Gedichten

door Jante Wortel (1996)

als ik een baby had en het was een meisje
zou ik drie weken wachten
voor ik haar een naam gaf

niemand in het wegrestaurant waar ik graag zit
heeft me ooit aangesproken
soms maakt dat besef me zo misselijk
dat ik in één keer door naar de wc loop om in de spiegel te kijken
en te controleren of ik nog tanden heb

ik kan moeilijk omgaan met de jeuk op mijn hoofd
vorig jaar waren het mijn handen
dit jaar zijn het mijn tenen
en het zal nog wel even duren, zeggen ze
voor de zwelling afneemt

ik weet niet veel van baby’s
maar als ik er een zou hebben en het was een meisje
dan zou ik haar nooit zonder kleren in een emmer fotograferen

wie de moedervlek in zijn nek niet kent komt altijd bij mij uit

het is een kwestie van voelen, zeg ik
en ik zeg het nog een keer omdat ik denk dat je me niet hoort
maar je draait alleen je rug naar me toe in de hoop dat ik hem voor je zoek
je denkt dat het makkelijker is
een ander op zijn woord te geloven
in plaats van jezelf

soms vind ik de zijkanten van mensen mooier
er is een deel van ons lichaam, mijn lichaam
dat niet recht aangekeken wil worden en waar we plekken verbergen
die niemand ooit gezien heeft

laten we bang zijn om nooit gevonden te worden, zeg ik
ik kijk in de spiegel zonder te zien
wat er achter de vegen van mijn vingerafdrukken zit

we draaien drie rondjes om hetzelfde voor we op de grond gaan zitten
je wacht tot ik je gevonden heb
maar we zochten nooit echt naar iets

ik wil eigenlijk alleen maar overblijven

wat ik geprobeerd heb bij elkaar te houden

op dinsdagochtend koop ik een auto
schaf een helm aan
zoek in de kast op zolder naar een paar kniebeschermers

ik vind twee linkerhelften
één met klittenband
één zonder

de omgewaaide boom aan het eind
van de straat is gisteravond weggehaald
bij het oversteken steekt een fietser
zijn hand niet uit
ik rijd rondjes over een zebrapad

iemand zei ooit:
als je nooit geraakt wil worden
moet je bovenaan de trap gaan staan
je omdraaien
vijf minuten rust nemen
en achterstevoren naar beneden kruipen

op de radio wordt gesproken over een schietpartij
ik wens dat ik de verkeerde afslag neem
en mijn pols breek op drie plaatsen

De tuin in Meander

Dichters in de Prinsentuin 2015

door Ghayath Almadhoun (1979), Jan Bos (1937), Frank Keizer (1987), Elmar Kuiper (1969), Richard Nobbe (1993), Johan Roos (1973), Jante Wortel (1996), Vrouwkje Tuinman (1974)

Op vrijdag 17, zaterdag 18 en zondag 19 juli vindt in Groningen weer het jaarlijkse festival Dichters in de Prinsentuin plaats. Zoals de naam al zegt in de Prinsentuin, maar voor een deel ook in de Puddingfabriek. Poëzie hoort immers overal thuis.
Uit de tientallen dichters die op zullen treden kozen de samenstellers acht kleurrijke personen die in Meander worden uitgelicht.
Zie verder natuurlijk www.dichtersindeprinsentuin.nl.


Foto: Olaf Otto (www.olafotto.com)


Ghayath Almadhoun (1979)

Uit Syrië afkomstig kan deze dichter niet anders dan geëngageerd te zijn. Maar wat voor een dichter is het. In zijn rauwe en trefzekere gedichten overstelpt hij ons met het ene na het andere prachtige beeld waarin hij klassieke Arabische poëzie koppelt aan een sterke moderne stem. Daarnaast heeft deze man een geweldige ontroerende manier van voordragen, die je met een brok in je keel achterlaat.

Hoe ik een dichter werd

Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw
verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet
onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te
kopen. We vonden een verdriet dat in goede staat verkeerde, het was alleen
een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer
zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. Het verdriet beviel haar
wel en we besloten het te nemen. Maar we waren het niet eens met de prijs,
dus zei de handelaar dat hij er, als we het verdriet zouden kopen, gratis
een pakketje leed uit de jaren zestig bij zou geven. We stemden in met zijn
voorstel en ik was blij met het extra leed, waarop we niet hadden gerekend.
Toen ze merkte hoe gelukkig ik er mee was, zei ze: ‘Je mag het hebben.’ Ik
deed het leed in mijn tas en we gingen op weg. Die avond schoot het me weer
te binnen. Ik haalde het uit mijn tas en bekeek het van alle kanten. Het was
van hoge kwaliteit en verkeerde in goede staat, hoewel het al een halve eeuw
was gebruikt. Kennelijk had de handelaar geen idee van de waarde gehad,
anders had hij het ons vast niet gegeven in ruil voor de aanschaf van het
onbeduidende verdriet van een jonge dichter. Wat me vooral tevreden stemde,
was dat het existentieel leed was, dat bovendien uiterst professioneel in elkaar
was gezet, met prachtige, bijzonder verfijnde details. Het had vast toebehoord
aan een geleerde of een ex-gevangene. Ik begon het te gebruiken en zo werd
de slapeloosheid mijn dagelijkse metgezel en werd ik een voorstander van
de vredesbesprekingen. Ik ging niet meer op bezoek bij mijn naasten, het
aantal memoires in mijn boekenkast groeide en ik uitte nog maar zelden mijn
mening. Mensen werden me dierbaarder dan het vaderland en ik begon me te
vervelen. Maar wat ik vooral opmerkelijk vond, is dat ik een dichter werd.

Uit Weg van Damascus, Uitgeverij Jurgen Maas, 2014
Vertaling: Djûke Poppinga

Jan Bos (1937)

Jan Bos, een Groninger op leeftijd die nu eens niet alleen maar schrijft over weilanden, hooivorken en slootjes. Bos kijkt in zijn poëzie verder dan de provinciegrenzen: Griekse mythen, wijdse uitzichten en andere sprongen in tijd en ruimte keren regelmatig in zijn werk terug. Een gedicht van hem herken je meteen en daarom voegen we hem voor de tweede keer graag toe aan onze line-up.

(ien Hogelaandster toal)

Holten gedicht

Mien hazzens draaien woest
ans n roazende cirkelzoag, dij
jakkert deur stoenze stammen
van tegendroads austig aikenholt.

Mien hakblok bonkt dof onner
elke klap van mien kleuvbiel.
Eerste maggelblokken worren
spöldt ien hapkloare brokken.

Schaarpe heksebiel ligt kloar
bie aanbegun van aale nije kronkels.
t Is t beuken en t kleuven
ien verbeeldens van regelstukken.

k Perbaaier woorden oet te hakken,
mor t blieven toektakkege misbaksels,
tegendroadse dwaarsbongels,
braandholt aan distiedtou, fik ter ien!

Stoenze = stugge * austig = weerbarstig * kleuvbiel = bijl om mee te klieven * maggelblokken maggeln = slecht schrijven * toektakkege = naar alle kanten uitgroeiende takken, grillige * dwaarsbongels = dwarsdrijvers * distiedtou = tot aan deze tijd, tot dit moment * spoldt = gespleten * perbaaier = probeer

Frank Keizer (1987)

Frank Keizer is geen onbekende voor ons. Hij trad al eens bij ons op rond de tijd dat zijn chapbook Dear world, fuck off, ik ga golfen verscheen. En natuurlijk kennen we het magazine Samplekanon dat hij samen met Maarten van der Graaff bijhoudt. In januari zal zijn nieuwe bundel Onder normale omstandigheden verschijnen. Wij kunnen niet wachten en daarom staat hij wederom op het programma.

Klaarheid over mijn bestaan
in de lange nacht, die niets overbrugt.
Bang dat ik de wereld die ik zoek
zelf verduisterd heb, nooit iets leerde
van mijn ervaringen in Nederland,
omdat zij mij, man
uit de middenklasse,
altijd heeft geaccepteerd.
En ik accepteerde haar.
Met mijn legitieme woede,
mijn onhandigheid
en mijn jonge lichaam met organen.
Die ik roofde
uit de lichamen van mijn ouders
en hun ouders voor hen.
Ze zijn overbodig geworden
en ik ben verward, zonder organisatie.

Elmar Kuiper (1969)

Een grote Fries is een grote Nederlandse dichter geworden. Zijn nog te verschijnen bundel Ruimtedier wordt een wondertol en met zijn vrije manier van associëren en soms dwarse manier van beeld aan beeld rijgen is het een losgezongen, vrije stem die wij maar wat graag verwelkomen.

ooit schiet het op

Spijtig! De autocue van Johannes de Doper loopt vast. Achter
de rug van de verslaggever woedt de Peloponnesische oorlog.

Onder de parasol van de pijnboom rekt de herder zich uit na
een verkwikkend dutje. Bedeesd schat hij de afstand in tussen

het afgedwaalde schaap en de ravijn. Het gezicht is bepoederd.
De scheiding moet rechts van het midden. Er groeit geen gras

op de voedingsbodem. Iemand weet natuurlijk iets. Geen nood.
De editor snijdt nooit in het ruwe materiaal. Johannes de Doper

haalt spoedig de feiten in. Ooit schiet het op. Luister! De slagpin
slaat al tegen het slaghoedje aan. De dood is een blote poedel,

totdat de Eindtijd aanbreekt.

Uit: Ruimtedier, Atlas Contact

Richard Nobbe (1993)

De voorman van de nieuwe beweging van jonge Winschoter dichters. In zijn kielzog een hele ploeg jonge dichteressen. Aangezien we deze beweging een warm hart toedragen is het niet meer dan terecht dat Richard Nobbe op Dichters in de Prinsentuin optreedt. In zijn poëzie probeert hij nog alle hoge en lage noten te bereiken, maar Nobbe wil urgent en oprecht doordringen tot de hoofden van de lezers.

Vroeger

Vroeger was alles beter,
ik kan het weten,
want ik heb
– in de jaren negentig –
mijn luiers volgekakt.

Vroeger was het zo mooi
want ja vroeger was
alles nog in sepia
vroeger was alles nog vroeger
ging je naar binnen als het licht aanging,
nu is dat vroeger op die iPads,
vroeger bouwden we hutten
van stront met stukjes
en omgevouwen bordkarton
vroeger praatten we nog met elkaar
want ja, nu is niet vroeger
en nu is alles monddood
omdat ik in de trein niet mijn bek opentrek
omdat mijn bek meurt als een blik met Trabantuitlaatgas
je reinste Ostalgie
en de muziek werd gemaakt op echte gitaren
van sloophout, afkomstig van slavenhandel
en snaren van versgesponnen schapendarmen,
maar ja, dat was vroeger.

Ja, vroeger vroeger vroeger vroeger
vroeger was.
ALLES mooier.

En ik kan het weten,
want ik ben geen twintig meer,
en heb de wereld meegemaakt.

Johan Roos (1973)

P.F. Thomése en Mirjam van Hengel hadden in 2013 al goed in de smiezen dat Johan Roos talent heeft: volgens hen was hij één van de meest veelbelovende dichttalenten van dat jaar. Wintertuin was het ermee eens en voegde hem toe aan hun agentschap.  Dat leidde tot de uitgave van het korte, sobere en anekdotische Hond Leeuw Zee waarin zware thema’s aan de orde komen. Immers: “Hoe zwaarder het thema, hoe lichter de vorm moet zijn.”

Lichamen

De man met de vilten hoed beweert dat hij Godsbewijzen verzamelt.
Ik zeg dat ik dat best wil geloven.
 
Hij heeft ze gewikkeld in theedoeken, diept ze op uit een linnen tas,
vouwt de eerste doek voorzichtig open.

Er ligt een vogel in. Doffe ogen. Stijve pootjes. Bruine vleugels.
De man neemt zijn hoed af.

Hij zegt: ‘Vanochtend ging zijn lied nog dwars door mijn borstbeen.’ en
‘Alles in mij resoneerde.’ Ik denk dat ik dat best wil geloven.

Uit de tweede doek komt een kleine staartklok. De wijzers staan stil,
vlak voor het uur. De man zet zijn hoed op, prutst aan het raderwerk,
verhangt de gewichten en zegt: ‘Kijk, elk gevolg heeft een oorzaak.’

Ik zeg: ‘Elk?’
Hij zegt: ‘Elk.’
‘Altijd?’
‘Altijd.’
‘Niet vaak of soms?’
Hij zegt: ‘“Nee, altijd.”’
Ik zeg dat dat er bij mij niet in wil.

Ik zeg: ‘Ik heb twee keer een dierbare geboren zien worden
en één keer een dierbare zien sterven. Ik heb welkom geheten
en afscheid genomen.’

‘Drie keer heb ik aan een bed gezeten dat het
dwars door mijn borstbeen ging en nu weet ik alles
over soms en niets meer over altijd.’

Ik leg mijn handen op de vogel.
De staartklok slaat.
Ik til mijn handen weer op.
De vogel vliegt weg.
De man neemt zijn hoed af.

Ik huiver, trek mijn capuchon over mijn hoofd
en loop de vogel achterna.

Uit chapbook Hond Leeuw Zee

Vrouwkje Tuinman (1974)

Met de bundel Sanatorium levert Tuinman een huzarenstukje af in de Nederlandse bom. Wat een geweldige bikkelharde, maar met chirurgische precisie opgeschreven gedichten worden er in deze bundel in stelling gebracht. Gedichten die voelen als wodka: zelf ijskoud, maar vanbinnen zetten ze je in lichterlaaie.

Ik zou er voor tekenen

In één keer neervallen terwijl
je een vuilniszak verwisselt en je
vrouw zegt: Kees, wat doe je nu weer.
Maar je doet niks meer.

Precies zo blijven, op deze leeftijd,
of misschien vijf jaar jonger.
Met deze mensen, precies
hier. Heeft iemand een pen?

Op de optimale dag. Met een schok.
Wie ervan hoort (in het journaal?)
weet nog jaren later waar hij
was en wat hij deed.

Langzaamaan vergeten wie
je ook alweer was, en gaandeweg
in slaap geraken. Andersom van hoe
het ooit begon. Verbleken.

Uit Sanatorium, Uitgeverij Cossee 2014

Jante Wortel (1996)

Jante Wortel was één van de vele dichters die werk naar ons stuurde. Wat gelijk opviel was het constante hoge niveau. Geen uitschieter naar boven of naar beneden, maar drie hele goede gedichten waarin de hoofdpersonen over bushokjes dromen, snappen wat je met ‘dit’ bedoelt en rondjes lopen door de keuken. Gedichten die je nog een tweede keer wilt lezen en die nieuwsgierig maken naar de voordracht ervan. Sinds onze uitnodiging won deze studente aan de opleiding Creative Writing aan ArtEZ ook nog eens de Kunstbende van Drenthe. Dat zal ongetwijfeld niet de laatste prijs zijn.

met het oog op morgen

ik heb me voorgenomen na tien uur
’s avonds geen filmpjes meer te kijken
waarin mensen hun oor verliezen

de laatste keer dat ik me daar niet aan hield
droomde ik over bushokjes
mannen met honden
en een onbedwingbare drang om kopstoten te geven

soms loop ik als ik ’s nachts wakker word
naar de kraan om mijn handen te wassen
dan trek ik mijn pyjamabroek tot over mijn navel
en keer mijn kussen om

met mijn handen op mijn buik
stel ik me voor dat ik zwanger ben
de rest van de nacht droom ik over verjaardagen