015 en 2016. Onlangs won ze de Drentse Talentprijs Cultuur. Thema’s zijn onder meer familie, dagelijkse gebeurtenissen en ongemak.

Je volgt een opleiding in het schrijven? En je treedt ook al op?
Ik zit nu in het derde jaar van de opleiding Creative Writing, en ik loop tot half juli stage bij het Nederlands Letterenfonds. Daar ben ik stagiaire bij het projectteam van de Frankfurter Buchmesse 2016 sinds januari. Heel leuk! Maar omdat ik daar dus behoorlijk druk mee ben heb ik voor de komende tijd even geen optredens staan.
Naast mijn stage ben ik vooral bezig met het werken aan mijn derdejaarsoriëntatie. Ik schrijf daarvoor een serie korte verhalen, allemaal eerste versies die ik probeer in één keer door te schrijven, het liefst ook zonder tussendoor iets terug te lezen. Mijn begeleider voor deze oriëntatie is mijn klasgenoot Christiaan. Hij leest de verhalen vrijwel meteen als ik ze af heb, omdat ik ze via de facebookchat naar hem opstuur.
Aan het begin zei ik voor de grap dat ik als doel had zevenentwintig eerste versies te schrijven. Ik heb er nu dertig.

Waaruit bestaan je werkzaamheden als stagiair bij het Nederlands Letterenfonds?
Omdat ik stage loop bij het projectteam van de Frankfurter Buchmesse 2016, zijn bijna al mijn taken gericht op het organiseren van evenementen rond het gastlandschap in Frankfurt eind oktober. Wat ik doe als stagiaire wisselt dus heel erg, aan de ene kant help ik mee met de productie, het maken van draaiboeken voor evenementen op de Messe bijvoorbeeld, maar ik help ook bij het schrijven van auteursfiches, het opvragen van informatie bij uitgeverijen, het boeken van reizen voor de auteurs. Dat is wat het voor mij zo leuk maakt. Ik mag heel veel verschillende dingen doen en word heel erg bij het project betrokken, omdat we met zo weinig mensen zijn. Ik maak ook weleens koffie, maar dat hoort niet bij mijn taakomschrijving.

Wat ga je doen met de poëzie die je vorig jaar schreef?
Ik heb een tijdje veel ‘oude’ poëzie voorgedragen. Nu schrijf ik vooral verhalen, dus als ik nu gevraagd word om ergens op te treden dan lees ik liever zo’n verhaal voor, omdat het nieuwer is. Er zijn wel een aantal van mijn oude gedichten gepubliceerd, maar de rest is toch ergens in een van mijn tweehonderd schrijfmappen geëindigd.

Wat vind je moeilijker, poëzie of proza?
Poëzie. Bij proza lukt het me vaak wel om maar gewoon te gaan zitten en te beginnen, dan komt er vanzelf wel iets, maar bij poëzie lukt dat meestal niet. Of eigenlijk, dat lukt nooit. Vorig jaar had ik een paar maanden waarin ik heel veel gedichten schreef en nauwelijks nog proza. Ik hoop niet dat dit heel afgezaagd klinkt, maar bij poëzie moet ik echt een beginpunt hebben. Een beeld, een paar zinnen of een idee, anders voelt het alsof ik iets aan het forceren ben. Op dat soort momenten haat ik schrijven. Ik schreef heel lang voor het eindresultaat, nu doe ik het meer voor het schrijven zelf. Niet alleen, maar wel meer. Voor mij moet het ook nog een beetje leuk blijven.

Je zegt: het moet ook nog een beetje leuk blijven. Ben je begonnen omdat het leuk was en hoe is dat nu?
In het begin, toen ik echt voor het eerst begon met schrijven, deed ik het inderdaad‘gewoon omdat het leuk was. Nu is dat anders. Niet dat ik schrijven niet meer leuk vind, maar nu voelt het ook af en toe als moeten. Ik moet schrijven. Ik wil schrijven. Niet zomaar als hobby, maar als meer dan dat.
Bij de toelating voor de opleiding Creative Writing zei Thomas Verbogt dat schrijven een manier van leven is, dat het je leven zelf is. Toen vond ik dat nogal overdreven, ik dacht dat hij het zei om me bang te maken, maar nu begrijp ik wel wat hij bedoelde. En ik ben het ook met hem eens. Ik laat schrijven vaak voorgaan, omdat ik het belangrijk vind.

Ik las ergens dat je ook wel eens moest huilen of veel kauwgom eten tijdens het schrijven?
Dat van dat huilen tijdens het schrijven klopt wel ja. Heel veel kauwgum eten zal ik ook een tijd gedaan hebben, tegenwoordig is het meer koffie of thee drinken.
Als ik vastloop tijdens het schrijven vind ik het vaak moeilijk om het los te laten. Ze zeggen dat het goed is om het dan even te laten liggen, en dat weet ik ook wel, maar dat kan ik niet. Vaak raak ik dan heel gefrustreerd en blijf ik net zolang bezig tot het wel lukt. Helaas eindig ik dan dus vaak met een huilbui in plaats van een verhaal.
Het lijkt nu wel of schrijven voor mij altijd eindigt met huilen, maar ik bedoelde meer de extreme gevallen. Dus als het écht niet lukt. Daarnaast is het ook zo dat het al veel beter geworden is het afgelopen jaar. Ik kreeg na de zomer van een docent de tip te beginnen met ‘schrijven voor de prullenbak’. Gewoon elke dag 500 woorden, en dan maakt het niet uit waar het over gaat en of het wel of niet goed is. Dan is niet meer het eindresultaat het doel, maar die 500 woorden op zich. Het heeft mij toen heel erg geholpen om de redacteur tijdens het schrijven als het ware uit te zetten. Ik begin gewoon en dan zie ik wel. Sindsdien maak ik verhalen ook veel vaker af, en als ze dan af zijn word ik daar echt even gelukkig van. Anders zou ik het ook niet doen, denk ik. Als ik er voor mezelf geen druk achter zet gaat het veel meer om het schrijven zelf, en niet meer alleen om wat het wordt. Dat bedoelde ik met het moet wel leuk blijven. De laatste keer dat het niet leuk was is ook alweer even geleden. Toen had ik een deadline en nog maar anderhalf uur om het af te maken.

Je houdt een blog bij?
Ik zet er de laatste tijd niet meer zo vaak meer iets op, maar dat ben ik wel van plan weer te gaan doen. Het zijn vaak onaffe stukken van dingen waar ik aan werk. Verhalen, gedichten, of gewoon een paar zinnen.

Waar richt zich je schrijven nu vooral op?
Mijn schrijven richt zich de laatste tijd voornamelijk op korte verhalen. Ik denk dat ik dat ook het leukst vind, of in elk geval proza. Vorig jaar heb ik een lange tijd alleen maar poëzie geschreven, en ook theater, maar dat doe ik nu even wat minder. Volgend jaar wil ik voor mijn afstudeerwerk ook proza gaan schrijven. Een verhalenbundel, of een novelle en als het lukt misschien een roman.

Interview met Dinie Sophie Fintelman

‘Ik schrijf niet barok’

 

Dinie Sophie Fintelman (1951) woont en dicht in Groede. Ze studeerde Nederlands aan de Nutsacademie in Middelburg en debuteerde met haar volumineuze gedichtenbundel Bots in 2014 in de Bordeauxreeks, nr. 23, bij Liverse in Dordrecht.
Een aantal gedichten is opgenomen in verschillende bloemlezingen. Ook won ze diverse prijzen in dichtwedstrijden. Aanleiding om haar nader over haar poëzie te interviewen zijn de nieuwe gedichten die ze naar Meander stuurde. Is er bijvoorbeeld een nieuwe bundel in de maak?

Wat voor dichters lees je nu?
Middelnederlandse teksten als de Beatrijs en de Minneliederen van Hendrik van Veldeke lees ik nog altijd graag. Maar ook Martinus Nijhoff en Gerrit Achterberg en de Vijftigers hebben mijn liefde. Eigentijdse dichters als Menno Wigman en Erik Lindner weten me te raken. Eenheid van vorm en inhoud – een van de principes van de Tachtigers- vind ik belangrijk.

Toen je hoorde dat je gedichten geplaatst werden stuurde je bijna per omgaande nieuwe versies. Waarom dat directe herschrijven?
Het herschrijven van gedichten is een proces en het was ook niet direct, ik was er al mee bezig. Soms staat er iets wat ik inhoudelijk goed vind maar nog niet de juiste vorm heeft, of omgekeerd. Vorm en inhoud moeten elkaar versterken; dat is een bijna onbereikbaar doel. Soms lukt het en dan is het een goed gedicht.

Je vertelde dat je in het Poëzie Atelier te Brugge bij Philip Hoorne lessen volgt. Wat leer je daar?
Feedback geven aan elkaar is belangrijk. Soms leer ik van de feedback die ik krijg maar ook van de feedback die ik anderen geef. Philip wijst me dikwijls op samenhang maar ook op woordkeus en op tijdsaspecten. Een gedicht moet een afgerond geheel zijn. We zijn in onze verscheidenheid een hechte groep.

Schrijf je al lang?
Een korte periode toen ik rond de twintig was en toen pas weer na mijn vijftigste. Tot mijn vijftigste had ik het ook te druk met kinderen. Er volgde een laat debuut. Het lezen van goede poëzie heeft me lang belemmerd om te schrijven want ik was te kritisch jegens eigen kunnen, ik had te veel respect voor het vak. Mijn eerste gedicht ontstond vanuit verontwaardiging en daarna volgden er meer, zomaar vanuit een herinnering, een emotie of een waarneming.

Enkele vragen bij de begeleidende gedichten.
Is er in het eerste titelloze gedicht
ik weet niet… sprake van een geliefde die vertrekt? En op wat voor oppervlakte doel je hier?
Nee, dat is geen geliefde maar dat is een deel van het personage -het kind wellicht- en ik bedoel een wateroppervlak. Het is symbolisch in de zin van ijl, iel, ongrijpbaar.

Gaat het In het gedicht Klimop over een conflict met de buurman en is de laatste regel een soort opluchting?
Nee, het is geen conflict; het gaat over het loslaten. De buurman jaagt de duiven weg -eigenlijk wel fijn- en hij verhuist. Met de laatste regel wil ik het loslaten relativeren: je kunt altijd nog de duiven teruglokken.

Welke taal had je voor ogen in het gedicht Verhuizen, dat me deed denken aan een ramp In Zeeland?
Dit gaat niet over de watersnoodramp maar over het stuwmeer in Suriname. Hele dorpen moesten verhuizen. Verhuizen betekent een nieuwe taal leren; te mooi om waar te zijn: een ideale taal! Dat we elkaar verstaan.

Zijn deze gedichten representatief voor wat je wilt bereiken in eenheid van inhoud en vorm?
Enigszins; ik ben niet ontevreden maar streef naar beter. Aarde vind ik wel gelukt.

In de recensie Een versluierde openhartigheid van Levity Peters in Meander over de debuutbundel Bots zegt Peters ‘ Uit veel gedichten blijkt een ambivalente houding ten opzichte van het leven en vooral de kwetsbaarheid van Fintelman.’
Hoe vind je dat dat buitenliteraire kwetsbaarheid wordt genoemd?
Levity raakt met die opmerking iets essentieels van mijn poëzie. Ik wil geen essentiële thema’s en motieven afzwakken maar zoek naar het confronterende. Levity zegt daarover: ‘Alleen tegenstellingen maken ontwikkeling mogelijk, zij dwingen om keuzes te maken die ons lot verder bepalen.’

Ben je met een nieuwe bundel bezig en in hoeverre verschilt je werk van nu van je debuut?
Ja, ik ben met een tweede bundel bezig. Deze is opgebouwd in verschillende delen. De gedichten in de verschillende delen versterken elkaar qua thematiek. Dat was in het debuut minder. Het gedicht Ik weet niet wanneer ze vertrok maakt deel uit van een afdeling over mijn ontwikkeling als kind. Dat meisje uit het debuut komt ook hier dus voor.
Ik ben veel kritischer; de eerste bundel is mij enigszins overkomen. Ik stimuleerde mijn leerlingen die ik toen had in een poëzieklasje vooral iets te doen met hun gedichten terwijl ik die van mezelf ‘verstopte’. Ik heb toen een gedicht opgestuurd naar een gedichtenwedstrijd van Poemtata en dat won tot mijn verrassing de tweede prijs.
De vorm is nog steeds geserreerd; ik schrijf niet barok.