Recensie van Aan de roekelozen - Dinie Sophie Fintelman

Van een lichtheid die helderder doet klinken

Dinie Sophie Fintelman
Aan de roekelozen
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519030
€ 15,95
52 blz.

De inkorting Liverse van de gelijknamige Dordtse  uitgeverij staat voor light verse, toegankelijke, relativerende poëzie die de humor niet schuwt, en de gedichten in Aan de roekelozen van de Zeeuwse dichteres Dinie Sophie Fintelman (1951) passen goed binnen dit genre. De bundel, haar tweede, is evenals haar debuut Bots, zie de recensie in Meander januari 2015, opgenomen in de Bordeauxreeks van Liverse.

Wat de humor in haar verzen betreft, moet men niet denken aan de hilarische tak daarvan in bijvoorbeeld de ‘Dodenrit’ van Drs. P, je valt er niet van om; Fintelmans humor is meer iets voor de glimlach, onderhuids en prikkelend tot in de dunste haarvaatjes.
Uit ‘Landstreek':

(…)

Je auto op de polderwegen
met achterin je nieuwe vrouw
en in de bermen weegbree meebewegen

Ik vroeg of ik meerijden mocht
naar afgelegen, onbekende streken
maar je schakelde in de bocht

van ereprijs naar dovenetel

(…)

Voldoet deze poëzie ook aan dat andere kenmerk van light verse, de toegankelijkheid? Jawel, jawel, maar niet altijd; er schuilen raadsels in enkele gedichten, die je ook na frequent herlezen met vragen achterlaten. (Mij tenminste). ‘Moeder II': ‘Dat jouw web een kraambed is / en op het lange gras // dat je zitten blijft / als zij vervellen / elkaar opeten // plaats maakt ’.

De bundel is opgedeeld in zes rubrieken. Ik zal op alle kort ingaan. Het eerste deel omvat twee gedichten waarvan de titels ‘Landstreek’ en ‘Water’ direct duidelijk maken waar het om gaat: enerzijds de ogenschijnlijk stillevenachtige natuur van het Zeeuwse land (‘Soms droom ik dat ik in een landstreek / woon waar ik slaap als ik wakker word’), anderzijds het gevaar van water en wind (‘Je moet wel geloven / wil je niet verzuipen’).

De tweede rubriek bestaat uit de cyclus ‘Meisje’, herinneringen van de ik-figuur  aan de problemen met haar linkshandigheid tijdens haar vroege schooltijd, de geur van potloodslijpsel, het spelen op het schoolplein met elastiek en buiten schooltijd het kruipen door droge sloten. In het laatste gedicht van deze reeks voert ze voor het eerst haar moeder op, met wie zij als kind een innige band had en die zij zich als volgt herinnert: ‘Ik weet niet wanneer ze vertrok / Wel dat het lachen verdween / ’s Nachts zijn er dromen van zomers / met teilen vol water en zon op haar hoofd’.

Het derde deel wordt bevolkt door winterse droombeelden, waarin niet alleen het schaatsen een rol speelt maar de kou in overdrachtelijke zin in kilte verandert: ‘De eerste keer was op de brug / over de Rijn. (…) Een tweede keer met krasjes / op je onderarm. / De geur van alcohol. / De vloer een golf van water’.

In het volgende hoofdstuk drie gedichten die zowel bevreemden door een niet alledaagse invalshoek (een insect dat bij het wegstromen van het badwater door het afvoerputje wegloopt wordt Kafka genoemd) als je meevoeren in een Alice in Wonderlandachtige fantasie. Uit ‘Koningswoud’: ‘(…) Ik bouw een bewolkte kamer en graaf / mij een meer. Hier zal ik wonen als een // prinses. Op een troon zet ik me neer. / Een koningsvis zwemt mee in mijn schrale / onderkomen als een straalvinnige. / Vleugelslagen oefenen wij niet meer’.

De vijfde rubriek bevat de meeste gedichten, elf, en ook de meeste waarbij ik vraagtekens heb geplaatst, wat betekent dat ik die niet kan volgen en/of te gekunsteld vind. Uit ‘Aan zee’: ‘Aan zee / tegen de wind mee / een rechte lijn scheidt lucht en water (…)’. Maar daartegenover staat ‘Moeder I’, een teer gedicht over de intimiteit tussen moeder en dochter:

Moeder I

Afwezig vertrekt ze met mij aan haar hand
spreekt onderweg over haar geruilde land

In de wei gaat ze zitten op een kruk
de melkemmer tussen haar benen
Neemt niet de moeite poten te binden
trekt sterke stralen uit de spenen

Ik zie het kletteren
op het zink, drink
de geur en bespeur
in het groen
het gemorste wit
terwijl zij daar zit

Ze kijkt op en vraagt
wat ik ervan vind; ik zie een vrouw die terstond
mijn moeder is en vraag haar of ze het mij wil leren

Het afsluitende deel omvat vier kleine gedichten, waarvan twee in memoriam verzen. Over Wim Brands schreef Fintelman: ‘Ik herinner me dat / je schreef over / ontsnappen en vluchten // op het strakke bed koos / ik ervoor te blijven // de volgende dagen waren van / een schaamteloze lichtheid // die de zwarte vogels helderder / liet klinken dan ooit ‘.

Samenvattend kan ik zeggen dat deze op herinneringen gestoelde, zeer persoonlijke en locaal georiënteerde poëzie bepaald niet wereldschokkend is maar ontroert op een manier die geruststelt. Bijzonder.

Gedichten

door Rens van Hoogdalem (1995)
Twee jaar geleden is Rens van Hoogdalem (1995) begonnen met het voordragen en performen van zijn poëzie. Zo is hij te vinden op meerdere Poetry-Slams, open podia en was hij onderdeel van Poetry Circle 030. Daarnaast is deze jonge dichter vooral veel te vinden in de collegebanken. Zo rondt hij op dit moment aan de Sorbonne in Parijs zijn laatste jaar van de bachelor Wijsbegeerte af.
 

Rendez-vous

Hij komt zijn moeder tegen
In een ijzeren tafel.

Onwennig
Staan ze tegenover elkaar.
Hij grinnikt omdat ze
Zo glimmen.

Zij weet niet wat te zeggen.
Hij weet niet wat te voelen.

Maar ondersteboven is haar
Hoofd geheven en is zijn
Rug recht.

Zij denkt aan
Armen die als dekens
Nachtmerries bedekken.

Hij denkt aan
Grappen die als pillen
Pijn laten verdwijnen.

Er hangt dikke stilte tussen hen in.
Hetzelfde bloed ruisend naar een
Ander hart.

Aanraken
Voelen
Vingertoppen
Kijken
Eigenlijk alleen maar kijken.  

Samen ontwijken ze elkaars
Blik. Kijken liever naar beneden om
In een ijzeren tafel te zien

Dat haar hoofd geheven is
En zijn rug
Recht.

Kou

In de winter likt hij soms
Een lantarenpaal.
Met zijn tong zo ver mogelijk uit zijn mond
Kijkt hij om zich heen of iemand het ziet.

Wanneer niemand kijkt,
Begint hij er geluid bij te maken.
Hopend op een vrouw met humor
Maakt hij murmelend geluid aan de
Voet van
Een lantarenpaal.

Als het licht van de lantarenpaal aanspringt
Vermant hij zichzelf,
Trekt zijn overhemd strak,
De haren weer glad
En vervolgt daarop zijn weg

Naar zijn vrouw, 2 kinderen en de hond.

In de avond die volgt op de lantarenpaal
Zoent hij zijn vrouw.
Zijn koude tong wordt lauw en wanneer zij
Murmelende geluidjes in z’n oor fluistert
Wordt hij warm.

Wanneer het licht langs hun bed uitgaat
Glipt hij weg,
Doet een overjas aan,
Kijkt om naar zijn vrouw en vertrekt

Naar zijn lantarenpaal, het licht en de voet.

Maar de wind snijdt door zijn pyjamabroek.
Donker, niemandloos,
Zoekt, vindt niets.
Tongafdruk weg en hij twijfelt
Of het niet toch een andere lantarenpaal was.

Het licht springt uit.

Gedichten

door Rinske Kegel (1973), Geert Viaene (1963), Tania Verhelst (1974), Monica Boschman (1965), Elly Stolwijk (1957)
Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Rinske Kegel (1973)

Richtingaanwijzers

Richtingaanwijzers wijzen nooit de weg.
Het is een landschap met bewegende velden,
schijnrivieren, duizend onweerszonnen, de haast
als de afnemende maan. Je raakt verblind
door een lichaam. Brandweerlieden dragen je
een brandend huis in en engelen
beademen je, hun mond op je navel.

Ga op een bankje zitten als het
even niet meer gaat, iemand heeft
dat bankje voor jou gemaakt,
het draagt je.

In de krant las ik dat sommige blinden
de weg vinden door te klakken met hun tong.
Ben ik blind genoeg om jou terug te vinden.

Geert Viaene (1963)

ALLEEN IN EEN MASSA MENSEN, ALLEMAAL SAMEN ALLEEN

het is winter, het is bitter koud, wij stoken al het brandbare op en zelf
verstenen wij, wij glippen van het eiland af en niet eens zo geleidelijk

wij zweven op glazen luchtbellen, de onrust binnenin is ons vreemd
wij proberen het ontmoeten te vermijden en wij werken het verslijten

in de hand, wij wijken af van het tedere treffen, het in het echt dichtbij
zijn of bij te staan wanneer het nodig is, om op te warmen wrijven wij

honing op onze huid en olie, het loopt allesbehalve gesmeerd, in feite
loopt het uit de hand, wij staan er helemaal alleen voor, het is ijskoud

Tania Verhelst (1974)

koning van Stoep

je vouwt een huis uit
oogst de dag in een pet
ooit zat er een inlegkruisje bij
dat je met één vinger las als een blanco briefje braille

benen gaan voorbij
zelf kom je er niet toe om-
valt het op als je even -een gedachtenstreepje lang- gaat liggen
valt het op als je langer streept dan gedacht?

als een man met krijt een lijn rond je tekent
alsof hij zeggen wil: dit is je rijk, je eiland van stoep
niet lang daarna een auto met zwaailichten
speciaal voor jou

ze rapen je op
ze schuiven je in
ze rijden je weg

regen wist het krijt uit
wind dooft een vinger
enkele straten verder breekt de nacht weer op

Monica Boschman (1965)

Onder jouw hoede

Schaduwen in het park, mijn voeten
konden op jouw hoofd staan

en als ik in bad lag wist ik het zeker:
de koppige druppels in mijn navelkuiltje
waren van jou – ik leefde in je verlengde

zit nu naast je, houd mijn adem in
en tel, vals spel, ik kan je niet bijhouden

je bent beter stil dan ik, hebt geen deken
of dromen nodig, geen koffie
je licht is elders

wanneer je voelt, dan leef je
is wat jij altijd zei

Winnend gedicht Plantage Poëzie Prijs 2017

Elly Stolwijk (1957)

de bomen

iemand doet zijn handen voor mijn ogen en zegt
sommige bomen zijn witter dan de andere
en ik zeg wat bedoel je
en hij zegt wat ik zeg.

ik wil het wel maar kan niet geloven
dat de kastanje warmer zou zijn dan een wilg

dat het warmer is wanneer iemand het zachtjes zegt
in je oor nadat hij je muts opzij heeft geschoven
dan wanneer je het zelf zou zien met je bevroren ogen

dat iemand naast je staat met tere taal in plaats van
je een zelfverzonnen waarheid toe te schreeuwen
vanuit een ivoren toren.

opnieuw, ja, opnieuw breekt het hart,
nu als een knop aan het eind van de winter.

Recensie van Stilte heeft het laatste woord - Jan Paul Bresser

Stijlvol en altijd beschaafd

Jan Paul Bresser
Stilte heeft het laatste woord
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519061
€ 24,50
189 blz.

Jan Paul Bresser (1941 – 2015) was voor mij de cultuur in eigen persoon. Als Hagenaar ontmoette je hem op de plekken waar cultuur over het voetlicht kwam. (De Koninklijke schouwburg betitelde hij als ‘zijn tweede huis’). Je zag hem in het Hofkwartier en op bijeenkomsten waar het altijd om stijlvolle zaken ging. De laatste keer dat ik hem ontmoette was tijdens een Couperusherdenking, georganiseerd door het literair tijdschrift Extaze (hoofdredacteur Cor Gout) in Pulchri Studio waarop ik een kleine inleiding mocht geven over de verschillende plekken waar Couperus had verbleven in Italië; ik had ze bezocht en gefotografeerd. Jan Paul Bresser vertelde over de stijlvolheid van de kledingkeuze van Couperus. We liepen na afloop samen over het mooie Voorhout en praatten over de waarde van de cultuur en de beschaving.

Jan Paul Bresser was altijd stijlvol en beschaafd. Als journalist werkte hij voor kranten en tijdschriften. Hij was vooral bekend om zijn columns en interviews. Als creatief non-fictieauteur debuteerde hij laat. Zijn werk Het verdriet van Eline uit 2011 – hij was toen dus zeventig jaar – bevat een reeks verhalen waarin hij observeert zonder er zelf in aanwezig te zijn. Zijn tweede boek, de roman Sarah@Berkenhart.nl, – de titel suggereert een relatie met de beroemde briefroman van Wolff en Deken – is inderdaad ook een roman in brieven. Helaas mocht hij de presentatie van de handelseditie van dit boek niet meer meemaken: Jan Paul Bresser stierf op 21 juni 2015. Hij liet een grote leegte na; mensen die zo veel stijl, culturele kennis en kunde hebben zijn dun gezaaid.

Veel gedichten heeft Jan Paul Bresser tijdens zijn leven niet gepubliceerd. Hier en daar (o.a. in Tij) verscheen wat werk van hem. In 1972 verschenen er vijf gedichten onder de titel: Ongelooflijk. In eigen beheer kwam in 2011 de bundel De doorloop van de tijd uit. De poëziepublicaties tijdens zijn leven zijn dus gering. De vraag rijst daarom bij mij of hij wel echt de ambitie had om als dichter erkend te worden. Wil niet elke dichter gelezen worden?

Cor Gout deelt in de inleiding van het hier besproken boek mee, dat na de dood van Jan Paul de gedachte rijpte zijn verzamelde gedichten te doen publiceren, waarover hij reeds met  hem had gesproken, een idee dat sterk werd gesteund door zijn vrouw Ineke. Ik citeer: ’De zoektocht naar Jan Pauls gedichten begon. Ineke vond ze in kleine blauwe schriftjes, vroege gedichten waarin de thematiek van zijn latere  dichtwerk al doorschemerde, in knipsels van kranten en tijdschriften, in verzamelingen van vroegere partners, vrienden en familieleden, in mappen, in boeken, in gaten, in hoeken’. Ze gingen ‘dwars door Jan Pauls gedachtewereld, zijn fantasieën, zijn twijfels, zijn zekerheden, zijn loves en hates en vooral ook door het gebouw van zijn taal’. Al dat zoekwerk leverde een boek op van bijna 200 bladzijden poëzie onder de titel: Stilte heeft het laatste woord.

De opgenomen en door Cor Gout geselecteerde poëzie is verdeeld in drie gedeelten. De eerste groep wordt gevormd door gedichten geschreven tussen 1958 en 1966, de tweede bundeling betreft de jaren 1984 tot 2013, de laatste verzameling  betreft werk uit het jaar 2014. Het is niet duidelijk wat er gebeurde tussen 1966 en 1984; het zou interessant zijn te weten of er geen poëzie is geschreven in die jaren of dat er niets gevonden kon worden. Nu gaapt er een hiaat dat intrigeert, zeker als er zoveel gedichten in deze verzameling zijn opgenomen.

Wat mij in het algemeen opvalt is de groei van de dichter. De eerste gedichten zijn nog conventioneel, staan in de traditie. Het is optimistische poëzie vol kleuren en bloemen. Veel gedichten hebben geen titel, wat soms de indruk geeft dat ze nog niet aan hun eindredactie toe waren. Soms zijn er kleine invloeden herkenbaar van de vitalisten, soms van Kouwenaar en Hans Andreus, een enkele keer van Vasalis en Nijhoff. Een gedicht als ‘Maria Lichtmis’ op pagina 37 verwijst ook naar de religieuze gevoeligheid van de dichter, die later nog sterker terugkomt.

Maria Lichtmis

globaal genomen 
zijn er altijd witte vogels 
die uit de nacht 
met de zon naar beneden komen 
een rozenkrans van nachtegalen 
gaat door de handen van de hemel 
terwijl vingerwolken bidden 
nooit heb ik het licht gemist 
wel eens dit gebed

Het gedicht: ‘En daar waar dromend Golgotha’ op pagina 38/39 is opgedragen aan Hendrik Marsman. Aanvankelijk denkend dat het om een opdracht aan Henk Bernlef ging (Bernlef was het pseudoniem van Henk Marsman), lijkt het mij toch gezien de thematiek en de woordkeus een opdracht te zijn aan de grote vitalist Hendrik Marsman die in 1940 op een schip vol vluchtelingen ten onder ging. De beginregel ‘Ik draag de stem van deze tijd / en roep van Sont tot Hellespont’ lijkt te verwijzen, evenals de laatste regel ‘want deze echte wereldboot / vaart verder nog voorbij de dood’ naar Marsmans Tempel en Kruis, waarin Marsman de grote eenheid van de beschavingen rond de Middellandse Zee bezingt. Geleidelijk aan worden gedichten lyrischer, de dichter (woord zowel als persoon) komt in de poëzie binnen:

ik heb je naam 
in het natte zand 
geschreven 
tussen de voetsporen 
van wandelaars 
misschien is de vloed 
erover gedreven

morgen zal ik weer gaan 
om opnieuw je naam te schrijven 
en al verdwijnt hij keer op keer 
in gedachten zal hij er blijven

Heb je het nog zien staan?

Het lijkt alsof het gedicht ‘Klein Kredo’ (p. 100) een eerste stap is op weg naar poëzie, waarin het woord, het gedicht, de dichter nog duidelijker en bepalender hun intrede doen. Jan Paul Bresser bezint zich waarover, waarom en voor wie hij schrijft. Na 1984 zet deze trend zich voort, het lijkt alsof er een nieuwe poëtische wind waait: er ontstaat  een nieuwe stroom gedichten die rijper, voller en soms intenser zijn. Weliswaar begint deze nieuwe periode nog met een traditioneel sonnet, maar de zeventien korte liefdesliedjes zijn lyrisch en intens. Er staan prachtige regels in. De gedichten gaan over vrouw, kind, over de vreugden van het dagelijks leven. In het gedicht ‘Holland’ (p. 187) loopt hij met kind of kleinkind langs de zee. Het kind stelt nieuwsgierige kindervragen, schijnbaar niet existentieel, maar vragend naar de omgeving. Het leidt tot een bezinning bij de dichter: ‘…Elf jaar en al die vragen / Over dood en over leven / Sta maar stil en kijk maar even / En we zwegen en we zagen / Hoe het was en is gebleven / Waar we onze sporen vonden / Grasduinen en geestgronden.’

Jan Paul Bresser is geworden tot een dichter die niet anders kan. Als hij heeft rondgekeken en stilgestaan bij een boom, waar de lichtval hem aan opgedroogde tranen deed denken, schrijft hij een van zijn laatste gedichten.

Dan maar poëzie

Vergeet het maar. 
Hoe heet de boom ook weer 
waarop de huid zo onvoorstelbaar 
weerbarstig is op haar lichtval van 
opgedroogde tranen? 
Ik raad er niet meer naar 
zij komt altijd weer overal vandaan. 
Ik schrijf haar op, 
ik kan van haar op aan, 
dichterbij haar staan 
in de schaduw 
van o ja: een plataan.

Het zijn met name de rijpe gedichten uit zijn laatste productieve jaar, die mij tot de slotgedachte leiden, dat – met alle groot respect voor de samensteller Cor Gout, die met dit overvolle boek een liefdevol monument oprichtte voor Jan Paul Bresser – wanneer ik  een herdenkingsbundel van deze innemende, erudiete en stijlvolle schrijver zou hebben mogen samenstellen, ik voornamelijk de laatste gedichten gebundeld zou hebben in een mooi boekje dat ook typografisch van een grote schoonheid zou zijn. Ik zou daarbij zeker ook beeldend materiaal als illustratie, al of niet in contrapunt, hebben opgenomen dat door Jan Paul, die ook als beeldend kunstenaar actief was, gemaakt is, een stijlvol boekje voor een stijlvol, cultureel gevoelig mens.

Ik zou wel hetzelfde motto gebruikt hebben waarin de levenskunstenaar die Jan Paul ook was zichzelf typeert: ‘Leven moet helemaal zijn / de druppel / die de kan doet overlopen’.

Recensie van Een spiegel op uitkijk - Jo Gisekin

Een toevluchtsoord bereid

Jo Gisekin
Een spiegel op uitkijk
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552275
€ 21,99
48 blz.

De nieuwste bundel van Jo Gisekin heeft een intrigerende titel: Een spiegel op uitkijk, een titel die naar de eerste reeks gedichten verwijst. De tweede reeks werd in 1993 geschreven ter gelegenheid van de inhuldiging van de Raveelkapel in Machelen. In deze bundel treedt Gisekin in gesprek met het werk van Roger Raveel, een schilder die al vaker dichters heeft geprikkeld – ik denk aan Hugo Claus, Roland Jooris, Rutger Kopland en Bert Kooijman. In een aantal kunstwerken heeft Raveel spiegels geïntegreerd, maar of het die spiegels zijn die uitkijken, is niet duidelijk. Vroeger zag men bij vensterramen wel eens een spiegel waarmee van in de salon de straat kon worden bespied. Spiegels zijn passief en het is de gebruiker van een spiegel die uitkijkt. Ik vermoed dat Jo Gisekin naar de uitkijkende Raveel of naar zichzelf verwijst, waarbij haar gedichten de figuratieve wereld van Raveel (re)construeren, niet weerspiegelen. Zoals Rutger Kopland is ook Jo Gisekin vertrouwd met de oude regel ut pictura poesis.

Het werk van Raveel staat in felle kleuren op mijn netvlies gebrand en ik associeer zijn beelden vooral met een vereenvoudigde ‘weergave’ van de werkelijkheid, een techniek die bijna volledig congruent is met de manier waarop Roland Jooris, een van Raveels gesprekspartners, de omgeving heeft vereenvoudigd tot landschappen die uit enkele korte versregels bestaan. Op dezelfde manier is een aantal landschappen van Raveel weinig meer dan enkele contrasterende kleurenvlekken. Maar wat valt op in de symbiotische relatie van Jo Gisekins gedichten met Raveels vormentaal, en welke vorm neemt het samenleven aan? Hebben zowel de gast als de gastheer voordeel bij die relatie, of is ze vooral gunstig voor een van de symbionten? Of is er sprake van een wisselwerking die vooral de lezer ten goede komt? De bundel bevat naast de gedichten ook een aantal reproducties van Raveels schilderijen en grafiek.

Alle gedichten van de eerste cyclus hebben een titel en de versregels knopen niet alleen aan bij de afbeeldingen, ze verwijzen ook naar de grenzen van de visuele verbeelding: ‘dit kader’ (7), ‘kleurrijk blijft bij ingelijst’ (9), ‘wat ontroert wordt grijs omlijnd’ (11), ‘Met goud omlijst: // een man op de fiets in tegenlicht’ (14). De gedichten herinneren ook nog op een andere manier aan de prikkels die de woorden uit hun sluimer hebben gewekt: ‘uit het landschap gelicht geschetst op / duurzaam papier’ (14), ‘met benen dik / in de verf’ (19). De gedichten zijn zeer descriptief en peilen tegelijkertijd naar wat kleur noch woord voor eens en altijd kunnen (be)vatten. Kopland schreef vijf gedichten bij werk van Raveel – Zoals zijn beelden, 2013; Verzameld werk, 2013, 443 – 449 – waarin hij de relatie ut pictura poesis als volgt beschreef: ‘Zoals zijn beelden ergens beginnen / iets te laten zien – het kan alles zijn overal // zo wil ik dat ook gedichten beginnen ergens / iets te beschrijven’ (445). In het vierde gedicht werd dat verlangen aangescherpt: ‘Zoals zijn beelden ergens ophouden / de dingen te laten zien // zo moeten gedichten ergens ophouden / iets te beschrijven // de dingen ergens laten eindigen / voorbij de plek waar ze geschreven zijn’ (448). En precies dat gebeurt in de beschrijvende gedichten in de eerste reeks.

Het kader wordt zorgvuldig gerespecteerd en tegelijkertijd treden de woorden buiten het visuele veld. Zo eindigt ‘Dorpsmeisje in veranda’ niet met de laatste beschrijvende versregel, maar met de wens ‘Iemand moet deze treurnis aan splinters slaan / iemand die de dichter twee handen reikt’ (7). Jo Gisekins gedicht eindigt voorbij de plek waarbij ze geschreven zijn. Nu en dan valt enige assonantie op, maar doorgaans zijn de gedichten zeer sober, en vallen vooral versregels op als ‘Ze strijkt de dagelijksheid uit elke plooi’ (11) omdat ze aan het picturale werk een toegevoegde waarde verlenen. ‘De strijkster’ is geheel en al descriptief, maar in het gedicht wordt strijken een ritueel en het is de kleur van een mouw (blauw) die het ‘beloop van dit ritueel’ dirigeert ‘zoals liefde haar eigen meanders uitzet’ (11). Er wordt ook aan de muziek van Bach gerefereerd: ‘Dit is tijdloos versmelten als een cantate van Bach doodgewoon / tot aan de rand van de dag. Verdrinken met de hartslag op het / profiel en niet begerig naar meer’ (13). In deze versregels weerklinkt meermaals de korte weemoedige klank van ach. In ‘Op terugweg’, geschreven bij een man op een fiets, verwoordt de dichteres het inzicht dat het leven voorwaarts wordt geleefd en rugwaarts wordt begrepen. Jo Gisekin schrijft: ‘Zie hoe hij zichzelf inhaalt’ (14), en met die woorden vat ze de hele existentiële ervaring samen. Ook in ‘Vrouw met opsmukspiegeltje’ (19) wordt die ervaring langs een omweg verwoord. Nadat de vrouw haar wenkbrauwbogen heeft bijgewerkt en haar vingers in smeersel van sandelhout heeft gedopt, wordt haar zelfbeeld in de vrije indirecte rede verwoord: ‘Niet meer gerimpeld dan gisteren’ (19).

De sobere gedichten van de eerste reeks spreken me bijzonder aan omdat ze bijna achteloos de relatie tussen woord en beeld uitdrukken. Maar het is vooral de tweede reeks gedichten die een diepe indruk heeft nagelaten, hoewel ik helemaal niet religieus ben ingesteld. De gedichten zijn genummerd en ik citeer het tweede gedicht in extenso:

De Heer van zeven dagen
laat vruchtbaar zijn
geeft vleugelslag aan valk en
gier en haastig komen katten
in verleiding.

Ligusters wijken uit elkaar
voor man en vrouw gedreven
uit het zand. Zij leven.
Met nieuwe longen eten
zij de appels van de bomen
hun ingewanden malen alle
vezels fijn.

Zij worden met namen genoemd. Zij
schuiven rij aan rij het dranghek
uit: teder hun eerste begeerte
aanraakbaar de huid.

(p. 29)

Assonantie, alliteratie en het bijna onopvallende eindrijm geven als het ware een sacrale vorm aan dit gedicht, maar het is een apocriefe belijdenis, want waar het gedicht ophoudt, hebben de aanraakbare huid en het eten van de appels niet tot verval en verdoemenis geleid. In het volgende gedicht, dat met de versregel ‘Is dit dan Paradijs’ begint, bevestigt de schrijfster haar gehechtheid aan het tastbare: ‘ik wil niets kwijt / het lichaam noch de medeplichtigheid / ogen oren liefde veel toegankelijkheid / en weten: // uit deze beker / drink ik / wijn’ (31). De tastbaarheid is niet altijd gelijk aan een met wijn gevulde beker: in het land van Raveel, waar ook Jo Gisekin geboren is, komt de dichteres ‘Onhandig […] steeds terug / [haar] vader heeft [haar] verzen / onderbroken zijn zieken neergevlijd. / Hijzelf is dood.’  Maar ‘Aan de eindstreep van dit landschap / heb ik mijn toevluchtsoord bereid’ (33), voegt de schrijfster eraan toe. Elk leven heeft een licht- en een schaduwzijde, een inzicht dat ook in het picturale werk van Roger Raveel aanwezig is. Jo Gisekins poëtisch gesprek met het werk van Raveel is uiteindelijk toch een spiegel, vooral omdat het aan de lange weg van het verdwenen aanwezig zijn naar bewustzijn gestalte geeft.

***
Jo Gisekin (1942, Machelen aan de Leie) is het pseudoniem van Leentje Vandemeulebroecke. Ze is een kleindochter van Stijn Streuvels en debuteerde in 1969 met Een dode speelgoedvogel. Recent werk: Dooitijd (2012) en De witte pauw (2014). In haar werk treedt ze meermaals in gesprek met visuele kunst. Ze is niet alleen actief als dichter maar ook als vertaler. Haar werk wordt uitvoerig besproken in  Zo, denk ik, wordt de liefde weer nieuw, een bundel essays samengesteld door Cas Goossens.