Recensie van Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee - Edwin de Groot

Een krachtig, aards geluid

Edwin de Groot
Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 978906265985
€ 16,50
63 blz.

In mijn kleine Italiaanse woonplaats (400 inwoners) bestaat een ‘internationale’ bibliotheek, die tot stand is gekomen doordat een organisatie ‘INTRA’ zich inspant om boeken die dreigen vernietigd te worden, te redden. Ze worden georganiseerd in een dertigtal thematisch georganiseerde bibliotheken. Daar mijn Etruskische stadje ooit een ‘kolonie’ van 40 Nederlandse gezinnen had, mochten alle boeken in enige vreemde taal bij ons geordend worden. Daaronder is één Fries boek, een geromantiseerde biografie van renaissancedichter Gysbert Japicx uit Bolsward door Pieter Terpstra: ‘De dei is fôroun’, een boek dat, zover ik weet, hier nooit gelezen is noch uitgeleend, maar door mij al vele malen getoond is aan nieuwsgierige journalisten en televisieploegen. Bijna elke bezoeker wil het even zien. Men begrijpt er niets van dat in Nederland een taal wordt gesproken, die oeroud is, en die ik niet begrijp: ik kan zelfs geen stukje voorlezen om de klank te laten horen.

Waarom schrijf ik dit? Na een recensie waarin ik mocht schrijven over een Surinaams dichter die o.a. in Sranantongo schreef, vind ik het fascinerend om nu de eerste bundel in het Nederlands van een Friese dichter te recenseren, overigens geen oorspronkelijke gedichten maar een vertaling van een eerdere Friese bundel. Het betreft hier de bundel: Sels in Tibetaan belânet op it lêst yn see, in het Nederlands Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee, naar het gelijknamige mystieke gedicht (pag.22), waarin de dichter een zondag beschrijft langs een (Friese?) dijk, waarbij ‘de ziel wordt uitgelaten’ en een mantelmeeuw die is gevallen bij de vuilstort weer verteert en ‘alles wat zij bezit / wordt weer zee’.

De dichter presenteert zich uitdrukkelijk als bewoner van Friesland, o.a. in het gedicht op pag. 40 ‘Hoog op zolder’. Citaat: ‘ik gelijk het nuchtere land waar ik uit ontsproten ben’. In zijn woordkeus zit een grote authenticiteit, die verwijst naar het vlakke Friese land. Hij presenteert zich ook duidelijk als kwetsbare dichter, al of niet belaagd door analyserende critici. Ik geef dit gedicht weer, zowel in het Fries als in het Nederlands; een gedicht in twee talen publiceren geeft een meerwaarde. Het zal wel een bewuste keuze zijn van dichter en uitgever om alleen in het Nederlands te publiceren, maar de bundel had nog rijker geweest als ook de Friese teksten weergegeven waren.

WYNSMYT

Dichters binne hege skoatige skepsels
Dy’t mei houtenklazerige krunen
as folfallen seilen de wyn fange

Mei net oan te ûntkommen it lotgefal
dwers oer it paad smiten te wurden
sa ta keninkriken ferfalle oan kordate kappers
mei bilen en kachels

De fynfielende fingers teannen en ynhouten
yn in flok en in sucht as foechsume blokjes
optaaste kreas en gelyk
mei-al is de treast skriel en symbolyk-
de tatiding fan in soarte fan termyk

Uit: Sels in Tibetaan belânet op it lêst in see (2016)
(met dank aan Hermien van der Meer die het gedicht voor mij overtypte en opzond)

Of in het Nederlands:

Windworp

Dichters zijn grote hoge schepsels
die met voelbaar klunzige kruinen
als volle ruisende zeilen de wind vangen

met onontkoombaar het lotgeval
dwars over het pad geworpen te worden
zo tot koninkrijken vervallen aan kordate
kappers met bijlen en kachels

de fijnvoelende vingers, tenen en binnenwerk
in een vloek en een zucht tot ordentelijke blokjes
gekloofd, gepast, gestapeld in kubiek met
– al is de troost schraal en symboliek –
de aanzegging van een soort van thermiek

De verwijzing naar de ‘kordate kappers’ die met ‘bijlen en kachels’ komen verwijst, mijns inziens, naar het werk van de recensent. Kappers knippen het kapsel kort en deze doen het bovendien nog met bijlen. Ik gaf als kordate criticus wat warmte door het prachtige Fries te citeren.
Ook inhoudelijk verwijst veel poëzie naar Friesland. Het vierluik: ‘Er was eens een vrouw met een gitzwart doodstil hart’, waarmee de bundel begint, verwijst in zijn ondertitel naar een ruig landschap ‘Ondergaan in De Deelen’, een moeraslandschap in de buurt van Heerenveen, waar ooit turfstekers hun harde werk verrichtten. De dichter spreekt het gebied toe: de turfstekers die ‘voor nipt / een appel en een ei het donkere merg / diep uit je botten zwoegden’. Of in het gedicht ‘De langste dag’ waarin hij beschrijft hoe toeristische vrouwen, staande op de voorplecht van de boot geld gooien in het klompje van de brugwachter. Een herinnering aan zijn oom Jan in: ‘Het loopvermogen van een onopgeloste kwestie’ doet hem aan koeien melken denken wat hij deed als ‘menneke van zes’ aan de oevers van het IJsselmeer, waarna hij in de keuken tussen Vapona vliegenstrips een ‘melksnor’ krijgt en, heel aards, zich herinnert ‘als ik echte stront ruik / stop voor een stonde / alle klokken, vergezicht / ballonnen, rauwe melk proeven’.
Toch is de dichter geen enge provincialist, hij schrijft over de Ardennen, vaak laadt hij zijn gedichten met een filosofie, hij schrijft over Poolse vrienden, over Alpe d’Huez en geeft een variatie op een gedicht van Emily Dickinson (pag.43), waarin prachtige regels voorkomen: ’Klief de prikklokklokkende doodbidder / open, dan vind je de gebeten grijze / muizen één voor één, als vitrinefabeldiertjes / gewikkeld in zilveren kwijl’.
De dichter komt mij voor als iemand die dicht bij de natuur leeft, hij schrijft over zijn huisdieren, over vogels, over andere dieren, over de sfeer in het lage land. De poëzie is stevig, vaak forse beeldspraken, onderwerpen die aards zijn, dicht bij het gras en het water, dicht bij de bloemen.

Samenvattend: een authentiek geluid in beeldend Nederlands, waardoorheen ‘it Heitelân’ verbeeld en verklankt wordt: aardse poëzie van grote kracht, mede door de soms heel bijzondere woordkeus, vaak met neologismen die eveneens iets authentieks hebben. De bundel getuigt ook van de hoge kwaliteit van de Friese poëzie, een bijzonder stukje literatuur in ons Nederlandse taalgebied. Alleen daarom al is deze ‘cross over’ van belang. Van harte aanbevolen.

***

Edwin de Groot werd geboren in Heerenveen. Hij dicht zowel in het Nederlands als het Fries en is redacteur van het Friese literaire online tijdschrift ‘ensafh’. De hierboven gerecenseerde bundel was zijn vierde Friestalige. Hij publiceerde in diverse tijdschriften en won verschillende prijzen, o.a. viermaal de Rely Jorritsmaprijs. Hij droeg bij aan de hommagebundel voor Rogi Wieg, de dichter die zo aan het leven leed, met het gedicht ‘In een kring van menselijke warmte’.

Recensie van Alle gedichten - Gerrit Komrij

De eerste regel is om te beginnen

Gerrit Komrij
Alle gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 97894031088308
€ 39,99
899 blz.

Alle gedichten is de vermeerderde druk van de uitgave Alle gedichten tot gisteren uit 1994. De bundels Spaans benauwd (2005) en Boemerang (2013) zijn aan deze editie toegevoegd, maar de gedichten die Komrij als Dichter des Vaderlands heeft geschreven (2002-2004) zijn niet opgenomen. Dat is beslist geen gemis, in de volumineuze bundel Alle gedichten die er nu ligt, raak je voorlopig niet uitgelezen. Er wordt de lezer veel moois en bijzonders voorgeschoteld. Op de voorkaft staat een foto van Komrij als Julius Ceasar, zoals we deze kennen als beeld, met een quasi-Romeinse haardos en de bijbehorende hautaine blik in de ogen.

De poëzie van Gerrit Komrij komt over als vormvast en is ogenschijnlijk toegankelijk, op het eerste gezicht in ieder geval niet hermetisch, hoewel ik als lezer voorzichtig blijf met deze vaststelling. Om vat op zijn poëzie te krijgen, wordt hij als een neoromantisch dichter beschouwd, omdat zijn gedichten een reactie zijn op de naoorlogse poëzie van de vijftigers en de volgende generaties. Hij lijkt terug te keren naar negentiende-eeuwse tendensen, zeker in zijn vroege dichterschap. Zijn virtuoze taalgebruik en zijn ironische, soms cynische benadering van bepaalde thema’s als eenzaamheid, ziekte en dood zijn kenmerkend voor zijn gedichten en ook voor zijn andere werk. Het is recht-voor-zijn-raap-poëzie met de taal als onweerstaanbaar wapen, waarmee hij anderen meedogenloos kan raken. Tegelijkertijd spaart hij zichzelf als dichter niet, stevige zelfspot en zwarte humor zijn andere ingrediënten van zijn poëzie. Voorbeelden van gedichten, waarin deze aspecten moeiteloos terug te vinden zijn, zijn er talloze. Het gedicht ‘Een verre reis’ uit Alle vlees is gras of Het knekelhuis op de dodenakker (1969) laat bovenstaande kenmerken zien:

Je ging, gezeten in een emmer, naar een
Zekere streek op reis, waar enkel grote,
Pokdalige dokters en goede heelkruiden waren.
Dat was een reis, die je nooit heeft verdroten.

Je was immers een emmer vol ziekte. Ja,
Een door en door krank vat, en je zocht
Beterschap. Er vloog jou een regen achterna
Van scheldwoorden van het grauw. Maar toch,

Je zocht beterschap, al het krapuul ten spijt.
En waarlijk, je kreeg hoestsiroop, en vond
Een heilzaam gewas, genas, maar sinds die tijd
Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.

De ontwikkeling (‘reis’) van de nog jonge dichter Gerrit Komrij (‘je zocht beterschap’ wordt tweemaal vermeld) dringt zich op, maar niet iedere lezer zal in deze opvatting meegaan. Wie is de toegesproken ‘Je’? Wie zijn die ‘Pokdalige dokters’? Wat zijn de ‘goede heelkruiden’? Hij ‘vond / Een heilzaam gewas, genas’, maar het negatieve beeld dat hij bij anderen had opgeroepen, raakte hij nooit meer kwijt. Zie de laatste versregel: ‘Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.’

Dat boven de andere dichters uitgroeien is een bekend thema in het werk van Komrij, een thema dat hij verantwoordt door gedichten te schrijven over het maken van poëzie als pure ambacht, zoals ‘Een gedicht’ uit zijn poëziedebuut de Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968), dat een opsomming is van wat de inhoud van de twaalf versregels is, niet meer en niet minder. Uiteindelijk lijkt het een recept om als dichter zelf aan de slag te gaan. Gedichten, bestaande uit twaalf versregels, verdeeld in drie kwatrijnen en vijfvoetige versregels zijn favoriet bij hem. Hij heeft zich ontwikkeld tot een grootmeester in het toepassen van deze strakke vorm. Van ideologische  uitgangspunten en politieke standpunten in de poëzie moet hij niets hebben; stilistische hoogtepunten, daar houdt hij van. Gedichten zijn taalconstructies, ze worden gemaakt, in elkaar gezet, geknutseld. Ze komen niet uit een gevoel of sentiment aanrollen en dat ze gekunsteld zijn, is geen probleem. ‘Lichaam en geest’ uit de bundel Variété is een aardig voorbeeld. Het bevat twee acrostichons van de naam van de dichter. De twee gedichten zijn bizarre opsommingen van voornamelijk lichamelijke en geestelijke aandoeningen. In dezelfde bundel vinden we ook de zoveelste persiflage op Marsmans ‘Denkend aan Holland’, ditmaal als een vlijmscherp gedicht over geldzucht onder de titel ‘De binnenring van Holland’. Komrij bouwt zijn gedichten woord voor woord en regel voor regel op. Niet voor niets had hij veel belangstelling voor architectuur en heeft hij daarover met de nodige kritiek op de hedendaagse bouwkunst gepubliceerd.

Komrij is nergens zweverig wanneer het om het proces van het schrijven van poëzie gaat. Hij is geen poëtische beschrijver van de werkelijkheid, het gaat hem niet om een persoonlijke expressie van een innerlijk gevoel of sentiment. De lezer met een morele kwestie lastig vallen is helemaal uit den boze. Wat men ook van de gedichten van Komrij vindt, als dichter heeft hij een antwoord op zijn critici. De hierboven genoemde bundel Alle vlees is gras sluit af met het volgende dialooggedicht:

Afgeluisterde tweespraak

A
Waarom pronkt die Komrij toch steeds zo banaal
Met die verborgen bedoelingen? Z’n verhalen
Getuigen waarlijk van Schraalhans’ brabbeltaal
Met een ijselijke inslag van het anale.
’t Zijn koekoekszangen waar ik niet om maal.

B
’t Zijn lege spelen, Mijnheer, ’t is voos geklater.
En wat te zeggen van z’n malicieuze
Dédain? Hij verbeeldt zich op sterk water
Te schrijven tussen literaire gazeuse.
Zo’n hoogmoed bewaart hij maar voor later.

Wat een ironie als je jezelf als dichter zo wegzet en op deze wijze een bundel afsluit! Daar raak je als lezer even (of wat langer) van in de war.

In de poëzie van Komrij zijn voortdurend tegenstellingen te vinden. Het hoge staat tegenover het lage, het ongewone tegenover het gewone, het verkeerde tegenover het juiste. Veel van de poëtische werelden die Komrij schept, zijn gedeeltelijk of geheel absurdistisch en ontsproten aan een breidelloze fantasie. De gedichten van Komrij zijn volledig autonoom, de lezer zal vooral naar de tekst van het gedicht zelf moeten kijken. Het privéleven van Komrij koppelen aan de inhoud van zijn gedichten is gedoemd te mislukken. De autobiografische prozabundel Verwoest Arcadië (1980) geeft je meer kansen, wanneer je dat wil proberen.

De uitgave bevat achterin een goed verzorgde ‘Inhoudsopgave en verantwoording’. Eerste drukken en aantallen van de oplage worden vermeld, fouten in de uitgaven besproken en eerste en latere versies genoemd. Tevens is een ‘Register van beginregels en titels’ opgenomen. De gedichten van Gerrit Komrij zijn vrij gemakkelijk in deze bundeling van de gedichten van Komrij terug te vinden. Het werk is opgedragen ‘Aan C. H.’, zijn partner Charles Hofman. Alle gedichten is een fraai uitgegeven, geslaagde editie, die recht doet aan de betekenis van Gerrit Komrij als dichter.

Hoe meer je thuis raakt in de poëzie en in de poëtica van Gerrit Komrij, des te meer krijgt het slotvers ‘Modern gedicht’ van de bundel Variété een stekelige betekenis. Het is een gedicht dat bij veel dichters zal schuren: met name de dichters die op inspiratie hopen en wachten op de grote ingeving moeten het ontgelden. Ik kan erom glimlachen of is grijnzen een beter woord? Even terzijde, de slotgedichten van de verschillende bundels en gedichtenreeksen in Alle gedichten zijn op zich al bijzonder en altijd betekenisvol in relatie tot de bundel zelf, waarvan ze deel uitmaken.

Modern gedicht

Ik wacht.
Er gebeurt niets.
Ik wacht nog steeds.
Er gebeurt nog steeds niets.
Als ik maar lang genoeg blijf wachten
Zal er een eeuwigheid niets gebeuren.

In de twee slotverzen van ‘Modern gedicht’ zit het pure venijn van zijn authentieke dichterschap. Slechts enkele simpele woorden heeft hij nodig voor deze harde stellingname. Gerrit Komrij wachtte niet, hij ging aan de slag, een leven lang.

***
Gerrit Komrij (1944-2012) was dichter, schrijver, vertaler, criticus, polemist en toneelschrijver. Hij debuteerde in 1968 met de poëziebundel Maagdenburgse bollen en andere gedichten. In 1979 verscheen De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten, een bundel die een groot succes werd. Alle gedichten tot gisteren zag in 2004 het levenslicht. Komrij laat een enorm oeuvre na met poëzie, essays en romans. Ook zijn er veel bibliofiele uitgaven, soms in heel kleine oplagen, van zijn werk. Vanaf 1984 woonde hij met zijn partner Charles Hofman in Portugal. Van 2002 tot 2004 was hij Dichter des Vaderlands. Hij ontving vele prijzen voor zijn werk, waaronder in 1993 de P. C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza.

Recensie van Alsof men alles loslaat - Michaël Slory

Alles wordt poëzie

Michaël Slory
Alsof men alles loslaat
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659937
€ 17,50
93 blz.

In de periode dat ik voor Meander recensies schrijf mocht ik al vertalingen vanuit het Italiaans en Frans beoordelen, terwijl ik (met erg veel plezier overigens) een Zuid-Afrikaanse bundel recenseerde. De hier te bespreken bundel, de bloemlezing Alsof men alles loslaat van Michaël Slory, maakt deze recensent enerzijds verward, maar anderzijds toch wel trots op de verzameling poëzie en proza die in deze 93 bladzijden zijn samengebracht. Tegelijkertijd voel ik een klein beetje onmacht. Michaël Slory (1935, Coronie, Suriname) schrijft in het Nederlands, Spaans, Engels en Sranantongo.
Spaans beheers ik niet zoals ik Frans of Italiaans beheers, ik kan er weinig van zeggen. Doordat ik in mijn diensttijd toevallig als administrateur werkte voor de Surinamecompagnie, ben ik in contact gekomen met wat toen nog Negerengels of zelfs, hoe discriminerend, takkietakkie werd genoemd, waarbij ‘takkie’ een bastaardwoord was, dat kwam van het Engelse ‘to talk’. Ik had een klein grammaticaatje, samengesteld door een erudiete officier, dat als handleiding diende voor de uit te zenden troepen als er geen Surinaamse Nederlanders (ik praat over 1962) waren. Ik vind de term Sranantongo volwaardiger, het is ook een taal die veel rijker is dan ik toen vermoedde, kleurrijk, muzikaal en ritmisch. Hoewel ik veel van de gedichten begrijp, voel ik mij niet competent die in de taalkundige werkelijkheid van de eigen taal van de dichter te beoordelen: ik moet mijn oordeel dus baseren op de vertalingen van Ed Hart en Michiel van Kempen. Dank zij dichters als Michaël Slory hebben wij de mogelijkheid kennis te nemen  van mooie poëzie in die taal uit een land waar nog zoveel Nederlands leeft: het maakt de bundel interessant en belangrijk; een ‘must’ voor diegenen die geïnteresseerd zijn in poëzie in het algemeen en de culturele ontwikkeling in de republiek Suriname in het bijzonder. En uiteraard voor diegenen die van fraaie boekjes houden, want het is mooi uitgegeven.

Ik zal hieronder een klein stukje poëzie in Sranantongo weergeven met een klein stukje vertaling eronder, waarbij opvalt dat de Nederlandse vertalers geprobeerd hebben de klank van het gedicht weer te geven’: ‘sidon’ en ‘lobi’ (‘zitten’ en ‘liefde’) worden dan ‘zitten’ en ‘minnekozen’, maar verder zijn het twee klankwerelden. De ‘faja lobi’ (de vurige liefde) vindt niet zijn weergave in het Nederlands. Ga er eens voor zitten.

Den sidon e meki lobi.
Neleki den wani go na ini makandra,
so ppètpè den sidon?
Neleki den wani gi densrefi abra
na makanda, so den e poti atènsi.

Ze zitten te minnekozen.
Alsof ze op willen gaan in elkaar,
geplakt aan elkaar zoals ze zitten?
Alsof ze zichzelf willen overgeven
Aan mekaar, zo toegewijd.

De dichter is iemand voor wie alles taal wordt. Sommige mensen die ik ken maken constant tekeningetjes van alles wat ze zien, waar soms heel rake, meesterlijke bij zijn; ik krijg de indruk dat alles wat Michaël Slory ziet bijna vanzelf tot een gedicht leidt. Er is niet één alles doordringend poëtisch thema dat de bundel bepaalt, maar het is de hele wereld, inclusief de talen die er gesproken worden. In de verhelderende Verantwoording achterin de bundel merkt Michiel van Kempen niet voor niets op dat er maar weinig dichters zijn ‘voor wie leven, werkelijkheid en taal zo’n naadloos continuüm vormen’. Of Slory nu schrijft over Ruth Jacott en Coronie (‘Dati yu wortu / ben kan tyari mi / kon na ini paradeysi / fu lobi’ : dat jouw woorden / mij konden leiden / het paradijs van liefde / in te gaan….’) of over de grote Anton de Kom (‘Yu di den fringi na ini seboto / fu go dede te yana / na ini heri wan tra kondre / na ini a Gran Feti di seki Grontapu’: U die met geweld verscheept werd / om ver weg in een vreemd land / te gaan sterven/ tijdens de Wereldoorlog die een ieder schokte), het leidt tot poëzie. Het kan ook een palmboompje zijn dat aan een kreek staat of de jacht- en visvogel die in het Nederlands officieel ‘de grote Kiskade’ heet maar in Suriname een ‘Grietjebie’ wordt genoemd; beide worden met een gedicht vereerd, een gedicht waarbij het in het Nederlands geschreven ‘De vele Grietjebies’ de branding van de zee verbeeldt waarbij de bamboe en de wind een dialoog aangaan.

De vele grietjebies

In de branding zijn ze nu
die grietjebies
met die kreten uit hun kelen.
In de branding zijn ze nu.

‘Iets bijzonders?’
vraagt de wind.

‘Niks bijzonders’
zegt de bamboe.

Intussen vlamt de zon
steeds meer als uit een eeuwigheid.
O, hoe de toppen van het groen
statig groeten en lofprijzen

deze morgen, deze dag!

Of het Engelstalige ‘Black woman’:

I
And in her hair,
her smile,
her body,
beauty is a common thing.

Even in her footsteps
lies the birth of a song.

Wat ik opmerkte over de veelheid van aanleidingen tot het schrijven van gedichten, kan ik ook zeggen over de vormen: er zijn er evenzovele. Herkennen we in het gedicht over de grietjebies nog een soort wereldmuziek, iets wat typisch Surinaams zou kunnen zijn, er zijn verder zoveel vormen dat het onmogelijk is erop in te gaan. Er zijn ook gedichten in het Spaans, die laat ik terzijde. De liefhebbers hebben de polyglot Slory al herkend; het is aan hen om de bundel aan te schaffen en verder te lezen en van de kleurrijke internationale taaloefeningen te genieten.

Slory heeft weinig proza geschreven. In deze bundel zijn ook een paar fragmenten opgenomen uit De Ware Tijd, een Surinaams dagblad, waarin Slory sinds 1987 schrijft. Voor mij had dit niet gehoeven, ik had liever wat meer poëzie gelezen. Dat neemt niet weg dat ik de bundel van harte aanbeveel.

***
Michaël Slory werd in 1935 geboren in het district  Coronie in Suriname. Hij was in Nederland voor studies, maar woont nu al vele jaren in Paramaribo. Hij publiceerde in het Spaans Poemas contra las agonias (1988) en enkele Nederlandstalige bundels: En nu voorgoed voor vriendschap (1996) en Waar wordt de lucht gemolken (2003).
Alsof men alles loslaat is de derde bloemlezing die bij In de Knipscheer verschijnt. Eerder verschenen Ik zal zingen om de zon te laten opkomen (1991) en Torent een man hoog met zijn poëzie (2012).

Geert Briers

Geert Briers (1964) werkt en organiseert in het boekenvak. Voor zijn professionele dagtaak betekent dit de organisatie van congressen en evenementen voor Boek.be , waarbij de Boekenbeurs het meest in het oog springt.
Sinds 2012 schrijft en publiceert hij gedichten & performt op literaire podia of in literaire salons, privé bij mensen thuis. Zijn gedichten klinken solo of op de klanken van de jazzsnaren van Contrabasman Jasper De Roeck. Vanaf 2018 krijgt het gezelschap van Percussionista Anke Verslype.
In 2015 realiseerden we op eigen kracht het wonderlijke Rotspaleis, de mooist mogelijke poëzievoorstelling in de groots mogelijke indoor publieksruimte in België: het Sportpaleis met een topcast van dichters en muzikanten.

foto: Annelies Zwysen

 


wij waren de tederheid die we zijn

wij zijn zo ontwapenend
overstuur door onze naaktheid
de anderen

wij kussen
de kleuren weg

wij in zwart wit
geen nuance
de huid wit het bloed zwart
noir désir

wij bijten en drinken elkaar
schuren onze lijven
leggen onze vingertoppen op de meest fruitige plaatsen
vuren onze vurige tongen aan

kussen
de kleuren weg

ga voor me staan
zo naakt mogelijk
met slechts een hoopje verlegen kleren aan
bind acht hengsten om mijn lijf
stuur ze de vier windrichtingen uit
zet een stap naar voor
raak me

kus
de kleuren weg

verberg je
ik tel tot tien
zelfs in een woud van weelderige lichamen
herken ik je blindelings
je huid van glimlach
je mondhoeken van verlegenheid
je ogen van vuurtoren
ik lees je diepste
raak je

kus
de kleuren weg

een luchtig sjaaltje om je glazen hals
je gelaat in françoistruffautzachtgrijze tinten
in de verte kraakt een chanson
avec le temps
avec le temps va

we zijn er bijna

nu smijt je de sleutel uit het raam
veertig verdiepingen omlaag
we worden nooit meer gevonden
we worden vergetelheid

of toch
in die laatste uren van leven
van overleven
wat kussen wij nog

de honger
doet de honger naar elkaar
verstillen

verstrengelde vingers gevoelloos
gloeiende ogen verwaterd

wij zijn enkel nog eigen lichaam
niet meer het andere
nooit meer het andere

wij zijn zo uitgedoofd
veel te vroeg
krijgen wij kleur

wij bewegen niet meer
komen niet meer op woorden
op elkaar

de zwaartekracht houdt ons aan de grond

opgehoopt tegen elkaar op
zo liggen wij daar
uitgedrukt

twee verkleurde lichamen
afgewaaide bladeren
bij herfst in een verkleurd bos

zo vinden ze ons
uiteindelijk
elke dag
opnieuw

wij waren de tederheid
die we zijn

 

nog eenmaal

kleed je nog eenmaal uit
met de traagheid van een verre reis
met de elegantie van een rijk verleden

leg je nog eenmaal op mij
met de warmte van een glimlach
met de zachtheid van vergeving

draai me nog eenmaal om
met de achteloosheid van een wegwerpgebaar
met de onafwendbaarheid van sirenenzang

hang nog eenmaal ondersteboven aan een boom
je benen winkelhaak om een tak
je kleed omlaag over je gelaat en lager
zo toon je groter en meer mysterieus
in je gulle achteloze naaktheid
in wat zal tintelen in mijn herinneringen

dans nog eenmaal voor mij
met je armen gespreid
in je jas van vrouwenhuid
op de tippen van je blote tenen
op de tonen van het licht
in je ogen

en dan

dan zal ik

nog eenmaal

 

uit de recente derde bundel, Voor wie de liefde
Uitgeverij Vrijdag in co-editie met Uitgeverij Blloan (Ballon Media)

Christiaan Abbing

foto: Beno Munneke

Christiaan Abbing (1984) is stadsdichter van Veenendaal. Hij is getrouwd en vader van twee dochters. Naast deze erebanen is hij teamleider/groepsleerkracht in het primair onderwijs.

 

Vinexvlucht

Langs eindeloze troosteloze rijen
Met steeds de zelfde ramen, zelfde deur
Waar hoogstens droogboeketten nog gedijen
Trekt als een kwade engel dode sleur

Hier wonen volle vrouwen zonder kleur
En moegewerkte middelbare mannen
Verwelkomd door de zelfde grauwe geur
Die rijst uit steeds de zelfde pruttelpannen

Het enig lichtpunt zijn vakantieplannen
Voor even weggaan uit dit tranendal
Maar voor de voortent nog is uitgespannen
Is daar de eerste campingbuurman al

‘Ha buurtjes, wat gezellig, welkom hoor!
Nou zég, ze gaan er als een haas vandoor…’

 

 

Mantelzorg – Groeirijm

Ik wandel kalmpjes langs de waterkant
Met mijn bejaarde, zeer demente oom
We stoppen bij een theehuis met een vlonder
Voor appeltaart met versgeslagen room
Hij kliedert kwijlend heel zijn rolstoel onder
Likt dan de resten smakkend van het chroom
Ik ben eraan gewend: niets aan de hand
Hoe heerlijk, zo te leven zonder schroom