Recensie van De aantrekking - Claude Van de Berge

De aantrekkingskracht van het onuitsprekelijke

Claude Van de Berge
De aantrekking
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339430
€ 17,50
69 blz.

Claude Van de Berge opent zijn zeventiende bundel De aanraking (2017) met een poëticale beginselverklaring. Voor hem is het eon als onstoffelijk deeltje van het atoom niet alleen richtinggevend voor de kosmische ontwikkeling in het groot en in het klein, maar drukt het tevens zijn schoonheidsverlangen uit dat tot de hoogste uitingen heeft geleid in dit heelal: het kunstwerk. De schoonheid is daarbij zijn kompas dat richting geeft aan de universele evolutie, en is tevens de matrix van de menselijke bestemming: aantrekking die liefde is, liefde die de wet van de eenheid weerspiegelt. Met deze kosmologische constellatie verbindt Van de Berge het klein heelal van zijn poëzie.
     De bundel ziet er strak en esthetisch uit, mede door de fraaie, tekst ondersteunende foto’s. De foto van de omslag herinnert aan de besneeuwde top van de Fuji. Daarmee verwijst Van de Berge al direct naar de adembenemende abstractiehoogte waarop zijn poëzie zich beweegt. Hij reikt naar het onuitsprekelijke, naar dat wat verdwenen en verzwegen is. Op het moment dat je het abstracte gedachtegangenstelsel van Van de Berge inloopt, verlies je in de kortste keren besef van een werkelijkheid zoals we die dagelijks om ons heen kunnen waarnemen. Voortdurend zweeft het lyrisch subject met zijn denk-, gewaarwordings- en gevoelswerkelijkheid in een onbegrensde ruimte, omgeven door een ruimte die leeg, stil en tijdloos is. Je komt terecht in een immens spiegelpaleis van licht-, klank- en droombeelden.
     Sommige commentatoren hebben dit wereldbeeld holistisch genoemd, ik zou liever willen spreken van een sterke esoterische dan wel spirituele, mystieke oriëntatie. Op diverse plaatsen blijken er relicten van een religieuze oorsprong aanwezig. Woorden als inwijding, aanbidding, offer, ziel, verschijning, geroepen tot een opdracht, vergeestelijking, onderdompeling en openbaring wijzen daarop. Aardse herkenningspunten ter oriëntatie laat de dichter in de meeste cycli schaars aanwezig zijn in zijn overvloed aan elkaar  tegenstrevende abstracte redeneringen. Van de Berge verlangt van zijn lezers dat ze meegaan naar zijn verre horizonten en ijle hoogten.

In deze bundel werkt het lyrisch subject toe naar een zich toevertrouwen aan de aantrekking van het alzijn, van de allesomvattende liefde. In zijn ‘Poëtica van de wederzijdse aantrekking’ schuilt in de diamant als sterkste verdichting van de koolstof ‘het cryptische woord (…) van / het dromend verdwenene’. Daarop volgt de cyclus ‘Inwijdingen’. In een geheiligde samenkomst vindt een inwijding plaats die de wederzijdse aantrekking symboliseert. Na de aanraking van een verzonken schrijn ontvangen de inwijdelingen de zegen: ‘Vogels van wit licht daalden neer’. ‘Geheime en geheiligde raadselwoorden’ weerklinken. Na het bezingen van de gewijde ruimten worden ze ‘vervoerd door een geheiligde aanschouwing’. Daarmee is het lyrisch subject bevangen geraakt door zijn ‘alles overspoelende verlangen’ in deze ‘onherroepelijke wereld van het bovenwerkelijke’. Daarin naderen ‘het verdwenene en het sprakeloze’ elkaar.
     In het eerste gedicht uit de cyclus ‘Witte schaduwen in de herinnering van de wakenden’ leidt het lyrisch subject ons naar een van zijn vele droomgezichten, naar ‘voorbij het bestaan dat ‘meer is dan wat is’.  Het verlangen leeft bij de ‘wij’ heel sterk zich te vervolmaken. Telkens is in het verleden gebleken dat de ‘wij’ zich verloor ‘in het onbereikbare van het oorsprongloze’. In deze opvluchten uit de concrete werkelijkheid weet Van de Berge steeds weer met natuurbeelden van zee, zand, duin, zwanen en vloedlijn te landen in de ons herkenbare werkelijkheid waarin hij de woorden weet op te vangen: ‘En steeds als het water week, waakten en veegden bij / de uitvloeiingsboord langzaam en zwijgend het zand van hen [=woorden] af, / als witte schaduwen in een herinnering.’ We zien dat het lyrisch subject zijn ijle ruimtewentelingen in dienst stelt van zijn zoektocht naar de oorsprong van de woorden. Deze spirituele dromer en zoeker naar wat achter en buiten de horizon van zijn denken ligt is bovenal iemand die het enigma van het dichterschap wil achterhalen uit zijn intense verbondenheid met het kosmische. Hij zou het liefst de taal die daarbij past willen kunnen gebruiken. Zijn vervluchtigende, ijle, wijdlopige en tegelijk zichzelf opheffende poëzie doet me in de verte denken aan de wereld van A. Roland Holst. Hij  schreef eens over zijn eigen werk: ‘wat ik opschreef (…) [had] geen ander doel (…), dan een mij ingeschapen wezen, dat in het dagelijks leven nooit, of in veel te geringe mate, aan bod kwam, maar buiten hoorbaar en zichtbaar te maken: enigermate te bestendigen, wellicht.’ In dat besef stemt de poëzie van de mysticus Van de Berge overeen met die van Holst. Hun beider poëzie lijkt in ballingschap te zijn geschreven.
     De cyclus ‘Wit landschap met gestalten’ leidt naar enkele omvormingen, naar witte schaduwen in de herinnering van de wakenden om uiteindelijk de aantrekking zelf te benaderen in een wezensstilte. Het komt er op aan dat de wij zich openstelt voor de ‘kristallen droomgezichten’ en om de ‘aanwezigheid van een onbekende liefde in ons te laten vullen’. Het gaat erom in de ‘stilheid’ van het ‘wezen van het grenzeloze (…) te zijn’. Zodra de dichter probeert een vast punt in zijn denken en/of gewaarworden te vinden, doemt er alweer een tegenbeweging op.
     Van de Berge personifieert voortdurend abstracties en omarmt de paradox, maar wijst deze ook telkens weer als ontoereikend af. De volmaaktheid van het onzichtbare lijkt in beeld te komen, want het grenzeloze en het begrensde sluiten elkaar niet uit. In een dergelijke meerzijdige ervaringswereld wordt de identiteitsvorming vloeiend: ‘En we wisten dat we nooit wij waren geweest wie we waren.’ Zoals het duin de gestalte van de wind bewaart, zo bewaart de mens de gestalte van ‘de stilte / nadat de mens verdwenen is/’. Er is bij de wij het voortdurende verlangen doordrenkt te worden van het onuitsprekelijke. Een alles omsluitende stilheid en de roerloosheid van de verten doet de wij verdwijnen in de gelijktijdigheid van eindeloze eindeloosheden.
     De voortdurende wenteling van elkaar in- en uitsluitende abstracte formuleringen doet na intensieve lezing een duizeling ontstaan die misschien ook wel de ervaring is die de dichter bij de lezer wil bewerkstelligen. De geconcentreerde tuimeling in verten, spiegelingen, tijdeloosheden en oneindigheden is een aanhoudende schreeuw om verlossing uit de taal die beperkingen oplegt, opdat de ‘inwijdende binnentreding in de weerspiegeling van / de aantrekking’ kan plaatsvinden. Dat is volgens Van de Berge de schoonheid die hij wil dat we gaan ervaren. Wat in ons verborgen en onbestaand is, zal zich aan ons manifesteren.
     Na het witte landschap volgen de ‘Omvormingen’. De witheid van het teruggekeerde licht geeft een ‘gevoel van onbestemde verhevenheid’ en opgenomen te zijn in het alzijn, in de heiligdommen van de stilte. Droombeelden omhelzen elkaar, een landschapsloze echo weerklinkt: ‘De klank van de droomstem is verweven met ons zwijgen / en wist in ons zichzelf uit op de altaartreden naar / de lege offerschalen van de verte.’ Telkens weerklinkt de stem van het lyrisch subject dat weer tot zwijgen moet worden gebracht. Een ieder vindt zichzelf onder die omstandigheden in elkaar. De wij is getuige van een verbondssluiting. Daarbinnen bestaat geen identiteit: ‘Er is geen wereld voor het naamloze. / Er is geen naam voor het verdwenene’.  De extase van het sprakeloze vloeit als ‘een wijde golf / doorheen alles en omsloot ons’.
     De evolutie gaat verder. In de cyclus ‘Witte schaduwen in de herinnering van de wakenden’ ruisen de droomaangezichten in de ‘lichtvervulde stilte’ langs, in het besef dat ‘wat voorbij het bestaan is, is wat meer is dan wat is’. Zo is het mogelijk in deze stilte te spreken met het onuitsprekelijke. Er leeft het sterke verlangen zichzelf te vervolmaken, zich te verliezen ‘in het onbereikbare van het oorsprongsloze’. Het vloedwater dat door de hemelwelving in beweging wordt gebracht, maakt de ‘witte schaduwen in een herinnering’ zichtbaar. Het concrete beeld van deze ‘onaardse verstilling van de zwaan op de stilte van / het witte oeverzand’ geeft aan de wij in deze kosmische context een gevoel van vervuld zijn. In deze ‘sculpturale leegte van openvloeiing en terugplooiing, / verwijding en verdichting’ toont zich ‘de onzichtbare drijfkracht’, de grote aantrekking, de schoonheidsvervulling waar alles om te doen is.
     De cyclus ‘De aantrekking’  doet de wij beseffen dat er een andere wereld begint. Het lijkt wel alsof de avond stilstaat ‘op het grafvormige duin’. Er weerklinkt een tempelzang, vol overgave. Wat de taal begrenst en vastlegt, maar onmiddellijk zijn begrensdheid verliest. Er is sprake van een aanraking in het ‘ruimteloze getijdenkrachtveld’ waarmee de oproep verbonden is om elkaar in dit veld van onbegrensheid niet te verlaten. In het onuitsprekelijke is wat van onszelf nooit verdwijnt. Niet de taal of de ziel spreekt, maar het onuitsprekelijke spreekt met een zwanenstem: ‘alles is voleindiging.’
     Aan de andere zijde van de nacht klinken ‘krachtvelden van stemsferen’ op. In deze omgeving van duin en zand lijkt het sprakeloze te kunnen spreken ‘door de verglaasde stemspleet / van de ruimte, liggend op het stuifduin’. Degenen die elkaar liefhebben, vragen zich af hoe zij in elkaars herinnering zullen blijven bestaan: ‘als we niet bestaan, / zullen we verschijnen in elkaars herinnering als wat zichzelf / schept zonder zichzelf te ontmoeten’. De oproep volgt:  ‘O, zoek mij niet in wat je bent, zoek mij in wat je niet bent’. Voortdurend vindt er over en weer een doordringing van de ziel plaats in de ruimte en het licht, opdat het bestaan alles en stilte wordt, en de wij het heelal is. De verblijfplaats van de wij is het onzichtbare geworden. Spiegelbeelden zingen geluidloos de wijding van de wijzang, de stilte beantwoordend met hun sprakeloosheid. Onze verblijfplaats was en is het onzichtbare. Voor Van de Berge is onuitsprekelijkheid taal en taal is onuitsprekelijkheid. En niets rest ons dan nog dan de bezwering.
     De bundel wordt afgesloten met een gebed:

We omhelzen je onuitsprekelijkheid als een woord dat van je
uitgaat en door ons heen naar jou terugkeert, het onbestaande
van onszelf in je verbergend, en eindeloos als jij is
het bestaande van onszelf en nooit ontstaat het
en nooit eindigt het.

     Daarmee heeft de tijd plaats gemaakt voor de oneindigheid. In een lange slaap strekt de wij zich uit, ‘ver van het oord van  onze woorden, / gegrepen door een glans waarin alle taal / haar kracht verliest’.
     Het blijft een wonderlijke, en soms vermoeiende ervaring poëzie te lezen die op gespannen voet staat met het onuitsprekelijke. Voor mij blijft deze poëzie voor lezers die ingewijden willen zijn in dit kosmologische, mystieke labyrint waarin Van de Berge zich ver van de werkelijkheid van alledag heeft verwijderd.

***
Claude Van de Berge (1945) is een schrijver en dichter met een omvangrijk oeuvre. Hij ziet zijn poëzie graag in het licht van de middeleeuwse vocaalpolyfonie, de Duits-Vlaamse mystiek en moderne kosmologie waarin hij de tijdeloosheid tracht te vatten. Hij wordt door de meeste commentatoren beschouwd als een transcendentalist in de Nederlandse literatuur.

Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Meliza de Vries (1982)

Hoe we ons opladen

Tussen kwijtraken en blijven wachten
verlengen we kabels voor een beter bereik,
om je te laten struikelen als je binnenkomt.

We vormen een comité met plakkerige handen
van zuurstokken en limonade, te sterk gemengd:
er zitten gaten in onze harten

als de kleine wijzer op de tien staat, volgen we hem
tot we naar lege batterijen verlangen,
in plus- en mintekens zijn veranderd.

Marnix Speybroeck (1947)

PIÈCE ANNICK

Verhalen in het Noorden begonnen altijd al met kerven,
met runen uit het juiste hout gesneden, met geur van vers
gevelde bomen, met eeuwenoude bossen waarin wij allen
ooit verdwalen. Geboekstaafd krijgen wij de namen waarmee
we moeten leren leven: tijger, krijger, zwijger …

Voor je mij benoemt, moet je weten wie ik ben. Een boeienkoningin
de handen op de rug gebonden. Een slang die telkens weer vervelt.
Het jonger zusje van Peer Gynt met zeker duizend rokken, niemand
kleedt mij ooit volledig uit. Ik ben een artisjokkeneetster, blad na blad
heb ik gedegusteerd tot enkel nog het hartvlees bleef.

Dit zijn de dingen waar ik goed in ben: het enteren van ogen,
het boeten van gekwetste harten, het rijden zonder teugels
op paarden met een zwart gebit, het verloren lopen in ander-
mans verhalen, het vullen van putten met spijt, en ondanks
alles het vruchteloos opnieuw beginnen.

Aanbid me niet, bewonder het pigment dat mij verbeeldt, schrik niet
als je hand het canvas raakt, tast toe, geen bonzend hart dat wacht,
geen longen vullen zich met lucht, geen lippen tuiten zich tot kus.
Lees mij als een loos alarm want zwart was nooit een kleur.
Roder rood zal niemand ooit je schenken.

Geschreven bij het werk van beeldend kunstenaar Annick Van Deynze

Bert van den Helder (1960)

Puberpoëzie

Hij kucht en dan onthult hij het gedicht
Verheugd dat hij haar nu durft aan te spreken
Zijn stem is vast, er klinken geen gebreken
En hij ontwaart een lach op haar gezicht

Zij is zijn muze sinds een zestal weken
Toen heeft hij haar gezien bij lentelicht
Haar wilde krullen hebben hem ontwricht
Haar ogen hebben door zijn ziel gekeken

Hij wist zijn zinnen in een vers te vangen
En nu zij hem gewoon zijn gang laat gaan
Vertellen al die woorden zijn verlangen

Helaas heeft zij hem niet zo goed verstaan
Ze roept, wijst naar de draden langs haar wangen
“Ik heb mijn oortjes in en Techno aan”

Recensie van Vogels, vlinders & andere vliegers - Hans van Pinxteren

Het uitzicht wordt inzicht

Hans van Pinxteren
Vogels, vlinders & andere vliegers
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028280229
€ 24,99
128 blz.

In de popmuziek komt het voor: een ‘Best Of’-album met twee of drie nieuwe nummers. Leuk voor de echte liefhebber die alles al heeft, behalve die nieuwe muziek, goed voor de verkoop. Maar bij het uitgeven van poëzie bestaat dat nauwelijks: verkoopbevordering. De oplages zijn klein, met hier en daar een uitzondering. De bundel Vogels, vlinders & andere vliegers is een soort ‘het beste van Hans van Pinxteren’ en toch een beetje anders.

Anders omdat een bundel, de structuur ervan, de samenstelling, kan worden gezien als het grote verbindende metagedicht waarin de dichter een eigen betekenis in kwijt kan. Deze bundel heeft eigen afdelingen en een eigen volgorde los van de chronologie van het ontstaan van de gedichten. Zoals de dichter het zelf zegt in de verantwoording: “Uit het vroegere werk heb ik de gedichten waarin ik mij nu nog kon vinden verzameld, ze in nieuwe reeksen gerangschikt en aangevuld met een handvol ongebundelde gedichten. De oude gedichten zijn op menige plaats gewijzigd.”

Zo lijkt de fraai vormgegeven bundel met de twee musjes op de omslag opeens geen ‘Best Of’ maar een afscheidsgebaar. Hans van Pinxteren snijdt de pas af van de samensteller van een verzameld werk met zijn negen eerder uitgegeven bundels. Hij presenteert niet alleen zijn beste werk, in zijn ogen is dit al zijn werk. Tot nu toe. Ik vraag mij af of er een elfde bundel te verwachten valt.

Dat zou jammer zijn, want het dichtwerk van Hans van Pinxteren is veelzijdig en avontuurlijk. Van Pinxteren is de fotograaf die zijn camera en lenzen thuis heeft gelaten en het fraaie uitzicht voor zijn ogen fixeert met pen en papier. Dat geeft de mogelijkheid om het tweedimensionale beeld aan te vullen met de derde dimensie van de werkelijkheid achter het zichtbare. Het uitzicht geeft inzicht is een ontdekking in het volgende gedicht:

DE STAART VAN DE VLIEGER

Dit venster een ruit 
ik kijk naar buiten 
het is geen morgen meer 
het is zo goed als zomer

deze ruit een vlieger 
op een stralende dag 
staat in de middag de vlieger 
ziet ademloos in de middag

de staart van de vlieger een iris, blond 
en blauwe navelstreng in een zon 
geler dan het bloeiende koolzaad 
vlinders en vogels rond staart

de vlieger staat in de avond 
vallen doet alleen mijn schaduw 
in de vensternis 
schaduw die steeds paarser wordt

kijk ik later nog naar buiten 
wordt het uitzicht inzicht 
valt de vlieger in de ruit 
samen met de bodemloze nacht

Zeven afdelingen kent de bundel, waarvan de middelste, ‘Leeg centrum’, alleen witte pagina’s laat zien. Een dichtersgrapje à la K. Schippers, verder is het toch wel een serieuze bedoening in de gedichten van Van Pinxteren. Niet zwaarmoedig, maar voorzichtig onderzoekend, ook aan de hand van de mogelijkheden van de taal. In ‘Zonsopgang’ is de vraag of de schaduwen van de nacht verdwijnen voor het licht, of toch eerder met het licht

(…)

of liever nog 
bestaan niet bij het licht 
van de opkomende zon

En is al datgene wat je waarneemt het leven zelf of zoals Jan Luyken zegt in het motto van de bundel: ‘Droom is ‘t leven, anders niet, (…)’? Die droombeelden onderzoekt Van Pinxteren over de hele wereld. Van de Friese polder in de buurt van Stedum tot in verre oorden in Portugal of Indonesië. Het zijn niet de meest gangbare toeristenoorden waarheen hij afreist, dus helpt het raadplegen van de atlas bij sommige gedichten. Maar geen enkele plaats wil het echte antwoord prijsgeven. De queeste gaat alsmaar door…

KARAKTERS IN HET WINTERLICHT

Verder gaat de tocht 
waar ik naar woorden zocht 
om mijn wereld te gieten in een taal ongekend 
daagt een afgrond

mijn vragen gapend 
mijn denken scherend langs het niets 
bewaar ik het stilzwijgen lang genoeg 
om de kalkgang van de taal achter mij te laten

voorbij de dooddoeners van het gemak 
van wie het voor het zeggen hebben 
herken ik in de verlatenheid van een stad mijzelf 
herken ik mijzelf niet meer

knippend met mijn ogen in de winterzon 
vind ik de vraag terug hoe het gemoed zich opent 
in de winterzon herleef ik zonder schroom 
de naaktheid van een lindeboom

neem ik de schemer tussen mijn wimpers 
zie ik zijn takken bijten 
zijn takken mijn karakters bijten 
in het winterlicht

De veranderingen die Hans van Pinxteren in zijn bestaande werk heeft aangebracht, bevatten iets meer dan interpunctiezaken. Zeker, veel komma’s en punten moesten het ontgelden, evenals hoofdletters, maar er zijn ook regels verdwenen en woorden vervangen. ‘Meanders in de zon’ is als titelloos gedicht terug te lezen in ‘De 100 beste gedichten van 1996′, samengesteld door Herman de Coninck. Het gedicht onderzoekt of wat we lezen en zien in de kunst er ook is in de traditie van ‘Ceci n’est pas un pipe’. Hij heeft de pijp afgepakt van Magritte en doorgegeven aan Maigret. Er meanderen vlinders (!) rond de vaart. De wat uitleggerige regel ‘Of deze vaart je zou vergaan doet er niet toe.’ is verdwenen. Voer voor letterkundigen om het verhaal achter de varianten in kaart te brengen en te duiden, er ligt genoeg te wachten.

Vogels, vlinders & andere vliegers van Hans van Pinxteren is zijn ‘Opus Tien’, maar lijkt een afscheid, een requiem. Van Pinxteren onderzoekt zijn oeuvre en neemt alleen die gedichten op waar de uitstorting van de Heilige Geest (nomen est omen) nog in nog terug te vinden is. En zo vliegen we met hem en alles wat vliegen kan, de wereld over om met taal indrukwekkende beelden te vangen om zo de grens tussen droom en werkelijkheid te betrappen.  

***
Hans van Pinxteren (Amsterdam, 1943) is een Nederlands dichter en vertaler van Franse literatuur. Hij vertaalde onder meer werken van Gustave Flaubert, Michel de Montaigne,  Voltaire, Charles Baudelaire en Arthur Rimbaud. 

‘Ik ontvlucht het niet, ik zet het liever om in creativiteit’

 

Nafiss Nia is een Iraans-Nederlandse dichter, filmmaker, literaire vertaler, cultureel ondernemer en diversiteitsexpert. Ze studeerde Film aan de Kunstuniversiteit en Moderne Perzische literatuur aan de rijksuniversiteit in Teheran. In Nederland heeft ze Scenario-opleiding gevolgd aan de Film- en Televisieacademie in Amsterdam.
Van haar zijn twee dichtbundels-
Esfahan, mijn hoopstee (2004) en De momenten wachten ons voorbij (2012) gepubliceerd en een vertaling van Moderne Perzische Poëzie- Stegen van stilte (2007). Haar derde bundel 26 woorden voor schoonheid komt binnenkort uit bij de uitgeverij Bornmeer.
Naast poëzie heeft Nafiss korte en lange films gemaakt, in opdracht of vanuit haar eigen productiebedrijf
‘1001 Production House’ .
Sinds oktober 2012 werkt ze als artistiek en zakelijk leider voor
Stichting Granate . Granate is opgezet om kansen te creëren voor getalenteerde dichters, schrijvers en filmmakers met een niet-Nederlandse achtergrond en vooral (voormalige) vluchtelingen. Het doel is culturele diversiteit te bevorderen in de Nederlandse film en literatuur.

Het eerste dat me aan je opvalt is de enorme bevlogenheid. Heeft dat te maken met je achtergrond? (Nafiss kwam in 1992 vanuit Iran naar Nederland.)
Dat weet ik niet, ik ben daar waarschijnlijk mee geboren. Als kind was ik al zo, als ik ergens aan begin doe ik het met hart en ziel en ga ik door tot het af is. Mijn hele schooltijd en studententijd was ik lid van allerlei clubs en was ik bezig met het organiseren van allerlei activiteiten en programma’s. Dat is met mijn komst naar Nederland niet veranderd! Ik denk niet dat het iets met mijn achtergrond te maken heeft, het is waarschijnlijk meer een karaktertrek.

Het tweede: je uitgesproken mening, in je blog en je documentaires. Hoe verhoudt die zich tot de poëzie?
Mijn poëzie is maar een van de vormen waarin ik mijn gedachten, mijn mening en mijn gevoelens verwoord. Ook mijn gedichten hebben een uitgesproken onderlaag. Dat kan overigens wel te maken hebben met mijn achtergrond: ik ben opgegroeid met de grote dichters uit de Iraanse literatuur bij wie het engagement ook een wezenlijk onderdeel van hun werk is. Bewustzijn van je omgeving en daarop reageren als dichter, schrijver of filmmaker is mij met de paplepel ingegoten.

Bij een eerder interview in Meander (2008, Sander de Vaan) zeg je te hopen dat niet ieder gedicht een afrekening met het verleden is. Je bent ervaringsdeskundige bij onze huidige vluchtelingenproblematiek. Kom je niet steeds je verleden tegen?
Ik denk dat in deze vraag een aantal dingen door elkaar lopen. Ik hoop nog steeds dat niet ieder gedicht een afrekening met het verleden is. Mijn gedichten gaan soms over de vluchtelingenproblematiek, maar veel vaker over tal van andere onderwerpen, over mensen, over de relatie van mensen met elkaar en tot elkaar, over wat mensen ontroert, aanspreekt of voortbeweegt. Ook mijn gedichten over de vluchtelingenproblematiek zijn niet per se een afrekening met mijn eigen verleden. Deze gedichten zijn gemaakt om bewustwording en begrip te creëren bij het publiek. Voor ieder mens geldt dat het verleden altijd een onderdeel van je leven blijft, dus ook voor mij. Ik ontvlucht het niet, ik zet het liever om in creativiteit.

In onze recensie van je tweede bundel (2012, Levity Peters) zegt Levity Peters dat alles wat er in je leven plaatsvond, een plekje kan krijgen in je poëzie. Hoe is het anno 2017?
Dat is nog steeds hetzelfde. Poëzie is mijn leven, en mijn leven is poëzie.

Hij noemt de ‘virtuoze vanzelfsprekendheid die je eigen is’. Ik las dat je heel snel al in het Nederlands bent gaan schrijven maar Perzisch denkt. Je geeft nu een Poëziecursus in een nieuwe taal waarin je deze beide zaken combineert: Pernederlandisch. Hoe reageren de cursisten?
Eigenlijk zou je dat aan mijn cursisten moeten vragen. Tegen mij zeggen ze in ieder geval dat ze het een heel inspirerende en boeiende manier vinden om poëzie te bedrijven. Ik denk niet in het Perzisch, ik bedoel daar een manier van denken mee. Qua taal is Nederlands uiterst geschikt voor poëzie omdat je voor iedere handeling wel een werkwoord hebt. In het Nederlands heb je bijvoorbeeld het werkwoord oversteken. Dat woord kent het Perzisch niet, daarin moet je de handeling omschrijven en zeg je van de ene kant van de straat naar de andere kant van de straat gaan. Er is in het Nederlands echter een gebrek aan variatie in bijvoeglijke naamwoorden. Perzisch daarentegen is rijk aan bijvoeglijke naamwoorden, het kent soms wel 30 synoniemen voor een begrip waar het Nederlands maar één woord voor heeft. Vandaar de titel van mijn derde bundel die binnenkort uitkomt: ‘26 woorden voor schoonheid’. Dat maakt een taal lyrisch en verheven (en soms bombastisch in de ogen van Nederlanders). De combinatie van het lyrische en bloemrijke van het Perzisch en het nuchtere en praktische van het Nederlands is volgens mij de ideale combinatie voor het schrijven van poëzie en proza.

Schrijven van poëzie geeft mij de kracht om naakt en ongehinderd te kunnen filosoferen zonder daarbij te lang van stof te worden’, zei je in het interview uit 2008. Hebben jouw gedichten uitleg nodig?
Door poëzie uit ik mijn gedachten en gevoelens, ik leg ze niet uit.

Hebben beeld en taal dezelfde mogelijkheden?
Beeld en taal creëren samen veel mogelijkheden. Ik voel me rijk dat ik beide tot mijn beschikking heb.

Perzisch is suiker’ is een gevleugelde uitdrukking waarmee Iraniërs de grote liefde voor hun eeuwenoude taal weergeven. Je hebt een prachtige bundel gemaakt met vertalingen. Gaan Nederlanders ook zo met hun taal om?
Ik hoop het. Nederlanders doen graag geringschattend over hun eigen taal, maar tegelijkertijd zie ik de rijkdom van poëzie en dichters in Nederland. Ik hoop in ieder geval dat ik persoonlijk een bijdrage kan leveren aan het groeien van de liefde voor poëzie in Nederland.

Hoe onderhoud je je poëzie en hoe is de relatie tot de lezer?
Door veel lezen en schrijven. Als ik een gedicht schrijf denk ik in eerste instantie niet aan de lezer. De interactie met de lezer/luisteraar begint later, wanneer het gedicht naar mijn idee af is. De lezer vindt mij, ik zoek de lezer niet.

Van al je activiteiten noem ik tot slot nog de Stichting Granate, waarmee je o.a. het Duizendenéén Film&Poëzie festival realiseert. De nadruk ligt daarbij op getalenteerde dichters, schrijvers en filmmakers met een niet-Nederlandse achtergrond en vooral op (voormalige) vluchtelingen. Wat betekent dit voor jezelf?
Voor mij verwezenlijk ik hiermee een droom. Het Nederlandse publiek kennis laten maken met de enorme verscheidenheid aan talent in ons land, talent dat meestal door de omstandigheden waar de kunstenaar in verkeert, onzichtbaar is.

Gedichten

door Nafiss Nia (1968)
Niemand lijkt vandaag jarig te zijn, het knopje
aan&uit van de wasmachine is stuk
en
de rode kaart met een witte paraplu erop die je
me vorig jaar stuurde is door de regen nat
en
ik zit aan de koffie en besef dat ik nog moet
wachten op de postbode met goed nieuws
en
al heb ik je spoor op de mooiste stoel in mijn
kamer niet afgestoft, kom je niet terug
en
wat is het eenzaam om alleen met
je herinneringen te moeten leven.
Je hoeft niet het verleden in te pakken en op de schoorsteen
te zetten. Je hoeft niet in kamers van zo-nu-en-dan-verliefd
wakker te worden. Je hoeft niet na iedere omhelzing om te kijken
de gordijnen gade te slaan of aan wrevel te zuigen.

Je mag wel je haar kammen, je mooiste pak uit de kast
halen en je veters strikken. Ongeacht het weer mag je
op een terrasje zitten, naar de zwevende voeten kijken
of alleen aan het water denken.

Je hoeft niet je portemonnee mee te nemen. Je hoeft
niet voor een bestelling over de schaduwen heen te
struikelen. Je hoeft niet uit beleefdheid om iedere grap
te lachen. Je hoeft niet naar mijn favoriete vogel te vragen.

Je mag wel naast me zitten, van mijn koffie drinken en
in mijn ogen kijken. Je mag mijn geboortedag weten, mij
naar Wind, Zee of Kiezel noemen en weer vergeten. Je
mag ook alleen een koekje met mij delen.

Je hoeft niet de kleur van mijn ogen te onthouden. Je hoeft
niet meer van mij te houden. Je mag wel later deze dag
herinneren. Je mag denken dat ik er was, dat ik er ben
en dat ik voorbij gisteren naar een fluwelen tijd ga.

Sprong

Blauw strekt zich tot het eind
Een val, de lucht vult mijn
longen, knijpt mijn gezicht,
neemt mijn haren mee

We staan in een rij en zijn nog
niet aan de beurt. Wie weet wordt
het wachten nog beloond.
Voelt de meeuw zich hetzelfde?
De zee is zeker een veren bed.

Hoog hoger nog hoger
Zelfs de bal verlangt naar zijn val
Hij springt van de ene hand naar
de andere, smeekt voor genade en
zucht. Zich tot een val dwingend,
laat hij het evenwicht varen. Hij
valt, wat een opluchting! Een paar
handen rapen hem weer op. Het
genot herhaalt zich.

Niet bij de eerste sprong, niet bij
de tweede, we behoren de laatste toe.
Hoog hoger nog hoger
De hond blaft kwispelend, zou hij
ook naar het vliegen verlangen?
Heeft hij een verlanglijst?

Hier mag iedereen de lucht in,
de jongste is vijf jaar geweest,
de oudste negentig, de Laatste
is optioneel. Je valt als een steen,
je zweeft als een veer en je
landt als een lindeblad.
Daarna rest mij een brede lach.

De eerste twee gedichten komen uit de nog te verschijnen bundel 26 woorden voor schoonheid. Het derde gedicht staat in De momenten wachten ons voorbij (2012).