Recensie van De dood en drie andere gedichten - Joris Miedema

Een kraai vol kleur

Joris Miedema
De dood en drie andere gedichten
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401368
€ 19,99
84 blz.

Joris Miedema draagt deze bundel op aan zijn vader, Gerrit Keimpe Miedema, die op 12 juni 2017 is overleden aan de gevolgen van de ziekte van Huntington.
Als ik nadenk over de titel: ‘De dood en drie andere gedichten’, is het die dood die het makkelijkste  te duiden is. Het overlijden van de vader is hier uiteraard het belangrijkste aanknopingspunt en de gedichten die hierover gaan zijn niet moeilijk om te ontleden. Het zijn rauwe, werkelijke gedichten die, hoewel ze van alle sentiment zijn ontdaan, tóch liefdevol overkomen en eveneens vanuit bijzondere invalshoeken met verrassende kwinkslagen komen. Van het gedeelte van de titel ‘en drie andere gedichten’, blijft de betekenis me onduidelijk. Ik heb lang mijn hoofd gebroken over welke drie andere thema’s (?) hier gesproken wordt (liefde, leven,….? lente, zomer, herfst en dat de dood dan de winter is?). Zelfs de gedachte dat de ‘drie’ zou kunnen staan voor drie overgebleven gezinsleden kwam in me op. De indeling van de bundel verschaft geen duidelijkheid, er zijn zes hoofdstukjes met tussentitels die tot de verbeelding spreken, maar die doen vooral een bonte mix qua thematiek vermoeden. Mijn conclusie wat betreft de titel is dat deze boven alles verwoordt hoe overheersend de aanwezigheid van de dood kan zijn als deze zo dichtbij komt. Alles is dan doordrongen met de afwezigheid van de geliefde persoon. De dood neemt zijn of haar plaats over, dat lege gezicht is van die aanwezige gast die niet was uitgenodigd. In het geval van een ernstige ziekte, zoals deze van Huntington, maakt de dood zich langzaamaan breed in iemand nog voor het overlijden.

Miedema weet de uiteenlopende gevoelens van een gezin in zo’n situatie op een hele aangrijpende manier te verwoorden. De dichter beheerst de kunst van het in- en uitzoomen en wisselt ook regelmatig van perspectief zodat een breed spectrum aan gevoelens, gedachten en associaties aan bod komt. Zo lees ik hier hoe de moeder haar man vast wil houden:

Moeder houdt je arm steviger vast 
dan ze ooit deed 
om hem te behoeden 
voor verdwijnen

In een ander gedicht lees ik hoe de moeder juist poogt door te gaan met haar leven, terwijl haar ernstig zieke man ergens anders (maar toch nog) leeft. De vader wil dinsdags de grijze bak buitenzetten, de moeder heeft immers vast weer last van haar rug. De zoon zegt dat alles al gedaan is en dat de achterdeur op slot zit, waarop de man terug zakt in zijn stoel. Zo schetsen de gedichten in deze bundel regelmatig een beeldend scenario met dramatische en vervreemdende elementen. 

Sommige van de gedichten gaan minder direct over de dood van de vader. Die lijken plaats te vinden op het niveau van de droom en de verbeelding. Zoals in een van mijn lievelingsgedichten uit deze bundel. 

Onderkomen

in het weiland ligt in een opengereten veulen
er komt gegrinnik uit
een meisje legt paardenbloemen neer
om het te temperen

ze lacht
heeft kuiltjes in haar wangen
gaat zitten op het bot
dat het meest op een bankje lijkt
beseft dat het al een echt huisje
begint te worden

Het contrast tussen het gruwelijke van een opengereten veulen en het gegrinnik dat ik verbind met vrolijkheid grijpt me direct bij de lurven. Dit effect is zo sterk dat ik niet inzit over de vraagtekens die worden opgeroepen, zoals: waarom komt er gegrinnik uit het karkas? Dat het meisje paardenbloemen neer legt om ‘het te temperen’ getuigt van een ontroerende kinderlijke logica. Ze lacht omdat ze de kunst van het leven beheerst. Ze leeft rond en met de dood zonder al te zware associaties of verbindingen; vanuit een onontkoombare levenslust die aanspoort elk moment opnieuw te beginnen, kiest ze het bot dat het meest geschikt is als bankje, vindt ze een huisje, een thuis. 

Een fascinerend detail is dat Miedema in meerdere gedichten in de derde persoon over mensen spreekt en hun (fictieve?) naam daar deel van laat zijn. Hier Bertha en Sara als twee voorbeelden: 

welkom in de nog-niet-gevonden-straat 
waar Sara woont 
haar hart schenkt ze
aan wie hem hebben wil

in zaal twee ligt Bertha  
ze is ervan overtuigd dat ze een vijver is 

Het introduceren van deze personages is meteen ook hun afscheid, want ze worden niet meer genoemd. Het effect is echter dat het perspectief van de schrijver breder aandoet dan wanneer hij enkel vanuit een lyrisch ik zou schrijven. Op deze manier is niet alleen de jeugd vertegenwoordigd, zoals bijvoorbeeld in het gedicht met het meisje dat in het karkas een huisje vindt, maar met Bertha (vermoedelijk) de herfst van het (dementerende?) leven en met Sara de kinderloze volwassen vrouw die op de liefde wacht. Mijn interesse meer werk van deze schrijver te lezen groeit. Ik denk dat zijn inlevingsvermogen hem ook bij het schrijven van proza en theaterteksten te pas kan komen. 

De dichter zet met ogenschijnlijk plezier en kundigheid verschillende stijlfiguren in. Tegen het einde van de bundel zijn twee gedichten met als titels neologismen te vinden. ‘Narradief’ en ‘Hippoxazepam’. Van laatstgenoemde moest ik de tweede helft opzoeken. Hippo verwijst naar het nijlpaard dat in het gedicht naast het lyrisch ik eveneens een hoofdrol vervult. Oxazepam blijkt uit kort onderzoek op het internet een medicijn tegen onder andere slapeloosheid te zijn. Hier krijgt een zwaar thema door een absurdistische kwinkslag een extra humoristische laag. De fantasierijke doch droge manier waarop hier een medicijn in een nijlpaard verandert, is een typisch voorbeeld van de vervreemdende stijl van de wat abstractere gedichten in deze bundel.  In een tussentitel krijgt een grafsteen menselijke eigenschappen toegedicht: ‘Als er een grafsteen op de koffie komt’. Een andere titel, van een gedicht  ‘Vroeger was alles een kind’, draait dit stijlfiguur om. De kinderen die dieren toedekken, ziek maken, beter maken en in hun handen laten overlijden, vereenzelvigen zich met hun slachtoffers. Uiteindelijk overwint de behoefte de werkelijkheid van de dood richting te kunnen geven het van het medeleven.

In de volwassen werkelijkheid ervaart men vroeger of later dat de dood vooral met loslaten te maken heeft. De kale observaties van deze werkelijkheid resulteren hier in pure poëzie die in de taal toch nog wat van het moment dat voorbij gaat weet vast te houden.  Alles bij elkaar is De dood en drie andere gedichten een meer dan waardig eerbetoon en tegelijk een lofzang op het gelaagde leven. Op de voorkant staat in het paars een kleine zwarte kraai. Dit symbool voor de dood is in deze bundel een kraai vol kleur.

je bent nog mooier dan de bloemstukken
vol gerbera
je wenkbrauwen lijken voller
en trekken niet meer
je handen zijn blauwer dan de lucht
op deze zonovergoten dag

***
Joris Miedema (1978) publiceerde in 2011 zijn debuut Oogtheater.

Gedichten

DE TWEE SCHALEN

Ik hoorde een wijs man
eens zeggen (het was
de dichter Leo Vroman)
dat het geen zin heeft
je om je lot te beklagen
omdat de natuur geen
rechtvaardigheid kent.

Ik zou dit graag
preciezer willen. In het
eerste heeft hij gelijk.
Maar de natuur kent
wel degelijk een rechtvaardig
in de zin van dat zij streeft
naar balans. De weegschaal
van Vrouwe Justitia

draagt bij haar geen
morele waarden, maar
de zwaartekracht
van de aarde en de zuivere
snelheid van het licht.
Zij is het wegen zelf
als het ware: zij trekt recht
maar zij spreekt het niet.

CLAIR/OBSCUR

Mijn hart is een raam
in een donkere kamer
gevuld met het blinkend
bewegen van een zee

Met stemmen waaruit
het water bestaat: die van
vallen en opstaan en hechten
en scheuren – alleen deze twee

*
Hier zijn de winters die ik terug wil halen
een volle pagina gevuld met sneeuw
een lange dunne regel in inkt geschreven
de horizon, een enkele verre vogel
stippelt de punten op de i’s er in

Daar laat ik mijn hoofd met berenvel stofferen
ik ga er wonen in die knusse hut
en kijk hoe tussen de stammen van de schrale bomen
een rest van licht zich over het poolijs buigt  
de nacht invalt – een die elk uitzicht in zich opzuigt

O dan verschaft de met het duister
samenvloeiende inkt een zee van licht!

Foto: Gabriele Viertel

Verliefd zijn is scheppen,
zien naar ons wensen, zien
zich toe te wensen, te
eigenen bovendien.
Verliefdheid is verbeelding.

Zo verbeeldde het water
zich eens, toen het verhit
was geweest en bevroren
en weer afkoelde en zich
goed voelde en als goddelijk

bewoog in zijn bekken,
dat het verliefd was geworden
op stof omdat het licht
er zo mooi op viel en het
streelde dat het levend

was en het werd want zelfs
verbeelding heeft nakroost
hoezeer microscopisch
ook in den beginne –
het wordt vanzelf groot.

Interview met Elly de Waard

‘Ik heb nooit gedacht dat het wel eens genoeg was geweest’

 

Elly de Waard (Bergen N.H. 1940) publiceerde vijftien bundels; de laatste, In die tijd die, verscheen een klein jaar geleden. Op ellydewaard.nl komen veel soorten van haar creativiteit samen (ook proza, popmuziek en kritisch werk).  Op het blog van de site wordt geëxperimenteerd  met poëzie en allerlei soorten beeld.

Hoe waren de overgangen van bundel naar bundel voor jou? Is er een verschil van de eerste naar de tweede of van de zevende naar de achtste? Nooit een moment gehad waarop je dacht, het is genoeg geweest?
Er is zeker verschil tussen de vijftien bundels die ik tot op heden schreef. Alleen al in de vorm. Ik ben begonnen als een van nature het vrije vers hanterende dichter. Zo was de poëzie toen en zo is die in doorsnee nog steeds. Ik deed dat vooral op intuïtie; het is bijvoorbeeld nogal belangrijk in gedichten waar je de regel laat afbreken.
Gaandeweg ben ik steeds meer gaan leren over de techniek van het dichten. Mijn meester daarin was de Russisch/Amerikaanse dichter Joseph Brodsky (hij kreeg later de Nobelprijs voor literatuur), die ik vele malen heb mogen ontmoeten. De eerste omgang met hem is al af te lezen aan de titel van mijn bundel Strofen. Strofering is daarin een zichtbaar onderdeel van de vorm.
Ik heb deze vorm vervolmaakt in mijn bundel Een wildernis van verbindingen, waarin alle gedichten in aanleg dezelfde vorm hebben: steeds twee coupletten van tien regels; alleen het gemiddelde aantal lettergrepen per regel verschilt per gedicht.
Wat werd mij duidelijk door het hanteren van een zo strenge vorm? Dat het gedicht veel meer chaos kan bevatten.
Als je echter lang in zo’n vaste vorm hebt geschreven moet je die er helemaal weer uitschrijven en dat heb ik in de daaropvolgende bundel – die niet voor niets Onvoltooiing heet – geprobeerd. Daarna kon ik in de Eenzang-cyclus het tegenovergestelde van die strakheid aan, namelijk totaal losse, fragmentarische gedichten, die allemaal bij elkaar horen en gezamenlijk één geheel vormen.
Wat ik van deze ontwikkelingsgang heb opgestoken is dat je het vrije vers pas echt kunt hanteren als je ook weet hebt van het gebonden gedicht.
En nee, ik heb nooit gedacht dat het wel eens genoeg was geweest. Het formuleren in taal is voor mij het enige.

Je pleit voor meer popmuziek in de poëzie op je website; zijn er al nieuwe dichters opgestaan binnen de Nederlandse poëzie die voor jouw gevoel de goede kant op gaan?
Je moet niet vergeten dat toen ik begon als dichter (midden jaren zeventig) er door intellectuelen zeer werd neergekeken op de popmuziek. Vanuit het tijdschrift De Revisor, waarin ik debuteerde, werd er zelfs op aangedrongen dat ik een pseudoniem zou aannemen, omdat mijn naam te veel gelieerd was aan de rock and roll (!).
Dat is, mede door mijn eigen werk, ook mijn werk als rock-recensent, nu wel totaal veranderd. Mijn idee was dat de poëzie, die toen abstract en saai was, wat zou opsteken van de directheid en het ritmische van de pop.
Die wens is nu onder meer door de rap vrijwel volledig in vervulling gegaan.

Ook op je blog komt een hoop popmuziek voorbij, niet raar voor iemand die zo lang popjournalist geweest is natuurlijk. Nooit gedacht om zelf songteksten te gaan schrijven in plaats van poëzie?
Nee, dat is me te simpel. Een gedicht volgt zijn eigen ritme en muzikaliteit. De muzikaliteit zit hem in de klankovereenkomsten, bij voorkeur in binnenrijm, niet in eindrijm dat je al ver van tevoren kunt horen aankomen. Als je mijn gedichten op muziek zou zetten, zit instrumentale muziek ze meestal in de weg. Tenzij die alleen als sfeerbepaling dient.

In je laatste bundel staan een aantal wiskundige gedichten; ik vond het spannend en gedurfd. Hoe kwam je op het idee om dit te doen?
En dan moet je bedenken dat ik op het gymnasium de wiskunde altijd links heb laten liggen als zijnde me te abstract! Als ze me daar toen verteld hadden wat ik nu weet, namelijk dat aan de schepping, het heelal en alles wat zich daarin bevindt, een aantal wiskundige principes ten grondslag liggen, dan zou ik mij waarschijnlijk volkomen anders ontwikkeld hebben!
De combinatie wiskunde en natuur is een totaal nieuw en onontgonnen gebied voor mij. Bij uitstek stof voor poëzie. Het formuleren hiervan is ook navenant ingewikkelder, wil je tenminste geen flauwekul opschrijven.
Hoe moet je bijvoorbeeld ooit het raadsel, nee de paradox van Pi omschrijven? Een getal dat steeds groter wordt zonder ooit de dimensie tussen de getallen drie en vier te overschrijden? Zo misschien: door het verschil als dimensie te benoemen, door beeldspraak zou je dus kunnen zeggen.
En je bereikt er ook nog eens mee dat het hele vertrouwde rijtje van 1,2, 3 tot en met ontelbaar opeens opgesplitst blijkt te kunnen worden in onderdelen die geïsoleerd als hemellichamen in de ruimte hangen.

Wat mij integreert zijn de vele foto’s van vrouwelijke lichamen die voorbijkomen op je blog, welk lichaamsdeel is het fijnst om over te schrijven?
Intrigeert bedoel je. Zover is het al gekomen met het integratieprobleem! (lol) Het woord begint zijn buren te koloniseren!
Maar om op je vraag te antwoorden: er is geen enkel lichaamsdeel dat mijn speciale belangstelling heeft, noch van mannen, noch van vrouwen. Waar ik wel erg van hou is van GRATIE, dus van de manier waarop het geheel zich beweegt. Net zoals ik in het algemeen het meest geïnteresseerd ben in de beweging, de ontwikkeling die iets, een ding, of een mens of de geschiedenis, doormaakt.
Als iets zich met gratie beweegt en het verrassend is of bijzonder, dan wil ik proberen dat vast te leggen.
In het algemeen gesproken bewegen vrouwen zich met meer gratie dan mannen, dus die hebben vaak mijn voorkeur. Dieren hebben ook enorm veel gratie!

Ontstaan gedichten altijd naar aanleiding van een foto? Of werkt het soms ook anders voor jou? En wanneer is een gedicht voor jou echt af?
Hier moet ik je krachtig corrigeren: ik schrijf nóóit iets naar aanleiding van een foto. Ik zou niet kunnen. Een foto staat stil, is volledig tweedimensionaal en er zit geen beweging in en als die er wel in zit is die al vastgelegd. Daar is niets meer aan toe te voegen.
Wat wel kan – en zo gaat dat dan ook altijd bij mij – is dat ik een foto of beeld tegenkom, waarvan ik denk: daar héb ik iets bij. En dat kan dan iets van woorden zijn dat dat beeld aanvult of varieert of er het tegenovergestelde van is of dat een detail eruit vergroot. Op die manier kan er tussen woord en beeld een soort spanningsveld ontstaan.
Kijk, ik heb inmiddels een oeuvre van een kleine negenhonderd gedichten, dus voorraad genoeg. En de ontdekking van de fotografe Gabriele Viertel, die gespecialiseerd is in onder water gemaakte opnamen van vrouwen – waardoor ze als vanzelf een soort vervreemding meekrijgen, heeft mij de mogelijkheid gegeven om een aantal erotische gedichten van mij, die veel mensen niet kennen, aan die foto’s te koppelen. Ik vind het super dat die foto’s ook een zekere mate van glamour hebben.
Zeker in deze tijd, waarin er zoveel weerzinwekkend nieuws verschijnt over vrouwen, verkrachtingen, aanrandingen, onderdrukking, achterstelling, is het naar mijn idee noodzakelijk om die heel andere kant te laten zien.
In januari aanstaande komt er een tentoonstelling van ons werk in Haarlem en wordt daarbij een kunst-uitgave van zestien combinaties gepresenteerd. De uitgever is 99Editions/Publishers.

 

Recensie van Zie mij - Mariet Lems en Cora Vries

Te mooi om waar te zijn

Mariet Lems en Cora Vries
Zie mij
Uitgever: U2pi
2017
ISBN 9789087596934
€ 17,50
69 blz.

Het combineren van poëzie en schilderijen is een hachelijke zaak. Maar al te vaak doet het ene element af aan het andere, zoals iemand die door een mooi stuk muziek heen zit te praten of iemand die zich bij een fraai uitzicht hinderlijk in beeld bevindt. De smaak van de lezer en beschouwer speelt immers een belangrijke rol bij het waarderen van de combinatie van beeld en woord: de kans dat zij elkaar versterken is daarmee niet zo heel groot.

Ook in mijn geval heeft zowel de beschouwer als de lezer bezwaren. Zonder mezelf als kunstkenner te willen afficheren, heb ik voldoende gezien om in de schilderijen van Cora Vries een sterke overeenkomst met de stijl van Marlene Dumas op te merken. Daarmee is over het onderdeel ‘beeld’ van deze bundel voldoende gezegd.

De gedichten verraden het ambacht dat ermee getoond wordt. Dit wordt al meteen duidelijk bij het openingsgedicht.

Schrijfopdracht

Kijk net zolang naar mij
totdat je iets opvalt
dat je nooit eerder hebt gezien

noem kleuren, geluiden, geuren
emoties, iets in mij
dat zich met jou verbindt?

schrijf een gedicht

zwicht niet voor verleidingen
van rijm en zomerhemels
belicht me met je pen
zie mij
en zeg

[p. 7]

Voor dichters en ervaren poëzielezers vallen de effecten van klankherhaling (gezien – geluiden – geuren – gedicht), ‘verborgen’ rijm (gedicht – zwicht – belicht) en bewuste onvoltooiing (zie mij / en zeg) onmiddellijk op. Waarschijnlijk zal een geoefende voordrachtstem de handen van het toehorend publiek er wel voor op elkaar krijgen, maar de lezer blijft in mijn geval hangen aan de punten van het skelet, dat door de dunne huid van het gedicht heen steekt.

Een ander voorbeeld is het gedicht ‘Verloren’ op p. 11.

Verloren

Hoe komt het dat hun vragen mij verdringen
naar waar ik wegkruip achter mijn gezicht
zodat mijn antwoord loodzwaar van gewicht
zichzelf begraaft onder de bangste dingen

Ze laten woorden van hun tanden springen
Ze bijten in mijn lippen, ritsen dicht
wat binnenin mij zoekt naar lijn en licht
terwijl mijn taal zich het liefste los wil zingen

Dat is wat ik in het gat van stilte hoor:
een stem die ongehoord zijn richting vindt

die mij ontsnapt voorbij het zwijgend kind
voorbij de zeggingskracht die ik verloor

Stem open mij, laat de muziek beginnen
zodat verlies verschoven wordt naar winnen

Naast het morele aspect, waarbij de dichter de in mijn ogen minst interessante kant kiest, namelijk die van de ‘ik’ die in verdrukking leeft, valt mij het esthetische aspect van dit gedicht op. Alle emotionele en emotionerende rafelranden, die iedere lezer wel achter de taal zal vermoeden, worden door de sonnetvorm naar de verre achtergrond geplamuurd. Je zou daartegen kunnen aanvoeren dat ook een zorgvuldig ingedeeld en aangeharkt kerkhof de gedachte aan de dood niet doet verdwijnen, maar een gedicht is als het goed is een daad van kunst, dus een daad van verzet en geen rustplaats met een hoge heg eromheen en ‘Rust zacht’ boven het smeedijzeren hek bij de ingang.

Ik wil gedichten lezen die waar zijn, waaraan ik niet ontkomen kan en de taal moet die weerhaken in mij weten te slaan. Doordat in vrijwel alle gedichten van deze bundel het ambacht de boventoon voert, zijn ze stuk voor stuk te mooi om waar te zijn. Voor teksten die het lijden willen verpletteren onder een lading talige troost is er volgens mij voldoende plaats in rouwadvertenties en parochieperiodieken.

Maar misschien neem ik deze bundeling te serieus en moet ik haar niet als poëziebundel zien, maar eerder als een soort catalogus van een tentoonstelling, in combinatie waarmee hij ook op internet te vinden is. In de webshop op de site van uitgever JouwBoek.nl (Uitgeverij U2pi) zoek je er namelijk vergeefs naar.

***
Mariet Lems (1946) is specialist literatuureducatie, cultuurcoach, dichter en tekstschrijver. In 2013 verscheen de herdruk van Weten waar de woorden zijn, een methodiek creatief schrijven voor het basisonderwijs en schrijfdocenten. Voor het programma Cultuureducatie met Kwaliteit leidt ze leerkrachten op tot specialist literatuur.
Cora Vries (1956) studeerde grafische vormgeving aan de Academie Minerva te Groningen en daarna volgde ze de opleiding schilderen, tekenen, ruimtelijk ontwerpen aan de Koninklijke Academie te Den Haag. Ze is werkzaam als zelfstandig beeldend kunstenaar.

 

Gedichten

door Daan Janssens (1994)

Foto: Lumen Lineas

Daan Janssens (1994) is een jonge schrijver en performer met een hart voor het ongewone en is sinds januari 2017 de eerste stadsdichter van Hoogstraten. Zijn literatuuropleiding heeft hem opgezadeld met een schrijfmicrobe en sindsdien tracht hij zijn versies van de werkelijkheid via zijn pen en op het podium met de wereld te delen.

 

achromie

alles herleidt tot vormeloos wit

in het zand
de schaduw van gesloten ogen en de vraag wat nu net diepgang is

er nestelt iets onbehaaglijks tussen ons
een in het nauw gedreven nervositeit die verdwijnt
weer opdoemt

de nuances laten we
langzaam los
verbannen hen naar waar
of wanneer dan ook

onderhuids vervagen we tot vormeloos

film italien

als kruimels raapt ze haar tranen bij elkaar
verder spreekt de kamer onvoorzichtig voor zich

door de antieke gordijnen zijn zelfs geen silhouetten zichtbaar
ze besluit dan maar de nachtvlinders zelf een stem te geven
acherontia atropos beweert ze

gehuld in negatieve frequentie
hopeloos aangetrokken tot hun noodlot

de Goldberg variaties – Zimmerman

(Glenn Gould deed het beter)
 

ze knipt vergane foto’s tot een collage in sepia
haar messen breken landschappen open
de zon gaat er onvermijdelijk in onder

ik loop de kamer uit en besluit dat een enkel laken volstaat vannacht

haar been wrijft langzaam langs het mijne
het voelt onafwendbaar – tijd heeft enkel een eindbestemming

lasciate ogne speranza, voi ch’intrate
ik sta op en drink een glas water

plastiek

ik wil uw lichaam
beeldhouwen tot wat u u maakt

of ontkalking meer vraagt dan enkel tijd
er ook zoiets bestaat als plaatsvervangend sterven

ik wil zien
ik wil weten
ik wil voelen
ik wil verder gaan dan alle redelijkheid toelaat

of ik een mens tot mens kan maken door enkel mens te zijn

dat ik huid kan villen van een brief
als perkament om uw kale spieren te bedekken

of het mogelijk is om ogen, oren en tast te scheppen uit enkel woorden
als een geheugen zonder herinneringen

ik wil weten of ik u kan zijn zonder dat ik u ooit heb gezien