Zomerstop!

Van 1 juli tot en met 19 augustus houdt Meander een zomerstop. Wij hopen 20 augustus bij u terug te zijn met een nieuwe website en nieuw Meander Magazine. Tot dan! Wij wensen u een heel fijne zomer!

Recensie van Het zakboekje van het pijnboombos - Francis Ponge

De stem van het pijnboombos

Francis Ponge
Vertaler: Christian Hendrikx
Het zakboekje van het pijnboombos
Uitgever: Koppernik
2018
ISBN 9789492313454
€ 16,50
72 blz.

Er is geen dichter met wie ik zoveel plezierige uren heb doorgebracht als Francis Ponge. Voor mij was het dan ook ‘de verrassing van het jaar’, dat uitgeverij Koppernik het heeft aangedurfd om van Francis Ponge Het zakboekje van het pijnboombos uit te geven. Ponge is in ons taalgebied ‘de dichter der dingen’ genoemd. Christian Hendrikx, die het zakboekje vertaalde en van een erg goed, ik zou bijna zeggen Pongeiaans nawoord voorzag, legt daarin uit hoe gebrekkig die benaming is. Ik citeer: ‘Misschien kun je Ponge daarom beter betitelen als een dichter van de verstandhouding tot…, van de omgang met… of van de betrekkingen. Of van het aanspreken.’ Ponge is in ons land geen al te populaire dichter, bleek in de jaren zeventig, toen ik bij De Slegte het boekje Zeep aanschafte voor slechts één piek. Ook zijn proëmia werden verramsjt. Ik heb dan ook een flink aantal van de boekjes gekocht, niet alleen om weg te kunnen geven, maar ook om ze stuk te kunnen lezen. Mijn laatste exemplaar kraakt van de lijm. Jarenlang heb ik Ponge dagelijks op zak gehad. Wat was die dichter goed! Ik ken geen dichter die dichter aan de essentie raakt ‘van de dingen’ waar het om gaat. Laat ik hem zelf in de vertaling van Hendrikx aan het woord laten:

                                                                                                                                      7 augustus 1940

Het genot van de pijnboombossen:
.  Je komt er gemakkelijk vooruit (temidden  van die hoge stammen met hun tint tussen die van brons en rubber). Kaal zijn ze. Zonder lage takken. Er is geen wanorde, geen warboel van lianen, niets wat hindert. Wanneer je er gaat zitten kun je je gemakkelijk uitstrekken. Alom ligt tapijt. Hier en daar gemeubileerd met een rotsblok, en bezet met wat dwergbloempjes. Zoals bekend hangt er een gezonde lucht, een niet opdringerige, aangename geur, een muzikaliteit die vibreert, maar op zachte en weldadige wijze.
.  Deze hoge violette masten, met nog resten korstmos en hun gegroefde bladderschors.
.  Hun takken benaalden zich en hun stammen pellen zich.
.  Deze hoge schachten, allemaal helemaal van dezelfde specifieke soort. Deze grote zwarte of op zijn minst creoolse masten.

.                                                                                                                  7 augustus 1940 – namiddag

Het is gemakkelijk voortstappen tussen deze hoge zwarte of in elk geval creoolse masten, nog geschorst en met korstmos tot halverwege, strak in het brons, buigzaam als rubber.

*

(Ik gebruikte niet robuust, want dat adjectief is toepasselijker voor een andere boomsoort.)

*

Geen wirwar van touwen of lianen, geen planken maar dikke tapijten op de grond.

*

Robuust is toepasselijker voor een andere boomsoort, al is de pijnboom dat toch ook, hoewel die als geen andere boom buigt zonder te knakken…

*

Een staak en een kegel en kegelvormige appels.

                                                                                                                                        8 augustus 1940

Midden in deze veelheid… Aan de voet van deze zwarte of in elk geval creoolse masten niets wanordelijks, geen enkele belemmering door lianen of touwen, geen geschrobde planken op de vloer, maar een dik tapijt.
.  Van de voet tot halverwege gekroesd met korstmos…

Enzovoort. Het doet vreemd aan dat de Tweede Wereldoorlog (bijna) geen rol speelt in het zakboekje. Nog geen maand voordat hij met het schrijven ervan begon, waren de Duitse troepen Parijs binnengemarcheerd. Ook De Grote Oorlog werd in het zakboekje niet herdacht, die op 4 augustus 1914, dus de tijd van het jaar dat Ponge in zijn pijnboombos rondwandelde, was uitgebroken, en waarvoor tot dan toe nog steeds in zowat elk Frans gat of gehucht een monument was opgericht. Ponge wandelt door het pijnboombos, terwijl hij ‘onderweg is naar een gedicht’. Je moederland is meer dan iets anders een taalgebied. De taal was Ponge zijn thuis, waar hij zijn leven lang voor en mee is blijven vechten. Dit wil niet zeggen dat hij zich afzijdig hield: in de tijd dat hij het zakboekje schreef was hij medewerker van de op het verzet geörienteerde krant Progrès de Lyon en toen de Duitsers het verschijnen van die krant onmogelijk maakten, werd hij actief in het verzet.

In zijn proëmia beschrijft hij, voor zichzelf, om het niet te vergeten: ‘(..) het enige principe op grond waarvan je interessant werk kunt schrijven, en goed schrijven (..). Je moet eerst kiezen voor je eigen geest en je eigen smaak. Vervolgens moet je de tijd nemen en de moed vatten om alles wat je denkt over het gekozen onderwerp uit te drukken (en niet alleen de uitingen vasthouden die je briljant en karakteristiek lijken). Je moet ten slotte alles eenvoudig zeggen, door niet de charmes maar de overtuiging als doel voor ogen te houden.’ (Vertaling Piet Meeuwse)

Zichzelf steeds herhalend en aanvullend benadert Ponge zijn onderwerp zo dicht mogelijk. Zo versterkte hij de band tussen zichzelf en de mogelijkheden van de taal om tot overeenstemming te komen over de onbenoembare betekenis van het pijnboombos. Hoedanigheden, functies, eigenschappen, dichterbij komt hij niet, maar ze hebben zoveel nuances, dat de geest niet soepel genoeg lijkt en niet ruim genoeg om ze in één keer in de beperkte en beperkende taal te vatten. Op 3 september 1940 komt hij tot de analogie van het bos met een kathedraal. Analogieën schieten altijd tekort, maar hij raakt wel aan de mystieke kant van het bos. Het wezen der dingen ligt buiten het bereik van de taal – juist daardoor wordt zij zichtbaar als menselijke ervaring. Want Ponge is zelf wel degelijk aanwezig in het boekje. Impliciet heeft hij het over het gevoel van geborgenheid dat het bos hem geeft; het bos dat geen wirwar van lianen heeft, als de wildernis, noch belemmering van touwen, als een schip (ergens heeft hij het over de boomstammen als masten). Het bos heeft geen geschrobde planken vloer, maar een verend zacht tapijt, waarop hij zich kan uitstrekken. Huiselijkheid, luxe, comfort…

Op een gegeven moment, tussen 25 augustus en 2 september 1940, komt hij tot iets wat op een meer traditioneel gedicht lijkt:

.                                De zeurderige vliegen
.                            of de zon in het pijnboombos

In dit borstelwerk met toefen groene haren bovenin
Op purperen houten grepen omringd door spiegels
Waar een stralend lijf binnengetreden is na uit het aangrenzende
Dampende zee- of meerbad te zijn gestapt
Blijft er vanwege de rusteloze vliegen
Op de dikke verende en rossige bodemlaag
Van welriekende haarspelden
Daar door vele achteloze kruinen neergespreid
Slechts een kapmantel van door zon bevlekt halfdonker

.                                                                                                                  Francis Ponge
                                                                                                                   La Sougère, augustus 1940

Dit is de laatste van de 16 varianten. Venus had er een rol in gespeeld, Phoebus – hij was niet tevreden. Niet zo vreemd, aangezien hij naar eigen schrijven streefde naar ‘de vernietiging van een gedicht door zijn onderwerp’. Dan is er geen plaats voor mythologische figuren. Hij geeft commentaar op de uiteindelijke versie, oppert nog de variatie van enkele regels, paart alle regels twee aan twee als ‘niet te wijzigen elementen’ die ‘met enkele restricties’ ad libitum verwisselbaar zijn. Op één na – even verderop herinnert hij zich dat de met hem bevriende schrijver Paulhan, zijn mentor, had opgemerkt: ‘Helaas is het prozagedicht niets meer voor jou.’ Ponge vervolgt: ‘(..) Paulhan had vast gelijk. Het is alleen niet mijn bedoeling een gedicht te schrijven, maar om verder te komen met de kennis en de uitdrukking van het pijnboombos, en daar iets voor mijzelf mee te winnen – in plaats van me hoofdbrekens te bezorgen en mijn tijd te verknoeien zoals ik dat gedaan heb.’

Tot 9 september 1940 schrijft hij door. Dan volgt nog het ‘Aanhangsel bij het zakboekje van het pijnboombos’. Hierin staat de eerste verwijzing naar de oorlog, waarmee dat aanhangsel begint. De inleidende eerste alinea is van de vertaler.

De voorafgaande tekst werd vanaf 7 augustus 1940 geschreven in een bos bij La Suchère, een gehucht in het departement Haute-Loire, waar de auteur, na een semi-exodus van een maand over de Franse wegen, zijn familie terug had weten te vinden. De auteur verbleef bijna twee maanden in La Suchère, maar in het zakboekje, dat overigens zijn hele papiervoorraad uitmaakte, stond niets dan die tekst plus de hier volgende notities.

.                                                                                                                                      6 augustus 1940

‘Wat ik zou willen lezen’: dat zou de titel, de definitie kunnen zijn van wat ik wil schrijven.
.  Weken, maanden van literatuur verstoken, krijg ik zin om te lezen.
.  Nou, wat ik zou willen lezen, moet ik dan maar zelf schrijven (alleen niet teveel…).
.  Maar als ik het een beetje preciezer bij mijzelf naga, is het niet alleen lectuur waar ik behoefte aan heb: ook schilderkunst, ook muziek (hoewel minder). Daarom moet ik zo schrijven dat ik tegemoet kom aan dat complex van behoeften. Dit beeld moet ik me voortdurend voor de geest blijven houden: (noodgedwongen) alleen mijn boekje op een tafel: dat ik zin heb om het open te slaan en erin te lezen (niet meer dan enkele bladzijden) – en om me er de volgende dag weer aan te wijden.

                                                                                                                                      20 augustus 1940

Wat zou ik allemaal kunnen opschrijven als ik gewoon een schrijver zou zijn…, en misschien moet ik dat ook doen.
.  Het verhaal van die lange, avontuurlijke maand vanaf mijn vertrek in Rouen tot het einde van mijn vlucht en mijn aankomst in Chambon (…).
.  Maar een soort onvermogen houdt me tegen, en dat heeft niet slechts te maken met gemakzucht of ertegenop zien: ik heb de indruk dat ik me niet uitsluitend en consequent, zoals dat hoort, voor dergelijke onderwerpen zou kunnen interesseren. Ik heb de indruk dat ik, zo gauw ik mij op een van de onderwerpen zou richten, prompt het gevoel zou krijgen dat het niet essentieel was, dat ik mijn tijd aan het verdoen was.
.  En ‘het pijnboombos’ is dat waar ik instinctief telkens weer op terug kom, op het onderwerp dat mijn totale belangstelling heeft, dat heel mijn wezen in beslag neemt, dat me helemaal aan het spelen brengt. Het is gewoon een van die unieke onderwerpen waaraan ik mij volledig geef (of waarin ik me kwijtraak): een beetje als een onderzoeker bij zijn specialistische onderzoek.
.  Niet om een relaas, verhaal, beschrijving gaat het, maar om de verovering.

Het schrijven als een liefdesdaad.

De taal wordt volgens mij door Ponge minder gezien als een middel om een bepaald doel te bereiken, dan  als een partner. Een partner die hij, hoewel hij vertrouwd met haar is, niet volledig kent. Hij heeft ook niet de illusie haar volledig te kunnen leren kennen. Hij zoekt haar zo dicht mogelijk te benaderen; verschillende fragmenten in ‘het zakboekje’ zijn opsommingen van namen waarvan hij de betekenis heeft opgezocht. Dat alles om tot poëzie te komen: die interactie tussen de tastbare werkelijkheid, de wereld van de dingen, en de werkelijkheid zoals die zich in zijn geest afspeelt. Het zakboekje van het pijnboombos is een evocatie die je een pijnboombos nooit meer als voordat je het las laat ervaren.

Poetry makes nothing happen? Om te ervaren wat poëzie kan doen moet je Ponge lezen.

***
Francis Ponge (1899 – 1988) was een Frans essayist en dichter. In de jaren dertig was hij surrealist en werd hij lid van de Communistische Partij, die hij in 1947 verliet. Tijdens de oorlog zat hij in het verzet. De twee delen van zijn Oeuvres complètes verschenen in 1999 en 2002. In 1984 ontving hij Grand Prix de l’Académie française.

Gedichten Els Moors

(geen titel)

een twee drie vier vijf stoelen
in een kamer ‘s ochtends

een vrouw die door de wereld schrijdt

de verweesden die in de metro
van de trappen glijden
omhoog wellende trappen
als zoemende golven

kauwgum kleeft tussen de stoffige
lijnen in het zwarte metaal

ach de eenzamen
ach de doorkijkposten

verslaafd aan het in plastic gebottelde water
de knorrende televisie-einde’s op de bank
de stalen punten
en het gebrek

aan bewegingsvrijheid

wij zoeken haar schoot
met devote ogen
de brocante zal worden
afgesloten met

een barbecue

het vlees verschroeid
elke man getemd
aan de hand van

een slinkse pirouette

 

(geen titel)

na het vertrek naar het platteland
zijn de straten van de stad het einde
van mijn laatste verzuchting en de hoop
op jouw omhelzing

op het slagveld

de vogels klaarwakker de zon klaarwakker
de bossen vullen zich met kostbaar getokkel

en jeuk in de oren

verhef het democratisch verkozen volk
de intelligentsia en de fietsers

die bloemen slurpen in de velden

voor het blote oog van de pijnbomen
die het licht vangen met hun rode stammen
de pijnbomen die onze esthetische verlangens

bevredigen

ik ben zo goed
dat ik je met een enkel schot

 

(geen titel)

weet ik nog heel goed
hoe aan de kades
witte plastic bekers gevuld
met rosé en getimmerde
schepen het strand
imiteerden

‘s avonds toeterden
de brandweermannen luidruchtig
en de vrouw
tegenover mij
kleedde zich uit

samen doorstonden we
het dramatisch gefluit
van het onzichtbaar
gespetter

kansloos

bij elke nieuwe schram of vlekje
waste ik met de hand
droogde ik op de vensterbank
kuierde in het bos

verschoonde de bak

en zorgde voor het verminkte dier
dat verdwaalde

in de morsige gang

Het is een visionair project

 

Els Moors is geboren in Poperinge, 1976.  Ze is net aangetreden als de nieuwe Dichter des Vaderlands van Belgiё. Haar debuut in 2006, de poëziebundel Er hangt een hoge lucht boven ons, werd bekroond met de Herman de Coninckprijs. In 2008 publiceerde zij de roman Het verlangen naar een eiland en in 2010 de verhalenbundel Vliegtijd. Ze ontving de J.C. Bloemprijs voor Liederen van een kapseizend paard (het balanseer/Nieuw Amsterdam, 2013). Naast docent creatief schrijven is ze ook redacteur van het literaire tijdschrift nY.


foto: Guy Kokken


Van harte gefeliciteerd met de benoeming tot derde Dichter des Vaderlands van Belgiё.

Dank voor de felicitaties en de interesse.

In een interview met jou las ik dat je ondanks je bekendheid als dichter liever gewaardeerd zou worden om je proza. Wat is dat toch dat schrijvers hun poëzie onderschatten of anders waarderen dan hun proza. Of zie ik dat verkeerd?
Dat zie je verkeerd. De vorm en de inhoud van mijn romans werden tot nog toe, en op enkele uitzonderingen na, beoordeeld aan de hand van normaliserende, kapitalistische maatstaven. Het is volstrekt normaal dat ik me daar als schrijver tegen verzet. Mijn werk als schrijver bestaat alleen maar uit verzet tegen de norm van het kapitaal. Ik kan toch niet die romans gaan schrijven die de critici willen lezen? Ik ben een schrijver die zijn werk doet. En als ik aan het werk ben, wil ik serieus worden genomen.

Ook las ik in een interview dat je switcht tussen de genres bij het schrijven. Is er voor jou geen onderscheid of een kunstmatig onderscheid?
Elke tekst is voor mij in de eerste plaats een kritisch onderzoek naar het genre zelf. Het verschil tussen de genres is ook het resultaat van een reële historische literaire traditie. Ik verhoud me noodgedwongen tot die traditie, zoals een boer zich tot de grond verhoudt. Er zonder kan ik mijn groenten niet verbouwen. Het onderzoek dat ik in het ene genre voer, besmet vanzelfsprekend het onderzoek dat ik in het andere genre voer. Maar er is nog zoveel: televisie, filosofie, het werk van beeldende kunstenaars, de wereld waarin we leven. Alles is besmettelijk. Om een doorbraak te forceren kan het geen kwaad je te concentreren op het probleem dat voor je ligt.

Je bent Dichter des Vaderlands van België geworden. Wat houdt deze titel in, wat moet je doen en wat zijn je plannen?
Het is een publiek geheim dat België worstelt met zijn politieke geschiedenis en de verschillende talen die er gesproken worden. De titel Dichter des Vaderlands is een initiatief van verschillende poëziehuizen en literaire organisatoren om de verschillende taalgemeenschappen tegen de politieke verdeel- en heerstactieken in, op een constructieve manier met elkaar te verbinden. Pas als poëzie over alle taalgrenzen heen verstaan wordt, kunnen we beginnen te dromen van een solidair België in een solidair Europa in een solidaire wereld die alle op een humane leest werden geschoeid. Het is een visionair project dat ik wil ondersteunen. De gedichten worden ook in het Duits en Frans vertaald (EW). Ik wil vooruit kijken. Met de hulp van verschillende partners wil ik in Brussel een festival van de Arabische Poëzie op poten zetten, het schitterende Zoniënwoud in Brussel poëtisch in kaart brengen enz. Maar dat werk doe ik gelukkig niet alleen. Mijn enige echte plicht en verantwoordelijkheid is over een periode van twee jaar twaalf gedichten schrijven die verband houden met de actualiteit.

Hoe lang ben je Dichter des Vaderlands?
In principe twee jaar, maar ik ben eigenlijk vorig jaar al begonnen als ambassadrice van Laurence Vielle, de toenmalige Franstalige dichter des Vaderlands. Laurence Vielle heeft er zelf al drie jaar opzitten en blijft ook nu nog even aan mijn zijde als ambassadrice. Het is erg leuk dat teamwerk, verschillende talen in een land verenigen heeft zo zijn voordelen.

Je bent een collega van Perquin, vergelijk je je ook met haar of met een andere eerdere Dichter des Vaderlands?
Het afgelopen jaar heb ik als ambassadrice van Laurence Vielle ontzettend veel geleerd, niet alleen omdat Laurence Vielle een geweldige staatsman is, maar ook omdat ze een vrouw is. Op dezelfde manier ben ik er zeker van dat ik ooit met Esther Naomi Perquin een gesprek zal voeren over haar ervaringen. Maar Nederland en België kennen een andere politieke werkelijkheid en daar moeten andere vragen beantwoord worden. Ik leer trouwens van elke dichter iets.

Heb je er een baan naast of ben je anderszins actief?
Naast lezingen, workshops en allerlei losse projecten, geef ik les Creatief Schrijven in Arnhem, Antwerpen en Brussel. Ik moet actief zijn, want Dichter des Vaderlands is geen officiële baan, al is het boeiend werk. Ik kijk of het me lukt om beide zaken blijvend te combineren. Ik word gelukkig van het begeleiden van andere schrijvers, misschien omdat ik de omwegen en valkuilen van het schrijfproces steeds beter leer te begrijpen en ik word ook steeds beter in wat ik doe. Maar ik wil ook blijven schrijven. Dat is wat me echt voldoening schenkt omdat ik er het meest van leer. Het eigen schrijfwerk is taaier en moeilijker, het duurt langer en is onoverzichtelijker, maar de winst is groter.

Wat is je volgende schrijfproject? Wat zijn je toekomstplannen?
Zodra ik de handen vrij heb en de studenten me even niet nodig hebben, ga ik de roman waar ik al een tijd mee bezig ben, afmaken. Daar snak ik naar. Ondertussen heb ik materiaal voor een nieuwe dichtbundel verzameld. Als ik er in slaag beide projecten binnen afzienbare tijd tot een goed einde te brengen, worden het twee belangrijke jaren voor me.

Paul Soete


Paul Soete
(1956) werd geboren in Oostende en woont daar nog altijd tussen zon en zee. Behaalde meerdere prijzen in de poëziewedstrijden van Harelbeke, Tongeren en Oostende, en won de Concept poëzieprijs. Hij publiceerde Van de rug af gezien (2016, in eigen beheer), een reeks beeldgedichten over schilderijen, sculpturen en foto’s in musea en steden, en Karl Houtteman, photography & Paul Soete, gedichten (2017, ZigZag), waarin de ruimte van de zee centraal staat. Een aantal gedichten verschenen ook in Poëziekrant en Het Gezeefde Gedicht. Zee, beeldende kunst en muziek zijn de vaste compagnons de route.
 
 

foto: Yvon Poncelet

 

Nachtwandelaar
        triptiek voor Leon Spilliaert

1.

Zeegroen achter regenglas van wolken. Wateradem.
Nevelkamer van de taal met het geduld van zout.

Een wandelaar een zwemmer, ver in winterweer
en waterwind, vindt arm over arm het ritme
van de golven uit.

Vaste grond onder de voeten, dat willen meeuwen niet.
Zij eten aan de lucht en wonen tussen vlinderslag en vallen.

Langs de rillijn in je hoofd daagt dat mateloze blauwe.
Een rafelrandje bladstorm.

Dronken als een spiegeldrinker
weten waar de dag wou zijn.

 

Zinkgaten

      ‘Rage, rage against the dying of the light’, Dylan Thomas

Zinkgaten zijn net als bomen visionair, ze weten
dat de lente komt. Niets wordt iets en kloven dichten kloven.

Zinkgaten in zee tonen vluchtroutes van groter droogte.
In het diepe komt hongersnood en sterfte. Inktvissen en neteldieren
smokkelen – uit leefzuchtigheid – hogere waterlagen leeg.

En toch. Het uitdrogen van zee is een kussen van traagschuim.
Verbindt alsnog de lente met het anderland. Dode zee
wordt humanitaire zee. Dwingt vissen die kant op te gaan
van wolken en van regen.

Tijd voor lange nachten vol geschaarde gesprekken. Hoogtij
voor scholen vol achterhoedevechters.