Recensie van Hertenblues - Job Degenaar

Blues op de stroomfiets

Job Degenaar
Hertenblues
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519092
€ 19,50
94 blz.

Taal is geen stilstaand gegeven, maar voortdurend aan verandering onderhevig. We moeten om gezond ouder te worden bewegen en dat is kennelijk niet tegen dovemansoren gezegd, want als je op een willekeurige zomerdag op je fiets stapt dan kom je hordes ouderen in felgekleurde windjacks op e-bikes tegen. Uitstekend, er is geen plaats voor ergernis, want de mensheid is goed bezig, maar …  e-bikes, dat woord schuurt, weer zo’n overbodige Engelse enclave in ons mooie Nederlands. Job Degenaar heeft de remedie gevonden en introduceert het woord stroomfiets. Een vondst waar iedereen op zou kunnen komen. Toch ben ik de dichter dankbaar voor dit neologisme en hoop dat het ingang zal vinden in brede kring. Zelf ga ik het in ieder geval vanaf nu gebruiken. Vermoedelijk is het overigens niet een vondst van de dichter, want ik kwam op het web een verhuurbedrijf in Kampen tegen met de naam Stroomfiets en ze bleken ook nog stroomfietsen te verhuren.
Niet alle nieuwigheden in de bundel Hertenblues kan ik waarderen, want Degenaar laat af en toe het werkwoord weg, zoals je de laatste tijd veel hoort doen: ‘dus giechelen ze om hun selfies en juist / als er gestemd moet over een campagne / tegen het bewind, dribbelen ze op / kousenvoetjes om thee en koekjes weg’. In een andere regel laat hij het werkwoord ‘gaan’ weg: ‘Vannacht zouden we naar Zeeland / met koffers vol jeugdherinneringen’.

Het motto van de bundel is een dichtregel van de Duitse dichter Reiner Kunze. Degenaar heeft gedichten van deze Duitser vertaald. Het motto luidt: ‘Doch schon der kiesel / nimmt die wärme an / der hand’.
Ik denk dat hij dit motto heeft gekozen om tot uitdrukking te brengen dat we de dingen die we waarnemen, meemaken en lezen, opslaan in ons geheugen en integreren in ons brein tussen de eigen indrukken. Zoals een steentje in je hand de temperatuur van de hand overneemt.

Hertenblues is opgebouwd uit: ‘Klein verband’, ‘Ultieme levenstekens’, ‘Mores leren’, ‘Verzen voor bejaarden’ en ‘Radioruis, sneeuwbeeld’. Tussen de gedichten staan zes illustraties, die verband houden met het gedicht op de naastgelegen pagina. Dat is wel prettig; niets is zo vervelend als er geschreven wordt over een kunstwerk waar je geen voorstelling van hebt.

Degenaar is een uitstekend observator, weet de sfeer in combinatie met de omgeving prachtig onder woorden te brengen en geeft goed de stemming van de dichter weer. Een voorbeeld met mooie metaforen: dribbelende meeuwen, droeve fietsen en hobbelende tractoren. Je proeft de sfeer van zo’n natte voorjaarsmorgen.

Een vroege lente op Texel

Wind drukt het eiland neer, de zee gromt
meeuwen dribbelen rumoerig langs de vloedlijn
inktwolken legen zich haastig op het land

achter de dijk schuilen dicht bijeen de schapen
de gekromde bomen bukken nog dieper, in de verte
zijn de ganzenzwermen en boerderijen gewist

De droeve fietsen, het wasrek op de tocht
de uitgebeten tuinstoelen, alles kwijnt
in deze morgen, die maar niet dagen wil

Een trekker hobbelt door het uitzicht en blijft
steken in de modder, moment waarop alles
stilvalt: als een herinnering staan we voor het raam

buiten de onberekenbare wereld, houden
de adem vast, steunend op elkaar
en op de knoppen van gele krokussen

De dichter is een levensgenieter wat blijkt uit de gevarieerde onderwerpen: wijn, reizen in eigen land en verre oorden, humor, actualiteit, nostalgie en, onvermijdelijk, de dood. Vaak gebuikt hij een relativerende toon, zoals blijkt uit het onderstaande gedicht waarin ook de titel van de bundel verwerkt zit. Het begint met de beschrijving van een bijeenkomst waarbij wellicht wat gedronken wordt, vervolgens genieten ze van het uitzicht en ondergaan de magie van het heelal, later keren ze terug naar triviale dingen als Facebook en roken. Dit alles weer met mooie metaforen en een aardige synesthesie: tokkelende sterren op het netvlies

Hoog uitzicht op dit leven

Er lag gestapeld hout dat gloeide
de zon verwaasde achter de bergen
we dronken nostalgisch op het geluk

en bleven zitten, licht beroesd
de avond werd vanzelf nacht
Boven ons installeerde zich

een ontregelend decor van sterren
tokkelend op ons netvlies, soms
doorkruist door stille satellieten

de lichtpijlen van hemelsteen
en het nabij geknipper van
zacht snorrende vliegtuigen

Toen was ’t voor ons, stervelingen
weer mooi genoeg geweest
en omsingelde grondmist ons

een ging op Facebook
een ander rolde een sigaret
en blies vraagtekens de ruimte in

In de verte, vanuit het duister
loeiden herten
hun oude blues

In een aantal gedichten is de dood een motief, een gestorven geliefde en de overleden moeder van de auteur. In het gedicht dat volgt, schetst hij de situatie in een lijkwagen. De natuur buiten de zwarte auto gaat ongestoord zijn gang, net als de tomtom en de chauffeur die honderduit praat over allerlei onbenulligheden. De dichter is heel sociaal aangepast en doet alsof hij luistert, maar zijn gedachten zijn in feite bij de dode moeder die in de kist achter hem ligt en hij voelt hoe haar lichaam reageert op de bewegingen van de auto.

Reisje met moeder langs het IJsselmeer

We zoeven statig over de dijk, omgeven
door water, wolken, meeuwen en klieken
aalscholvers, zwart in boomkarkassen

de auto is gepavoiseerd in grijs, de tomtom
beveelt in decibellen, de chauffeur praat
honderduit; ik klem twee foto’s in m’n hand

die haar kist bij ’t afscheid opfleurden:
als meisje dat uitdagend de lens in lacht
en vrouw op leeftijd met broze blik

Wat zou ze genieten van dit panorama
maar ik zie steeds maar voor me hoe haar hoofd
bij elke bobbel schudt en meezwenkt in de bochten

en hoe die kletsmajoor en ik haar straks
voorbij de overkant, naar de lage aula tillen:
haar kilste nacht bovengronds

Tot slot, Hertenblues is een bundel met aansprekende, toegankelijke poëzie, waarin de dichter ons meeneemt in universele gevoelens, waarin we veel van onszelf herkennen. Moderne gedichten met een kop en een staart, niet hermetisch, maar waarin toch wat te raden overblijft.

***
Job Degenaar (1952) schreef o.a. de bundels Bericht voor gelovigen (1976), Het wak (1980) en ’t Vlak ligt klaar (1989). Nadat uit deze drie bundels in 1991 een Poolse bloemlezing werd samengesteld, verschenen De helderheid van morgens (1992), Van de arena en het lastdier (1995), Dus dit is zomer (1998), Huisbroei (2003), Vluchtgegevens (2011), Handkussen van de tijd, een keuze uit 35 jaar poëzie (2012), Thorleif (beeld en poëzie, 2014), Het fonkelt in ‘t Dok -Lemmer en omgeving in 22 schilderijen en gedichten, i.s.m. schilder Lammert Sloothaak (2016).

Recensie van Hoe de eerste vonken zichtbaar waren - Simone Atangana Bekono

Dictee van een mooi en pijnlijk ding

Simone Atangana Bekono
Hoe de eerste vonken zichtbaar waren
Uitgever: Wintertuin & Lebowski
2017
ISBN 9789079571543
€ 12,00
48 blz.

Dichter Simone Atangana Bekono had al een reputatie voordat haar debuut verscheen. Nu pas ligt het zwarte boekje met de kleine witte letters in veelvoud op de poëzieafdeling van de betere boekhandel, maar in september 2017 droeg zij al voor tijdens de Nacht van de Poëzie. Eén gedicht las zij daar in Utrecht, het laatste en het langste uit de bundel, blijkt nu. In januari jongstleden was zij lid van de jury die de drie allerbeste gedichten uit de beste honderd inzendingen mocht kiezen voor de Turing gedichtenwedstrijd 2017.

Dat debuut, getiteld Hoe de eerste vonken zichtbaar waren,  is dan ook een heruitgave van haar afstudeerwerk aan de ArtEZ-opleiding ‘Creative Writing’. Dat zal niet iedere student overkomen. Hoe de eerste vonken zichtbaar waren blijkt een lastige titel. Op het wereldwijde web zien we al gauw dat ‘waren’ wordt verward met ‘werden’. Toch zit daar het subtiele verschil tussen zicht op het proces en zicht op het resultaat van het proces. En waar vonken zijn, kan vuur ontstaan.

Dit is zo’n bundel die lastig terug kan komen in bloemlezingen. De lange gedichten hangen sterk met elkaar samen, zijn te veel onderdeel van een groter geheel. Pik er daar maar eens een uit. In drie afdelingen met de titels ‘Wrijving’, ‘Ontsteking’ en ‘Vonken’ wordt een proces geschetst. In ‘Wrijving’ staan zes genummerde gedichten, In ‘Ontsteking’ staan twee brieven van ‘Siem’ aan ‘Kipje’ en in ‘Vonken’ gaat de nummering van gedichten verder van 7 tot 9, of eigenlijk van VII tot IX. De lijn van het proces geeft zich niet gemakkelijk prijs. In treffend gekozen beelden krijgen we puzzelstukjes aangereikt, zoals de ´ik´ die uit jagen gaat en een ree treft.

VII.

Dat ik uit jagen ging, en dat ik geschikte laarzen kocht en een warme jas
en dat ik geen tent meenam maar een stuk zeil dat ik opgerold op mijn rug droeg
en dat ik in de voetstappen van de beer door de regen liep

En dat het bos zich bewust was van mijn geur
en dat mijn lichaam zich bewust was van het bos
en dat de vogels besloten zich eerbiedig te gedragen en hun snavels dichthielden
en dat de beer zich bezighield met de vis in de rivier, het schoonspoelen van zijn poten
waar bloed en poep en mos aan kleefden

Dat de ree die voor mij uit sprong zich niet bedreigd voelde
maar haar vacht tegen de boomschors aan wreef zodat ik in de buurt kon blijven
en de bomen precies genoeg zonlicht toestonden
en de zon net warm genoeg scheen om het ijswater van de takken
naar beneden te doen druppen, het kraken van het stuk zeil op mijn rug te maskeren

Dat ik tegen het vallen van de avond
met toegeknepen ogen
het licht op de snuit van de ree zag schijnen
en dat de ree stilstond en van de laatste zon leek te genieten
dat ik beefde van vermoeidheid en dat mijn geweer beefde
en dat het leek alsof er tussen dit moment
en het moment dat nog moest komen

In de afstand die tussen ons lag, enkele tientallen meters
de zandkorrels die opstoven, de druppels ijswater die drupten
de zo langzaam mogelijk uitgeblazen wolkjes adem en de beer die
zich niet veel verderop bezighield met de vis in de rivier
en de ree die misschien niet genoot maar wel leek te wachten
ik herinnerde het badwater dat naar eucalyptus rook
de man die een meer in wandelde
en zei dat hij zowel hier als nergens was

(…)

Een soort droombeeld waarin er een relatie bestaat tussen jager en prooi waarin keuzes bestaan. Elke keuze leidt tot een ander verloop van de gebeurtenissen. En zo beschrijft de ‘ik’ meer herinneringen om uiteindelijk weer uit te komen bij de jacht.

(…)

Ik zette na de jacht mijn geweer op de grond, met het handvat op het parket
en de loop naar de lucht gericht, het zeil waarin ik geslapen had opgerold tegen de muur
stinkend naar bloed en poep en mos
en de ree met wie ik niemand en nergens was stond in mijn verbeelding nog steeds
met haar kop naar de oranjerode zon gericht, haar geur aan de bomen gesmeerd
mijn aanwezigheid voor haar verborgen door de afdrukken van de berenpoten waarin ik
mij had bewogen terwijl het bos zich bezighield met het dreigende donker
de ree en ik, wij maakten in de stilte van het bos een afspraak
zoals ik die maakte met de zeemeeuwen, de kustwacht, de partyboot,
het opblaasdier en de miljoenen vissen
in de meters tussen de loop van mijn geweer en haar slaap, naar mij toegekeerd
zowel uitnodiging als uitdaging, met alle miljarden dingen die in de ruimte
tussen ons in gebeurden, die ons deden samensmelten
die het moment van ontsteking aankondigden
voordat de eerste vonken
zichtbaar waren

Allerlei herinneringen, zelf meegemaakt of in dromen beleefd, liggen ten grondslag aan de vonken. En die herinneringen lopen van het begin van het leven tot het nu en die zijn gekleurd door de positie van de ‘ik’ in de wereld. Maar die ‘ik’ beschouwt zich meer als een reflectie van zichzelf: een silhouet, een schaduw, een spiegelbeeld in het zwarte water. Dat is een afsplitsing van jezelf, iets waar je zelfs mee in discussie kunt gaan. Het spel met identiteit vormt een belangrijk thema in de bundel. Soms zijn passages uit te leggen als strijdlust van een zwarte vrouw tegen onrecht in de maatschappij, maar ze zijn ook uit te leggen als een zoektocht naar identiteit. Wil ik zijn wat anderen mij maken? Daarover zijn verschillende regels te vinden:

     0  want mijn lichaam is meerdere lichamen
     0  ik wil een gang bouwen die nergens naartoe leidt / en er al mijn lichamen in opsluiten
     0  ik schreef vijf versies van mezelf, die mannelijk, gebroken, / lichaamloos en in de war waren
     0  ik kan mezelf in honderden vormen presenteren

De ‘ik’ ziet zichzelf als een ‘in een mal gepropte versie van Kunta Kinte’, de hoofdpersoon van een slavensaga en de eerste slaaf die nog volledig met zijn wortels in de Afrikaanse cultuur zich moest aanpassen aan een nieuw ruig bestaan in Amerika. Door de populariteit van de televisieserie verworden tot een geromantiseerd slachtoffer. Wil de ‘ik’ wel passen in dat model? In IV lezen we: ‘alle zwarte mensen is een vergane kunstvorm waar slechts enkelen naar terugverlangen’. Je bent wat anderen jou maken, daar valt niet aan te ontkomen hoewel de ‘ik’ denkt te kunnen ontsnappen door op vakantie te gaan, maar ‘het vliegtuig komt niet van de grond’ (VI). Het gevecht gaat door tot aan de dood, tot aan het zwarte water.

In IX lezen we: ‘Dit gedicht is een combinatie van meerdere gedichten en / er is een mooi en pijnlijk ding dat mij dicteert’. De dichter als doorgeefluik. De bundel als afstudeerwerk, maar dan van iets meer dan een opleiding in de kunsten. Het levert een indrukwekkend resultaat, een bundel waar je vaak naar terug kunt keren omdat je voelt dat er nog een laag is die je als lezer eerder over het hoofd hebt gezien. Atangana Bekono maakt kunst door in beelden te werken en niet in woorden, hoewel de beelden door de woorden tot stand komen. Goed dat ze afgestudeerd is, kan ze aan de slag om meer moois te maken.

***
Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ. Haar afstudeerwerk vormt de basis voor haar debuutbundel. Ze publiceerde op De Optimist, Samplekanon en in De Gids. Ze droeg voor op de Nacht van de Poëzie, Read My World, het Wintertuinfestival en vele andere podia.

Klassieker 220

Meander Klassieker 220

Leonard Nolens (1947) geldt als één van de vooraanstaande dichters van zijn generatie. Zijn werk is meermalen bekroond, zo ontving hij in 2012 de Driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren. Hij staat bekend als een romantisch dichter, met vaak uitgesproken erotische thematiek. Denk bijvoorbeeld aan ‘Een fractie van een kus’, de gedichtendagbundel van 2007: ‘Prijs ons paar. / En prijs onze goede gemeenplaats / Van langzame seks in de luwte’. Het gedicht dat René Leverink voor ons bespreekt heeft een meer aardse thematiek: de plek waar de dichter tijdens het schrijven verblijft.

Afscheid van Missenburg

Voor Elza

Het paradijs, en zonder slang, dat was labeur
Maar heerlijk! Hoog en zwetend riep de zonnewijzer
Honderd vijftig jaar de taxus en fazanten
Tot de orde, en zacht en dwingend hing de gastvrouw
Aan het touw en liet de kleine klokken gaan
Over de paden van patrijzen en tuiniers.
Ook onkruid boog zich naar die goddeloze mis.

Ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen
Op doortocht neergestreken in het grachtenwater.
En deze pen beluisterde de zonnewijzer
Die de eenden wees op brood onder de brug.
Ik ben van Missenburg geweest. Ik draag zijn hemel
Als een gouden trauma met mij om, een dak
Van groen waar plots mijn kamer uit de kruinen kantelt.

Leonard Nolens (1947)

Uit: Manieren van leven (2001)
Uitgever: Querido

Er is veel te vertellen over de achtergronden van dit gedicht. Maar laten we toch eerst het gedicht zelf laten spreken. De vorm is regelmatig: twee strofen van zeven versregels, bestaande uit elf tot vijftien lettergrepen (één vers, het eerste van de tweede strofe, telt vijftien lettergrepen, alle andere elf tot dertien). Hoewel dus klassiek van opzet, kent het gedicht geen eindrijm. Er zijn wel talrijke andere klankverbindingen, zoals assonanties (bijvoorbeeld veel a-klanken in de eerste versregel; boog en goddeloos in vers 7); alliteraties (heerlijk en Hoog in vers 2 en Honderd in vers 3; kleine klokken in vers 5; paden en patrijzen in vers 6; de k’s van kamer, kruinen en kantelt in vers 14). Opvallend is het grote aantal enjambementen. De eerste vijf versregels lopen door naar de volgende. Hetzelfde geldt voor de verzen 8, 10, 12 en 13. Negen van de veertien dus, of eigenlijk van de dertien, want slotverzen kennen per definitie geen enjambement. Al dat doorlopen over versregels heen geeft het gedicht een vloeiende soepelheid, nog versterkt door het onbekommerd aaneenrijgen van verschillende metrumsoorten.

Welke stijlmiddelen komen we tegen? In vers 1 een prolepsis: ‘Het paradijs, en zonder slang, dat was labeur’. Tegelijkertijd de antithese (er volgen er meer in dit gedicht) van ‘paradijs, zonder slang’ en ‘labeur’ (we gaan hier later dieper op in) en van ‘labeur’ en ‘Heerlijk’. Tussen ‘taxus en fazanten’ (vers 3) en ‘patrijzen en tuiniers’ (vers 6) zien we een chiasme. ‘Riep de zonnewijzer (tot de orde)’ is een personificatie, net als ‘onkruid boog’. ‘Zacht en dwingend’ in vers 4 is een antithese. ‘Goddeloze mis’ een paradox. Aan het begin van strofe 2 is er sprake van een bijzondere samentrekking: ‘ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen’. Wat dat schrijven hier precies inhoudt, zullen we straks nader onderzoeken. In vers 10 opnieuw een personificatie, of eigenlijk een dubbele: de pen die de zonnewijzer beluistert. Die zonnewijzer kan overigens nog meer dan geluid voortbrengen (een mooi voorbeeld van synesthesie, overigens), hij is ook in staat eenden hun brood te wijzen. Die eenden staan weer tegenover de ganzen in vers 8. In vers 13 opnieuw een opvallende paradox: ‘gouden trauma’, tevens een vergelijking (van ‘zijn hemel’ met ‘gouden trauma’). Ook is er een (nu asyndetische) vergelijking tussen ‘hemel’ en ‘dak van groen’.

Dan de inhoud. We hebben nog geen idee wat ‘Missenburg’ is, al ligt het voor de hand te denken aan een kasteel, landhuis of landgoed. De eerste zin van het gedicht zorgt meteen voor problemen. Aanvankelijk niets dan lof voor Missenburg: het paradijs was het, en nog wel zonder slang. Wat wil een mens nog meer. Maar hé?! Het was ‘labeur’, beweert de dichter. Labeur komt van het Latijnse ‘labor’, dat moeite, inspanning en vermoeiende arbeid betekent. Kennelijk was de dichter helemaal niet gediend van dat zalig nietsdoen in het paradijs en werd hij er alleen maar moe van. Of nee, toch niet, hij ervoer het weliswaar als een hele opgave, maar vond het wél ‘heerlijk!’. Een soort sweet sorrow. De rest van de eerste strofe schetst het rustieke decor van het verblijf op Missenburg. Er is sprake van een ‘zonnewijzer’, zodat het beeld opkomt van een gedistingeerde, klassieke entourage. Dit beeld wordt bevestigd door de taxus, de fazanten, de patrijzen en de tuiniers. We zien een keurig onderhouden, aristocratische kasteeltuin voor ons. Dan die zonnewijzer, die al die tijd ‘hoog en zwetend’ de taxus en fazanten ‘tot de orde’ riep. Die taxussen zullen wel niet snel buiten de orde van tijd en plaats treden, maar dat gold bepaald niet voor de balorige fazanten, die de deftige zonnewijzer heel wat hoofdbrekens bezorgden. Er is nóg een instantie in de eerste strofe die zich bezighoudt met orde en gezag. De ‘gastvrouw’. Deze pakt het anders aan dan de hooghartige zonnewijzer. ‘Zacht en dwingend’ luidt zij de ‘kleine klokken’, die ze laat ‘gaan’ over de paden van patrijzen en tuiniers. Of de patrijzen zich veel gelegen hebben laten liggen aan het klokgelui is niet waarschijnlijk. Wonderlijk genoeg boog het onkruid wél, ongetwijfeld door toedoen van de tuiniers. Die trouwens maar al te graag hun harken en schoffels terzijde gelegd zullen hebben voor hun welverdiende middagbrood, waarbij we dankzij die kleine klokken beslist moeten denken aan het brood dat tijdens de heilige mis gebroken wordt, het hoogtepunt van de katholieke eucharistieviering. Als misdienaar hoopte je dat jij degene was die ter aankondiging van deze ‘consecratie’ de kleine klokken mocht laten gaan. In het gedicht is er ook sprake van een mis, maar nu een ‘goddeloze’. Dit kan gelezen worden als ‘ketters’, maar ook simpel als ‘zonder god’. Een dagelijkse hoogmis met de gastvrouw als heidense hogepriester.

Ook strofe twee begint problematisch. ‘Ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen’. Er was voor de dichter kennelijk te veel afleiding van gastvrouw, fazanten en patrijzen. Én van Siberische ganzen, ‘op doortocht neergestreken in het grachtenwater’. Het probleem is het woord ‘schreef’, dat in het tweede deel van vers 8 wordt samengetrokken, met als lijdend voorwerp ‘Siberische ganzen’. Vatten we schrijven hier op in de betekenis van ‘tekst – bijvoorbeeld poëzie – componeren’, dan komen we niet verder. Graven we wat dieper, dan zien we dat schrijven ook noteren, registreren, bijhouden kan betekenen, zoals de ‘schrijver’ in een bedrijf vroeger het kasboek bijhield. En dan kunnen we opeens wel verder met vers 8: de dichter hield zich niet bezig met het schrijven van poëzie, maar met het observeren van de ganzen, glorieus neergestreken in het grachtenwater.

In de verzen 10 en 11 gaat de dichter voort met het verzaken van zijn plicht. ‘Deze pen’ schreef geen dichtregels, maar ‘beluisterde de zonnewijzer’. Die was in strofen 3-5 actief met het tot de orde roepen van de taxus en de fazanten. Dat ‘roepen’ moeten we dus letterlijker nemen dan we misschien dachten. Vooruit maar, in poëzie is alles toegestaan. Laten we ons het volgende voorstellen: de dichter zit klaar om zijn werk te doen, neemt de pen ter hand, maar wordt afgeleid door de taferelen om hem heen, zoals het majestueus neerstrijken van die ganzen. Hij ontwaart de zonnewijzer, volgt met zijn blik de richting van diens stijl of daar de schaduw van en komt uit bij de eenden en hun brood onder de brug. Door al die afleiding blijft zijn hand in de lucht hangen. De pen zweeft wachtend boven het papier, als de baton van een dirigent in de laatste seconden voor de eerste maten van de symfonie. Dat ‘luisteren’ van de pen in vers 10 wordt overigens minder weerbarstig als we ‘pen’ opvatten als een pars pro toto voor ‘schrijver’ of ‘dichter’. Maar ook dan stellen we vast dat er hier sprake is van ernstig artistiek plichtsverzuim.

Na de situatieschets in de eerste strofe en de bekentenis van de haperende dichter in de eerste drie verzen van de tweede, volgt in vers 10 een exclamatie die alles lijkt te willen verklaren: ‘Ik ben van Missenburg geweest.’ ‘Van’ is een lastig te vatten voorzetsel. Van Dale geeft maar liefst 52 betekenissen. Meerdere daarvan kunnen hier van toepassing zijn. De meest aannemelijke lijkt te leiden tot de uitleg: ‘ik heb ooit deel uitgemaakt van’. Hoe dan ook, we hebben hier de kernzin van het gedicht te pakken. Een zin die zowel een conclusie als een verklaring als een verzuchting zou kunnen zijn. De zeer beeldend geschreven situatieschets in de verzen 1 tot en met 10 doet veronderstellen dat de dichter het uitstekend naar zijn zin heeft gehad op Missenburg, hoewel hij aan zijn levenstaak, het schrijven van poëzie, niet echt toekwam. Dat bezorgde hem beslist een schuldgevoel (weergegeven als ‘labeur’ in vers 1), maar wat kon dat schelen, af en toe mag ook een dichter de teugels laten vieren. ‘Heerlijk’ toch? De boog kan niet altijd gespannen staan.

Maar het tijdperk Missenburg is voorbij voor de dichter. Wat nu? ‘Ik draag zijn hemel als een gouden trauma met mij om’. Kennelijk heeft de dichter veel op zijn rug naar het zwerk liggen staren, want hij kan de ‘hemel’ boven Missenburg maar niet van zich afzetten. Het woordenboek geeft bij ‘trauma’: ‘kwetsing van de psyche door een hevige gemoedservaring die een blijvende stoornis teweegbrengt’. Dat ‘blijvende’ vinden we terug in ‘draag (…) met mij om’. De ‘gemoedservaring’ is hier niet zo zeer het afscheid van Missenburg, maar veel meer het verblijf op Missenburg en de plezierige herinnering daaraan. Vandaar ‘gouden’ trauma.. In de tweede helft van de laatste zin van het gedicht zien we nóg een toelichting bij ‘hemel’. Nu wordt deze vergeleken met ‘een dak van groen’. Dat mogen we waarschijnlijk wel opvatten als een bladerkroon. In de laatste woorden van het gedicht wordt de dichter hardhandig met het echte leven geconfronteerd. Tot zijn ontsteltenis aanschouwt hij zijn eigen werkruimte, die als een gemankeerde boomhut ‘uit de kruinen’ is gekanteld. Kantelen is eigenlijk ‘omvallen’, maar het beeld is duidelijk genoeg. Uit met de pret. Back to business.

Leonard Nolens had van juli 1991 tot februari 1997 de beschikking over een tuinhuis in het bos dat deel uitmaakt van het landgoed Missenburg, gelegen in de omgeving van zijn woonplaats Berchem bij Antwerpen. In zijn dagboek (Leonard Nolens, Dagboek van een dichter 1979-2007, Amsterdam, 2009) wordt zijn nieuwe werkplek voor het eerst op 12 augustus 1991 genoemd als schrijflocatie. Op maandag 29 maart 1993 schrijft Nolens: ‘Louis, met de langste ladder en de grootste schaar in zijn kruiwagen, zegt nooit: ik ga de bomen snoeien. Hij zegt: ik ga het plafond schilderen. En nooit heb ik het azuur van de hemel in dit bos zoveel vormen aan zien nemen als onder zijn snoeiende, schilderende handen, bezig met de zoldering van Missenburg.’ Louis is kennelijk een van de tuinlieden in het gedicht. Daarnaast moeten we denken aan de slotregels: ‘Ik draag zijn hemel / Als een gouden trauma met mij om, een dak / Van groen waar plots mijn kamer uit de kruinen kantelt.’

Op 21 februari 1997 is er slecht nieuws: ‘Het is mij gisteren voor de tweede keer, en ditmaal definitief, met klem daarginder aangezegd. Ik moet dus Missenburg verlaten. Bijna zes jaar lang en bijna dag na dag zat ik daar aan een tafel in een negen hectaren grote tuin. (…) Dame heeft het tuinhuis nodig om haar oppasser te logeren. ‘Dame’ is Elza de Groodt, de ‘gastvrouw’ aan wie het gedicht is opgedragen. Kennelijk was Elza de dichter minder goed gezind dan de opdracht doet vermoeden. Op dezelfde dag schrijft Nolens nog meer dat ons helpt bij de analyse van het gedicht. ‘Is het allemaal zo erg? Missenburg was de plek geworden waar ook mijn poëzie verbleef, maar sedert april vorig jaar hebben al mijn nieuwe gedichten verstek laten gaan. Komen ze terug nu ik uit het paradijs wordt verjaagd?’ Dit bevestigt, inclusief het woord ‘paradijs’, wat we hierboven al veronderstelden, namelijk dat de dichter het zeer naar zijn zin had op Missenburg, maar dat de poëzie er wel eens bij inschoot.

De verbanning uit het paradijs was van tijdelijke aard. Op zaterdag 29 maart 1997 meldt het dagboek: ‘Vanmiddag weer, na zes weken afwezigheid, op Missenburg geweest. Krijg een verdieping aangeboden in de gentilhommière zelf. Prachtige, rustige, antiek gemeubileerde werkkamer, heel groot raam dat uitziet over het park. Boekenrekken, wc, douche. Alweer verwend.’ Kijken we nog eens naar ons gedicht, dan lijkt het niet gewaagd te veronderstellen dat de hierin geschetste situatie zich voorgedaan heeft in de tijd dat de dichter zijn kamer in het landhuis had, en niet in de tuinhuisperiode, al moet gezegd dat met name de laatste twee versregels eerder aan de laatste doet denken. Hoe dit zij, twee jaar later komt er definitief een eind aan het verblijf op Missenburg.

René Leverink

Op YouTube is een interview uit december 2014 te vinden met Jan Willems, zoon van Paul Willems en Marie Gevers, opgenomen op Missenburg. We herkennen onder andere de klok die ‘de gastvrouw’ liet gaan, en de zonnewijzer, die tóch hoog aan de gevel blijkt te zitten, zwetend in de middagzon.

In de Meander Klassiekers bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor een overzicht.

Reageren op deze bespreking? Neem contact op met Meander Klassiekers. Het e-mailadres is: Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Zelf een bijdrage leveren? Klik hier voor meer informatie.

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Recensie van Kozijnen van krijt - Hanneke van Eijken

Zoet en rauw hand in hand

Hanneke van Eijken
Kozijnen van krijt
Uitgever: Prometheus
2018
ISBN 9789044628272
€ 19,99
56 blz.

Kozijnen van krijt is een bundel die zacht en verlokkend opent, met de afdeling  ‘We gaan gelukkig slapen’. Terwijl het eerste gedicht, ‘Baai’, wel het onheilspellende element bevat van vroege bijensterfte, wiegen de schone, beeldende woorden. Er zit zoveel liefde voor het zintuigelijk ervaren van het leven in deze gedichten. Met woorden als ‘nerven’, ‘barnsteen’ en ‘ademteugen’ wordt de lezer meegenomen de natuur in en die natuur schetst haar verhaal. Van Eijken laat zo zien dat haar tedere observaties geen uitleg behoeven. Ik zie ze, voel ze en wil daarbij net zo gretig verder lezen als leven.

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis 
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver 
als we kunnen kijken

(….)

er is net genoeg licht voor twee mensen 
het is koud, buiten 
plooit een wintervacht. 

De liefde van een vrouw voor haar gezin is ijzersterk in al haar kwetsbaarheid. Dat raakt me. Ik krijg te zien, te voelen en weet het ook allang dat alles vergankelijk is en tóch kan deze liefde niet kapot. 
Er is zelfs tederheid in de wreedheid. Krabben die werden stukgeslagen door de meeuwen op de rotsen worden met een kind veranderd in ‘slingers in de eindeloze tuin, tinkelend als belletjes’.

Het lijkt de leegte te zijn, de stilte, de uitgestrektheid van een landschap waarin alles al besloten ligt. De liefde, de herinneringen.

Ik las ooit dat gieren in een halfuuur tien kilo vlees kunnen eten
het stelt me in zekere zin gerust
dat er weinig overblijft
om naar terug te keren.

De tweede afdeling heet ‘Tafel, Zee, Tijd’. Een tussentitel die ik ervaar als een gedicht an sich. Ik blijf kijken naar die tafel, de zee, de tijd die verstrijkt. Het gebeurt in het wit van de pagina en ik droom er bij weg.  Zo vier ik de vergankelijkheid, op een mooie, melancholische manier.
Er schuiven familieleden aan in de vorm van vier gedichten: ‘Vader’, ‘Moeder’, ‘Broer’ en ‘Zus’ en dan volgt het gedicht ‘alles op de juiste schaal’. Weer is de toon liefdevol, inzoomend, uitzoomend. Koesterend en tegelijk relativerend. Vereeuwigd maar in de vorm van krijt, dat wegsmelt als je het in de zee gooit.

In de volgende drie afdelingen van de bundel, ‘De vacht is een huis zonder muren’, ‘De angst voor het vallen is erger dan het vallen zelf’ en ‘Spatieruis’ worden de eerder genoemde thema’s voortgezet, maar er komen nieuwe, onverwachte motieven en perspectieven bij die ik deels wat uit de toon vind vallen. Het is me niet overal meer zo duidelijk wat de ‘ik’ voor persoon is, zodat ik het nog maar moeilijk aan een gezin in een vergankelijk huis aan zee kan koppelen en dat was het beeld, de sfeer waar ik toch inmiddels zo verliefd op was geworden. Tegelijk is deze afwisseling ook een sterke kant van de bundel, er blijft zo veel ruimte voor de lezer voor eigen interpretaties.

Fragment ‘geen gebrek aan motivatie’ .

Ik laat me graag fotograferen, liggend
op een sofa of piano
of liever nog met twee messen, een geweer
in elke hand, een koalabeertje
op mijn arm

Ik vraag me bij dit gedicht zoveel af. Wie zegt dit? Waarom twee messen en een geweer? Waarom een koalabeertje? Ik beleef een confrontatie met mezelf als dichter en vraag me af sinds wanneer het zo belangrijk voor me is geworden gedichten te kunnen begrijpen.

om geen meisje meer te zijn
wil ze haar schone kern vinden

Bij bovenstaand citaat uit het gedicht ‘Landschap’ blijf ik steken omdat ik meisje en schoon (ongerept) juist met elkaar associeer. Bedoelt de dichter deze zin hier dan ironisch, wil het meisje datgene vinden wat ze al is? Dat thema vind ik poëtisch en dramatisch zeer interessant, maar daar zou ik dan meer van willen weten om er echt zeker van te zijn dat dit is wat hier bedoeld wordt. In hetzelfde gedicht ‘wonen apen met ingewikkelde namen’. Liever had ik die namen daadwerkelijk gelezen, dan had ik ze kunnen beleven en was ik meegegaan.

De gedichten die bij mij blijven hangen zijn ‘Parijs’ en ‘De adem zingt als een mechanisch vogeltje’, waarin het duidelijk is dat een moeder over haar kind schrijft of haar direct aanspreekt. Die kwetsbare, ijzersterke liefde wekt de dichterlijke kwaliteiten van Van Eijken werkelijk bijzonder prachtig op.

Het openingsgedicht van ‘Een vacht is een huis zonder muren’ met haar glasheldere thematiek, de verbinding die de mens kan voelen met wilde dieren, reken ik ook tot mijn lievelingen. Een mooi beeld wordt consistent uitgebouwd en er staat geen woord teveel in.

er jaagt vaak nog een kudde
door mijn hoofd, met teerzwarte staarten
ze stampen in het ritme
van een woeste zee

schuimkoppen glimmen
op hun lippen

ik hoef alleen maar
een haakje los
een deur van slot te laten

In de laatste afdeling, ‘De dagen zijn open handen die ons dragen’, ben ik weer om en ga ik weer helemaal mee. De liefde en de vergankelijkheid spelen hun eenvoudige doch diepgaande en tijdloze rollen uit tegen de achtergrond van een sfeervol landschap. Zoet en rauw gaan hier realistisch hand in hand.

jaren later kent mijn lichaam structuren
die je nooit gezien hebt, geulen
trekken over huid, van kant naar kant
als op een meer, waar vele boten varen

 In Kozijnen van Krijt  staan talloze gevoelvolle gedichten. Bijzonder vind ik dat de authenticiteit van dit werk niets af doet aan de herkenbaarheid, wat Van Eijkens werk geschikt maakt voor een groot publiek.  

***
Hanneke van Eijken (1981) debuteerde in 2013 met de bundel Papieren veulens, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2014. In 2015 ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs.