Recensie van Leger - Mieke van Zonneveld

Een schitterend debuut

Mieke van Zonneveld
Leger
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023442790
€ 16,99
56 blz.

Er is poëzie die uitsluitend uit emoties bestaat: die poëzie vind ik vervelend. De lezer voelt zich een voyeur; ik heb vaak het gevoel dat ik met die ongestructureerde, ongeremde stroom gevoelens niets te maken heb, bovendien belemmert de stroom van emoties vaak een poëtische vorm. Er is ook poëzie die uitsluitend uit vorm bestaat: soms glad, zoals in de negentiende eeuw, vaak zodanig dat de gedichten meer op een technisch trucje lijken, ze raken de ziel niet, maar bieden hooguit een intellectueel genoegen . Er is ook poëzie waarbij de emotionaliteit én de vorm elkaar versterken. Is die poëzie dan ook nog zodanig dat het citeren van één regel te kort doet aan het afgedichte taalbouwsel, dan kom je al snel op belangrijke poëzie uit. Sluit die poëzie ook nog aan bij de literaire en culturele tradities, terwijl er ook nieuwe vondsten in te vinden zijn, nieuwe woorden, andere verbanden, dan gaat het om gedichten die ertoe doen. De debuutbundel van Mieke van Zonneveld (1989) Leger is zo’n bundel. Je zult maar zo’n debuut hebben.

Het komt mij voor, dat er in het leven van deze dichter een kantelmoment is geweest. Hoewel het gevaarlijk is biografische conclusies uit de gedichten te trekken, lijkt het of haar ziekte zo’n moment was. Ze wijdt het gedicht ‘Acute promyelocytenleukemie’ (pagina 19) eraan, evenals ‘Onder de douche’ (pagina 31) en het buitengewoon indringende ‘Veldslag’ op pagina 41: ‘… een commandant in witte jas onthult zijn strategie: ‘Deze veldslag winnen we met chemotherapie. / Maar het veld wordt wel beschadigd.’ Misschien geeft ook het aan Ramses Shaffy ontleende motto voor de hele bundel – ‘We leven nog, en niet zeuren’ – dat aan. Vanuit een sterk op zichzelf gericht onderzoek beschrijft ze haar ontmoetingen, haar liefdesrelaties, al of niet mystiek, ze plaatst zichzelf in de bijbelse tradities en toetst zich aan figuren uit de klassieke oudheid. Citaten uit bijbel en klassieke geschriften vormen motto’s van de gedichten. Ze is soms Heloïse die haar relatie met Abelard beschrijft (pagina 37), ze spreekt tegen de ‘Here’. Soms parafraseert ze dichtregels van grote traditionele dichters (‘…..Alleen in jouw omhelzing kon ik /wonen, nooit vond ik ergens anders onderdak.) Boven twee ongelooflijk mooie gedichten ’Dagboek van een lentemeisje I en II, prijkt een motto van Herman Gorter: ‘ik wilde wel vergaan /in ’t licht te loore’.

Er was in mijn ogen de glinstering van één
die verlangend uit wandelen ging, het zonlicht
wenkte hoog en ver, ik wilde nooit meer
bij hem weg, er waren ook vogels en ergens
een vos, ik kon bij mijn leven niet meer
van hem los, de vogels waren opgestegen
ik kwam hem in hun hoogvlucht tegen,
de vos was in een struik gekropen
ik ben er rond om heen gelopen
de wind deed als devote zang
door heel de wereld ommegang

Alle dingen zijn zo vol verwachting en
mijn handen nog verlangensleeg
zo open vergeefs.

Hij had ook hele blauwe ogen die mij
aanblikten van boven en zijn aanraking
was zacht. Toen wilde ik verdwijnen in
de opbloeiende lentepracht.

In het gedicht ‘Concaaf dobberend’ (pagina 33) vermengt zij bijbelse elementen (‘Tijdens de vloed brengt een duif met een twijg / troost aan een dobberende mens’) met een maaltijd bij de aardse geliefde met zijn ‘verregende haren, die werkelijk druppeltjes /achterlaten’. Ze zegt ‘de pesto smaakt werkelijk beter nu jij / de basilicum plukt. Ik knipper en knipper van sceptisch geluk’. Dat geluk is sceptisch, want ze heeft maar ‘…kleine bewijzen waarmee ze moet roeien. / De Ararat komt in zicht. Bij wijze van spreken. / Ik zie nu eenmaal geen steek in dit knipperend licht.’

Als ik het goed zie – en ik weet dat het gevaarlijk is wat ik schrijf, ik lees slechts de teksten – is een ander kantelmoment het afstand nemen van de godsdienst van haar jeugd. Er zijn zoveel citaten te vinden, zoveel identificaties met bijbelse figuren en gebeurtenissen. Het slotgedicht uit de bundel zou er subtiel op kunnen wijzen: er is een ‘leger’ waaruit een ‘hij’ deserteert, hij verzuimt een route door het duin te fietsen, want ‘zijn jaloezie is geklapt’, als een fietsband. Ondertussen wacht een meisje, dat zich ‘opgelicht’ voelt door een ‘gerichte blik omlaag’, wat twee dingen kan betekenen: dat ze beduveld is door iemand die omlaag kijkt of zich verheft boven de materie en daardoor vrijer wordt. ‘Absentheisme’, gespeld met een h, is de afwezigheid van God. Wie in opstand is, wie de aftocht inzet, het meisje of diegene met de blik van omhoog, wiens jaloezie geknapt is, mag de lezer invullen. ‘Leger’ in deze context is de vergrotende trap van ‘leeg’, maar ze leeft. Ook dat is aan de lezer te onderzoeken wat er bedoeld wordt.

Desertie

Er is geen leger of hij deserteert. Hij tekent de contouren
van een onneembare stad en oordeelt: dat was dat.

Er is een route door het duin die hij verzuimt te fietsen,
bevangen door geklapte jaloezie. Hem wacht

een stille hartstocht op die langs de halmen wuift.
Een afgelegen meisje spreidt een kleed en rekt zich uit

Zij weet zich opgelicht door een gerichte blik omlaag
en spelt absentheisme met een h.

Geen opstand zo gelaten en geen aftocht zo bedeesd.

Ze is leger nu, maar leeft.

Samenvattend: een bundel met mooie, soms indringende poëzie die ergens over gaat, waarbij vorm en inhoud prachtig samenkomen: een genadeloos zelfonderzoek van iemand die de dood in de ogen heeft gekeken. Het zijn gedichten die aansluiten bij de Nederlandse traditie. Soms zijn er woorden als een ‘bètanerd’ op pagina 47 en een zin als ‘leer mij de basics van risicospreiding’ die getuigen dat het gedichten van deze tijd zijn. Prachtig van taal en sfeer, in een vloeiend ritme geschreven. Vooral trof mij de spiritualiteit in sommige gedichten en de kennis van de klassieken, de bijbel en het verwijzen naar dichters van vroeger. Met Bloem in gedachten zou ik willen eindigen met de opmerking dat ik domweg gelukkig ben met deze bundel.

***
Mieke van Zonneveld werd geboren in 1989. Ze debuteerde als dichter in het niet meer bestaande tijdschrift De Tweede Ronde. Voorts verscheen werk van haar in Avantgarde, De Gids en Awater. Ze maakte deel uit van het ‘Feest der poëzie’. Ze won met het gedicht ‘Nee’ de Turing Gedichtenwedstrijd. Ze is redacteur van Armada. Mieke studeerde Nederlands en Oudheidkunde aan de VU te Amsterdam. Op haar 21ste kreeg ze acute leukemie waarvan ze genezen is. Leger is haar debuutbundel.

Gedichten

Mieke van Zonneveld (1989) publiceerde enkele gedichten in Liter, De Tweede Ronde, Das Magazin en poëzieperiodiek Avantgaerde. In 2013 won zij met haar gedicht ‘Nee’ de Turing gedichtenwedstrijd. In haar debuutbundel Leger, die in januari verschijnt bij De Bezige Bij, dicht zij over de breekbare scheidslijn tussen liefde en eenzaamheid, ziekte en gezondheid, geloof en wanhoop, en over het verlangen te worden ingebed.
 

Acute promyelocyten leukemie

Nog nooit zo stug geworteld in de grond als toen ik dreigde
los te schieten, mijn dromen teruggebracht tot een verlangen naar
remissie. Hangend aan prognoses zonk ik weg in zwarte
gaten en verwachtte hemelkoren. Ik repeteerde een herrijzenis
en leerde twijfel in de kiem te smoren.

Ik dank mijn leven aan een reeks toevalligheden. Wat als
ik die avond was gaan slapen, wat als ik mijn hoofd die nacht
te hard had neergelegd, wat als atra-pillen nog niet waren
ontdekt? Ik dacht:

de hel is feloranje als de vloeistof in dit zakje, het brandt
onbedaarlijk in mijn aderen. Maar tranen moeten teruggedrongen
want er komen mensen om een onverschrokken meisje
te bewonderen. ‘Hoe gaat het?’ ‘Het gaat goed.
Ik ben nog steeds niet doodgebloed.’ Ik dacht:

dit bange vallen wordt maar beter niet alleen beleefd, één
vingerknip en weg ben ik, zo lang als toeval het beschikt.
Dit zinneloze tuimelen wordt beter niet beleefd.
Al is het maar een parabool, al daal ik nooit te diep,
het gat is zwart en ik zo bang, zo godvergeten ziek. 

Zelfportret als klaproos

nec meum respectet, ut ante, amorem,
qui illius culpa cecidit velut prati
ultimi flos, praeter eunte postquam
tactus aratrost.

(Catullus, carmen xi)

‘Ze noemt je,’ zegt hij, ‘Lilith in habijt, de sluipwesp
die ik huisvest en de slang die mij verleidt.
Als God jou tot de orde roept, span jij Hem
als een tam paard voor jouw kar
en de straat ligt geplaveid met echtgenotes.’

Dat ik niet uit mijn lijst breek en dit stilleven
tegenspreek. Dat ik de betere beelden verzwijg.

Barsten in een slakkenhuis van calciumcarbonaat
een sok op een bergtop, een handschoen op straat
een bloem benoemd tot onkruid en dan resoluut gemaaid.

Wil

Hij vraagt wat wil je dan, drijft me op
een kale kansel om een helder antwoord.

Als een plakbandrol zonder begin sta ik
te zwijgen in zijn gezicht. Tegen de tijd

dat ik antwoorden knutsel, heeft hij
zijn hielen gelicht. Hij tikt spaties

in mijn script, maakt soms hele aktes wit
en vraagt dan om de blauwdruk van mijn wil.

Mag het ook een negatief zijn, lieverd?
De glimlach die ik oefen in de spiegel?

Ik mis je achter nevelen van wit en ben zo
blij dat jij mijn sluier mooi vindt. Wat

win ik dan als ik hem voor je oplicht?

Uit: Mieke van Zonneveld. Leger. Uitgeverij Bezige Bij. ISBN 9789023442790 (nog niet verschenen)