Gedichten

door Cilja Zuyderwyk (1949)

Wintertijd – de verloren uren

Toen ik gisteren het gordijn open schoof
om te zien of het vroeg of laat was
scheerden de verloren uren voorbij

de uren van niet geziene minnaars
van niet gezworen vriendschappen
onuitgesproken lichte gedachten

ze scheerden misschien
omdat zij zich schaamden dat ik ze ooit
ongezien had gelaten
ik ze nu tevergeefs terug wilde fluiten

maar ik sloot het gordijn zonder spijt
keek naar mijn bed met een hoofd op het kussen
dat ik nooit had bemind als ik niet had verloren
de uren ten spijt.
 

Poldersmartlap

Nu is de boerderij tot residence verbouwd
en alle doden zijn begraven;
de kreupele hond, de rode kater.

Op het kerkhof ietsje verderop
liggen de meiden zwartgerokt en
vader met de losse handjes.

Hij was een geile bok,
er hingen vlechten aan de balken
van haar en haar en haar,

die met hun tanden op elkaar,
zijn lichaam voelden op hun buik,

Wat lijkt mijn stoere achterland
op taailand, de wilgen
onverstoorbaar op de rij.
 

Ommekeer

Als regen mussen niet weerhoudt
te pikken in de korstjes brood
wie ben ik dan
die koud en rillend
de verwarming hoger zet

het bed bedeel met extra dek
en jou wel twintig keer omarm vandaag
om warm te blijven

toch hou ik van de herfst en
van jouw droeve ogen die in de schemer
lichten bij het hutspot eten

ik op mijn best in winterkleuren
jij die ze verfoeit omdat je vlinders mist
toch zei je laatst
sinds ik je ken
verlang ik naar december