Recensie van De tsaar had last van staar - Tom Wouters

Russische luchtigheid

Tom Wouters
De tsaar had last van staar
Uitgever: Voetnoot
2018
ISBN 9789491738371
€ 16,00
56 blz.

De ludieke titel van Tom Wouters’ debuut verklapt al dat het een luchtige bundel is. De tsaar had last van staar heeft als motto ook nog eens twee regels meegekregen uit Drs. P’s populaire lied ‘Dodenrit’: ‘Trojka hier, trojka daar / Foei, hoe suffend staat gij daar’ – wat weer een ironische verwijzing vormt naar het bekende, oude lied ‘Ferme jongens, stoere knapen’ .  

In de  toelichting vooraf constateert Wouters dat Europeanen weinig van de Russische historie en cultuur afweten. Met zijn bundel beoogt hij die leemte op te vullen. In twintig rijmgedichten gidst hij zijn lezers door het land van wodka, matroesjka’s, Raspoetin en gospakken (een Russische dans) heen. Elk gedicht wordt voorafgegaan door een beknopte historische context waarna hij niet alleen Moedertje Rusland taalspelenderwijs op de hak neemt, maar tegelijkertijd haar autocratische regime – en zo de lezer wil: alle dictaturen.  
Zoals in het gedicht ‘Er stinkt iets in de sovjetstaat’.

Het Russische staatsapparaat
Vindt dat de opwarming van het klimaat
Zijn burgers ernstig schaadt
En besliste dus kordaat
Dat het probleem niet bestaat

Toch voelt de Moskoviet in de straat
Dat de kou niet langer door merg en been gaat
En dat de wodka die ’s avonds laat
Op de keukentafel staat
Minder vlot naar binnen gaat

Al is er aan wodka nog steeds een overdaad
Die leidt tot geleuter en gekkenpraat
Waarvan men bij nacht aan het gospakken gaat
En ’s ochtends met een houten kop opstaat
Zwijgzaam aan het koffieapparaat

Maar geen enkele Rus heeft ’t nog over het klimaat
Daarover zeuren is hoogverraad
Dus kleedt men zich nog steeds vol ornaat
En wanneer men de straat op gaat
Is er niemand die zijn berenmuts of bontmantel thuislaat

En zo blijkt de beslissing van het staatsapparaat
Uiteindelijk toch weinig adequaat
Want al stijgt de temperatuur met geen graad
Er is nu iets anders dat de burger schaadt:
De niet te harden zweetgeur van de kameraad.

Eerder dociele braveriken dan ferme, stoere jongens dus.
Alle vijf kwatrijnen in dit gedicht hebben een en dezelfde rijmuitgang. Maar verder hanteert Wouters een losse, vrije vorm, niet alleen in bovenstaand gedicht maar ook in de overige negentien: de regels bevatten geen vast metrum noch een constant aantal versvoeten. Ook schrikkelrijm (woorden met een andere accentstructuur) schuwt hij niet, zoals bij klimaat en thuislaat, gekkenpraat en opstaat.

Schrikkelrijm komt regelmatig voor bij liedteksten, in rap bijvoorbeeld. In de middeleeuwen kwam de combinatie eindrijm/ametrie frequent voor, zoals in toppenverzen, echter in contemporaine light verse is dat ongebruikelijk. Het maakt gauw een onhandige, hakkelende indruk. Het achterplat van de bundel meldt dat Wouters met letters, woorden en rijmschema’s speelt zoals ook Drs. P en Daan Zonderland dat konden. Maar ja, die beheersten wel de versmaat. Persoonlijk vind ik het jammer dat Wouters voor niet metrische, wel rijmende verzen koos. 

Op het fraai vormgegeven witte voorplat springen de zwarte letters van tsaar en staar er door hun fontformaat nadrukkelijk uit. Tsaar en staar vormen anagrammen, woorden met precies dezelfde letters, maar in een andere volgorde. De titel, De tsaar had last van staar,  is meer dan een taalkundig leuke trouvaille. Machthebbers, of het nou Iwan de Verschrikkelijke is of iemand anders, kunnen gaan lijden aan iets wat je ‘politieke staar’ zou kunnen noemen. In blinde ijver om een staat of land naar eigen zin en goeddunken te veranderen, verschijnt er langzaam een floers over de aanvankelijk zo mooie idealen. Zoals bij de tsaren indertijd, en vermoedelijk ook bij een aantal  hedendaagse leiders, nemen blinde ijver en tomeloze heerszucht het over. De machthebber zelf schijnt dat vaak niet in de gaten te hebben.

Tom Wouters fantaseert graag, wat soms resulteert in amusante nonsenspoëzie met niet-bestaande woorden. Zoals in ‘Epifanie’,  waarvan ik de eerste twee kwatrijnen citeer.

Het leven is een omnispaak
Niet altijd, maar toch wel vaak
Dat had Oleg Rotokopov bedacht
Toen hij wakker werd die nacht

Een droom is dan een horiaat
Het heelal eerder een vorm van plavaat
Allemaal antwoorden op ongestelde vragen
Bij Oleg begon het stilletjes te dagen

(…)

Het kortste gedicht in de bundel heeft als titel ‘Russisch gezegde’.

Oekaze is Oekaze
Is een geliefd gezegde bij bazen
Vooral gericht aan dwazen

Wouters schetst een bijzonder beeld van Rusland. Je zou kunnen opmerken dat hij de geschiedenis van dit land door een roze bril bekijkt. Luchtige poëzie leent zich uitstekend om af en toe eens een flinke sneer uit te delen. Bijvoorbeeld over de goelags, de strafkampen voor dwangarbeiders, waar 18 miljoen mensen onder de meest erbarmelijke omstandigheden hebben vastgezeten. In Wouters’ eerste gedicht zouden de dissidente intellectuelen  de dagelijkse bonensoep als zwaardere straf ervaren dan de dwangarbeid…
Zijn schets van de geschiedenis, zo meldt Wouters in de toelichting bij de bundel,  gaat voort op het adagium van de Franse schrijver Boris Vian: ‘Cette histoire est vraie, puisque je l’ai inventée’. Voor een verhaal geldt dat wel, maar l’histoire betekent ook geschiedenis en dat is een ander verhaal. Maar ik moet toegeven dat Drs. P ook luchtig over zware onderwerpen kon dichten. Neem zijn ollekebolleke over de geschiedenis: ‘Even terugblikken: / Manschappen, ruitervolk / Oorlogsverklaring / Daarna pas de strijd // Toen zag men nog eens een / Cavalerieaanval / Oorlog was bijna sportief / indertijd’.
Zeker is dat uit Wouters bundel De tsaar had last van staar een flinke dosis schrijfplezier spreekt.

***
Tom Wouters (1984, Turnhout) verzint naast luchtige poëzie korte en langere verhalen waarin de verbeelding de realiteit overklast. Tevens schrijft hij artikelen over literatuur en strips voor Gonzo (Circus) en Stripgids.

Recensie van Kinderroof & Bijzang - Brigitte Spiegeler

Dialogen en andere hybride zangen

Brigitte Spiegeler
Kinderroof & Bijzang
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659944
€ 17,50
93 blz.

Structuur
De nieuwe gedichtenbundel van Brigitte Spiegeler (1971) telt 69 gedichten. De bundel omvat vijf afdelingen; bedrijven die voorzien zijn van titels ontleend aan het klassieke theater – en toneeljargon. Zo verwijst het eerste bedrijf ‘Kommos’  naar de klassieke drama’s waarin acteur en koor elkaar in beurtzang afwisselen. Het tweede bedrijf heet ‘Reidans’ en refereert aan de klassieke tragedies waarin koorzang met of zonder dans een akte afsluit en een nieuwe aankondigt. ‘Changement’ is de titel van het derde bedrijf en betekent decorwisseling. Dan volgt het vierde bedrijf, de ‘Contr(e)apasso’, die voor hellestraf staat, een  stijlfiguur  die  in Dantes La Divina Comedia  furore maakt. De bundel wordt afgesloten met een vijfde bedrijf ‘Hamartia’. Deze aanduiding verwijst naar een fatale beoordelingsfout van de protagonist in tragedies, waardoor hij – zoals ooit Lucifer – ten val komt. 

Het lijkt erop alsof de dichteres met deze verwachtingsvolle aanduidingen preludeert op dialogen met imaginaire lezers. De ene keer is het als wil zij hen wakker schudden uit indolentie; de andere keer wil attenderen op bijzondere voorvallen of ervaringen en dan weer wil informeren over de absurditeit van het leven.  Het is aan de lezer om te ervaren of en in welke mate er een verband bestaat tussen de titels van de vijf bedrijven en de daarin gegroepeerde gedichten.

Vorm
De poëzie van  Spiegeler is qua vorm wars van traditie;  rijmschema’s zijn verwaarloosbaar, alliteratie en assonantie komen nauwelijks voor, er is geen metrum,  bijna geen interpunctie en de strofen zijn onregelmatig van bouw en regellengte. Moderne poëzie dus die eveneens afrekent met de traditionele  veelal aan natuur en liefde ontleende beeldspraak en conventies.

Haar poëzie kent daarentegen wel andere opvallende stijlfiguren zoals  enjambementen en apposities die al in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Kinderroof & Bijzang’, p. 13  worden toegepast. De cursivering, ook in volgende fragmenten, is van mij.

Ik liep de liefde in
viel in een slangenkuil
Kinderroof puur sang
een volle krabbenmand

Een ander, regelmatig gebruikt stijlmiddel is de hypallage, zoals die op p. 15 in r. 6 en 7 van het gedicht ‘Bevlogen oor’ voorkomt.

Dat ziet alleen een rennend oog
Een bevlogen oor bekoort daarentegen het ware gezicht                 

De ellips is evenzeer een beproefd stijlmiddel; een mooi voorbeeld daarvan treffen we aan op p. 20 in de derde strofe van het gedicht  ‘Een poedel op tafel in Gent’.

In een glazenkast
met wattenstaafjes restaurerend
vol hart en ziel
Een poedel op tafel in Gent
zo kun je niet worden weggezet                            

Spiegelers taalgebruik verbindt ongebruikelijke woordcombinaties, onlogische enumeraties, bizarre en absurdistische woordassociaties die bij de lezer enerzijds verwarring en vervreemding oproepen en anderzijds een schok of reflectie teweeg brengen. De lezer moet bijgevolg voortdurend op zijn qui-vive blijven om niet hopeloos in de dichterlijke infrastructuur met weinig verkeersborden, met doodlopende stegen en in een wirwar van zijpaden en omwegen te verdwalen.

Niet verbazingwekkend is het dan ook dat haar gedichten niet zelden geschraagd worden door een geheel eigen toonzetting. Een toonval die zich kenmerkt door verrassende en onvoorspelbare combinaties van zins- en woordwendingen, die een pandemonium veroorzaken als gevolg van de vele  perspectiefwisselingen en die zich onderscheidt door een vocabulaire dat zo als flarden van de straat, als oneliners op reclameborden, van muurteksten en uit krantenkoppen geplukt zou kunnen zijn.  Zo ontstaat poëzie als een literaire collage van quotes, allusies, designaties en aan eigen inzicht en  werkkring ontleende tekstelementen.

Apollinische of dionysische perceptie?
Nu de titels van de vijf bedrijven in haar nieuwe bundel zo ostentatief verwijzen naar literaire termen uit de klassieke oudheid rijst de vraag of de poëzie van Spiegeler tendeert naar de apollinische of juist naar de dionysische conceptie van het wereldbeeld. Het eerste begrip vertegenwoordigt de wereld van de ratio, van de orde, harmonie en regelmaat. Het tweede begrip staat voor een irrationeel wereldbeeld waarin andere bronnen van weten en kennen worden gemobiliseerd zoals de zintuiglijke waarneming, de roes, de associatie en disharmonie, de ambiguïteit en het onderbewustzijn.  Al lezende kan niet anders geconcludeerd worden dan dat het dionysische aspect in het werk van Spiegeler domineert. Zo zegt de ik-figuur in het gedicht ‘Kanariefokkers’ op p. 82 in de tweede  strofe:

Liever heb ik een leidende gedachte
dat zorgt voor schouwspel
en veel gefladder,
flaneren met figuratie
De essentie is daar
Over nieuwe vormen van kunst
maken mensen zich altijd kwaad. 

En al eerder schrijft Spiegeler in het gedicht ‘Utopische wens met beunhazerij’ in de laatste strofe op p. 76:

Het speelveld is een kader,
een doek of een kast
Voor een keurslijf geldt dat eveneens
niet buiten de stippellijntjes komen
het talent om langs gevaarlijke klippen te loodsen.

Allusies
Het is alsof de dichter in haar poëzie een kunstexpressie vindt om te ontsnappen aan het dagelijkse juridische keurslijf waarin haar woorden gevangen zitten, namelijk in wet, canon of verdrag. Het is het leven zelf dat de dichter daaruit bevrijdt en dat haar in een ongebonden poëzie doet opstaan met retorische vragen als ‘Welke brandhaard is er nu weer aangestoken?’, p. 74, r. 9. Het leven waarin de dichter volkspredikers in de huidige maatschappij met verfoeide slogans als vol is vol ridiculiseert en  in een achteloos parlando poëzie riposteert met: ‘is echt de grootste onzin ooit gehoord’, p. 24, r. 2.  En een leven waarin de dichter soms vermaant zoals in het gedicht ‘Smetteloosheid’, pagina 72, r. 5-7 ‘Zodra de taal / geld begon te verdienen / verslofte de moraal.’ //  

Daarnaast schuwen de gedichten, wat inhoud betreft, de grote maatschappelijke problemen niet waarmee op grote en kleine schaal geworsteld wordt, zoals ‘Tweedracht zaaien / onder moslimknuffelaars / en zionistenvriendjes’ //, eerste strofe, p 38; zoals ‘Paranoïde Russen’, r. 12, p. 31; en zoals ‘’Liggend aan een infuus van drank, / pillen, peuken en lijm / De uitwassen van je eigen kapitalisme / r. 11 – 13, p.33.     

Soms geeft Spiegeler aan wat in het leven evident is. In het gedicht ‘Straffeloos’ op p. 37 geeft de laatste strofe van die evidentie een mooi voorbeeld.

Altruïsme is belangrijk
Dit geldt eveneens
voor empathie,  idealisme
en het godsinstinct.

Resumé
De poëzie van Brigitte Spiegeler is complex en niet altijd even toegankelijk en begrijpelijk. De inhoud van de gedichten moet door de lezer bevochten worden. Er ontstaat als het ware een woordkamp tussen dichter en lezer die ten langen leste bezworen wordt en vervloeit in de harmonie dan wel disharmonie van de oude beurt- en koorzangen zoals die ooit in de drama’s van weleer gesproken en gezongen werden.

Haar poëzie is als een moderne symfonie waaraan onze oren niet gewend zijn. Spektakelstukken die keer op keer beluisterd moeten worden om enigszins begrepen te worden en die soms  – geheel onverwachts, zoals een oester zijn parel – de luisteraar hun schoonheid tonen.   

*** 
Brigitte Spiegeler (1971) debuteert als dichter in 2015 met de bundel Krijgskunst. De besproken gedichtenbundel Kinderroof & Bijzang (2018) is haar tweede gedichtenbundel. Zij is daarnaast actief als beeldend kunstenaar en fotograaf; kunstexpressies waarmee zij sinds 2013 naar buiten treedt. 

Recensie van Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok - Tsead Bruinja

Kapstok, een bundel vol met klein en groot leed, maar vooral het goede

Tsead Bruinja
Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok
Uitgever: Afûk
2018
ISBN 9789492176738
€ 18,50
108 blz.

Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok is de elfde bundel van Tsead Bruinja. De bundel is tweetalig; in het Fries luidt de titel Hingje net alle klean op deselde kapstok. Ik dacht dat mijn Fries wel aardig was, maar zonder de vertaling kom ik er echt niet uit. Op een of andere manier doet me het Fries ook aan Afrikaans denken, maar dat is misschien een rare kronkel van mij. De bundel is minder autobiografisch dan vorige bundels.
De derde cyclus, ‘Voorlopig land’, maakt onderdeel uit van een videokunstwerk waarvoor Bruinja samenwerkte met Herman van Veen en de beeldend kunstenaar Jules van Hulst. Dit werk wordt sinds 2 februari op de Leeuwarder toren De Oldehove geprojecteerd in het kader van ‘Leeuwarden Culturele Hoofdstad 2018’.

De bundel gaat erover – volgens begeleidend schrijven – om onder moeilijke omstandigheden het goede te doen. De openingscyclus is opgedragen aan karmelietenpater Titus Brandsma (Bolsward 1881 – Dachau 1942). De bundel valt uiteen in vijf gedeeltes of cycli. In de openingscyclus wordt inderdaad het goede gedaan onder moeilijke omstandigheden. Maar er zijn wonden: ‘ze schopten anno sjoerd en ze schopten titus / tot de pater bloedde en bloedende zei / / wij zullen voor de mensen bidden / zodat ze tot inzicht komen.’ 
De tweede cyclus heeft de bundeltitel ‘Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok’. De cyclus lijkt op een eiland te spelen. In het titelgedicht is al sprake van een moeder met een ongeboren kind .. de moeder en kind spelen een belangrijke rol in de laatste cyclus. De ik ‘riep de leegte op / die ik toesprak.’
De gedichten in de derde cyclus zijn wat korter. Er is bescheidenheid. ‘Jij zei […] ken ik de kleine indruk van mijn leven / op het reilen en zeilen van de kosmos.’ Of in het volgende gedicht:

vergroeid met je teleurstellingen
verknocht aan je vlag

je wilt vooruit

maar op een schaal van wat?

En wat verderop in de cyclus ‘schommel jezelf door de rouw heen’. Er is weemoed en verdriet. Het laatste gedicht van de derde cyclus  is dan opeens weer lang en beslaat twee pagina’s.
In de vierde cyclus, ‘Zwanendrifter’, maken de slachtoffers zich nuttig als stofdoek voor een gemeenschap. Dan is er een gedicht ‘BOOMSTRONK’ in kapitalen met een herhaling erin.  Opvallend, want herhalingen komen verder niet voor.

BOOM
STRONK

stond met het hoofd
over de schouder

[..]

EN ER KWAM EEN MAN UIT MIJN OGEN GESTAPT
EN ER KWAM EEN MAN UIT MIJN OGEN GESTAPT
EN NOG EEN MAN UIT MIJN OGEN GESTAPT

[..]

In het gedicht ‘volksheld’ komt de titel van de cyclus, ‘Zwanendrifter’ voor. De volksheld stierf gelukkig,  maar in armoede. Men heeft sterke benen en een weke nek.
De slotcyclus, ‘Ze kwam voor een huwelijk’, gaat over jopie, jan en klaske en is bijna verhalend. Klaske komt onder een ‘mf’, motorfiets terecht, misschien de Vespa van jopie en jopie bezoekt haar op het kerkhof.  Eigennamen worden steevast met een kleine letter geschreven in de bundel.

jopie zette de fiets op de standaard
deed het hek open en liep
om de kerk heen

aan de achterkant lag klaske
in een graf dat haar vader en moeder
voor zichzelf hadden gekocht

jopie pakte zijn zakdoek
deed wat speeksel op het puntje
en begon de tekst op de steen
schoon te wrijven
de mus de zwaluw vindt een woning
haar jongen zijn in veiligheid.

Er is steeds sprake van een moeder met kind in de laatste cyclus. Van die moeder met kind is ‘de mus de zwaluw’ denk ik een metafoor. Ook in het hier geciteerde gedicht doet jopie onder moeilijke omstandigheden het goede. En er is sprake van een Amsterdammer (wordt daarmee de dichter Bruinja bedoeld?). Je zou bijna willen dat de hele bundel verhalend over jopie en klaske ging, maar dat is dus niet zo. En daarom hangt de dichter zijn kleren niet allemaal aan dezelfde kapstok. Hang  niet alle kleren aan dezelfde kapstok is een mooie afwisselende bundel met weemoed, pijn, slechtheid, maar vooral ook het goede.

***
Tsead Bruinja (1974) woont in Amsterdam en debuteerde in het Fries officieel met de bundel De wizers yn it read (De wijzers in het rood). Daarvoor gaf hij twee bundels uit in eigen beheer. Hij stelt bloemlezingen samen, recenseert, presenteert, interviewt en treedt op in binnen- en buitenland.

Recensie van Contact - Maarten Inghels

Het zwijgen tussen twee hartslagen

Maarten Inghels
Contact
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023454779
€ 24,99
336 blz.

Door omstandigheden heb ik de film Wild driemaal gezien. Hij gaat over drie dierenfamilies die leven op de Veluwe, in februari was de première. Ik zag ‘Wild’ telkens onder andere omstandigheden: andere bioscoop, ander gezelschap. Drie keer dezelfde film en drie keer een totaal andere ervaring. Het maakt voor je beleving echt uit of je in een kleine zaal zit tussen serieuze en kritische mensen of in een grote zaal met uitgelaten pubers, even vrij gelaten uit de schoolbanken om een educatief moment mee te pikken in de bios. Kortom: context doet er toe!

Voor schrijvende kunstenaars, zoals dichters, is het lastig om de context waarin je hun werk leest te beïnvloeden. De kleur van het bundelkaft, het lettertype, daarover praten ze mee, maar of de lezer nu leest in de stilte van een leeszaal of in een drukke treincoupé, daar gaat de dichter niet over. Bij voordrachten ligt dat alweer een beetje anders, maar dat gaat groepsgewijs en kun je niet apart organiseren voor iedere individuele lezer.

De Vlaamse dichter Maarten Inghels legt zich daar niet zomaar bij neer, hij schrijft niet alleen gedichten, hij creëert er ook een omgeving omheen en wel zodanig dat die context weer inwerkt op de beleving van het gedicht. Inghels is een ‘doedichter’. Zijn laatste dichtbundel Contact is daar een mooi voorbeeld van. Van de 336 pagina’s zijn er 98 gebruikt om een gedicht weer te geven. De overige bladzijden bestaan uit foto’s of een beknopte uitleg bij de uitvoeringen die hij om een gedicht heeft bedacht. Het levert een wonderbaarlijke bundel op; een beleefavontuur voor jong en oud.

De essentie van deze bundel ligt in het leggen van contact met de lezer. Soms door een bijzondere vorm te gebruiken en soms doordat er meer sprake is van een ‘performance’ waar poëzie een essentiële rol bij speelt. De rode draad van het boek bijvoorbeeld wordt gevormd door de pagina’s met opgesomde telefoongegevens van mensen die belden met het speciale telefoonnummer van de Antwerpse stadsdichter die Inghels in die tijd was. Rond de 1250 mensen hebben bijna 2000 belminuten gespendeerd aan poëzie. Het publiek werd aangespoord via advertenties in het huis-aan-huis-blad van Antwerpen en via visitekaartjes. We zien foto’s van bukkende mensen die zo’n kaartje oppikken van de straat: er is een begin van contact.

Contact staat vol met verslagen van dit soort projecten. Maarten Inghels stopte zakdoeken met een gedicht in de jassen van theaterbezoekers. Hij stuurde een gedicht via een speciale schotelantenne naar de maan. De maan weerkaatst dit signaal en zo komt het gedicht weer terug op de aarde. Twee duiven met elk een half gedicht worden losgelaten aan de verschillende oevers van de rivier. In de lucht is er even contact en dan vliegen zij verder. Inghels stapt op een boot en reist naar St. Petersburg omdat tsaar Peter de Grote in 1717 de reis andersom maakte en Antwerpen bezocht. Fraaie foto’s en ingetogen gedichten levert dat op. Niet overal is contact even belangrijk. Bij zijn voettocht van de bron van de Schelde naar Antwerpen mijdt hij mensen die mee willen wandelen. De ontmoetingen mogen kort zijn, maar hij wil mijmerend en dichtend door.

Voor het project ‘Honger’ zocht hij vrijwilligers om de dichtregels van het gedicht ‘Honger’ te laten tatoeëren. Tien regels vraagt om tien gemotiveerde deelnemers. Zelf heeft hij de titel op zijn bovenarm staan. Hoofdletters in handschrift.

HONGER

WE MOETEN PRATEN OVER LICHAMEN, MIJN LICHAAM
BIJ JOUW LICHAAM IS ADEM HONGER
DE HONGER VAN EEN HALVE TWEELING

HONGER RAAKT MIJ AAN, RAAKT MIJ AAN
HET GEHEIM VAN HONGER IS HERINNERING
HET TEGENOVERGESTELDE VAN VERGETEN

DOLENDE LICHAMEN HOL VAN HONGER
WANDELAAR, INBREKER, VREEMDELING
DANSEN IN HET LICHT VAN NOODUITGANGEN

JOUW LICHAAM SPATIE MIJN LICHAAM

Maar liefst 600 mensen stelden zich kandidaat ‘met een lichaamsdeel naar keuze.’ Dat zegt toch iets over de betrokkenheid van mensen op dit project. De tien uitverkorenen laten hun regel zien en vertellen kort wat hun beweegredenen zijn geweest om mee te doen. De motivatie verschilt per deelnemer, waar de één het belang van poëzie in het algemeen uitdraagt, gaat de ander nader in op de inhoud van de regel die staat op arm of been. Honger als ‘huidhonger’, als verlangen naar de ander, de anderen. Trek, zin, lust, goesting… De groepsfoto toont mensen die elkaar eerst niet kenden en nu samen een gedicht vormen. Contact zolang de tatoeage te lezen is…

Niet alle projecten zijn even ingrijpend als ‘Honger’. Een gedicht in vlammen, ‘Het uur vuur’, levert een mooi filmpje op, maar vorm en inhoud versterken elkaar daarbij niet. Sommige projecten hebben geen woorden meegekregen zoals ‘The Invisible Route’ waar alle camera’s buiten in Antwerpen in kaart zijn gebracht en een lijn aangeeft hoe je van A naar B komt zonder in het blikveld van een willekeurige camera te komen. Poëzie voor potentiële terroristen?

En tussen deze projecten staan tal van ‘gewone’ gedichten die Maarten Inghels schreef. Zoals bijvoorbeeld de twee gedichten voor de Eenzame Uitvaart waarvan hij de coördinatie doet in Antwerpen en zoals tal van gedichten die hij schreef als stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018. Het gedicht ‘Een huis van lucht’ staat in een speciale editie van de Daklozenkrant die lange tijd verboden was in Antwerpen. De krant was te koop bij een dakloze voor €2,- of in een galerie voor het tienvoudige.

Uit alles blijkt dat voor Inghels poëzie meer is dan een enkelvoudige kunstvorm. Zijn werk moet iets teweeg brengen, ergens onderdeel van zijn, op de een of andere manier contact leggen. Ook met mensen die niet snel een bundel in de hand nemen en gedichten lezen. Hij zoekt contact met alle lagen van de bevolking zonder over te gaan tot versimpeling. Hij helpt de lezer door soms wat context te bieden, maar verder moet het gedicht het werk doen. Wat poëzie is voor Maarten Inghels legt hij uit in een van de eerste gedichten in de bundel:

Ars poetica

Het gewicht van de wereld? Poëzie.
De lekkende kraan in mijn keel? Poëzie. Poëzie. Poëzie.
Wanneer ik mij verslik in mijn slaap en hoestend wakker word? Poëzie.
Het zwijgen tussen twee hartslagen? Poëzie.
De papiersnee in mijn middelvinger? Godverdomse poëzie.
De ballon opblazen tot zijn maximale spanning? Poëzie.
Mijn geliefde weet waarheen wij de komende tien jaar op vakantie gaan: naar poëzie.
Wat duwt de wind in mijn rug? De poëzie — of het gebrek daaraan.
Wanneer het regent, bezoek ik de vissen. Poëzie?
Hoe mijn inkomen eruitziet vraagt mijn vader? Noodgedwongen de poëzie.
Wat hebben ze voor een appel en een ei aan het circus verkocht? De poëzie.
Europa? Poëzie.
Lapis lazuli? Poëzie.
De maan knipoogt? Geblinddoekte poëzie.
De eeuw geeuwt, en ik ben vrij. Poëzie.
Wie ben jij? vraagt u. De poëzie — ik ben er vaker niet dan wel.
Je tilt een steen op en het glipt in groten getale weg. Poëzie.
Wat roepen de toeschouwers luid en duidelijk wanneer ik op mijn bek ga? Poëzie! Poëzie!

Maarten Inghels heeft niet een vaste thematiek, er is een idee en die moet worden vormgegeven. Dat kan in foto’s of gewoon in taal: ‘Ik moet nog vele personages spelen, honderduit / van contrariteit getuigen in tongentalen.’ (‘Verbeelding’). Of zoals wordt gezegd in de eerste twee regels van ‘Spiekbriefje’: ‘Elke ochtend nieuwe stemmen eten, / welkom leren zeggen in minstens zes talen (…)’. In de gedichtenreeks over de negen avonden ‘na mijn dood’ laat de ‘ik’ ook merken dat de dubbelgangers die het van hem overnemen na zijn overlijden gewoon zijn oeuvre weg kunnen gooien en zelf weer nieuw werk kunnen schrijven: ‘Ik heb altijd al geweten dat de oplossing is gelegen in de veelheid aan stemmen die ik uitstrooi’. In het gedicht ‘Lorem Ipsum’ staat de regel: ‘Drukkers en dichters zijn de secretarissen van het idee’. Het idee is belangrijker dan degene die hem vorm geeft, doedichter Maarten Inghels vertaalt ideeën naar een breed publiek.

We leven in een tijd dat het onderwijs wordt overladen met verplichtingen. Hele klassen staan zich onder schooltijd te vergapen aan de Nachtwacht in het Amsterdams Rijksmuseum. Daar kan deze verplichting ook wel bij: alle middelbare scholieren schaffen de bundel Contact aan en de docent praat daar tenminste eens per week over. Plicht en poëzie gaan slecht samen, wordt beweerd. Laten we het tegendeel bewijzen aan de hand van deze bundel. Als we toch zo nodig van alles moeten verplichten, laat het dan iets zijn waardoor leerlingen de kracht én het plezier van poëzie beleven. Maarten Inghels bouwt een context rond zijn werk waardoor jonge lezers zien dat gelaagdheid in betekenis de moeite waard is om te doorgronden en te beleven en zo in contact te komen met de basis van poëzie.

***
Maarten Inghels (1988) is dichter, schrijver en coördinator van De Eenzame Uitvaart te Antwerpen. Eind 2008 verscheen zijn debuutbundel Tumult, zijn tweede dichtbundel Waakzaam volgde in 2011. Bloemlezingen uit die twee dichtbundels werden gepubliceerd in zowel het Engels als het Duits. In 2012 verscheen zijn roman De handel in emotionele goederen naast het literaire non-fictieboek Een landloper op batterijen. In 2015 kwam de bundel Nieuwe rituelen uit. Maarten Inghels was stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018.

Recensie van Gebroken wit - Victor Vroomkoning

Tekens van vervlogen leven

Victor Vroomkoning
Gebroken wit
Uitgever: De Arbeiderspers
2018
ISBN 9789029523622
€ 17,99
75 blz.

De bundel Gebroken wit van Victor Vroomkoning heeft iets van een familiealbum, waarin een dichter aan de hand van een reeks gedichten terugblikt op zijn leven. Uit de ‘Verantwoording’ achter in de bundel blijkt dat de gedichten her en der zijn gepubliceerd in allerlei tijdschriften en in thematische verzamelbundels. Soms gaat het om gelegenheidsgedichten bij een afscheid van een bekende, soms om gedichten die op verzoek zijn geschreven. Veel van de gedichten zijn met kleine wijzigingen van de oorspronkelijke vorm in deze bundel opgenomen. Gezien de hoge leeftijd van de dichter is het niet verwonderlijk dat de nodige gedichten over de dood gaan. In het volgende gedicht komt de actuele thematiek van de ‘zelfgewilde’ dood aan de orde. De ik-figuur is in gesprek met zijn vader.

Aan de rand

Een paar passen nog voor het is gedaan.
Ik heb een afspraak met de dood.
De laatste zet is uitbesteed aan mij
we zijn dit overeengekomen.

Wat houdt me op, wat is ertegen om
dit loze lichaam af te scheiden? Hoe
hard is een woord, vader, hoe zacht
een zelfgewilde

Herinneringen aan gebeurtenissen in zijn leven komen in allerlei vormen aan bod. De dichter heeft bijzondere momenten vastgelegd op foto’s, zoals in het gedicht Souvenir of hij reflecteert op een oude foto zoals in Ecce Nobel. Hij is in dit laatstgenoemde gedicht helemaal niet ‘de koning der dieren’ die lachend op de foto staat, maar ‘een mak / schaap met een muil waarin de oppas / zijn hoofd mag steken in ruil voor een / half jong hert dat hij me dagelijks schenkt.’ Hij vindt het leven in gevangenschap saai (‘De dag is hier één lange geeuw.’) en met een verwijzing naar de leeuwmascotte van de Hollywoodstudio Metro-Goldwyn-Mayer (MGM) brult hij af en toe als Leo the Lion ‘om er / de passanten in dit park mee te vermaken.’ Met een variant op Willem Kloos’ dichtregel eindigt het gedicht aldus: ‘Elke foto toont / zijn eigen waarheid, deze liegt de wilde god / die ik ben in het diepste van mijn genen.’

In het gedicht Anamnese in M. gaat het om de gesprekken over gezamenlijk beleefde herinneringen, die hij houdt met een vriend en leeftijdgenoot, ‘Broos en gemankeerd als ik zelf’. De vriend gaat ‘Slalommend door de dagen’ en ‘kriskras / door ons geheugen’. Het gemis van allerlei mensen en zaken is voelbaar, maar ze hebben via hun herinneringen steun aan elkaar, hoewel het geheugen geen zekerheden biedt van hoe alles precies verlopen is. De eerste strofe, die over hun ontmoeting gaat, kenmerkt zich door ‘de lucide middaghitte’. De herinneringen in de tweede strofe roepen het beeld op van sneeuw, een slalom een snelle afdaling. De ervaringen uit hun leven beslaan dan ook een periode van ‘een halve eeuw’, het zijn er ongelooflijk veel. De laatste strofe, die ook als thematische tekst van de bundel op de achterflap is afgedrukt, luidt als volgt:

Wij verliezen ons in het gemis en vinden
ons door elkaar terug in wie wij
ongetwijfeld moeten zijn geweest – hoor ons
ernaar raden. Voor even kunnen we
tegen het gebroken wit van ons heden.

In het nu heeft de dichter nog de mogelijkheid deze herinneringen vast te leggen op papier. Voor hem een buitenkans. Het gedicht dat daarop geschreven is of afgedrukt, maakt het witte blad papier tot ‘gebroken wit’. Het teruggaan naar een oude plek van vroeger is bij herinneringspoëzie een voor de hand liggende onderneming. In het gedicht Reünie heeft de dichter een herinnering uitgewerkt en gekoppeld aan het heden. Het gaat om de plek ‘waar zij mij haar eerste kus gaf’ en hem had aangesproken met ‘Jonge god’. En nu zijn ze beiden weer ‘met hangen en wurgen maar we zijn er nog’ op de oude plek en ze omhelzen elkaar ‘genadeloos terloops’ om daarna ‘getroost huiswaarts’ te keren ‘naar onze tweezitsbank’. De afsluiting van het gedicht bevat een vorm van niets ontziende zelfspot die vooral troosteloosheid uitdrukt, lijkt me.

Enigma en Visioen behoren tot de mooiste gedichten van de bundel. Het gaat hier om beelden van de moeder van de dichter die erin voorkomen. In deze gedichten botst de wereld van de harde realiteit met het opgeroepen droombeeld. In Visioen komt zijn moeder uit de dood getreden en was ‘hij weer bij haar voor / zij stierf’. In Enigma vraagt de hij-figuur zich af hoe de moeder zijn hotelkamer is binnengekomen. De moeder zit daar doodstil met haar handen om de knieën voor het open raam. Het speelse, ietwat erotische verstilde beeld doet me heel in de verte denken aan het schilderij Vrouw bij het venster van Salvador Dalí.

Enigma

Hoe kwam zij binnen? Hij heeft de sleutel
in zijn hand. Het is zijn bed, zijn kamer,
zijn hotel dat hij zijn huis acht.
De handen om de naakte knieën
zit daar zijn roerloze moeder voor het open
venster. Er is te veel bloot aan haar, zal hij haar
toedekken? Als hij nadert, glijdt een lach over
haar gelaat. Zij merkt dat zij nog in hem bestaat
als toen hij haar ontdekte met een ander dan zijn vader.    

In deze bundel hebben de gedichten Enigma en Visioen de functie om een belangrijke persoon uit het verleden terug te halen, daar stil bij blijven te staan, deze persoon te benaderen en aan te raken. Daarna beseft de dichter dat uiteindelijk het beeld van de moeder niet vast te pakken is, ook voor de lezer. Ondertussen heeft voor deze laatste de tijd even stil gestaan. Daarna leest hij zich weer andere werelden binnen.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Sommige gedichten zijn te simpel, te gemakkelijk, roepen in de verbeelding van de lezer niets verrassends op. Handen is zo’n gedicht. Het is een terugblik naar het aanschuiven van de trouwring ‘hoe jij je naam / aan míjn linker schoof’ maar nu ‘zonder altaar’. In Psychoanalyse wordt een verbinding gelegd tussen ‘een imposant kruis tegen een kerktoren’ en het kruis van een vrouw. En als ze beiden luisteren naar het klokkenspel en de vrouw roept: ‘Wat een twee schattige klokjes hangen daar!’ is de associatie helder. Het gedicht eindigt met de versregel ‘Hou het dan maar droog’. Nou, dat lukt me moeiteloos moet ik zeggen. De dialogen Proeve en Help! zijn zwakke voorbeelden van kinderpoëzie. Het gedicht Litanietje, met een stapeling van voornamelijk aparte verkleinwoorden, is niet meer dan het taalspel dat eronder zit. Opties doet me vooral vanwege de vorm denken aan zijn muurgedicht ‘Hallo’ aan de wand van cultureel centrum De Lindenberg in Nijmegen. Waarom het vierdelige gedicht in deze bundel is opgenomen, is me onduidelijk.

Victor Vroomkoning is een traditionele dichter, die in zijn ontwikkeling is blijven hangen. Wanneer hij kritischer naar zijn eigen poëzie had gekeken en zo’n 10 à 15 gedichten had geschrapt, dan was Gebroken wit een compacte bundel geweest met een aantal goede gedichten over (jeugd)herinneringen, huwelijk, familie en gezondheid, een familiealbum in de positieve zin van het woord. Ondanks de genoemde zwakke gedichten die de bundel ontsieren, blijft er veel moois te lezen in Gebroken wit.

Tot slot. Mocht ik als lezer vragen hebben en daarop adequate antwoorden willen, het is de dichter die aan het woord is. Ik heb niets te willen. Of zoals Vroomkoning in Het is niet zegt: ‘Het is niet / het antwoord / waarom je / verlegen zit / noch je vraag / doet ertoe’. En daar valt niets tegenin te brengen.

***
Victor Vroomkoning (1938) studeerde Nederlands en filosofie. In 1983 verscheen zijn debuutbundel De einders tegemoet. Sindsdien kwam een groot aantal bundels uit. In november 2008 verscheen ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag Ommezien, Gedichten 2008-1983. Hij ontving vele prijzen waaronder de Publieksprijs Beste Poëziebundel (2005) voor zijn bundel Stapelen en de Karel de Grote Prijs (2006), een oeuvreprijs van de gemeente Nijmegen. In de periode 2006-2008 was hij stadsdichter van die stad.