Gedichten

door Hsia Yu (1956)

Vertaling Silvia Marijnissen

ALGEMEEN BEKEND      

een vrouw
bloedt

eens per maand

begrijpt de taal der slangen

is geknipt voor verrassingsaanvallen

ongeschikt voor afspraken

 


PRIVÉ-GESPREK MET DIEREN (2)

de handdoeken van een negenkoppig gezin hangen op dezelfde stok
de badkamer is altijd donker en vochtig

de handdoeken die nog nooit droog zijn geworden verrotten

langzaam tot ze zwart zien de negen koppen

wassen elke dag hun gezichten maar nooit

schoon

ze slapen in een groot meerpersoonsbed

als negen handdoeken plakkerig tegen elkaar

het enige bewijs van de tijd is

het stuk zeep in de badkamer dat onophoudelijk wordt verbruikt

en dunner en kleiner wordt waarna niet meer te zien valt of er leven is

in het schuim van de tijd maar

dat nooit verandert nooit verdwijnt

enkel verrot tot het zwart ziet

 

 
EEN VOORBEELD EISEN

wanneer iemand een voorbeeld eist
hangen die gekleurde handdoeken

lichtelijk neigend naar triestheid en leegte

allemaal op dezelfde stok

en bewijzen dat het onkenbare zwart

in de badkamer gerangschikt is

als zachte muziek

verder is de nacht

een elegant gevormd graf

onder het wolftandkleurig maanlicht

 


ONBEMANDE PIANO

– voor j.w.

weg
maar nog altijd strelende handen

een pianola

niemand speelt

een strand tussen de sterren
na lang staren in nevelen gehuld

omhelzingen maar hoe
gladde lichamen die als

twee omhelzende dolfijnen die als

twee ijsbergen

samen een vuurzee in gleden

hoe was het gesprek begonnen
plotseling leken al die volkomen

willekeurige steden zo precies

perfect antipodisch

aan de gepasseerde

praten om ineens te voelen dat omhelzen toch beter is
omhelzen om samen de trap af te kunnen lopen

slenteren langs een bioscoop een kaartje kopen

en een film zien om te voelen dat omhelzen machtiger is

zodat tussen al die gelijkwaardige
telkens weer aanvaarde momenten

er eentje duidelijk afsteekt

tegen de andere

 
 

WIL JE NIET SAMEN MET MIJ BIJ DE COMMUNISTEN GAAN?

vuilnisbelt
-achtig ongeveer zo

zo neerslachtig

zo uitlopend op onvrede

of op zo iets

zei hij ten einde raad

je bent me zat hè

nee hoor zei ik

trouwens ik hou toch van je

ik hou trouwens echt van je m’n dikkerd
wil je niet samen met mij bij de communisten gaan?

dan kunnen we in de schemering

het gevoel hebben van een buitenland

-tijd, een voorbije
tijd, dat die weer terugkomt

we zijn echt door ons tijdsgevoel aangetast in onze dikkigheid
keer op keer geven we elkaar goedbedoelde adviezen

verzinnen voortdurend kwellingen voor mekaar

en voelen ons daarna ook nog verknochter

je bent me zat hè zei hij

wel nee zei ik

ik hou alleen nog maar meer van je

dikkige neerslachtigheid

als van een vuilnisbelt
laten we dan samen naar een nudistenkamp gaan

zodat niemand meer verbrokkeld lijkt

trouwens zonder een enkel draadje

zal het alleen maar lijken alsof ik nog meer van je hou

trouwens ik hou van je m’n dikkerd

en ik hou trouwens echt van je
trouwens kijk dan naar alles wat we meesjouwen