Recensie van Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie - Peter van Lier

Gefundenes Fressen voor dichters en denkers

Peter van Lier
Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552879
€ 24,99
248 blz.

In de inleiding van de bundel beschouwingen met de intrigerende titel Geachte afwezigen, stelt filosoof en dichter Peter van Lier terecht de even intrigerende vraag waarom iemand gedichten begint te schrijven. Het is een moeilijk te beantwoorden vraag waarop veel dichters het antwoord schuldig blijven. Interviews en autobiografische teksten bevatten vaak attributies en soms ook overtuigende misleidingen, dichters zijn immers vertrouwd met het gebruik en het omzeilen van valstrikken. Hierna parafraseer en becommentarieer ik de inleiding.

Van Liers beginvraag werd niet beantwoord door P.B. Shelley, die in 1821 A Defence of Poetry heeft gepubliceerd. In dat werk heeft hij op het belang van poëzie gewezen. Hij bracht haar in verband met de verbeelding en zag in de poëtische expressie een tegenhanger van de onderzoekende en beschrijvende wetenschap. Als Shelley inderdaad dat denkpatroon heeft gevolgd en tot het besluit is gekomen dat de verbeelding noodzakelijk was om de mens en de wereld te verstaan – en dat is geen equivalent van begrijpen en verklaren –, dan heeft hij twee dingen over het hoofd gezien: (1) de wetenschap is gericht op verklaren en beheersen, en (2) de verbeelding heeft geen eigen onderzoeksobject, maar kan in veel domeinen nuttig zijn, o.a. in de wetenschap. De verbeelding van een kunstenaar is niet gericht op verklaren en beheersen, ze zoekt betekenisvelden op en richt zich op het verstaan, waardoor ze waarheid in het werk kan stellen. Exact en waar zijn geen synoniemen. Maar het is o.a. ook de verbeelding die in de geneeskunde tot de beheersing van ziektebeelden heeft geleid, en dat is slechts één voorbeeld. Het aantonen van het belang van poëzie – en daar kan niet aan getwijfeld worden – is nog steeds geen antwoord op de vraag waarom bijvoorbeeld Shelley zelf of Hölderlin gedichten hebben geschreven.

In 1978 heeft Jacques Hamelink de relatie tussen mens en wereld aan drie elementen gekoppeld: tijd, geschiedenis en sterfelijkheid. Dat zijn zeer ongelijksoortige categorieën. Tijd is een onvatbaar continuüm, geschiedenis is een abstractie die werd bedacht om vat te krijgen op de onvatbare tijd, en sterfelijkheid is onontkoombaar en een door de mens ervaren realiteit. De relatie tussen mens en wereld is niet alleen complex, door het verdwijnen van God, zo luidt het betoog, is het verband ook verstoord. Seamus Heany heeft ervoor gepleit de mens weer overeind te zetten (to redress), en dat is geen evidente taak, want volgens Hamelink heeft de technologie ons een alternatieve wereld voorgeschoteld. Baudrillard ging nog verder en voorspelde het einde van het ‘Reële’, dat kennelijk door virtuele manifestaties zal worden verdrongen. Van Lier heeft nog altijd geen antwoord gevonden op de beginvraag, en vraagt zich af hoe hij in de huidige omstandigheden poëzie kan verdedigen.

Verdediging is voor de essayist een te zwak begrip, hij geeft de voorkeur aan verweer, en dat heeft hij impliciet aangetroffen in het werk van Hans Faverey, Gerrit Kouwenaar en Kees Ouwens, die zich van de talige poëzie hebben afgewend om opnieuw het concrete leven centraal te kunnen stellen, of zoals Van Lier het zelf heeft geschreven: ‘de woorden [werden] weer betrokken op de dingen en andere fenomenen die zich aan het bewustzijn voordoen.’ (p. 11) In de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn dichters aan bod gekomen die ‘het contact met de werkelijkheid [willen] herstellen, waar dat verloren is gegaan.’ (p. 12)

Gelukkig zijn woorden referentieel, ze verwijzen niet alleen naar andere woorden, maar in de allereerste plaats naar dingen die al vóór de woorden bestonden, al wordt in sommige filosofische benaderingen het woord als constitutief beschouwd. De taak van de dichter en de essayist is dan ook ‘het ontwikkelen van aanwezigheidsstrategieën,’ (p. 14) of de herontdekking van de wereld. Dat zal gepaard gaan met duistere ervaringen, want taal en zijn hebben een duistere oorsprong, en kunnen naar mijn aanvoelen het best benaderd worden vanuit de fenomenologische inzichten van Maurice Merleau-Ponty. Dat de dingen volgens Kant niet fundamenteel kenbaar zijn, is voor de levenservaring geen probleem, belangrijk is de betekenis ervan voor de individuele en intersubjectieve existentiële ervaring, en die begint met de zintuiglijke aftasting van de wereld door lichaam en geest.

Na de zeer compacte en vrij complexe inleiding richt Van Lier zich op de toepassing van zijn inzichten. Hij neemt het werk van Faverey en Lucebert onder de loep. Zij hebben hun oorspronkelijk op de taal gerichte poëzie ingeruild voor vitaliteit en ontvankelijkheid, zijn is immers meer dan aanwezig zijn (in woorden).

De essayist vindt het echter zinvol om nu en dan ook over eigen werk na te denken, en dan duikt een tweede vraag op: ‘hoe schrijft men goede poëzie?’ (p. 19) Ook op die vraag kan Van Lier geen coherent antwoord bedenken. Hij vertrouwt op de inval en schaaft daarna de gedichten zo weinig mogelijk bij. De inval zorgt ervoor dat ‘de gedichten vrijwel meteen in hun definitieve vorm verschijnen.’ (p. 19) Ikzelf schrijf min of meer op dezelfde manier, en dat betekent dat er heel veel tijd kan verstrijken tussen twee invallen. Goede poëzie is volgens Van Lier het resultaat van de poëtische inval, maar die stelling gaat niet altijd op. Ikzelf gooi meer dan eens ‘invalgedichten’ in de papiermand, andere blijven overeind en sommige worden wat bijgeschaafd. ‘Zinledige’ momenten zouden volgens de essayist bijdragen aan het ontstaan van invallen. Hij heeft aanknopingspunten gevonden in het werk van Hölderlin en onderbouwt zijn stelling nog met Cornelis Verhoevens commentaren in verband met geesteshoudingen. Volgens Verhoeven doen invallen zich voor op het ogenblik dat men ongestructureerd aan het mijmeren is, en men doet er goed aan die opwellende gedachten of beelden meteen te noteren, want anders gaan die verloren. Ik denk meteen aan Kierkegaard die overal papier en een pen klaar had liggen en bijna overal kaarsen liet branden. Kierkegaards invallen waren niet goedkoop. In de beschouwingen over de inval komen de inzichten van Lyotard, Heidegger, Maurice Blanchot en de dichter Francis Ponge aan bod. Voor de geïnteresseerde lezer vermeld ik graag dat Heidegger zelf gedichten heeft geschreven en dat hij bevriend was met de dichter René Char.

Na de filosofisch getinte beschouwingen richt de essayist zich op het werk van Faverey, en maakt hij opnieuw een excursie naar het grensgebied van de filosofie met namen als Nishitani, nogmaals Heidegger, Sartre, Camus en de middeleeuwse filosoof, theoloog en mysticus Meister Eckhart. In een volgende tekst becommentarieert Van Lier zijn eigen werk. Wellicht om verdachtmakingen te voorkomen, verwijst hij naar het werk van de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis, die kennelijk zo veel bedenkingen bij zijn eigen gedichten heeft geschreven dat zijn verzameld werk vooral uit die commentaren bestaat. Al vlug worden hier Immanuel Kant, Samuel Beckett en René Descartes in de tekst binnengeloodst. Ook daarna heeft Van Lier het over zijn eigen werk, en dat is niet verwonderlijk, hij erkent immers dat ‘het schrijven de belangrijkste bezigheid in [zijn] leven is.’ (p. 73) Aan zijn gedicht ‘Wie eenmaal’ hangt hij enkele beschouwingen op over gedichten die in één ‘geut’ het papier hebben bereikt. Het gedicht en het commentaar doen me denken aan het gedicht ‘Jonge sla’ van Rutger Kopland dat, althans volgens Kopland zelf, ook in één vloeiende beweging het papier veroverde. Van Lier had het in zijn gedicht over een ‘snuitkever’, en het is een door het publiek en de dichter zelf gesmaakte tekst. Minder filosofisch en leuk, maar toch wat aanmatigend zo’n intermezzo. Het zijn overwegingen die eventueel in een dagboek of in een briefwisseling over poëticale opvattingen thuishoren, niet in een bundel essays.

Daarna worden andere registers opengetrokken, de essayist haalt o.a. Willem Bilderdijk en zijn gedicht ‘De krekel’ van onder het stof, en daarna komen Hölderlin (kort) en Kouwenaar (uitgebreid) aan bod. Van de poëzie naar de filosofie is maar een kleine stap, en Van Lier zet die moeiteloos, daarbij gesteund door de terechte overweging of de filosoof Cornelis Verhoeven ‘niet in wezen een dichter was.’ (p. 119) Van Lier vraagt niet alleen meermaals om aandacht voor Verhoeven, maar ook voor Plato, Leibniz en opnieuw Heidegger, die zich afvroeg ‘Waarom is er iets en niet veeleer niets?’ (p. 115) Dat bij de vele verwijzingen naar Heidegger niet één maal de dichteres en filosofe Annie Reniers werd vermeld, verbaast me wel. Daarna komen nog Jan Hanlo, Leo Vroman, de componist Rachmaninov en Kees Ouwens aan bod, en ook daar verheft de filosoof zijn stem: ‘De wetenschappen hebben veel baat gehad bij de scheiding  die Descartes tussen subject en object heeft aangebracht. Kunstenaars zijn dit rationele onderscheid echter als een scheiding in de belevingswereld gaan ervaren.’ (p. 153) Bij dat inzicht sluit ik me graag aan, en wie de scheiding hinderlijk vindt, herinner ik aan de inzichten van Maurice Merleau-Ponty. Ook het werk van F. van Dixhoorn wordt vrij uitvoerig besproken en daarbij wordt ook Guido Gezelle uit het vergeetboek gehaald. Voorts passeren ook nog Elma van Haren en Gerard Reve de revue, altijd met digressies naar andere dichters en denkers.

Het is geen gemakkelijke opgave om het werk van de belezen denker en dichter op een bevattelijke manier voor te stellen. Als recensent heb ik hooguit de mij meest treffende beschouwingen belicht. Voor lezers met een uitgesproken interesse voor wijsgerige uitweidingen én poëtische bespiegelingen is het boek van Van Lier ‘gefundenes Fressen’, of een uitgelezen mogelijkheid die men niet verloren mag laten gaan. Tot slot nog een overweging. Van Liers inspanningen zijn gericht op het herstellen van het verloren contact met de werkelijkheid, en daar past een dubbele wenk van de dichter-criticus  Raymond Herreman bij: vergeet niet te lezen, en vergeet (vooral) niet te leven, dan is het contact met de werkelijkheid verzekerd.

Gedichten

door Francis de Preter (1932)
Francis de Preter (Deurne-Antwerpen, 1932), woont in Heist-op-den-Berg (B), schrijver, dichter en vertaler. Werkt mee aan tijdschriften in Noord en Zuid, w.o. Schoonschip, Portulaan, Gierik/NVT etc. Hij publiceerde een tiental dichtbundels en behaalde verschillende literaire onderscheidingen. Een Franstalige bundel is in voorbereiding (lente 2018).
 

Barometer

Het hemelbeeld
staat in de spiegel
van de barometer:
kijk hoe de naald
die in de luchtkolom prikt
de wolk doorboort,
zon doorlaat in het glas
en cijfert, kleinschalig,
wat heerst in de atmosfeer,
wat neerslaat in windzingen
buiten de hofmuren, binnen
het kader van licht
en donkere deuren.

Instrument, reflectie
van het heimwee
naar verloren dagen van schoonheid,
aanwezig in het gulden getal
aanwijsbaar met de magneet
aan de pijl, de staalblauwe
indringende pijnpijl.

Sneeuwdag

Het sneeuwt! De radio speelt
een vroegbarok Adagio.
In de oven rijst het brood
zoals een sneeuwbal opbolt
die uit kinderhanden rolt.
Zoet is de geur van het deeg,
maar ijs smaakt als ijzer op de tong,
zout als de zee, wit als bloem,
het manna van de winter.

Ik lig -voel sneeuwkristallen in de rug-
met kille leden voor het venster.
Het tafereel wordt ingezoemd:
zwaarbeladen Breughelbomen,
vinken als raven, bevroren op het doek.
Ik zie hutten, wankele schaatsers
op de glijbaan naast de steiger.
Ik zie jaren uit hun kader springen
en de zon, doorzichtig roze,
duikt onder dikke dekens van sneeuw.

Seizoenendans

Ze tollen in een dolle molendans,
in een zuchtend spiraal,
ze zoeken in hoeken en spleten
een onderkomen voor de wervelstorm
en afweer tegen harketanden:
de bladeren van november.

Bladerend door die oude krengen
vind ik nog een gloeiend exemplaar,
rood omzoomd, met krakende nerven:
zomer die taande, een afgerukte zonnestraal
als schaamteblos op een kinderwang.

Recensie van Hertenblues - Job Degenaar

Blues op de stroomfiets

Job Degenaar
Hertenblues
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519092
€ 19,50
94 blz.

Taal is geen stilstaand gegeven, maar voortdurend aan verandering onderhevig. We moeten om gezond ouder te worden bewegen en dat is kennelijk niet tegen dovemansoren gezegd, want als je op een willekeurige zomerdag op je fiets stapt dan kom je hordes ouderen in felgekleurde windjacks op e-bikes tegen. Uitstekend, er is geen plaats voor ergernis, want de mensheid is goed bezig, maar …  e-bikes, dat woord schuurt, weer zo’n overbodige Engelse enclave in ons mooie Nederlands. Job Degenaar heeft de remedie gevonden en introduceert het woord stroomfiets. Een vondst waar iedereen op zou kunnen komen. Toch ben ik de dichter dankbaar voor dit neologisme en hoop dat het ingang zal vinden in brede kring. Zelf ga ik het in ieder geval vanaf nu gebruiken. Vermoedelijk is het overigens niet een vondst van de dichter, want ik kwam op het web een verhuurbedrijf in Kampen tegen met de naam Stroomfiets en ze bleken ook nog stroomfietsen te verhuren.
Niet alle nieuwigheden in de bundel Hertenblues kan ik waarderen, want Degenaar laat af en toe het werkwoord weg, zoals je de laatste tijd veel hoort doen: ‘dus giechelen ze om hun selfies en juist / als er gestemd moet over een campagne / tegen het bewind, dribbelen ze op / kousenvoetjes om thee en koekjes weg’. In een andere regel laat hij het werkwoord ‘gaan’ weg: ‘Vannacht zouden we naar Zeeland / met koffers vol jeugdherinneringen’.

Het motto van de bundel is een dichtregel van de Duitse dichter Reiner Kunze. Degenaar heeft gedichten van deze Duitser vertaald. Het motto luidt: ‘Doch schon der kiesel / nimmt die wärme an / der hand’.
Ik denk dat hij dit motto heeft gekozen om tot uitdrukking te brengen dat we de dingen die we waarnemen, meemaken en lezen, opslaan in ons geheugen en integreren in ons brein tussen de eigen indrukken. Zoals een steentje in je hand de temperatuur van de hand overneemt.

Hertenblues is opgebouwd uit: ‘Klein verband’, ‘Ultieme levenstekens’, ‘Mores leren’, ‘Verzen voor bejaarden’ en ‘Radioruis, sneeuwbeeld’. Tussen de gedichten staan zes illustraties, die verband houden met het gedicht op de naastgelegen pagina. Dat is wel prettig; niets is zo vervelend als er geschreven wordt over een kunstwerk waar je geen voorstelling van hebt.

Degenaar is een uitstekend observator, weet de sfeer in combinatie met de omgeving prachtig onder woorden te brengen en geeft goed de stemming van de dichter weer. Een voorbeeld met mooie metaforen: dribbelende meeuwen, droeve fietsen en hobbelende tractoren. Je proeft de sfeer van zo’n natte voorjaarsmorgen.

Een vroege lente op Texel

Wind drukt het eiland neer, de zee gromt
meeuwen dribbelen rumoerig langs de vloedlijn
inktwolken legen zich haastig op het land

achter de dijk schuilen dicht bijeen de schapen
de gekromde bomen bukken nog dieper, in de verte
zijn de ganzenzwermen en boerderijen gewist

De droeve fietsen, het wasrek op de tocht
de uitgebeten tuinstoelen, alles kwijnt
in deze morgen, die maar niet dagen wil

Een trekker hobbelt door het uitzicht en blijft
steken in de modder, moment waarop alles
stilvalt: als een herinnering staan we voor het raam

buiten de onberekenbare wereld, houden
de adem vast, steunend op elkaar
en op de knoppen van gele krokussen

De dichter is een levensgenieter wat blijkt uit de gevarieerde onderwerpen: wijn, reizen in eigen land en verre oorden, humor, actualiteit, nostalgie en, onvermijdelijk, de dood. Vaak gebuikt hij een relativerende toon, zoals blijkt uit het onderstaande gedicht waarin ook de titel van de bundel verwerkt zit. Het begint met de beschrijving van een bijeenkomst waarbij wellicht wat gedronken wordt, vervolgens genieten ze van het uitzicht en ondergaan de magie van het heelal, later keren ze terug naar triviale dingen als Facebook en roken. Dit alles weer met mooie metaforen en een aardige synesthesie: tokkelende sterren op het netvlies

Hoog uitzicht op dit leven

Er lag gestapeld hout dat gloeide
de zon verwaasde achter de bergen
we dronken nostalgisch op het geluk

en bleven zitten, licht beroesd
de avond werd vanzelf nacht
Boven ons installeerde zich

een ontregelend decor van sterren
tokkelend op ons netvlies, soms
doorkruist door stille satellieten

de lichtpijlen van hemelsteen
en het nabij geknipper van
zacht snorrende vliegtuigen

Toen was ’t voor ons, stervelingen
weer mooi genoeg geweest
en omsingelde grondmist ons

een ging op Facebook
een ander rolde een sigaret
en blies vraagtekens de ruimte in

In de verte, vanuit het duister
loeiden herten
hun oude blues

In een aantal gedichten is de dood een motief, een gestorven geliefde en de overleden moeder van de auteur. In het gedicht dat volgt, schetst hij de situatie in een lijkwagen. De natuur buiten de zwarte auto gaat ongestoord zijn gang, net als de tomtom en de chauffeur die honderduit praat over allerlei onbenulligheden. De dichter is heel sociaal aangepast en doet alsof hij luistert, maar zijn gedachten zijn in feite bij de dode moeder die in de kist achter hem ligt en hij voelt hoe haar lichaam reageert op de bewegingen van de auto.

Reisje met moeder langs het IJsselmeer

We zoeven statig over de dijk, omgeven
door water, wolken, meeuwen en klieken
aalscholvers, zwart in boomkarkassen

de auto is gepavoiseerd in grijs, de tomtom
beveelt in decibellen, de chauffeur praat
honderduit; ik klem twee foto’s in m’n hand

die haar kist bij ’t afscheid opfleurden:
als meisje dat uitdagend de lens in lacht
en vrouw op leeftijd met broze blik

Wat zou ze genieten van dit panorama
maar ik zie steeds maar voor me hoe haar hoofd
bij elke bobbel schudt en meezwenkt in de bochten

en hoe die kletsmajoor en ik haar straks
voorbij de overkant, naar de lage aula tillen:
haar kilste nacht bovengronds

Tot slot, Hertenblues is een bundel met aansprekende, toegankelijke poëzie, waarin de dichter ons meeneemt in universele gevoelens, waarin we veel van onszelf herkennen. Moderne gedichten met een kop en een staart, niet hermetisch, maar waarin toch wat te raden overblijft.

***
Job Degenaar (1952) schreef o.a. de bundels Bericht voor gelovigen (1976), Het wak (1980) en ’t Vlak ligt klaar (1989). Nadat uit deze drie bundels in 1991 een Poolse bloemlezing werd samengesteld, verschenen De helderheid van morgens (1992), Van de arena en het lastdier (1995), Dus dit is zomer (1998), Huisbroei (2003), Vluchtgegevens (2011), Handkussen van de tijd, een keuze uit 35 jaar poëzie (2012), Thorleif (beeld en poëzie, 2014), Het fonkelt in ‘t Dok -Lemmer en omgeving in 22 schilderijen en gedichten, i.s.m. schilder Lammert Sloothaak (2016).

Recensie van Hoe de eerste vonken zichtbaar waren - Simone Atangana Bekono

Dictee van een mooi en pijnlijk ding

Simone Atangana Bekono
Hoe de eerste vonken zichtbaar waren
Uitgever: Wintertuin & Lebowski
2017
ISBN 9789079571543
€ 12,00
48 blz.

Dichter Simone Atangana Bekono had al een reputatie voordat haar debuut verscheen. Nu pas ligt het zwarte boekje met de kleine witte letters in veelvoud op de poëzieafdeling van de betere boekhandel, maar in september 2017 droeg zij al voor tijdens de Nacht van de Poëzie. Eén gedicht las zij daar in Utrecht, het laatste en het langste uit de bundel, blijkt nu. In januari jongstleden was zij lid van de jury die de drie allerbeste gedichten uit de beste honderd inzendingen mocht kiezen voor de Turing gedichtenwedstrijd 2017.

Dat debuut, getiteld Hoe de eerste vonken zichtbaar waren,  is dan ook een heruitgave van haar afstudeerwerk aan de ArtEZ-opleiding ‘Creative Writing’. Dat zal niet iedere student overkomen. Hoe de eerste vonken zichtbaar waren blijkt een lastige titel. Op het wereldwijde web zien we al gauw dat ‘waren’ wordt verward met ‘werden’. Toch zit daar het subtiele verschil tussen zicht op het proces en zicht op het resultaat van het proces. En waar vonken zijn, kan vuur ontstaan.

Dit is zo’n bundel die lastig terug kan komen in bloemlezingen. De lange gedichten hangen sterk met elkaar samen, zijn te veel onderdeel van een groter geheel. Pik er daar maar eens een uit. In drie afdelingen met de titels ‘Wrijving’, ‘Ontsteking’ en ‘Vonken’ wordt een proces geschetst. In ‘Wrijving’ staan zes genummerde gedichten, In ‘Ontsteking’ staan twee brieven van ‘Siem’ aan ‘Kipje’ en in ‘Vonken’ gaat de nummering van gedichten verder van 7 tot 9, of eigenlijk van VII tot IX. De lijn van het proces geeft zich niet gemakkelijk prijs. In treffend gekozen beelden krijgen we puzzelstukjes aangereikt, zoals de ´ik´ die uit jagen gaat en een ree treft.

VII.

Dat ik uit jagen ging, en dat ik geschikte laarzen kocht en een warme jas
en dat ik geen tent meenam maar een stuk zeil dat ik opgerold op mijn rug droeg
en dat ik in de voetstappen van de beer door de regen liep

En dat het bos zich bewust was van mijn geur
en dat mijn lichaam zich bewust was van het bos
en dat de vogels besloten zich eerbiedig te gedragen en hun snavels dichthielden
en dat de beer zich bezighield met de vis in de rivier, het schoonspoelen van zijn poten
waar bloed en poep en mos aan kleefden

Dat de ree die voor mij uit sprong zich niet bedreigd voelde
maar haar vacht tegen de boomschors aan wreef zodat ik in de buurt kon blijven
en de bomen precies genoeg zonlicht toestonden
en de zon net warm genoeg scheen om het ijswater van de takken
naar beneden te doen druppen, het kraken van het stuk zeil op mijn rug te maskeren

Dat ik tegen het vallen van de avond
met toegeknepen ogen
het licht op de snuit van de ree zag schijnen
en dat de ree stilstond en van de laatste zon leek te genieten
dat ik beefde van vermoeidheid en dat mijn geweer beefde
en dat het leek alsof er tussen dit moment
en het moment dat nog moest komen

In de afstand die tussen ons lag, enkele tientallen meters
de zandkorrels die opstoven, de druppels ijswater die drupten
de zo langzaam mogelijk uitgeblazen wolkjes adem en de beer die
zich niet veel verderop bezighield met de vis in de rivier
en de ree die misschien niet genoot maar wel leek te wachten
ik herinnerde het badwater dat naar eucalyptus rook
de man die een meer in wandelde
en zei dat hij zowel hier als nergens was

(…)

Een soort droombeeld waarin er een relatie bestaat tussen jager en prooi waarin keuzes bestaan. Elke keuze leidt tot een ander verloop van de gebeurtenissen. En zo beschrijft de ‘ik’ meer herinneringen om uiteindelijk weer uit te komen bij de jacht.

(…)

Ik zette na de jacht mijn geweer op de grond, met het handvat op het parket
en de loop naar de lucht gericht, het zeil waarin ik geslapen had opgerold tegen de muur
stinkend naar bloed en poep en mos
en de ree met wie ik niemand en nergens was stond in mijn verbeelding nog steeds
met haar kop naar de oranjerode zon gericht, haar geur aan de bomen gesmeerd
mijn aanwezigheid voor haar verborgen door de afdrukken van de berenpoten waarin ik
mij had bewogen terwijl het bos zich bezighield met het dreigende donker
de ree en ik, wij maakten in de stilte van het bos een afspraak
zoals ik die maakte met de zeemeeuwen, de kustwacht, de partyboot,
het opblaasdier en de miljoenen vissen
in de meters tussen de loop van mijn geweer en haar slaap, naar mij toegekeerd
zowel uitnodiging als uitdaging, met alle miljarden dingen die in de ruimte
tussen ons in gebeurden, die ons deden samensmelten
die het moment van ontsteking aankondigden
voordat de eerste vonken
zichtbaar waren

Allerlei herinneringen, zelf meegemaakt of in dromen beleefd, liggen ten grondslag aan de vonken. En die herinneringen lopen van het begin van het leven tot het nu en die zijn gekleurd door de positie van de ‘ik’ in de wereld. Maar die ‘ik’ beschouwt zich meer als een reflectie van zichzelf: een silhouet, een schaduw, een spiegelbeeld in het zwarte water. Dat is een afsplitsing van jezelf, iets waar je zelfs mee in discussie kunt gaan. Het spel met identiteit vormt een belangrijk thema in de bundel. Soms zijn passages uit te leggen als strijdlust van een zwarte vrouw tegen onrecht in de maatschappij, maar ze zijn ook uit te leggen als een zoektocht naar identiteit. Wil ik zijn wat anderen mij maken? Daarover zijn verschillende regels te vinden:

     0  want mijn lichaam is meerdere lichamen
     0  ik wil een gang bouwen die nergens naartoe leidt / en er al mijn lichamen in opsluiten
     0  ik schreef vijf versies van mezelf, die mannelijk, gebroken, / lichaamloos en in de war waren
     0  ik kan mezelf in honderden vormen presenteren

De ‘ik’ ziet zichzelf als een ‘in een mal gepropte versie van Kunta Kinte’, de hoofdpersoon van een slavensaga en de eerste slaaf die nog volledig met zijn wortels in de Afrikaanse cultuur zich moest aanpassen aan een nieuw ruig bestaan in Amerika. Door de populariteit van de televisieserie verworden tot een geromantiseerd slachtoffer. Wil de ‘ik’ wel passen in dat model? In IV lezen we: ‘alle zwarte mensen is een vergane kunstvorm waar slechts enkelen naar terugverlangen’. Je bent wat anderen jou maken, daar valt niet aan te ontkomen hoewel de ‘ik’ denkt te kunnen ontsnappen door op vakantie te gaan, maar ‘het vliegtuig komt niet van de grond’ (VI). Het gevecht gaat door tot aan de dood, tot aan het zwarte water.

In IX lezen we: ‘Dit gedicht is een combinatie van meerdere gedichten en / er is een mooi en pijnlijk ding dat mij dicteert’. De dichter als doorgeefluik. De bundel als afstudeerwerk, maar dan van iets meer dan een opleiding in de kunsten. Het levert een indrukwekkend resultaat, een bundel waar je vaak naar terug kunt keren omdat je voelt dat er nog een laag is die je als lezer eerder over het hoofd hebt gezien. Atangana Bekono maakt kunst door in beelden te werken en niet in woorden, hoewel de beelden door de woorden tot stand komen. Goed dat ze afgestudeerd is, kan ze aan de slag om meer moois te maken.

***
Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ. Haar afstudeerwerk vormt de basis voor haar debuutbundel. Ze publiceerde op De Optimist, Samplekanon en in De Gids. Ze droeg voor op de Nacht van de Poëzie, Read My World, het Wintertuinfestival en vele andere podia.

Klassieker 220

Meander Klassieker 220

Leonard Nolens (1947) geldt als één van de vooraanstaande dichters van zijn generatie. Zijn werk is meermalen bekroond, zo ontving hij in 2012 de Driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren. Hij staat bekend als een romantisch dichter, met vaak uitgesproken erotische thematiek. Denk bijvoorbeeld aan ‘Een fractie van een kus’, de gedichtendagbundel van 2007: ‘Prijs ons paar. / En prijs onze goede gemeenplaats / Van langzame seks in de luwte’. Het gedicht dat René Leverink voor ons bespreekt heeft een meer aardse thematiek: de plek waar de dichter tijdens het schrijven verblijft.

Afscheid van Missenburg

Voor Elza

Het paradijs, en zonder slang, dat was labeur
Maar heerlijk! Hoog en zwetend riep de zonnewijzer
Honderd vijftig jaar de taxus en fazanten
Tot de orde, en zacht en dwingend hing de gastvrouw
Aan het touw en liet de kleine klokken gaan
Over de paden van patrijzen en tuiniers.
Ook onkruid boog zich naar die goddeloze mis.

Ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen
Op doortocht neergestreken in het grachtenwater.
En deze pen beluisterde de zonnewijzer
Die de eenden wees op brood onder de brug.
Ik ben van Missenburg geweest. Ik draag zijn hemel
Als een gouden trauma met mij om, een dak
Van groen waar plots mijn kamer uit de kruinen kantelt.

Leonard Nolens (1947)

Uit: Manieren van leven (2001)
Uitgever: Querido

Er is veel te vertellen over de achtergronden van dit gedicht. Maar laten we toch eerst het gedicht zelf laten spreken. De vorm is regelmatig: twee strofen van zeven versregels, bestaande uit elf tot vijftien lettergrepen (één vers, het eerste van de tweede strofe, telt vijftien lettergrepen, alle andere elf tot dertien). Hoewel dus klassiek van opzet, kent het gedicht geen eindrijm. Er zijn wel talrijke andere klankverbindingen, zoals assonanties (bijvoorbeeld veel a-klanken in de eerste versregel; boog en goddeloos in vers 7); alliteraties (heerlijk en Hoog in vers 2 en Honderd in vers 3; kleine klokken in vers 5; paden en patrijzen in vers 6; de k’s van kamer, kruinen en kantelt in vers 14). Opvallend is het grote aantal enjambementen. De eerste vijf versregels lopen door naar de volgende. Hetzelfde geldt voor de verzen 8, 10, 12 en 13. Negen van de veertien dus, of eigenlijk van de dertien, want slotverzen kennen per definitie geen enjambement. Al dat doorlopen over versregels heen geeft het gedicht een vloeiende soepelheid, nog versterkt door het onbekommerd aaneenrijgen van verschillende metrumsoorten.

Welke stijlmiddelen komen we tegen? In vers 1 een prolepsis: ‘Het paradijs, en zonder slang, dat was labeur’. Tegelijkertijd de antithese (er volgen er meer in dit gedicht) van ‘paradijs, zonder slang’ en ‘labeur’ (we gaan hier later dieper op in) en van ‘labeur’ en ‘Heerlijk’. Tussen ‘taxus en fazanten’ (vers 3) en ‘patrijzen en tuiniers’ (vers 6) zien we een chiasme. ‘Riep de zonnewijzer (tot de orde)’ is een personificatie, net als ‘onkruid boog’. ‘Zacht en dwingend’ in vers 4 is een antithese. ‘Goddeloze mis’ een paradox. Aan het begin van strofe 2 is er sprake van een bijzondere samentrekking: ‘ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen’. Wat dat schrijven hier precies inhoudt, zullen we straks nader onderzoeken. In vers 10 opnieuw een personificatie, of eigenlijk een dubbele: de pen die de zonnewijzer beluistert. Die zonnewijzer kan overigens nog meer dan geluid voortbrengen (een mooi voorbeeld van synesthesie, overigens), hij is ook in staat eenden hun brood te wijzen. Die eenden staan weer tegenover de ganzen in vers 8. In vers 13 opnieuw een opvallende paradox: ‘gouden trauma’, tevens een vergelijking (van ‘zijn hemel’ met ‘gouden trauma’). Ook is er een (nu asyndetische) vergelijking tussen ‘hemel’ en ‘dak van groen’.

Dan de inhoud. We hebben nog geen idee wat ‘Missenburg’ is, al ligt het voor de hand te denken aan een kasteel, landhuis of landgoed. De eerste zin van het gedicht zorgt meteen voor problemen. Aanvankelijk niets dan lof voor Missenburg: het paradijs was het, en nog wel zonder slang. Wat wil een mens nog meer. Maar hé?! Het was ‘labeur’, beweert de dichter. Labeur komt van het Latijnse ‘labor’, dat moeite, inspanning en vermoeiende arbeid betekent. Kennelijk was de dichter helemaal niet gediend van dat zalig nietsdoen in het paradijs en werd hij er alleen maar moe van. Of nee, toch niet, hij ervoer het weliswaar als een hele opgave, maar vond het wél ‘heerlijk!’. Een soort sweet sorrow. De rest van de eerste strofe schetst het rustieke decor van het verblijf op Missenburg. Er is sprake van een ‘zonnewijzer’, zodat het beeld opkomt van een gedistingeerde, klassieke entourage. Dit beeld wordt bevestigd door de taxus, de fazanten, de patrijzen en de tuiniers. We zien een keurig onderhouden, aristocratische kasteeltuin voor ons. Dan die zonnewijzer, die al die tijd ‘hoog en zwetend’ de taxus en fazanten ‘tot de orde’ riep. Die taxussen zullen wel niet snel buiten de orde van tijd en plaats treden, maar dat gold bepaald niet voor de balorige fazanten, die de deftige zonnewijzer heel wat hoofdbrekens bezorgden. Er is nóg een instantie in de eerste strofe die zich bezighoudt met orde en gezag. De ‘gastvrouw’. Deze pakt het anders aan dan de hooghartige zonnewijzer. ‘Zacht en dwingend’ luidt zij de ‘kleine klokken’, die ze laat ‘gaan’ over de paden van patrijzen en tuiniers. Of de patrijzen zich veel gelegen hebben laten liggen aan het klokgelui is niet waarschijnlijk. Wonderlijk genoeg boog het onkruid wél, ongetwijfeld door toedoen van de tuiniers. Die trouwens maar al te graag hun harken en schoffels terzijde gelegd zullen hebben voor hun welverdiende middagbrood, waarbij we dankzij die kleine klokken beslist moeten denken aan het brood dat tijdens de heilige mis gebroken wordt, het hoogtepunt van de katholieke eucharistieviering. Als misdienaar hoopte je dat jij degene was die ter aankondiging van deze ‘consecratie’ de kleine klokken mocht laten gaan. In het gedicht is er ook sprake van een mis, maar nu een ‘goddeloze’. Dit kan gelezen worden als ‘ketters’, maar ook simpel als ‘zonder god’. Een dagelijkse hoogmis met de gastvrouw als heidense hogepriester.

Ook strofe twee begint problematisch. ‘Ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen’. Er was voor de dichter kennelijk te veel afleiding van gastvrouw, fazanten en patrijzen. Én van Siberische ganzen, ‘op doortocht neergestreken in het grachtenwater’. Het probleem is het woord ‘schreef’, dat in het tweede deel van vers 8 wordt samengetrokken, met als lijdend voorwerp ‘Siberische ganzen’. Vatten we schrijven hier op in de betekenis van ‘tekst – bijvoorbeeld poëzie – componeren’, dan komen we niet verder. Graven we wat dieper, dan zien we dat schrijven ook noteren, registreren, bijhouden kan betekenen, zoals de ‘schrijver’ in een bedrijf vroeger het kasboek bijhield. En dan kunnen we opeens wel verder met vers 8: de dichter hield zich niet bezig met het schrijven van poëzie, maar met het observeren van de ganzen, glorieus neergestreken in het grachtenwater.

In de verzen 10 en 11 gaat de dichter voort met het verzaken van zijn plicht. ‘Deze pen’ schreef geen dichtregels, maar ‘beluisterde de zonnewijzer’. Die was in strofen 3-5 actief met het tot de orde roepen van de taxus en de fazanten. Dat ‘roepen’ moeten we dus letterlijker nemen dan we misschien dachten. Vooruit maar, in poëzie is alles toegestaan. Laten we ons het volgende voorstellen: de dichter zit klaar om zijn werk te doen, neemt de pen ter hand, maar wordt afgeleid door de taferelen om hem heen, zoals het majestueus neerstrijken van die ganzen. Hij ontwaart de zonnewijzer, volgt met zijn blik de richting van diens stijl of daar de schaduw van en komt uit bij de eenden en hun brood onder de brug. Door al die afleiding blijft zijn hand in de lucht hangen. De pen zweeft wachtend boven het papier, als de baton van een dirigent in de laatste seconden voor de eerste maten van de symfonie. Dat ‘luisteren’ van de pen in vers 10 wordt overigens minder weerbarstig als we ‘pen’ opvatten als een pars pro toto voor ‘schrijver’ of ‘dichter’. Maar ook dan stellen we vast dat er hier sprake is van ernstig artistiek plichtsverzuim.

Na de situatieschets in de eerste strofe en de bekentenis van de haperende dichter in de eerste drie verzen van de tweede, volgt in vers 10 een exclamatie die alles lijkt te willen verklaren: ‘Ik ben van Missenburg geweest.’ ‘Van’ is een lastig te vatten voorzetsel. Van Dale geeft maar liefst 52 betekenissen. Meerdere daarvan kunnen hier van toepassing zijn. De meest aannemelijke lijkt te leiden tot de uitleg: ‘ik heb ooit deel uitgemaakt van’. Hoe dan ook, we hebben hier de kernzin van het gedicht te pakken. Een zin die zowel een conclusie als een verklaring als een verzuchting zou kunnen zijn. De zeer beeldend geschreven situatieschets in de verzen 1 tot en met 10 doet veronderstellen dat de dichter het uitstekend naar zijn zin heeft gehad op Missenburg, hoewel hij aan zijn levenstaak, het schrijven van poëzie, niet echt toekwam. Dat bezorgde hem beslist een schuldgevoel (weergegeven als ‘labeur’ in vers 1), maar wat kon dat schelen, af en toe mag ook een dichter de teugels laten vieren. ‘Heerlijk’ toch? De boog kan niet altijd gespannen staan.

Maar het tijdperk Missenburg is voorbij voor de dichter. Wat nu? ‘Ik draag zijn hemel als een gouden trauma met mij om’. Kennelijk heeft de dichter veel op zijn rug naar het zwerk liggen staren, want hij kan de ‘hemel’ boven Missenburg maar niet van zich afzetten. Het woordenboek geeft bij ‘trauma’: ‘kwetsing van de psyche door een hevige gemoedservaring die een blijvende stoornis teweegbrengt’. Dat ‘blijvende’ vinden we terug in ‘draag (…) met mij om’. De ‘gemoedservaring’ is hier niet zo zeer het afscheid van Missenburg, maar veel meer het verblijf op Missenburg en de plezierige herinnering daaraan. Vandaar ‘gouden’ trauma.. In de tweede helft van de laatste zin van het gedicht zien we nóg een toelichting bij ‘hemel’. Nu wordt deze vergeleken met ‘een dak van groen’. Dat mogen we waarschijnlijk wel opvatten als een bladerkroon. In de laatste woorden van het gedicht wordt de dichter hardhandig met het echte leven geconfronteerd. Tot zijn ontsteltenis aanschouwt hij zijn eigen werkruimte, die als een gemankeerde boomhut ‘uit de kruinen’ is gekanteld. Kantelen is eigenlijk ‘omvallen’, maar het beeld is duidelijk genoeg. Uit met de pret. Back to business.

Leonard Nolens had van juli 1991 tot februari 1997 de beschikking over een tuinhuis in het bos dat deel uitmaakt van het landgoed Missenburg, gelegen in de omgeving van zijn woonplaats Berchem bij Antwerpen. In zijn dagboek (Leonard Nolens, Dagboek van een dichter 1979-2007, Amsterdam, 2009) wordt zijn nieuwe werkplek voor het eerst op 12 augustus 1991 genoemd als schrijflocatie. Op maandag 29 maart 1993 schrijft Nolens: ‘Louis, met de langste ladder en de grootste schaar in zijn kruiwagen, zegt nooit: ik ga de bomen snoeien. Hij zegt: ik ga het plafond schilderen. En nooit heb ik het azuur van de hemel in dit bos zoveel vormen aan zien nemen als onder zijn snoeiende, schilderende handen, bezig met de zoldering van Missenburg.’ Louis is kennelijk een van de tuinlieden in het gedicht. Daarnaast moeten we denken aan de slotregels: ‘Ik draag zijn hemel / Als een gouden trauma met mij om, een dak / Van groen waar plots mijn kamer uit de kruinen kantelt.’

Op 21 februari 1997 is er slecht nieuws: ‘Het is mij gisteren voor de tweede keer, en ditmaal definitief, met klem daarginder aangezegd. Ik moet dus Missenburg verlaten. Bijna zes jaar lang en bijna dag na dag zat ik daar aan een tafel in een negen hectaren grote tuin. (…) Dame heeft het tuinhuis nodig om haar oppasser te logeren. ‘Dame’ is Elza de Groodt, de ‘gastvrouw’ aan wie het gedicht is opgedragen. Kennelijk was Elza de dichter minder goed gezind dan de opdracht doet vermoeden. Op dezelfde dag schrijft Nolens nog meer dat ons helpt bij de analyse van het gedicht. ‘Is het allemaal zo erg? Missenburg was de plek geworden waar ook mijn poëzie verbleef, maar sedert april vorig jaar hebben al mijn nieuwe gedichten verstek laten gaan. Komen ze terug nu ik uit het paradijs wordt verjaagd?’ Dit bevestigt, inclusief het woord ‘paradijs’, wat we hierboven al veronderstelden, namelijk dat de dichter het zeer naar zijn zin had op Missenburg, maar dat de poëzie er wel eens bij inschoot.

De verbanning uit het paradijs was van tijdelijke aard. Op zaterdag 29 maart 1997 meldt het dagboek: ‘Vanmiddag weer, na zes weken afwezigheid, op Missenburg geweest. Krijg een verdieping aangeboden in de gentilhommière zelf. Prachtige, rustige, antiek gemeubileerde werkkamer, heel groot raam dat uitziet over het park. Boekenrekken, wc, douche. Alweer verwend.’ Kijken we nog eens naar ons gedicht, dan lijkt het niet gewaagd te veronderstellen dat de hierin geschetste situatie zich voorgedaan heeft in de tijd dat de dichter zijn kamer in het landhuis had, en niet in de tuinhuisperiode, al moet gezegd dat met name de laatste twee versregels eerder aan de laatste doet denken. Hoe dit zij, twee jaar later komt er definitief een eind aan het verblijf op Missenburg.

René Leverink

Op YouTube is een interview uit december 2014 te vinden met Jan Willems, zoon van Paul Willems en Marie Gevers, opgenomen op Missenburg. We herkennen onder andere de klok die ‘de gastvrouw’ liet gaan, en de zonnewijzer, die tóch hoog aan de gevel blijkt te zitten, zwetend in de middagzon.

In de Meander Klassiekers bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor een overzicht.

Reageren op deze bespreking? Neem contact op met Meander Klassiekers. Het e-mailadres is: Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Zelf een bijdrage leveren? Klik hier voor meer informatie.

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers