Gedichten

door Ria Zifkamp (1950)

Soms, wanneer ik eerder lig
dan jij, leg ik een hand op
borst of dij, hervindt mijn
greep een licht-verwonderd
zoeken langs de lijnen.

Als kind al koesterde ik zo
mijzelf. Verbaasd dat dit – dit
denken en dit bloed – voorgoed
eens zou verdwijnen.

Jouw sterke handen op het stuur.
Onder mijn hoofd het zacht
bewegen van je dijen.

Ik had mijn hoofd daar neergevlijd.
Toen kon dat nog, er was nog geen
versnelling die ons scheidde.

O, hoe het was, hoe het was
toen het maar net begon.
Jij stuurde, ik was veilig.

Die eerste avond zeiden
we niet veel. Ik liep verlegen
naast je, zat wat onwennig
bij je in het restaurant.
Maar later, op het donkere
stille strand, sloeg jij je jasje
om me heen. Ik wist,
ik ben niet meer alleen.