Recensie van alles is een onderbreking van de lege ruimte - Estelle Boelsma

Poreuze ijsbergen

Estelle Boelsma
alles is een onderbreking van de lege ruimte
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2016
ISBN 9789490401290
€ 15,00
56 blz.
Lees deze tekst

‘… poreus komt van het griekse woord poros* dat opening betekent of het latijnse woord porus dat doorgang betekent, ook in aporia dat vlinder betekent en ook een filosofisch stijlfiguur voor vertwijfeling en toen stond ik weer buiten en er was niets veranderd, mijn poriën verbinden mijn lichaam met de ruimte om mij heen *..ROSITEIT, v. [geen meervoud] een der eigenschappen van alle vaste lichamen – ik lag op de grond in het trappenhuis het was eigenlijk onder aan de trap in de gang van mijn huis maar een trappenhuis geeft meer diepte in de verbeelding – bovendien suggereert het dat die trap door grote hoeveelheden mensen gebruikt wordt waardoor ik vindbaar zou zijn als ik onder de trap zou liggen ik lig onder de trap op de tegelvloer van mijn huis – ’

Nee, geen citaat uit een woordenboek. Een fragment uit het gedicht ‘tussenruimte’, uit de bundel, van Estelle Boelsma. Een dichteres die blijkens dit fragment ‘gevonden wil worden’, en daarom in haar taal de poriën zoekt van de verbeelding door van ‘de trap in de gang van haar huis’ een ‘trappenhuis’ te maken.
En inderdaad: poëzie moet iets poreus hebben, iets van een merkbare diepte, anders wordt ze te hermetisch en dreigt onleesbaarheid. Poriën in de huid van de taal zorgen ervoor dat de inhoud van een tekst verbonden blijft met de ruimte om die tekst heen: met een lezer dus, of zelfs met een eventuele recensent (ja, welke dichter zou niet gevonden willen worden en niet willen weten wat iemand van hem vindt)!
Maar is dat het enige wat Boelsma wil? Ergens anders schrijft ze:

inzicht naar wendbaarheid

I

wereldvreemdheid kwam me niet
aanwaaien – ik heb dagen geoefend
op de o en de i en de u
om de klinkers in de kamer los te laten
en dan kijken hoe ze terugkaatsen
vloeibaarder worden
we zijn grootverbruikers
van deze kamer, kom dichter bij me
verder dan hier hoef ik niet te gaan
meer dan dit hoef ik niet te doen

geen voors geen tegens voor verveling
voor hazelaar ligt kornoelje stil –
voor ons als we elkaar willen zien
liggen we stil, maar –
geen regels ik heb berekend dat dit
wel eens de laatste keer kon zijn
dat we liever buiten dan binnen zijn

amechtig ik en ik en anderen ook je haalt ze door elkaar voor
je geestesoog het is hier prachtig alles zo mooi het strijklicht
maakt aandoenlijker de dingen om ons heen de bomen, de struiken
alle oppervlaktes, een fabriekspijp ook

Ik haal dit maar even aan als een voorbeeld van haar stijl en kunnen. Behalve dat de laatste regel (door die banale fabriekspijp) enigszins geestig is, valt hij bijvoorbeeld ook op doordat hij op twee manieren gelezen kan worden. Is het nu het strijklicht dat de fabriekspijp aandoenlijk maakt, of maakt juist een fabriekspijp, net als strijklicht, de dingen (de bomen, de struiken, alle oppervlaktes – wellicht door zijn vervuilende werking) aandoenlijk?
Merkwaardig in het (strijk)licht van het eerder geciteerde gedicht ‘tussenruimte’ is intussen wel de eerste regel van dit gedicht. Wereldvreemdheid kwam niet aanwaaien en wordt hier blijkbaar nagestreefd (verkeerde gewoontes aanleren kost tijd, net zoveel als het aanleren van goede gewoontes, zullen we maar zeggen). Dit lijkt haaks te staan op het ‘gevonden willen worden’ in het eerder aangehaalde gedicht. Maar misschien is de dichteres (de ik-persoon) er juist op uit om de vervreemding die ze ‘nastreeft’ ook aan de lezer kenbaar te maken, waardoor die vervreemding – paradoxaal genoeg – ook weer enigszins wordt opgeheven. We zouden dus kunnen spreken van een streven naar evenwicht tussen vervreemding en toenadering in deze bundel. Het volgende gedicht laat zien hoe de twee krachten op elkaar inwerken:

we hebben ons ontpopt tot zielloze wezens

in de treinen iedereens blik ontwijken de mierenkoloniën van hans
lodeizen morfologische velden van rupert sheldrake morfologisch
tot hetzelfde idee komen
maar dan zielloos
zielloos wakker worden
zielloos aankleden
zielloos koffie drinken
een hond onder de stoep stoppen en met hakken
de tegels aanstampen

ik wil me ontpoppen tot alles en overal en iedereen en tegelijk
en nutteloos zijn
geen dingen noemen die we kennen
onvoorwaardelijk ach
ga ik dingen opnoemen, een aanslag verijdelen op gare du nord
ik moet steeds overal kijken, alles in de gaten houden, ach arm oog
zielloos maken we constructies, heerlijk zielloos zalig zijn

Morfologisch tot hetzelfde idee komen vergt geen zichtbare (meetbare) interactie, maar het lijkt alsof twee geesten met elkaar hebben gecommuniceerd op de allerbeste manier die maar mogelijk is. Want hoe kunnen ze anders op precies hetzelfde idee komen? Als het een opdracht was om zonder te communiceren informatie over te dragen zou het een probleem zijn. De wereld van vandaag stelt heel veel eisen aan een mens. Sommige daarvan zijn zo tegenstrijdig, dat ze verdacht veel beginnen te lijken op deze spagaat.
En dan dat ‘heerlijk zielloos zalig zijn’. Om zalig te zijn hebben we juist een ziel nodig! Want wat wordt er anders gered van het eeuwige verderf? Een leuke kanttekening bij de wetenschap, die onze ziel wegredeneert en tegelijkertijd de mens het zalige leven lijkt te beloven door alle mogelijke gemakken binnen handbereik te brengen.

Boelsma’s poëzie heeft ook iets ‘wetenschappelijks’ en klinisch. Dat komt de vervreemding die erin wordt ‘nagestreefd’ ten goede, maar maakt haar taal soms ook wat kaal en stroef. Ik denk niet dat ze veel kans maakt om een populaire dichter te worden. Maar zal ze daar mee zitten? Bijna alles kan tenslotte worden gezien als ocean noise, geproduceerd door ijsbergen. Ik chargeer misschien als ik het zeg, maar vervreemding wordt in deze bundel werkelijk een beetje ‘talig’ gemaakt: ze spreekt eruit.
Vervreemding is trouwens ook iets wat zich – eufemistisch uitgedrukt – al enige tijd voordoet in het ons bekende ‘uitdijende’ heelal. De leegte, de ruimte, ontvouwt zich en wordt daarmee zowel letterlijk als figuurlijk kouder, afstandelijker (tot het wellicht ophoudt met de ‘big rip’). Of zoals Boelsma het uitdrukt in het volgende fragment van ‘how icebergs produce ocean noise’ :

II

er is geen kosmische balans
of sterker nog –
alles wordt uit elkaar gereten
van de dingen tot de dingen
de dieren tot de dieren
steden slingeren uiteen

daarachter klinkt je stem eenmaal zachter
vanuit het ruisende, kabbelende
kom ik je tegen

daar eenmaal aangekomen
is de stad uitgevouwen

Een fragment. Zoals alles beschouwd kan worden als een fragment van iets anders, bedenk ik me. En niet in de laatste plaats dit gedicht, dat mij als een ijsberg maar een fractie laat zien van de ijzige wereld van de dichter, waarvan het is afgebroken als van een vreemd Antarctica: de tegenpool van mijn eigen Arctisch, Siberisch, zielloos(?) brein.

Er is geen balans. Ons rest enkel nog een fade out, en zoals de dichteres het zegt:

siberië was het eerste woord dat ik vanmorgen uitsprak
ik liet het slingeren over tong, langs wang en gehemelte
en weer terug

The rest is silence.

***

Estelle Boelsma (1971) is beeldend kunstenaar en dichter. Ze publiceerde onder andere in De Revisor en Samplekanon. In 2012 verscheen haar bundel Juniper.

 

 

Interview met Maarten Buser

Met iets heel kleins een gedicht op z’n kop zetten

Lees deze tekst
 

Maarten Buser (1991) geboren in Doetinchem en getogen in Wehl, is dichter, essayist en recensent. Hij studeerde Nederlandse letterkunde, Nederlandse taal en cultuur. Hij schrijft voor verschillende media over poëzie, popmuziek en kunst. Gedichten van hem verschenen in onder meer Het Liegend Konijn, De Revisor en Liter. Zijn debuutbundel Club Brancuzzi verscheen in januari 2016.

Hoe is het met je gegaan na de lancering van je bundel Club Brancuzzi?
Ik ben geneigd om te zeggen: niet heel anders dan ervoor. Ik ben nog steeds dezelfde Maarten, alleen nu met een gedichtenbundel die af en toe in de media is. Er zijn zo’n vijf recensies verschenen, in onder andere Meander en de Poëziekrant. Ik weet niet of het relatief veel is of weinig in vergelijking met anderen, maar ik ben sowieso blij met de aandacht.

In het artikel in de Poëziekrant wordt gesuggereerd dat de opbouw van je bundel in vijf delen gebaseerd is op het klassieke drama. Is dat zo?
Ja, dat klopt. Ik wilde een bundel met een verhaal en ik ben geen verhalenschrijver; ik schrijf gedichten. Als steuntje heb ik de vijf bedrijven aangehouden.
De recensent heeft ook dingen gevonden die ik absoluut niet zo had bedoeld. Hij had het over het koor in de proloog, volgens hem een zogeheten ‘parados’. Dat was een ‘per ongelukje’, ik kende die hele term niet. Hij zei dat het geen toeval kon zijn, maar dat was het dus wel.

Het personage van de kunstenaar Claude in de bundel schijnt losjes geïnspireerd op Claude Monet. Wat heb je met Monet?
Zijn werk is interessant. Monet is steeds abstracter gaan werken, terwijl je nog wel een duidelijke voorstelling ziet. Het is heel mooi om te zien hoe hij met een paar stippen verf iets neer kan zetten wat er van veraf realistisch uit ziet en van dichtbij duidelijk verf is.
Tijdens mijn studie volgde ik ook een aantal kunstgeschiedenisvakken. Op een dag kreeg ik college over Monet, hoe hij bijvoorbeeld heel vaak dezelfde kathedraal schilderde, zodat je ziet hoe hetzelfde eruit ziet in ander licht. Toen kwam ik op de figuur van Claude, die een serie maakt. Geen kathedralen maar portretten. In de pauze van dat college maakte ik de eerste versie van een gedicht over Claude.

In hoeverre ben je geïnspireerd door de vrouwelijke schoonheid, die toch ook een rol lijkt te spelen in je bundel?
Ik wilde een mysterieuze vrouw in de gedichten hebben. Iemand van wie je niet veel weet en waar je dingen over gaat bedenken. Leonard Cohen voert ook zulke vrouwelijke personages op in zijn liedjes. Eigenlijk ben ik onder zijn invloed gedichten gaan schrijven.

Favorieten van je zijn onder andere Martinus Nijhoff, Gerard Reve, Charles Bukowski,
Charles Simic, Arthur Rimbaud en Charles Baudelaire. Wat spreekt je aan in deze auteurs?
Simic en Bukowski zijn bijvoorbeeld belangrijk voor mij om mijn anekdotische vorm te vinden. Raymond Carver, bekend van zijn korte verhalen, heeft ook fantastische gedichten geschreven. Hij is absoluut een held van me. Het is poëzie over het zware arbeidsbestaan, alcoholisme. Het ziet er prozaïsch uit, alsof iedereen het kan doen, maar er zit een enorme technische precisie achter.

Welke hedendaagse Nederlandse dichters inspireren je?
Ik heb veel geleerd van de recent overleden Wim Brands. Hij was erg geïnspireerd door Amerikaanse dichters, en ik weer door Brands. Brands had een geweldig oog voor beeld dat bijblijft. Hij geeft de ruimte aan zo’n krachtig beeld; het gaat niet van het ene naar het andere beeld. Er zit een enorme beheersing in. Een gedicht over een Russische visser eindigt met ‘alleen palingen eten we niet, / palingen eten Russen.’ Zoiets blijf je toch onthouden.

Hoe ziet je schrijfbureau eruit?
Ik vind het fijn om gedichtenbundels op mijn schrijftafel te hebben. Als ik ergens niet uitkom ga ik gewoon afkijken. Als ik bijvoorbeeld ergens een goed centraal beeld bij zoek, dan ga ik echt kijken wat bijvoorbeeld Brands doet. Als ik een goede vergelijking zoek, pak ik een bundel erbij waarvan ik weet dat er goede vergelijkingen in zitten.

Je bundel is verhalend geschreven en beschrijft een driehoeksverhouding. Heb je zelf wel eens een driehoeksverhouding gehad?
Voor zover ik zelf weet niet, maar je weet nooit. Straks is er iemand die een driehoeksverhouding ervaart, terwijl ik dat zelf niet doorhad.
Ik had een ik-figuur, een Claude en een Sybille. Ik wilde een ‘ik’ die zich op de achtergrond houdt en die zich afvraagt wat er om hem heen gebeurt terwijl hij er niet actief bij betrokken is. Daar is een driehoeksverhouding handig voor. Dan zit er iemand bij die wel dingen durft, die de ‘ik’ niet durft.

Een kruisbeeld speelt een rol in de bundel. Wat heb je met het katholieke geloof? Het verwijderen van een splinter bijvoorbeeld beschrijf je als ter communie gaan, wat een mooi beeld is.
Ik ben katholiek opgevoed. Volgens mij geloofde ik al op de basisschool niet meer. Maar er bleef iets interessants, een soort mysterie. Alleen al de architectuur van een kerk is fantastisch. Het hoeft niet eens een heel mooie kerk te zijn. De architectuur, de beelden, de schilderijen, de diensten, de rituelen. Je kunt het katholieke geloof als een soort totaalkunstwerk zien.
In het tweede gedicht van de bundel willen Claude en de ‘ik’ bidden in een soort verlangen om te geloven.

In de recensie van Hans Puper in Meander werd gesuggereerd, dat de titel Club Brancuzzi is geïnspireerd door de Roemeense beeldhouwer Brâncuși.
Ja, dat is ook zo. Ik weet niet hoe ik erbij kwam om er club voor te zetten. Maar die club was er redelijk snel, in een van de eerste gedichten die later in de bundel is gekomen. Ik heb het nog gegoogeld of die club bestond. Maar die bestond niet en dat vond ik eigenlijk wel zo fijn.

Soms krijg ik het idee dat je personages in een psychiatrische kliniek rondlopen, er wordt bijvoorbeeld gesproken over witte jassen. Is dat zo? Of belandt alleen Claude in een gekkenhuis? Ook de opmerking dat de ik iemand (Claude) moet bellen om te vragen of die de gordijnen wel opendoet, doet denken aan iemand in psychische nood.
Ik vind het een opvallende opmerking van je. Het gaat inderdaad de verkeerde kant op met Claude op het eind. Hij komt in ieder geval ergens terecht waar hij in de gaten wordt gehouden door witte jassen. Dat zou je een psychiatrische kliniek kunnen noemen, maar ik wil de bundel ook genoeg ruimte geven voor lezers om zelf ideeën te krijgen over wat zich afspeelt. Ik houd niet van voorkauwen. Toen ik met de bundel bezig was, zag ik allerlei verbanden, ook die ik niet bewust had gelegd. Dat vond ik ook wel een goed teken, dat de bundel mij ook bleef verrassen.

Waar ben je op afgestudeerd bij je studie Nederlands? In hoeverre speelt wat je geleerd hebt tijdens je studie een rol binnen je gedichten?
In 2014 studeerde ik af op het dichterschap van Mustafa Stitou in relatie tot zijn Oosterse en Marokkaanse afkomst. Wat mij bijvoorbeeld erg boeit is zijn oog voor detail en een bepaalde beknoptheid. Je ziet bij Stitou dat je niet met een keer lezen klaar bent. Nijhoff vond ik ook goed, maar over hem was al zo veel geschreven; in de bieb ongeveer anderhalve meter. Bij Stitou was nog zeker niet het hele terrein verkend. Daardoor kon ik een balans vinden tussen secundaire literatuur verwerken en zelf veel leeswerk verzetten. Van hem heb ik geleerd om met iets heel kleins een gedicht op z’n kop zetten.

In een eerder interview in Meander vond je je productie te laag. Vind je dat nog steeds?
Het valt wel mee nu. Ik heb nog niet zoveel geschreven sinds de bundel uit is. Dat schijnt normaal te zijn. Eerst kijken hoe die ontvangen wordt en wat er beter zou kunnen. Ik wil eerst tijd en ruimte hebben om na te denken over wat ik hierna ga doen voordat ik aan een nieuw project begin.

Je schrijft ook hiphoprecensies. In welke mate is muziek een liefde of inspiratiebron voor je?
Er zitten sowieso veel popmuziekverwijzingen in de bundel. Ook veel assonantie en klankovereenkomsten. Ik luister veel hiphop en daardoor heb ik meer oog voor klank en klankovereenkomst. Het is talige muziek met goede taalvondsten.
Voor Gonzo (circus) schrijf ik muziekrecensies. Dat is een tijdschrift voor kunst en muziek. Ik heb daar stage gelopen en ik verzorg er langere interviews met kunstenaars, maar ook besprekingen van kunstboeken cd-recensies.

Ben je al aan een nieuwe bundel aan het werken? Gaat die ook weer over dezelfde personages?
Zeg nooit nooit, maar ik denk niet dat ik nog een bundel over dezelfde personages ga schrijven. Ik vind het wel fijn om in reeksen te werken maar eerlijk gezegd weet ik nog niet hoe een tweede bundel eruit gaat zien.
Als ik nu schrijf, is het om aan de slag te blijven.

 

 

Recensie van Bij mij op de maan. Russische kindergedichten - Robbert-Jan Henkes (samenstelling)

Voor kinderen en andere volwassenen

Robbert-Jan Henkes (samenstelling)
Vertaler: Robbert-Jan Henkes
Bij mij op de maan. Russische kindergedichten
Uitgever: Van Oorschot
2016
ISBN 9789028261211
€ 29,99
575 blz.
Lees deze tekst

Mijn vriend had het boek van mijn bureau gepakt, en bladerde het door. “Word je hier niet ontzettend melig van?”
“Nee hoor, zolang je maar doseert. Ik heb het in vier dagen uitgelezen, en ben er nu voor de tweede keer aan begonnen, met misschien nog wel meer plezier dan de eerste keer.”
Hij is musicus, mijn vriend, maar geen groot liefhebber van poëzie. Wanneer ik het had over de taalmuziek van een gedicht, bleek hij nauwelijks in staat om daar waardering voor op te brengen: “Geef mij maar echte muziek!”
Ik rook een kans. “Moet je eens kijken bij Poesjkin. De Mozart onder de dichters. Zelfs in vertaling zijn zijn kindergedichten levend alsof zij gisteren zijn geschreven.”
“Jezus! Wat een ontzettend lange gedichten!”
“Ze zijn uit de tijd dat er nog geen tv was, en er werd voorgelezen. Net als Mozart met zijn variaties op ‘Altijd is kortjakje ziek’ – je moet weten dat Mozart in 1778 twaalf variaties op de melodie schreef: KV 300e – heeft Poesjkin gebruik gemaakt van bestaand materiaal. In ‘Het sprookje van tsaar Saltaan, zijn roemrijke en machtige heldenzoon vorst Gwidon en de wonderschone zwanenprinses’ kom je het sprookje van ‘Sneeuwwitje’ tegen. En ‘Het sprookje van de visser en de vis’ heb ik als kind leren kennen als ‘Piggelmee en het tovervisje’. Het was waarschijnlijk de eerste berijmde tekst die mijn moeder mij voorlas en ik kreeg er geen genoeg van. Het is een van de sprookjes die, uit de mond van hun adellijke vrienden, zijn opgetekend door de gebroeders Grimm. Dat ‘Piggelmee’ een reclametekst was voor Van Nelle’s koffie, is echt niet tot mij doorgedrongen. Maar er is iets vreemds met Poesjkins tekst: hij is niet op rijm. Dat is geen tekort van de vertaling. Robbert–Jan Henkes is een ongelofelijk virtuoze vertaler, die zijn hand niet zou hebben omgedraaid om voor een berijmde Russische tekst een Nederlands equivalent te vinden. Het is nog vreemder wanneer je beseft hoe ‘normaal’ het rijm is in de Russische poëzie, nog steeds… Poesjkin zou Leopolds berijming misschien wel benijd hebben…
Eén van de fascinerende aspecten van deze bloemlezing: je wordt niet alleen herinnerd aan je eigen kindertijd, maar ook aan de oeroude bronnen van onze cultuur. Het materiaal van de Russische dichters blijkt vaak ook in ons kikkerlandje gebruikt te zijn. Zo vind je bij Samoeïl Marsjak (1887 – 1964) het gedichtje ‘Twee poezenbeesten’ over twee poezen die met elkaar vochten totdat alleen de punten van hun staarten over waren. Het eindigt: ‘mensenkinderen! Nu zie je/ Wat er komt van ruziën.’ Ook dat kende ik al heel lang als gedichtje, al weet ik niet meer van wie, en in het Nederlandse gedichtje ging het om twee hondjes.”
“Was het niet van Annie M.G. Schmidt?” vroeg mijn vriend.
“Geen idee. Maar wat ik erg leuk vind, is dat zij door deze bundel op gelijke voet komt met bijvoorbeeld Anna Achmatova. Moet je lezen:

In de kinderkamer

Moerka, Moerka hou je schuil,
Want daarbinnen gluurt,
Op het kussen geborduurd,
Want daarbinnen gluurt een uil!
Moerka, Moerka hou je stil,
Hou je stil en zeg geen woord,
Als je niet wil, als je niet wil,
Dat grootvader je hoort!
Njanja, njanja, het is donker op de gang
en in de dakgoot piepen mussen.
Waarom maakt die uil me bang?
Wat doet die op het kussen?

 “Misschien is onze Annie als kinderdichter zelfs beter’, zei mijn vriend, ‘hoewel ik daar na het lezen van slechts één kindergedichtje van Achmatova natuurlijk niet over kan oordelen…”
“Chauvinist. Ik moest denken aan nog een associatie die ik bij het lezen van deze bloemlezing kreeg. Ik weet niet of jij Odetta kent? – Nee?! Een zwarte folkzangeres die een operaopleiding had genoten. Ook haar kwam ik tegen. Zij zong in het liedje ‘Why?’ van Woody Guthrie: ‘Why can’t a mouse eat a streetcar? Why o why o why? (because a mouse his stomach is to small to hold a streetcar)’. En wat lees je in deze verzameling:

Vervelende lastpost

 – Waarom heeft mama in haar kin
Een kuiltje zitten middenin?
– Waarom smaakt sla altijd naar sla
En nooit een keer naar chocola?
– Waarom hebben koetjes
Pootjes en geen voetjes?
– Waarom speelt mijn zus met poppen
En wil ik met ballen schoppen?
– Waarom dragen goudfazanten
Als het vriest of sneeuwt geen wanten?
– Waarom gaat het vuurtje uit
Als je er heel hard tegen fluit?

 – Dat komt om dat, dat komt om dit:
Er op jouw mond geen slotje zit.

 (Sasja Tsjorny: 1880 – 1932)

Bij Odetta eindigde het liedje na de vraag: ‘Why don’t you answer my questions why, o why o why? met: ‘Because, because, because, because – Good night. Good night.’ Dit gedichtje van Tsjorny bracht het mij weer te binnen. En dat zou het ook bij mijn kinderen hebben gedaan, want ik heb het Odetta tot vervelens toe nagezongen.”

Mijn vriend bladerde nog steeds in het boek. Voor de eerste keer schoot hij in de lach. “Moet je horen:

De lieve eend

De grote oversteek
Gebeurde in een wip:

Eén kuiken op een eendje,
Eén kuiken op een eendje,
Eén kuiken op een eendje,
En op de eend de kip.”

Tot zover het gesprek met mijn vriend. Het gedicht is van Daniil Charms (1905 – 1942). Er wordt wel beweerd dat hij een hekel aan kinderen had, maar de gedichten die hij voor ze schreef hebben hem wel (voor tien jaar) het leven leefbaarder gemaakt. In 1929 werden hij, Vvdensky en Mandelstam (die de titel leende aan deze bundel) samen met minder bekende dichters uit de Leningradse dichtersbond uitgesloten met de motivatie dat zij hun contributie niet hadden betaald.
Van december 1931 tot juni 1932 zat Charms op beschuldiging van ‘organisatie en deelname aan een anti-sovjetgroepering van literatoren in de gevangenis. Charms had tegenover een ondervrager verklaard het niet eens te zijn met de officiële literaire politiek, en dat hij uit principe geen kranten las. Hij werd tot drie jaar strafkamp veroordeeld. Deze straf werd door de inspanning van derden gewijzigd in verbanning, waarna hij in juli ’32 samen met Vvdenski (van wie ook gedichten zijn opgenomen in deze bundel) afreisde naar Koersk. Aan het eind van dat jaar werd hem toegestaan naar Leningrad, dat hij altijd Sint Petersburg is blijven noemen, terug te keren. Voor zijn arrestatie schreef hij voornamelijk poëzie, na 1933 ging hij zich toeleggen op het proza waaraan hij zijn postume roem te danken heeft. Zijn professionele productie van kindergedichten zette hij voort, maar minder intensief dan voor zijn verbanning. Het was een kindergedicht dat hem opnieuw in de problemen bracht. In het kindertijdschrift Tsjizj (Het sijsje) publiceerde hij een gedichtje over een man die zijn huis verlaat en te voet een verre tocht begint. Hij loopt een donker bos in en is sindsdien verdwenen. (Verdwijningen waren destijds aan de orde van de dag). Na de publicatie ervan werd hij een jaar lang uit het tijdschrift geweerd, waardoor zijn bron van inkomsten verviel. Om een lang en triest verhaal kort te maken: in 1939 werd hij ter observatie opgenomen in een psychiatrische kliniek, en vrijgesteld van militaire dienst. De Tweede Wereldoorlog was uitgebroken; je zou verwachten dat de autoriteiten andere zorgen hadden dan de kindergedichten van een marginale schrijver, maar in 1941 werd hij door de politie van zijn bed gelicht. Februari 1942 overleed hij in een gevangenisziekenhuis. Waarschijnlijk verhongerd. Eén van de talloze schrijvers die slachtoffer zijn geworden van de Stalin-terreur.
In deze context is het wrang om bij Majakovsky (ook een slachtoffer van het regiem, al pleegde hij zelfmoord) aan het slot van zijn ‘Weerlichtlied’ te lezen: ‘(..) Analfabete ouderdom!/ Jij, grootmoeder-/kameraad!/ leer het abc/ en wees niet dom!/ voor leren is het nooit te laat!/ Sluit de rangen,/ kleine strijder!/ Langs Lenins paadje lopen wij,/ en ons aller/ grote leider/ is de Communistische partij!//
Bij Valentin Katajev, die de Stalinterreur ruimschoots en welgedaan heeft overleefd eindigt ‘Radiozendmastgiraf’ zo: ‘De olifant neemt ook nog gauw/ Contact op met zijn vrouw:/ ‘En hoe gaat het met de fantjes?’/ ‘O, het zijn zo’n brave klantjes!/ De oudste heeft een huis gebouwd,/ En nummer twee had een dictee/ Met maar anderhalve fout,/ En de kleinste – ‘t lieve wormpje/ Is inmiddels (maar dat wist je)/ Een dapper oktobristje/ Met een heel knap uniformpje.”
Gruwel. Het speelse dat kindergedichten zo aantrekkelijk kan maken, is totaal verdwenen onder een ideologie die moeilijker uit te roeien blijkt.
Gelukkig kunnen we met deze bundel in een oogwenk terug in de tijd, en ‘De mug en de wolf’ lezen van Ivan Krylov (1769 – 1844) met wie de Russische kinderpoëzie begint:

Een mug
   Onder de brug
   Bij de Tataren
   Of de Khazaren
Kreeg bezoek van een wolf,
   Die bij hem stopte
En bij hem aan het deurtje klopte.
Binnen begon hij meteen te happen
   En te klappen met zijn kaken.
Maar de mug was vlug
   En wist op de kast
      Te ontsnappen.
De wolf was woest:
– Ik ga je kraken, gast!
– Ja vast! zei de mug,
   Hou je maar koest.
   Je kan me niet pakken,
   Ik laat me niet zakken,
   Je kan er niet bij
   Ik blijf lekker vrij!
Maar de wolf
   Sprong
   En heeft toen met zijn tong
De mug opgelikt
En doorgeslikt.

Hieruit kan men enigszins leren
Hoe de sterken de zwakken kunnen ruïneren.

Bij veel hedendaagse poëzie vraag je je af of ze, behalve voor literatuurwetenschappers, wel voor iemand geschreven is. Wanneer je voor jezelf schrijft (wat ik ook nog weleens hoor), hoef je niet te publiceren… Bij kindergedichten is de bestemming duidelijk. Soms klinkt er een verborgen boodschap in door. Soms leggen ze de irrationele kanten van het leven bloot, menselijke domheid, dierlijke wijsheid. Soms lijkt de taal te dansen op vrijgelaten gedachten, en soms hebben kindergedichten een intieme tederheid die de dichter in zijn volwassen werk niet zou durven tonen.

Lezen dus! Bij mij op de maan.

 ***

Robbert-Jan Henkes is vertaler. Hij werkt veel samen met Erik Bindervoet. Ze hebben onder andere werk vertaald van Nabokov, Tarkovski, Mariengof, Joyce, De Quincey, Stanshall en Shakespeare.

Gedichten

door Edward Hoornaert (1981)
Lees deze tekst

Edward Hoornaert (1981) werd geboren in Roeselare, waar hij nog steeds woont.
Hij studeerde Romaanse filologie aan de KULeuven en werkt als leraar. Zijn gedichten verschenen o.a. in De Schaal van Dighter, Kluger Hans, Meander, Plebs en Met Andere Zinnen. Hij werd een aantal maal bekroond voor zijn poëzie en zijn werk werd in diverse bloemlezingen gepubliceerd.
Hij is oprichter en redactielid van een twee powezie, een poëzieproject dat het puntdicht nieuw leven wil inblazen.
Bij uitgeverij Kleinood & Grootzeer verscheen onlangs zijn debuutbundel
Wij vreemden, waaruit onderstaande gedichten.

Beloftes

het huis dat in het pas vergeelde landschap
ervan droomt zichzelf voor eens en altijd te ontruimen
is het huis dat wij herscheppen met gebroken handen

hoe wij onze beloftes gestand moeten doen:
de liefde in een steeds wijdere baan rond het bed
laten cirkelen, van de tijd die uitgeteld voor ons ligt
de sporen uitwissen, het kind uit het sprookje
voor eens en voor altijd begraven
 
en heel af en toe omwille van het hevige niets
richting oerknal bewegen – de lichamen die krimpen
het oog dat bevrijdt, de buikzieke ruimte die
uitvergroot zwijgt

Vloeiing
 
alles heeft zijn vaste vorm
op steeds een andere plek
 
een steen schiet weg als bliksem uitgerold
de straat schuift ons de weelde van haar wielen toe
 
wij zijn het kind dat kijkt naar links en rechts
wij zijn het kind dat uit zichzelf de stap niet zet
 
wat ons ontglipt is wie niet zag
 
(traag tekent zich het remspoor af
wij blijven roerloos achter in de wind)

Zure wijn

omdat de heuvel zich
niet meer verheft

omdat de spons
de dorst niet langer lest

leren we afvallig zijn, lopen we
leeg het graf voorbij

wie snakt naar zure wijn krijgt gif
wie hapt naar adem wordt verguisd

(toch overleven wij)

omdat je altijd maar verkeerdelijk herrijst
in kind en koning, vriend en vijand
omdat je slaat en zalft tegelijkertijd
slaan wij op de vlucht

draagt zaad niet langer
honderdvoudig vrucht

Recensie van Alsof niemand hier onsterfelijk is - Jacobus Bos

Koele poëzie of verborgen warmte?

Jacobus Bos
Alsof niemand hier onsterfelijk is
Uitgever: Wereldbibliotheek
2016
ISBN 9789028426764
€ 19,99
62 blz.
Lees deze tekst

Het lijkt koele poëzie in deze achtste bundel van Jacobus Bos, Alsof niemand hier onsterfelijk is.

De zon die door de kalme wolken heen
probeert te komen die eerder als orkaan
een ander wereldbeeld hebben geteisterd
met stormen en oneindig veel regen…

Je verwacht, na deze vrij droge constatering, waarin wel ‘storm’ en ‘regen’ voorkomen, als lezer een explosieve climax over het geweld, (‘orkaan’, ‘geteisterd’) maar, integendeel, de dichter schrijft:

legt een vaag meetkundig raadsel
op het houten blad van de tafel
waar een leeg wit bord op staat

De climax is ‘een leeg wit bord’. Niet voor niets staat dit gedicht (‘Onder de horizon’, p. 9, de bundel begint ermee) op de achterflap van het eenvoudig maar stijlvol vormgegeven boekje (door Joost van de Woestijne): het citaat lijkt inderdaad kenmerkend voor deze poëzie, die helder en strak geschreven is met een grote vormvastheid. Het is soms zelfs interessant het aantal regels per strofe te tellen, evenals de lettergrepen, om te zien hoe vorm en inhoud zich met elkaar verhouden, zoals in het gedicht ‘Sprong in de leegte’ (op p. 54), waarin na de eerste strofe van drie regels één regel volgt, waarna weer twee strofen van drie, dan weer één regel om met een drieregelige strofe te eindigen. Als we het gedicht goed lezen hebben die twee losse regels een inhoudelijke verwantschap: een ‘duik’ en een ‘sprong’. Je kunt er van alles bij denken. Zo zijn er meer gedichten die leesavonturen opleveren en waarbij vragen gesteld kunnen worden over de relatie vorm en inhoud. Laat ik, tegen mijn gewoonte in, dit gedicht in zijn geheel citeren.

De eerste keer dat hij sprong had alleen
het feit dat hij judo kende hem gered.
De straat was harder dan hij dacht.

Alsof hij in een droge slotgracht dook.

De volgende keer stonden er acht mannen
die een enorm zeil onder hem spanden
om naderhand vakkundig te worden

vervangen door een man in een jas
die nietsvermoedend de straat uit fietst
op een foto die al eerder was genomen/

Zo maakt de kunstenaar zijn sprong.

In de leegte met zijn armen gespreid
en zijn haren en gezicht vol tegenwind
die hem daar voor altijd laat zweven.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen. De eerste heet ‘Zijn reis beslaat de wereld’ en bevat zeven gedichten. Hoewel de poëzie eenvoudig lijkt, staat ook hier niet wat er staat. Wat werkelijkheid lijkt kan droom zijn. Soms lijkt het te gaan om een surrealistische wereld, wat ook weer schijn kan zijn. Het gedicht ‘De Zeereis’ gaat over ‘het landschap van haar lichaam’ waar de dichter doorheen trekt. Duidelijke seksuele connotaties maken de daad tot een reis. In het aan Hans Groenewegen opgedragen gedicht lijken ook de dood en de herinneringen daaraan een reis te zijn. Een man laat alles achter ‘en vraagt zich af waar hij in Godsnaam aan is begonnen’. Het gedicht over het ‘Zwijgend landschap’ is een evocatie van het Franse landschap ‘waar van Gogh zijn verstand verloor’ en waar ooit een geschiedenis van krijg en fatale vrouwen plaatsvond. Met een lang gedicht, ‘De reis eindeloos’, eindigt dit deel.

Eigenlijk verdienen de poëzie, de dichter, de lezer en de recensent een grondige analyse van elke afdeling, maar dan zou deze korte recensie een essay worden. Laat ik volstaan met de gedachten die in mij opkwamen na herhaalde lezing.

‘Waar hij is ben ik’ is de tweede afdeling, die ook zeven gedichten bevat waarin herinneringen, dromen en werkelijkheid door elkaar lopen. De herinneringen zijn soms dwingend, soms obsessief, soms zelfs humoristisch. Deze afdeling sluit de dichter af met de verdichting van zichzelf : ’Wie ik ben’. Het gedicht eindigt smartelijk : ’Ik ben vooral in oorlog met mezelf./ Ik ben mijn eigen ergste vijand./ Ik weet niet wie ik ben.’

‘Herinneringen van een opstandige geest’ beslaan de derde afdeling met acht gedichten. Het komt mij voor, dat ‘kijkgat in de tijd’ (p. 34) de kern van deze afdeling weergeeft. Ook hier weer valt er veel te lezen en te genieten: het is poëzie die een constant beroep doet op zijn lezer. Wat mij opviel is dat je bij elke herlezing iets nieuws ontdekt, andere associaties krijgt, een ander beeld ziet. Het slotgedicht van deze afdeling, ‘Niemand herinnert zich alles’, is een prachtig gedicht met een diepe inhoud. Er is niemand, er is leegte: ‘Een dode vogel vliegt al weken rond/ zonder zich ergens aan te storen./ Vol verbazing kijkt Niemand hem na.’

‘Zelfs in de verte is hij onzichtbaar’ is de vierde afdeling, zes intrigerende gedichten zoals de titel intrigerend is. De vijfde afdeling tenslotte heet ‘Aan schoonheid geen gebrek’ met zeven gedichten; in één daarvan wordt de figuratieve schilder Jean le Gac geëerd (‘Le peintre’, p. 53). Na een lang gedicht over ‘Yvette’, buitengewoon aards qua sfeer, eindigt de bundel met het gedicht ‘Mendocino’ (een kunstenaarsdorp aan de Californische kust), waarin de dichter in zichzelf verdwijnt nadat hij heeft gehoord dat het zand de stappen dempt ‘van een man die in mijn lichaam woont/ en daar al even lang bivakkeert als ik’.

Samenvattend: fraai gecomponeerde, vormvaste poëzie waarin de inhoud de lezer met vragen confronteert en uitnodigt een leesavontuur aan te gaan.

***

Van Jacob Bos (1943) verschenen acht dichtbundels. Hij debuteerde in 1969 met een verhalenbundel en won in 1974 de Anna Blamanprijs. Zijn debuutbundel Mijn blauwe evenbeeld verscheen in 1987 en werd genomineerd voor de eerste C. Buddingh’-prijs. Zijn voorlaatste bundel was Het geluk van de jeugd (2013). Hij publiceerde in De Gids en De Revisor.