Recensie van Als werden wij ergens ontboden - Miriam Van hee

Het verloren paradijs van de moeiteloosheid

Miriam Van hee
Als werden wij ergens ontboden
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449843
€ 17,90
57 blz.

Miriam Van hee heeft haar nieuwe bundel Als werden wij ergens ontboden een motto van de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878-1956) meegegeven: ‘Je hoeft niet zoveel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Walser was een ingetogen, licht waanzinnige schrijver die zich niet geheel thuis voelde in dit leven. Vanuit dat levensgevoel schreef hij eens over Mozart dat die ons voert ‘naar het verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Misschien is dat wel hetgeen waarnaar niet alleen Walser maar ook Van hee verlangt in de natuurgebieden waar ze ons mee naartoe neemt. Het motto van de bundel verwoordt precies de wijze waarop zij zich in haar poëzie verhoudt tot de werkelijkheid. Met haar personifiërende waarnemingen van de natuur creëert zij haar eigen binnenwereld. Zodoende neemt ze in een glimp het ongewone aan het gewone waar en toont ons de werkelijkheid op een ongeziene wijze.
     Deze nieuwe bundel bestaat uit zes afdelingen. De eerste afdeling, gewijd aan een verblijf op Texel, is titelloos. De overige afdelingen met titel zijn gesitueerd in Estland, Rusland en Frankrijk. De weidsheid, het ingetogen landschap van de noordelijke streken, het verlate Franse berglandschap én de verloren tijd dragen bij aan haar beschrijving van een innerlijke weg naar wat zich moeilijk laat betreden, naar herinneringen en naar dromen. In de schrale landschappen staat het verblijf van het lyrisch subject in het teken van haar zoektocht naar een ‘moederland dat je vergeten bent’. Een herinnering, een droom, een verlangen naar een ‘uitzicht’ dat niets in de weg zou staan, is hetgeen waarop Van hee in veel van haar gedichten uit is. Zo onderkent ze bij eenvoudig tot armoedig levende mensen in het verlate (berg)landschap van ‘le villaret’ een levenshouding waaruit moeiteloosheid en een onveranderlijkheid van de dingen spreekt, zoals zich ‘het licht // en de schaduw over het blauwe graniet’ werpt.
     Tijdens de bezoeken aan natuurgebieden in Europa wijst Van hee op kleine veranderingen, niet alleen in het landschap, in de bewegingen van mens en dier, maar ook in de wolkenformaties. Het is niet spectaculair wat zij opmerkt, maar wel vol aandacht en empathie, en daardoor opmerkelijk bijzonder. In de ‘wandeling op texel’ zijn er tal van momenten waarop de wij er zich over verbaast dat de hooglanders die ‘eruit zien alsof ze nog / de oertijd hebben meegemaakt’, zich niet afvragen dat de natuur is zoals zij is. De wij staan er in het gedicht ‘pinguïns’ even bij stil of deze vogels zich voor de afsprong van de kust vrienden hebben gemaakt, of ze heimwee of verlangen kennen, want ze zullen elkaar nadien nooit meer zien. Mensen zijn voortdurend bezig te ‘gissen naar betekenis’ en met het toekennen van woorden aan wat ze waarnemen en ervaren. Daarmee verschaffen ze zich overzicht en inzicht in wat hen omringt, maar tegelijkertijd nemen ze op die wijze afstand tot hun directe omgeving. Dieren stellen zich daarentegen niet boven of buiten hun leefomgeving, maar gaan er in op. Dit gepersonifieerd uitlichten van een natuurlijke omgeving biedt haar de mogelijkheid om zich het landschap in al zijn verschijningsvormen toe te eigenen.

wandeling op texel

de hooglanders bewegen, wij wandelen, zij lopen
in de weg, wij omzeilen, ze zien eruit alsof ze nog
de oertijd hebben meegemaakt, wij schrijven
onze tijd met verzen vol, over hoe er gras kan
groeien op het zand, we gissen naar betekenis,
zij niet en wij vergissen ons, zij grazen traag, ook

als het regenen begint en het uitzicht minder scherp
wordt, wij keren langs de zee terug waar strandlopers
spelen met de waterlijn, hun tere knietjes zitten
aan de achterkant, ze eten zand en zijn niet bang
van grote meeuwen op de uitkijk, en de wind
die ons huilend doet verlangen raakt ze niet

De tweede afdeling ‘Een maand aan het meer’, bestaande uit drie gedichten, benadrukt nog eens de afwezigheid van de mens in dit berglandschap. Wel zijn er in dit landschap de ‘verre claxons [die] in de vochtige / lucht roepen als eenzame zielen’. Dit verlaten landschap roept het verlangen bij de je op om er een vingerafdruk achter te laten. De dieren ‘lieten zich niet bidden, de woorden evenmin’. De natuur maakt sprakeloos, straalt iets onaantastbaars uit. Het enige levensteken waaruit de jij zou kunnen afleiden dat hij niet onopgemerkt is gebleven, zou gelegen kunnen zijn in ‘een / lila klokje  [dat] trilde na een schouderklopje van de wind’
     De derde afdeling ‘Een kleine vallei’ heeft wandeltochten rond de berg ‘Mont lozère’ tot onderwerp. Het gedicht ‘wolken in bassurels’ is thematisch een veelzeggend gedicht, mede omdat daarin de titel van de bundel is opgenomen. De wandelaars hebben boven zich een ‘dun wolkendek dat niet bewoog’; onder hen snellen andere wolken ‘als laatkomers op de vergadering // als stellen voorbij naar het zuiden’. Ze bevinden zich tussen de wolkenpartijen in. Dit beeld doet mij herinneren aan het beroemde schilderij van Caspar David Friedrich (1774-1840)  ‘Der Wanderer über dem Nebelmeer’. Het geheimzinnig en onheilspellend spel van de wolken, licht en duisternis houdt de wandelaars in zijn ban.  

halverwege rustten we uit, we konden de
luchtlagen zien, hoog boven ons hing een
dun wolkendek dat niet bewoog, daaronder
snelden als laatkomers op de vergadering

stellen voorbij naar het zuiden, waar zij zich
ophoopten in een donkere grot in de lucht,
daarvandaan werd wind naar ons toe
gespeeld, een overschot dat naar believen

huishield in de bomen die ons omringden,
wij hervatten de klim tussen de doornen, maar
die donkere grot kwam ons te na, als werden

wij ergens ontboden, het was nog te vroeg, we
wankelden maar we lieten de aarde niet los
we hielden elkaar stevig vast en weerstonden

Deze tocht lijkt een sublieme ervaring te verwoorden. De aantrekkingskracht die ervan uitgaat, is moeilijk te weerstaan. Met dit ‘wolkenspel’ lijkt iets als een ‘hemelvaart’ op handen te zijn. Hier raakt het lyrisch subject aan het ‘verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Het landschap roept herinneringen op aan vroeger tijden, aan mirakels, aan verdwenen gebruiken. Achtergebleven handafdrukken, tekeningen op de wand van grotten zetten de verbeelding bij het lyrisch subject in werking. Het lijkt alsof niet de mensen voor het landschap, maar het landschap voor de mensen zorg draagt: ‘het waakte, traag en vasthoudend, / de man voelt de avond komen met vorst, met // stille tred, lichtvoetig, maar nog even niet’.
     In de vierde afdeling ‘tussen wal en schip’ staan gedichten die teruggrijpen op veelzeggende herinneringen die zich als droomflarden aandienen. Het gevoel van de ik in verschillende levensfasen tussen wal en schip te vallen vindt uitdrukking in de gedichten uit deze afdeling. In het gelijknamige gedicht is de ik met haar ouders op bezoek bij vrienden die, zoals dat in een droom kan gebeuren, hun derde kind verstopten. Een vlucht uit de stad volgt. Op wonderbaarlijke wijze ‘brandde [het kind] zich aan het papier en ik // vermocht het niet te troosten’. In dit droomgedicht klinkt een vergeefsheid, verlatenheid en machteloosheid op: ‘verder fietsen over land, zonder / kwitantie, zonder geld en zonder kind’. De overige gedichten uit deze afdeling raken aan bizarre en onnavolgbare droomfragmenten waarin de ander onbereikbaar blijft, de wetten van de zwaartekracht worden getrotseerd en adembenemende taferelen zich in de verbeelding voltrekken.
     In de vijfde afdeling ‘De weekendtrein naar Volchovstroj’ trekt aan de je ‘het groen voorbij met vlekken / van seringen, een gordijn van berkenstammen / als in droomlandschappen’. In de lente trekken mensen uit de stad in het weekend er op uit nu het langer licht wordt. Van hee weet prachtig de geur van het platteland mee te nemen naar de stad ‘waar in de metro dagenlang / de geur van dille en van opgelegde uien hangt’. Het lieveheersbeestje dat van beneden naar boven en terug over de treinruit kruipt, illustreert deze wekelijkse beweging van de treinreizigers. In het gedicht ‘rijm is het probleem’ speelt rijm en ritme bij het vertalen van Russische teksten een voorname rol, omdat ze in overeenstemming dienen te zijn met ‘het rijm en ritme van / golfslag of hart’. Het heeft te maken met ‘de russische / treinen die wiegend in juni door weelderig / groen met hun wielen de maat slaan’. In dit gedicht is de reis door het Russische landschap de bedding waarbinnen het wachten op het juiste rijmwoord – passend in het juiste ritme – ‘als bergen van afmattend werk’ wordt ervaren.
     In de laatste afdeling ‘lente in käsmu’, ontstaan in het schrijversverblijf te Käsmu in Estland, gaat Van hee een dialoog aan met de wereld om haar heen en ver weg. De dennen en vogels doen haar bewust zijn van haar ziel die zich moet verankeren door het brood te eten. Op een geheel natuurlijke en profane wijze vlecht Van hee hier de eucharistieviering in haar poëzie. De bevreemding is gewekt. Ze maakt daardoor de werkelijkheid in deze cyclus transcendent. De ik spreekt als ware hij een heilige Franciscus tegen de vogels en herinnert zich tijdens Pasen dagen aan het gezinsvolle strand. De ik stuit op vroegere voornemens en ambities: ‘je talen / te kennen, de weg te vinden, naar huis’. Dat betekent vooral jezelf te worden. Het blijkt moeilijk te zijn daadwerkelijk contact te maken met het moederland, maar er is wel ‘een goudvink op het terras’ als teken van verbinding.
     Net zoals de vogels zoekt de ik in haar geïsoleerde positie een ’samenzijn tussen twee eenzaamheden’ door. De versvorm die Van hee in deze cyclus gebruikt, is net zo grillig als de gedachtesprongen die ze maakt. Hoe moeilijk het is de eenzaamheid te verdragen, spat van de pagina’s af. Het ‘kabbelen van de baai’ schenkt voor even gemoedsrust, terwijl ze de ander bij zich wil voelen. Een kuifmees lijkt zich echter bewust van haar aanwezigheid en wijst haar de weg: het bos uit. Hoe moeizaam de contacten met het moederland ook verlopen, in de natuur is voor de ik de weg gelegen, ‘het bos uit’, naar het licht, naar het paradijs van de moeiteloosheid’. Staren uit het raam met uitzicht op de paradijselijke natuur blijft nog altijd de positie die Van hee inneemt om vanuit haar eenzaamheid transcenderende poëzie in zich te voelen opkomen. Deze melancholische poëzie vindt bovenal haar troost in de natuur.

***
Miriam Van hee (1952) is dichteres en slaviste. Haar poëzie is vertaald in tien talen en werd bekroond met de Jan Campert-prijs, de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap en de Herman de Coninckprijs. Haar voorlaatste bundel Ook daar valt het licht (2013) werd genomineerd voor de VSB – Poëzieprijs.

Recensie van Morgue en andere gedichten - Gottfried Benn

Goedemorgen. Poëzie die wakker schudt

Gottfried Benn
Vertaler: Huub Beurskens
Morgue en andere gedichten
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313393
€ 15
39 blz.

Dat hij zich met het instampen van naamvallen, geslachten en vervoegingen niet geliefd zou maken, moet mijn leraar Duits hebben geweten, en de Duitse taal, toch al niet populair in de vijftiger jaren van de vorige eeuw, zou hij er geen dienst mee bewijzen.
Waarschijnlijk besteedde hij daarom meer aandacht aan de Duitse cultuur, met name aan de literatuur en de liedkunst. Hij declameerde Goethe  en Heine en draaide Schubert. Op een ochtend, eerste lesuur, droeg hij, om de dag te openen het volgende gedicht voor van ene Gottfried Benn:

Mooie jeugd

De mond van het meisje dat lang in het riet gelegen had
zag er zo aangeknaagd uit.
Toen men haar borst openbrak, zat de slokdarm zo vol gaten.
In een prieel onder het middenrif ten slotte
vond men een nest jonge ratten.
Een klein zusje lag er dood.
De andere leefden van lever en nieren,
dronken het koude bloed en hadden
hier een mooie jeugd doorgebracht.
En mooi en gauw kwam ook hun dood:
Men gooide het hele stel in het water.
Ach, wat piepten die kleine snuiten!

Wij, zijn leerlingen, de slaap nog niet uit de ogen gewreven,  waren op slag wakker.

Wie was deze Gottfried Benn? Geboren in 1886, zoon van een dominee, studeerde na aandringen van pa theologie, wat hem niet beviel. Hij schakelde over op geneeskunde en chirurgie, een vakgebied dat hem inspireerde tot zijn overlijden in 1956 en tot zijn debuutbundel ‘Morgue en andere gedichten’ in 1912.
Het gedicht dat ons adolescenten zo trof was er een van de zesdelige cyclus ‘Morgue’, wat lijkenhuis betekent.
Ook de andere gedichten in deze reeks gaan niet zozeer over de dood in de zin van de teloorgang van de ziel maar om het aangezicht van wat er tastbaar overblijft na het overlijden, het lijk.
Dat was men in dichterskringen  niet gewend, ‘Tod und Liebe’ dat was waar het om ging, niet om het stof waaruit wij komen en wederkeren;  ‘Morgue’ werd dan ook zeer kritisch ontvangen, men vond het pervers en cynisch en dat laatste kan niet worden ontkend in onder meer het gedicht ‘Kringloop’: ‘De eenzame kies van een snol / die naamloos gestorven was / had een gouden vulling. / De rest was als bij stille afspraak / uitgevallen. / De lijkbezorger tikte die ene eruit, / verpatste hem en ging ervan uit dansen. / Want, zei hij, / alleen aarde moet tot aarde worden’.

Behalve degenen die negatieve kritiek hadden, waren er gelukkig ook recensenten die Benn een interessant ‘geval’ vonden, voer voor psychiaters. Men vond het moedig om openhartig over dingen te schrijven als rottende kadavers en walgelijke autopsies.
De meesten onder hen meenden echter tevens dat zijn werk weinig artistieke waarde had omdat er weliswaar menselijkheid in zijn gedichten te bespeuren viel maar dat deze niet bepaald poëtisch was.
Wat de vorm van veel werk van Benn betreft ben ik het met die laatste mening eens. In feite zijn vele gedichten eerder proza: losse met een hoofdletter beginnende en met een punt eindigende zinnen, hier en daar willekeurig afgebroken om het op een gedicht te doen lijken.
Toch maakt het een onuitwisbare indruk, of het nu proza is of poëzie.

Merkwaardig is dat niet deze vorm werd aangevallen maar de inhoud.
En ook merkwaardig dat  de uitgever van dit debuut, Alfred Meyer, niet de gedichten opnam die Gottfried Benn zelf beter achtte en liever in de bundel had gezien.
Het ging de boekenmaker kennelijk om de sensatie, niet om de kwaliteit, iets wat in de huidige tijd een bijna geaccepteerd verschijnsel is. Maar goed, het opende voor Gottfried Benn wel de mogelijkheid om verder te publiceren en ofschoon hij daarvan gretig gebruik maakte, wat een indrukwekkend oeuvre opleverde en hem in 1951, vijf jaar voor zijn dood, de Georg-Büchner-Preis opleverde, wordt zijn werk behalve Morgue en andere gedichten nauwelijks meer gelezen.
Over de ‘andere gedichten’ gesproken, daar staan wel strofen in met een hoog dichterlijk gehalte, bijvoorbeeld in:

Man en vrouw lopen door de kankerbarak

De man:

Hier, dit is een rij aangevreten schoot
en dit is een rij vervallen borst.
Bed stinkt naast bed. De zusters verschonen elk uur.

Kom, til gerust deze deken op.
Kijk, deze homp vet en rotte sappen
Dat was ooit de trots van een of andere man
Dat heette ook roes en vaderland –

(…)

En ook treft men  wel erg gezochte formuleringen aan in sommige verzen:

Nachtcafé
(…)
Groene tanden, pukkel in het gezicht
wenkt een ooglidontsteking.
(…)

Was de eigenzinnige Benn een van de voorlopers van het Duitse expressionisme dat putte uit het onderbewuste en zich afzette tegen de passieve zienswijze van  het impressionisme?
Dat vraagt om nuancering; hij was bezeten van de geneeskunde en de snijkamer  en vanuit die passie beschreef hij de werkelijkheid zonder illusies te koesteren. Hij vervormde de realiteit nauwelijks. En dat laatste was wel wat het expressionisme karakteriseerde.
Je zou kunnen zeggen dat hij voor de Eerste Wereldoorlog  wakker schudde,  wat zich na die oorlog ontwikkelde tot het expressionisme. 

De jonge uitgeverij Koppernik stelt zich geen ander doel dan uit te geven wat zij mooi en van belang acht en niet om de commercie te behagen; het gaat haar om niveau met een voorkeur voor gedurfde en uitdagende teksten en zij heeft zich met deze integrale heruitgave bewonderenswaardig aan dit streven gehouden.

Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Irene Schoenmacker (1988)

Uit (I)

Te doen alsof je de herfst
per omgaande wolk besteld hebt,
zo sta je op mijn stoep
er niet meer te wezen.

Er schuilt een halve regen
tussen de regels en in dit
gedicht kan ik schuilen voor

als ik plotseling roep of
je alsjeblieft terug wil komen
en je zegt van niet omdat
beter niet met mij is.

Olaf Korder (1949)

flat

Hij is geen jager of begeerde prooi,
niet stoer genoeg of bijzonder mooi,
geen prijsdier, gespierde godenzoon,
geen gilnicht ook, maar heel gewoon.

In doe-het-zelven enigszins bedreven
zou hij graag in zijn dure nieuwe flat
kamers en keuken delen, bank en bed,
voor altijd liefst en niet voor even.

Harry Vreeswijk (1936)

Was getekend

In dat huis waar niemand thuis is
woont nu ook een vriend van mij
moe en mager

hij vult zijn tijd met kleurpotlood
kijk zei hij, hier kun je een boom in zien
of beter misschien een fontein

en ik zag water ontspringen
rijzen naar omhoog en in een trage bocht
afdalen naar de aarde

en ik zag dat wij dat waren.

Alphonse W Wijnants (1949)

Ik noem je moeder

Wat een geluk dat ze vergeet
dat ze vergeet. Ik stuur de rolstoel.
Puur is haar verbaasde blik
op de kleurige stukjes hemel in de plas
op het pad omheen het rusthuis.
Is dat niet mooi? Haar ogen
zijn hemelsblauw, net als die van mij.
Ze heeft de blik van verwondering,
niet meer gekoppeld aan een brein.
Alle wereld die ze in zich ziet,
is van haar tijdlijn bevrijd,
in splinters en fragmenten.
Opgevuld met een veelvoud van uitgewoonde ruimten.
Dan staat ze, verwonderd,
iets terug te vinden.
Ik wil naar binnen, zegt ze,
maar wie ben jij eigenlijk?
Moeder, zeg ik! Denk je dat?
polst ze argwanend.
Ach, moeder, je hoeft niet meer te weten
van jij en ik. Nu wordt het iets groters
dan we zelf ooit kunnen zijn.

Recensie van Western - Delphine Lecompte

Niet ontroostbaar

Delphine Lecompte
Western
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023463139
€ 19,99
117 blz.

Western is ‘directed by Delphine Lecompte’. Deze papieren film heeft vier delen die spanning en sensatie beloven: ‘Part one: child’, ‘Part two: whore’, ‘Part three: revenge’, Part four: redemption’, waarbij het de vraag is of bij ‘redemption’ sprake is van een verlossing of het aflossen van een schuld – misschien wel allebei. Een intro gaat aan de film vooraf en hij eindigt met een uitsmijter.
Al speelt hij zich af in Vlaanderen, het blijft een western waarin wraak, geweld en dood een even belangrijke rol spelen als seks en tederheid. Lecompte geeft haar uitbundige verbeelding zonder enige terughoudendheid de vrije hand, meer nog dan in voorgaande bundels. Voor het overige lijkt Western erg op de voorgaande. Meer van hetzelfde dus, maar het gekke is dat het in haar geval niet uitmaakt. Ze blijft geloofwaardig, ze wordt geen karikatuur van zichzelf. Misschien moeten we haar vergelijken met een tekenaar als Peter Verstraten en de schrijver Simon Carmiggelt die, toen ze hun vorm eenmaal hadden gevonden, hun werk nauwelijks meer veranderden en toch aantrekkelijk bleven.

Op het  achterplat wordt het scenario als volgt samengevat: ‘Een vrouw is belust op wraak. Na een moeizame jeugd in een obscuur dorp, een wisselvallig liefdesleven en een hobbelig arbeidsparcours spreekt ze over de mensen en de ervaringen die haar ooit het leven zuur maakten. Eerherstel en erkenning krijgen is haar doel.’
Een echte verhaallijn is er niet. De bundel bestaat uit een aantal anekdoten; de thematiek en de regelmatig optredende verhaalpersonen zorgen voor een losse samenhang. Naast de ik-figuur, soms expliciet Delphine Lecompte genoemd, maken we opnieuw kennis met de oude kruisboogschutter, volgens de overlevering de bejaarde geliefde van Lecompte.  En ook met de walvisjager, de touwslager, de imker, de ontslagen kraanmachinist, de mystieke chrysantenkweker, de necrofiele tegelzetter met wie de ik Russisch roulette speelt – ze is de Kamagurka in de poëzie -, een melancholische garagist, de gekke bakker, tantes, ooms, nichten, neven, moeder, vader, grootouders en niet te vergeten de analfabetische jongenshoer, die een prominente rol speelt in deze bundel.

Van de vorm moet Lecompte het niet hebben. Ze schrijft opnieuw lange gedichten, verdeeld in strofen van meestal vijf regels. Maar het taalplezier spat van de bladzijden en haar humor is onweerstaanbaar en veelzijdig. De voortdurende herhaling van de absurde namen is bizar – in de goede zin – en neemt soms vormen van slapstick aan. Ze speelt met onze verwachtingen: ‘In de winkelstraat ziet hij de vrouwen halfnaakt / Hun bovenkledij is groen en slobberig’. Ze is cabaretesk: de ‘meest sensuele’ en ‘meest Braziliaanse Maria van West-Vlaanderen’ troost de mannen van het biljartcafé, die aan haar lippen hangen: ‘Als je slaapt met een kam onder je kussen verlies je nooit je libido, ook al ben je kaal’. Haar humor is uiterst beeldend: ‘de boeman van de duinen’ heeft een ‘kolibriepenis’. En auditief: ‘De Schotse schapenscheerder ( … ) kwam klaar als een gemelijke wezel in barensnood.’

Maar vergis je niet: die grollen en grappen zijn maar één kant van het verhaal. Ze maken het lezen (en misschien ook schrijven) van de andere kant draaglijk: die van pedofilie, geweld, moord, prostitutie, uitbuiting, verkrachting  en ontwrichte families. Die combinatie geeft misverstanden en wekt soms ook weerzin. Een enkele keer geeft zij dat zelf aan, zoals in ‘Geheimen in een bijenhotel’: ‘In mijn gedichten staat alles, maar iedereen leest dezelfde kleine gortigheid / Op mijn vensterbank ligt een hart waar ik slordig mee ben omgegaan.’
De fantasieën buitelen over elkaar heen, de ene fantasie roept de andere op, een enkele keer lijkt er sprake te zijn van hallucinaties, maar de realiteit is altijd uitgangspunt, of ik moet we wel heel erg vergissen. 

Haar vriendschap met de analfabetische jongenshoer kan model staan voor de hele bundel. Zijn leven is troosteloos: ‘Zijn ouders hebben hem uit zijn testament geschrapt, en zijn pooier vindt hem morgen te oud’.  Ze maakt van nabij mee wat hij ondergaat, probeert hem te beschermen, maar meer dan troost kan ze hem niet bieden. Uit ‘Kermistroost werkt altijd’:

De analfabetische jongenshoer wordt verkracht
Door een gierige wafelverkoper met barokke oren
Ik haat gierigheid in wafelverkopers met barokke oren
Ik troost de analfabetische jongenshoer met een polshorloge van de kermis
En met het mooie weer van de lucht, alsof ik vat heb op het mooie weer van de lucht.

Ze heeft wraakfantasieën. Als de jongen te laat bij ‘een klerikale klant’ komt is deze ‘razend, hij slaat de analfabetische jongenshoer met al zijn macht / En al zijn kandelaars, de hete was spat op een schilderij en bedekt de wrat van een voorouder.’ (Een geschilderde wrat wordt vervangen door eentje van was – prachtig). Ze pikt het niet en ‘zal hem wreken zowaar [zij] Desdemona of Delphine heet’. De laatste strofe van dit gedicht, ‘De analfabetische jongenshoer en de verstoten merel’ heeft alles van een humoristische en toch spannende B-film:

‘Je kunt niet aan je wraakengel ontkomen, Don Padre Giovanni!’
Tier ik, er is een echo: anni anni anni
De klerikale beul zit geschrokken in zijn sofa
In zijn handen houdt hij een obsceen uitpuilend shoarmabroodje geklemd
Ik dood hem met een vuistslag op zijn linkerslaap, het broodje neem ik mee voor de bordercollie
Die ik bijna heb, eind goed, al goed, maar de merel sterft.

(Die verstoten merel vond de ik op de drempel van de goudsmit.  Zij gaf hem ‘met graagte en vertrouwen aan [haar] beste vriend.’)

Het laatste gedicht is een ‘Deleted scene’, met als titel ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. ‘Deleted’ is absurd: we lezen het immers. Maar dat het ‘deleted’ moest worden, wordt aan het slot pijnlijk duidelijk. Als de ik fantaseert over de dood, beseft zij haar diepe eenzaamheid ten volle en het is juist haar vriend, deze ‘analfabetische rentboy met een aandoenlijke froufrou’, die daar een belangrijke rol in speelt. Een ‘profetische teckel’ verwijt haar dat ze nog steeds in dezelfde fouten vervalt. Haar verdediging dat ze een thuishaven is voor haar vriend treft geen doel, gezien de reactie van de teckel: ‘Jij een haven?? Jij bent onbeduidender dan de luis / In de stola van de oudste bordeelhoudster ter wereld. / Onbeduidender, antipathieker, en sentimenteler! Ik haat je sentiment …’ – je zou dit uit als een felle kritiek uit andermans mond op Delcomptes poëzie kunnen lezen, er komen meer van zulke gelaagde regels voor, maar dat terzijde. De ik slaat de teckel dood met een rotsblok, gooit dat in zee en wordt meegesleurd. De laatste vijf regels:

Ik sterf en merk
Dat sterven zo erg niet is
Ik word met niemand verenigd en ik mag iedereen vergeten
De kleur is emerald, de geur is otter.

De analfabetische jongenshoer is niet ontroostbaar.

Ze beschrijft haar dood als een verlossing, maar het tegendeel is het geval. De jongenshoer is niet ontroostbaar, zijn leven gaat verder, de ik was een passant. Een geliefde passant weliswaar, maar toch: een passant.
‘De analfabetische jongenshoer is niet ontroostbaar.’ Huiveringwekkend. Maar dit soort regels op een plaats met een maximaal effect – in dit geval de laatste regel van de bundel – maakt de bundel groots.

***
Delphine Lecompte (1978) schreef de Engelstalige roman Kittens in the boiler. Daarna schreef ze alleen nog poëzie. Voor haar debuut De dieren in mij (2009) kreeg ze de C. Buddingh’-prijs. Haar zesde en voorlaatste bundel, Dichter, bokser, koningsdochter. Gedichten! ( 2015) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

 

Gedichten

door Frouke Arns (1964)
Frouke Arns is tekstschrijver, literair vertaler en dichter. In 2015-2016 was zij Stadsdichter van Nijmegen.
Haar debuut, Mensen die je misschien kent, verscheen in 2013 bij Uitgeverij Marmer, Baarn. Twee gedichten daaruit werden opgenomen in de 100 beste gedichten (voor de VSB-Poëzieprijs 2014) en een in de Dikke Pfeijffer. Gedichten van haar verschenen in diverse Nederlandse en Vlaamse tijdschriften, kranten en bloemlezingen, waaronder Het Liegend Konijn, de Poëziekrant, het Parool, Schrijven Magazine en de Revisor.
Begin 2010 won zij de Literaire Prijs Harelbeke en de Meander Dichtersprijs en later dat jaar de publieks- en juryprijs van de schrijfwedstrijd Aan het Woord.  In 2011 volgden de Rinke Tolman Poëzieprijs en de Literaire Prijs Gelderland voor een kort verhaal.
Oktober 2017 verscheen bij uitgeverij Marmer  Eigen Terrein, een bundel met haar stadsgedichten. Zie de recensie in Meander. Onderstaande gedichten komen uit deze bundel.
 

Liefdesliedje voor Nimma

Wij waren het eindpunt genaderd, maar hadden het niet gemerkt
jouw lichaam was tegen mij aan in slaap gegleden
en ik weet nog dat ik aan Doornroosje dacht
vlak voordat ook ik vertrok.

Op de spoorbrug schrik ik wakker. Geratel en een stem.
Ik versta bestemming en of we niets vergeten willen.
De Waal buigt zich als een aanzoek langs de kade,
maar de stad houdt het antwoord voor zichzelf.

Iemand vouwt zijn krant tot hoed tot boot tot vogel
en vliegt op. Wij stappen uit. Slaapdronken nog
gapen we de maan in onze mond. Een late man
speelt piano op het perron. Weer thuis,

weer terug. Hoe waar dat ik je zo vaak verliet,
maar je nooit verlaten kon. Het geeft niet
dat ik een van velen ben. Het is genoeg
je kalme hart te voelen kloppen aan mijn rug.

belofte in rood

je spreekt nog met de tongval van je moeder
de gebaren van je vader, maar in de spiegel kijkt een vreemd
vertrouwd gezicht je aan

je boeken vol verse kennis staan op de pof met rechte rug
in een kamer die jouw geur nog niet draagt
je kent al drie recepten, waaronder eentje voor kater

morgen, denk je, morgen gaat het echt beginnen
voorlopig is een bachelor gewoon een vrijgezel

in het onbegrepen uur van schuim en as
en alle dingen die de nacht laat zingen

is de stad groot genoeg voor al jouw toekomstdromen
klein genoeg om de weg naar huis te vinden op de tast

Bezoekers

Iemand moet hebben gezegd: hic locus est.
Hier bouwen we met blote handen
van stenen een stad, hier zijn we met velen.
 
Er is een uitzicht en een rivier, hier
planten wij de godenpijler, zingen ons los
van wat ons scheidt. Hier stichten we een verleden.
 
En tegen alles wat ons bedreigt: het water,
de ander, de eeuwen, bouwen we een vesting
met een toren – wanen ons veilig boven al.
 
Nu graven we de toekomst uit en vinden in gelaagde
grond onszelf terug, wat we deden, wie we waren,
nog steeds zijn: mensen met een geschiedenis

aan beide kanten van de tijd. Zie hoe alles samen-
loopt, hier op deze plek. Deel te zijn van deze stroom,
van dit geheel. Bezoekers zijn we, voor even.