Gedichten

door Daan Zeijen (1992)

Een kleine week geleden

had ik mijn shirt al aangetrokken
maar bedacht ik me,
zodat alles tegelijkertijd
anders en hetzelfde werd.

De voorzienigheid is een
dienstregeling. Er zijn aanwijzingen,
natuurlijk, maar je weet nooit of
ze echt bestaat.

Bus 5 komt over twaalf minuten.
Ren naar de Biltstraat – net vertrokken –
naar de schouwburg – zes minuten –
trek een sprint tot bij het Neude –
bus 5 over één minuut.

Vallen is niets meer dan leren
staan op een andere as.

In de stiltecoupé kun je alleen maar naar elkaar
kijken. Ik zeg je niet dat mij dat leuk lijkt.

De Nieuwezijds Voorburgwal is er
voor mensen die graag onbedoeld
via een andere route dezelfde bestemming bereiken.

Je hebt altijd of bier, of je handen vrij om te klappen.
Als iemand aan je haar zit, vergeet je om te klappen.

Ik heb normaal eigenlijk nooit bastognes in huis.

We spelen Tetris op de bank,
herschikken ons zo nu en dan
maar verdwijnen niet, houden
geen punten bij. Als je kust
is alles het enige wat je ziet.

Soms is huppelen het verschil
tussen toeval en bedoeling.

Een koepel is niets minder dan een
omgekeerde kuil. Neem je knikkers mee.
Er staat iets op het spel.

 

Ararat

we hadden appelflappen

zelfs beignets meegenomen

en van elk soort dier een paar

of meer. de meesten hadden zo hun

twijfels – wat is nu een vloed precies? –

maar het is gelukt. vrouw of man

maakte ons niet uit, maar omdat

de toekomst nog wel een poos kon

duren, leek het goed het vast

te hebben over kleintjes.

wie wilde graag? wie zeker niet? er mochten

zeven pinguïns mee. ik voelde druppels

op mijn arm, en probeerde niet te denken

dat het nu wel druk zou zijn. onze matras stond

ik graag af, en ik rolde een handdoek op

tot kussen. je stond in de deur als een vraagteken

waarvan de punt al was verdronken.

of er van onze soort niet ook

nog eentje paste, soms.

 

middag

ik leg ons kussen aan ons
voeteneind. vannacht speelden we
tikkertje, nu verstoppen we ons gezicht
voor de zon. we kunnen de tijd niet
keren, maar draaien ons nog
één keer om.

 

eenpersoon

je moet me gewoon
duwen hoor, zegt ze
als ze wakker is

na vanavond is
mijn handpalm ook
net een soort kussen

niet dat het zover
komt. om dekens
vechten we alleen
als donzen pacifisten

 

ooglid

je kijkt me aan
dan naar het bord
dan naar je ooglid
we verzoenen de tijd
horen nauwelijks de
treinen waar we niet
in hoeven stappen
je kust me met je ogen
dicht om niet te kijken
naar de treinen waar
je in zou kunnen
stappen

 

hartslag

je hart klopte het snelst
als je sliep. dan kroop ik
zo dicht bij je dat je net
niet wakker werd. liet zien
dat het ook langzaam kon.
jij hield niet van langzaam,
niet van laten zien. bang
dat je zou stollen als ik
naast je lag. mijn hart
klopt het snelst als je
slaapt.

 

Gedichten

Pieter Seinen
Spraakwaterslam Amsterdam

"Brave burgers"

Vroeger was ik altijd van: “Ik werk niet mee.
Ik ben mezelf en als ik wil kijk ik t.v. tot twee.
Ik doe mijn ding Yo!
en doe niet aan jouw regels mee.
Fuck the system! ik wil mijn hele leven feesten. Jee!”

Ik dacht dat ik wist hoe het moest. Maar ik zat fout.
Mispoes.
Helemaal niks had ik goed.
Het is waar wat ze zeggen; wijsheid komt met de jaren.
En check dit dan: ik was laatst jarig.

Nu ben ik een volwassen man en weet ik dat het anders kan.

Regels zijn heel handig voor het stoppen van trammelant.
Hou je aan de regels
je leven wordt veel beter.
Ze zijn gemaakt door mensen die wat goed voor je is weten.

Oh ja! Check dit verhaal over mijn leven:
Ik werd laatst in een steegje door een zwerver in de nek gebeten.
Superraar!
Hou je aan de regels.

Daan Zeijen
Winnaar Rhythm & Poetry Slam Delft

Ararat

we hadden appelflappen
zelfs beignets meegenomen
en van elk soort dier een paar
of meer. de meesten hadden zo hun
twijfels – wat is nu een vloed precies? –
maar het is gelukt. vrouw of man
maakte ons niet uit, maar omdat
de toekomst nog wel een poos kon
duren, leek het goed het vast
te hebben over kleintjes.
wie wilde graag? wie zeker niet? er mochten
zeven pinguïns mee. ik voelde druppels
op mijn arm, en probeerde niet te denken
dat het nu wel druk zou zijn. onze matras stond
ik graag af, en ik rolde een handdoek op
tot kussen. je stond in de deur als een vraagteken
waarvan de punt al was verdronken.
of er van onze soort niet ook
nog eentje paste, soms.

Jolies Heij
Fluxus Zaans Dichtersfestival

Dichter met bestemming

De hoer in mij wil achter dubbel glas
bij perkamentzacht licht. Je verkoopt
jezelf, zegt hij, zet toch eens dat
pokergezicht af en wentel jezelf uit het

voetlicht. Je schrijft lorren van
gedichten waarmee je flessenhalzen
vult en zeult met vioolkisten uit angst
voor holle echo’s. En toch, hij hoeft maar

met zijn vingers te knippen of de
noodverlichting floept aan. Je verlaat
je kamer, hinkstapdansend over wenteltrappen
voetjewrijvend langs valkuilen, sjoelend

over dubbele bodems, dat dunne ijs van
hinkende verwijten. Spiegels laten de priemen
scherper lijken. Een machteloos nagloeien.
Lasso’s bungelen om doelloze lijven.

Sophie van den Bergh
Winnaar Publieksprijs Leidse Poëzieslag

Gezelschap

Ik dekte de tafel wit op zwart
voor drie vakantievrienden
ze waren Frans
(opscheppen mocht ik niet) mijn
moeder praatte wel soms kort met ze
(gewoon in het Nederlands)

In de auto hadden ze niet gepast
Maar daar waren ze, een beetje bleek
Ze waren klein zeiden niet veel
maar het stond al vast ze zouden blijven

Ze zaten niet graag achterop de fiets
ze speelden geen viool maar ze
vertelden verhalen over Franse grotten
in Franse bergen waar Franse reuzen
langzaam krompen
(over honderd jaar, zei één,
kan niemand ons meer zien)

En ik zag de lege krukken, borden,
ogen wel, het schone bestek
en in gedachten stuurde ik ze terug
naar hun Franse grot in een Franse berg
zag hoe ze
vervlogen in de lucht
uiteenspatten in bloed en brein, voorgoed
verdwijnen als vergeten geleden
ingeteerd en uitgehold
door gisteren verstoten uitgesleten en
Ik wendde me nog even af
Ik hield mijn ogen nog even gesloten

Loren Brouwers
Winnaar DichtSlamRap & gedeeld winnaar Pictura Poetryclash Dordrecht

Ik denk dat we in oorlog zijn

Jij bouwt een tentenkamp in mijn kamer, van dik zeil en stof uit verre landen.
Regenbestendig, licht ontvlambaar. Elke week een kleiner exemplaar
luchtbellen voor één lichaam.

Als we negen waren en in het bed van mijn vader een holle ruimte zouden maken
-opengeklapte paraplu, dekens, een zaklampje in het midden-
dan vroeg ik je weer om je onderbroekje uit te doen, dan lagen we recht naast elkaar
in onze kindertent, omdat we iets wilden
maar niet wisten wat.

Als we drieëntwintig waren, laat mij dan de ruimtes bouwen.
Ik geef je een wereld in een luchtballon
lekkend, zwaar ontvlambaar
warm en groot genoeg voor twee.

Ik denk dat we in oorlog zijn.
Nog drie meter lege vloer waar ik kan liggen.
Nog vijftien dagen tot ik me terugtrek.