Recensie van Houdingen - Sylvie Marie

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Sylvie Marie
Houdingen
Uitgever: Vrijdag
2018
ISBN 9789460016257
€ 16,50
53 blz.

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: Duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroozaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter? 

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik laten

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagen

bijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2015 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Recensie van Nieuwe tekeningen en gedichten - Hugo Claus

Tien jaar na zijn sterfdag, de verrassing die Claus heet. Een eerbetoon.

Hugo Claus
Nieuwe tekeningen en gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106205
€ 24,99
229 blz.

Over de dichter en schrijver Hugo Claus (Brugge 1929 – Antwerpen 2008) is veel geschreven, zowel over de mens als zijn omvangrijk en veelzijdig oeuvre; hij publiceerde talrijke dichtbundels, meer dan 20 romans, toneelstukken, essays. novellen, filmscenario’s, libretti en vertaalde onder meer Under Milk Wood van Dylan Thomas.
Minder bekend is dat hij ook wat de beeldende kunst betreft actief was en met name de tekeningen die hij maakte zijn van een ontwapenende charme.

Tijdens een verblijf in het ziekenhuis in februari 2003 gaf de schilder-dichter Jan Vanriet  hem, om de verveling te verdrijven, een dummy cadeau in de veronderstelling dat dit zijn vriend zou aanzetten tot het schrijven van poëzie.
Na twee weken gaf de herstelde Claus hem de dummy terug.
Jan Vanriet was met stomheid geslagen; er stond geen enkel gedicht in!
Wel 108 tekeningen.

Jaren later vertelde Suzanne Holtzer, die de redacteur van Claus was geweest, aan Jan Vanriet dat zij van plan was een bloemlezing over diens werk samen te stellen ter gelegenheid zijn tiende sterfdag. Hierop stelde Jan Vanriet haar de dummy ter beschikking. Zij was er verrukt over en ging op zoek naar bijpassende dichtregels. Zo ontstond dit boekwerk.

Beetje gewaagd. Mijn ervaring is dat in een bundel waarin zowel beeld als poëzie zijn opgenomen deze elkaar niet altijd versterken. Integendeel, zij staan vaak de interpretatie van de lezer-kijker in de weg; het beeld stuurt het geschrevene en omgekeerd en remt daarmee de verbeelding .
In kinderboeken kan het doorgaans wel omdat hier (ook) sprake is van een leerproces en wanneer tekst en beeld door dezelfde kunstenaar zijn gecreëerd en samengesteld, zoals bij Joke van Leeuwen het geval is, is de kans van slagen groter, maar niet zelden doen ook dan beide kunstuitingen elkaar tekort.

Wat deze uitgave betreft zou een boek met de tekeningen zonder dichtregels zeker de moeite waard zijn geweest, en, zij het wat minder (de tekst werd aangepast aan de tekeningen en niet andersom) kan dit worden  gezegd over een bundel met alleen de poëzie.
Maar wat Suzanne Holtzer met kennis en grote zorg heeft bijeengebracht verrijkt zowel het een als het ander. Een geslaagde symbiose.
(Wel jammer dat ik me in deze bespreking moet beperken tot de dichtregels en niet ter illustratie twee aansluitende pagina’s kan tonen met op de rechter een tekening en op de linker het daarbij passende gedicht ).

In de bloemlezing springen zoals gebruikelijk allereerst de tekeningen in het oog. Ze geven een gevarieerd  beeld van wat Claus voor ogen had: de mens tonen in al zijn schoon- en lelijkheid, zijn aardsheid, zijn grappige geilheid en zijn kinderlijke fantasie. Dit alles overgoten met humor.

In de gedichten en fragmenten daarvan valt het kinderlijk en schaamteloze plezier op dat Claus schept in het te pas en te onpas rijmen. Uit ‘APOLLINAIRE REVISITED’: Hier sta ik dan / een zinnig man (…) Apollinaire geloofde / in zijn horoscoop / Ik in de uitverkoop / van wanhoop (…)’ en uit ‘XVIII MOEDER DOET BOODSCHAPPEN’ : ‘(…) Op mijn klompen, met ontwrichte rug, / met kapotte ingewanden / blijf ik stappen naar de hel. // Mijn zoontje hoopt op een mirakel: / een fiets met banden en een bel.’
En hier dan nog een deel uit ‘Rijmen voor een reiziger in Antwerpen’ :

Wat hinnikt er nog zo laat in de straat?
Het fantoom van een paard,
een blanke nachtmerrie.
Ik ben het die draaf
en kletter en galop
gevleugeld in mijn hansop.

Een versje eigenlijk, zoals er meerdere in de bundel staan, en kijk, hiernaast zou de bijbehorende tekening moeten staan om er optimaal van te genieten.

Zoals gezegd maakte Claus de tekeningen in slechts twee weken en de spontaniteit en het ogenschijnlijk speels gemak waarmee ze aan het papier zijn toevertrouwd, doet vermoeden dat de zieke zich geen zorgen maakte in het hospitaal. Het zijn ongekunstelde schetsen die zonder kritische stops tussen hart en hoofd naar de hand zijn gegaan.
De dichtregels stralen dezelfde onbezorgdheid uit. Geen geserreerde poëzie waarbij ieder woord is gewogen maar met de kraan wijd open laat Claus de woorden stromen met een taalgevoel dat geen grenzen kent. Alleen iemand die de materie volkomen beheerst kan zich een dergelijke manier van schrijven veroorloven.
De kunst ervan is dat wat bij de lezer in eerste instantie als onachtzaam en slordig kan overkomen zoveel heeft te zeggen; sterker, het schijnbaar achteloos formuleren heeft een relativerend effect en maakt, hoe gek het ook klinkt, de inhoud sterker.
Twee voorbeelden:

Toen ik naar haar lachte
sloeg zij mij. Alsjeblieft. Pats in mijn gezicht. Dank je wel.

Nu heb je liefdesslagen, genaamd prohana
het liefst met de handpalm op de billen
(niet met de knokkels, dat vindt de Meester barbaars)
waarop het slachtoffer verplicht is te antwoorden
met de liefdeskreet stît,
een heftig gesis tussen bijna dichte tanden.
Sommige meisjes roepen dan om hun moeder,
dat mag ook, volgens de Meester.

Uit: ‘Stît’

Hij zegt: ‘Ik wou,
.                ik wou als het zou kunnen,
.                misschien toch,
.                eigenlijk, tenminste, heel even,
.                nee, vergeet het, ik ben er niet,
.                niet geweest.’-

Zij staat in de kamer, knijpt haar dijen samen,
(want moet plassen)
Haar stem is hees alsof zij naar hem verlangt,
(want moet niezen)
Haar blik verwacht hem en helemaal,
(want moet slapen).

Uit: ‘Een soort afscheid’

Graag zou ik als criticus ook iets minder positiefs willen opmerken, maar, afgezien van het helaas ontbreken van een leeslint, lukt me dat niet; behalve de tekeningen en de poëzie verdient de verzorging van deze uitgave ook nog eens een pluim: mooi dik papier, en godlof geen ronkende promotieteksten op de omslag.

Een heerlijk boek.

Gedichten Guy Commerman

Oplossing

Ik weet niet wat het raadsel
op het verkreukte laken achterlaat
en of ontwaken het begrijpt.

Het leeft stil en ritselt,
het hecht zich aan de ademtocht.

De eerste woorden van de dag
beraden zich, vergissen zich,
op losse schroeven het scenario.

 

Afgrond

Een gedicht leeft in een tuin,
hangt te rijmen in een kerselaar.
Soms valt het uit de toon
op aarde, gras en stilte.

Ik luister naar het zingen
van gedachten, naar de rebelse psalm
van een schaamteloos, profaan gebed,
naar een spinet dat in de verte spint.

Alles wordt hete honger naar aanraken,
plechtig begin van ongerijmde weelde.

De uil weet niet waarheen, noch waarom
en oehoet maar wat: voorwaar een gedicht.

 

Vogelvrij

Misschien raak ik dan onwetend een ster,
misschien ontmoet ik een argeloos dwaallicht,
mijn reis is geen geheim, maar doorzichtig.

Iemand meent te mogen lachen,
iemand roept, iemand vindt
een boodschap uit, allen ongewapend.

Misschien bevrijd ik vogelvrij het netvlies,
verzoen ik vuur met het wenen
van enkele mensen, zodat ze zich herkennen
in de late vacht van middernacht.

 

Overleven

Alles komt terug, zoals de tevreden nacht,
zoals een glimp van blijdschap,
zoals het languit lachen in de naakte zon,
de buigzame muziek van spetterend water.

Wat niet terugkomt, is nooit geweest,
elk verhaal is lichaam, elke zoen is afzondering.

Alleen herrijzenis is wanhopig, goddelijk bedrog,
een steen blijft steen, een wortel groeit,
een schaduw stoeit, overleven is dodelijk eenmalig.

 

uit: Wat het raadsel achterlaat
(2017, Kleinood & Grootzeer)

Ik noem het soms voor mezelf uitbundige gereserveerdheid

 

Guy Commerman (1938), medestichter van literair tijdschrift Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschift (eind 1983), publiceerde poëzie, verhalen, aforismen en essays in talrijke literaire tijdschriften: Gierik & NVT, Deus ex Machina, De Brakke Hond, Raster, Weirdo’s, Opspraak, SchoonSchip, Sources, Archipel, Septentrion, tevens plastisch kunstenaar met ettelijke onderscheidingen en tentoonstellin¬gen in binnen en buitenland.
In 1983 ontving hij de Schaapprijs voor zijn humanistische inzet voor de verdediging van het vrije woord (radio, tv, Vrijuit in humanistisch perspectief) en zijn interdisciplinaire benadering van schoonheid (proza, essay, poëzie, plastische kunsten, illustraties, liederen).
Organisator van tientallen individuele en collectieve poëzievoorstellingen in Vlaanderen, Nederland, Brussel en Wallonië.
Recent verschenen: Dan neem ik alles mee (2014, Demer Uitg.), Getuigenis van zinnen (2015, Kleinood & Grootzeer), Wat het raadsel achterlaat (2017, Kleinood & Grootzeer)

foto: Jan Landau

 

In uw laatste bundel Wat het raadsel achterlaat is de laatste regel in het gedicht Verhaal: ‘Alles kan nog opnieuw gebeuren’. De bundel is een mengeling van het einde en het begin aller tijden, realisme en relativering. Kunt u hier meer over zeggen?

Leven en het toevallig en tijdelijk verblijf op aarde is een voortdurende herhaling van dezelfde gebeurtenissen. Geboorte en dood volgen elkaar zonder verklaring op, niet rekening houdend met leeftijd of stand. Deze vaststelling zet aan om zowat alle feiten, uitspraken, godsdiensten, filosofieën met de nodige argwaan te benaderen, het leren relativeren van de menselijke gedragingen, ook die van zichzelf, is een gezonde manier om wel en wee te overleven. Relativeren betekent echter niet dat men zich van alles afzijdig moet houden, dat zou een té gemakkelijke vlucht voor problemen, strategieën, verwachtingen en utopieën zijn. Om je zelfrespect en dat van diegenen die je lief zijn in stand te houden zijn enige vastberadenheid en strijdlust uiteraard aan te bevelen. Je moet je ‘s morgens in de spiegel in de ogen durven te kijken. Een bezorgde blik kan dan afwisselen met een schalks knipoogje.

De titel van deze bundel komt uit de prachtige regels van het gedicht Oplossing:
‘Ik weet niet wat het raadsel, op het verkreukte laken achterlaat en of ontwaken het begrijpt’. Is begrip noodzakelijk? Komt men uiteindelijk tot een bepaalde slotsom?

Waarvoor staat het raadsel? Een invulling geven op die vraag is al een erg intense onderneming. Het betekent dat je de zin van je eigen leven onder het vergrootglas legt, maar ook je relatie met diegenen die je lief zijn. Weinig of niets is voorspelbaar en een toestand van gemoedsrust en bescheiden voldoening kan van de ene dag op de andere omslaan in wilde paniek, troosteloosheid, ontgoocheling of diep verdriet. Carpe diem dringt zich dus op. Genieten van elke korte stonde dat je jezelf gelukkig voelt. En ook het nodige begrip aan de dag leggen om dat carpe diem aan anderen te gunnen.

Het heeft dezelfde charmante vraagstelling als in het gedicht Egidius waar u zich afvraagt ‘ik vernam dat hij brood brak, maar met wie? Niemand at zijn gevangen vis (…)’. Komt alles dat we geleerd of ervaren hebben terug?

Alles is herhaling en uit de herhaling kan de ervaring bloeien. Gevaren en uitdagingen kunnen omzeild en vermeden worden of men kan ze omzichtig te lijf gaan. Het is een quasi dagelijkse keuze die zich opdringt en naargelang de omstandigheden of de eigen gemoedstoestand zal men voor diverse oplossingen kiezen. De ene keer prijst men zich gelukkig, de andere keer vervloekt men zichzelf. De grootste genoegdoening komt echter van die zaken die men gezamenlijk kan oplossen of realiseren, omdat daar wederzijdse waardering, respect en liefde mee gepaard gaan.

‘In poëzie en verhalen laat de waarheid zich soms even aanraken’, zegt u in een persbericht * over De Zuilen waarin u de poëtische filosofie van Pessoa als uitgangspunt neemt voor uw bijdrage ‘Fado van waarheid’. Bent u al achter het antwoord op de vraag ‘Wat is waarheid?’

Waarheid en leugen zijn twee begrippen die zich voortdurend overlappen. Zij vertegenwoordigen visies die in de loop de tijden totaal kunnen omslaan. Godsdiensten trachten hun waarheid in heilige boeken aan te tonen en aan de gelovigen op te dringen. Wie braaf is, komt in de hemel, wie stout is, komt in de hel. Dat is natuurlijk net iets te simplistisch. En iedere God beweert van zichzelf dat hij de Enige is. Geloof is meestal synoniem voor onderdrukken, de zogezegde waarheid geweld aandoen. Je kunt natuurlijk meestal ook je leugens of wangedragingen afkopen. Zo baart de leugen geld om je een nieuwe waarheid te bezorgen. Eén grote schijnvertoning dus.

Uw laatste bundel is naast een voorbereiding op de toekomst en voortdurende vraagstelling aan uzelf, ook verrassend actueel. In Dingen zegt u ‘Wat geen naam verdient, noemt men dingen. Ook mensen. Zo denken door zichzelf uitverkorenen (….)’. Blijft u maatschappij kritisch?

Niet alleen maatschappijkritisch, maar kritisch in het algemeen, ook voor mezelf. Om over een correcte analyse van een toestand of gebeurtenis of persoon te oordelen moet men over zoveel mogelijk waarachtige data beschikken en dat is niet altijd even evident in deze tijden dat fake news, misleidingen via internet, ondoordachte oppervlakkigheden schering en inslag zijn. Hiervan wordt maar al te dikwijls gretig misbruik gemaakt door machtswellustige individuen. Ze twitteren en kwetteren om het even welke onzin in het rond erop rekenend dat een meerderheid van ondoordachten alles slikken als het nieuwe evangelie. Te veel mensen beperken zich tot het verorberen van de voorgekauwde kost, zelf een mening opbouwen is voor hen te tijdslopend en te vermoeiend.

Het door u opgerichte tijdschrift Gierik & NVT, vanaf mei dit jaar als G. door het leven, omvat ook reacties op o.a. socio-economische en politieke ontwikkelingen. Moet een schrijver zich kunnen uitspreken? Heeft hij/zij een verantwoordelijkheid naar de lezer, buiten die naar zichzelf?

Veel mensen verzinnen een betere wereld, maar zijn daarom nog geen schrijvers. Schrijvers zetten hun ware, of oprechte, of gefingeerde verzinsels op papier en dat worden dan boeken die al dan niet gelezen worden. Of hun gedichten of verhalen verschijnen in literaire tijdschriften. Het is de redactie die bepaalt of er meer of minder aandacht is voor sociologische, economische, filosofische of politieke thema’s. Gierik & NVT is steeds voorstander geweest van de vrije meningsuiting. Het vrije woord was heilig, maar niet gelovig. Haha! Ik kan alleen maar hopen dat de vernieuwde redactie van G. die ongebondenheid, die grenzeloze creativiteit, die eerlijkheid in stand houdt.

U heeft het tijdschrift in 1983 samen met Erik Van Malder opgericht. Hoe is het om het nu te verlaten?

Na 35 jaar de literaire kar van Gierik & NVT te hebben getrokken, heb ik aan de redactie gevraagd om een nieuwe eindverantwoordelijke aan te duiden. Die overgang is niet echt rimpelloos verlopen, zoals bij een scheiding, opdeling der verantwoordelijkheden wel meer de gewoonte is. Ik tracht nog advies te geven achter de schermen en sommige contacten zijn toch overeind gebleven. Wel is er een oceaan van tijd vrijgekomen, ik moet er nog aan wennen.

Ten aanzien van het schrijven lijkt u onzeker over bedoeling en effect. Is dat tegelijkertijd zelfbehoud? Het niet belangrijker te maken dan het is? In Afgrond de regels ‘Soms valt het uit de toon, op aarde, gras en stilte’.

In de loop van 35 jaar Gierik & NVT kom je uiteraard in contact met honderden auteurs die elk hun persoonlijkheid en ambities hebben. Sommigen zijn ware strebers, anderen relativeren, weer anderen manipuleren. Ik vond het een bijzonder boeiende ervaring, waarbij gelukkig ook enkele stevige vriendschappen het licht zagen. Tussendoor publiceerde ik toch een twaalftal dichtbundels en stapels poëzie en verhalen in vele literaire tijdschriften. Ik ben nooit tuk geweest op persaandacht, mediageilheid is mij onbekend. Naambekendheid is erg relatief en rijker word je er al evenmin van.

In de recensie op Meander van voornoemde bundel staat dat vormgeving van uw gedichten steeds belangrijker is geworden. Was dat een bewuste keuze?

Ik hou meer en meer van een zekere gestrengheid in de vorm van de gedichten, het weerhoudt me om in oeverloos overdadig woordgebruik, verduisterende symboliek en metaforengezwets te vervallen. Een woordspeling en de muzikaliteit van het vers zijn mij niet vreemd, ik noem het soms voor mezelf uitbundige gereserveerdheid.

Wat blijft er nog te doen?

Bezig blijven tot de allerlaatste snik. In de hoop dat het lichaam aan de geest gehoorzaamt. Ik heb ook een nieuwe dichtbundel klaar, ik laat hem nog een extra maandje rijpen, dan nijpen we er de laatste, muffe blaadjes af. Dan maar hopen dat een milde uitgever er belangstelling voor heeft.

Poëzie Kort 2018 / 2


© Levity Peters

Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita), Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper

Mijn taalorkest heet de nieuwe bloemlezing uit Brahman van Johan Andreas dèr Mouw (1863 – 1919). Hij is aangevuld met een sonnettenreeks nagelaten werk. Victor van Vriesland en Gerrit Komrij gingen de samensteller Jan Kuijper voor, maar overbodig is de bundel niet: Dèr Mouw dreigt van tijd tot tijd in de vergetelheid weg te zakken en dat verdient hij niet, integendeel: hij was een van onze grootste dichters. Voor degenen die zich vervolgens nader willen verdiepen in zijn poëzie: in 1986 verscheen een wetenschappelijke uitgave: Volledig dichtwerk, ed. H. van den Bergh, A.M. Cram-Malgré en M.F. Fresco.

Om zijn poëzie te kunnen waarderen, moet je iets van Dèr Mouws denkwereld weten. Het onderstaande baseer ik losjes op de onlangs verschenen biografie van Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. (Een bespreking volgt nog).
Dèr Mouw was classicus, filosoof en wiskundige. Als filosoof hield hij zich bezig met kennistheorie, met als belangrijke vraag in hoeverre de wereld kenbaar is voor een individu. Sinds Kant was de verhouding tussen het ‘subject’ (degene die kent) en het ‘object’ (het gekende ) problematisch. Onze hersenen leggen door hun werking een raster over de werkelijkheid, waardoor de ervaring van de werkelijkheid nooit volledig en objectief kan zijn. De ‘idealisten’ stelden dat de werkelijkheid slechts ons idee van de werkelijkheid is, een voorstelling die zich afspeelt in ons hoofd. De uiterste consequentie is, dat alleen het subject, het ‘ik’ reëel is, een voor Dèr Mouw ondraaglijk eenzaam idee: alle andere ‘ikken’ zijn dan immers slechts een onderdeel van je verbeelding. Deze filosofie heeft echter raakvlakken met de Indische wijsbegeerte, het Brahmanisme, en die gaat verder. Ook daarin wordt gesteld dat de wereld die wij ervaren een illusie is, een schijnbare splitsing van een eenheid in veelheden, ikken, tegenstellingen, maar op zeldzame momenten ervaar je dat alles een is in Brahman, de ‘Wereldziel’, iets wat hij ervoer als een bevrijding.  Als dichter – hij begon pas in de laatste zeven jaar van zijn leven serieus met poëzie! – nam hij niet voor niets het pseudoniem Adwaita (de tweeheidsloze)  aan.
Poëzie roept die Brahman-ervaringen soms op, ook voor de lezer. De laatste strofe van ‘Aquarium’: ‘en wie het leest, voelt, voor één ogenblik / verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik, / trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.’
Het sonnet (zijn meest gebruikte  versvorm) is bij uitstek geschikt om die eenheid te tonen, juist omdat de wending tussen octaaf en sextet vaak uit een tegenstelling bestaat. Aan de dichter de taak om te laten zien dat deze schijn is.

Zijn denkwereld maakt Dèr Mouw natuurlijk niet tot een goed dichter, daar is meer voor nodig. ‘Beperking moet vernuft en vinding wetten; / Tot heerschen is, wie zich beheerscht bij machte’, schreef Jaques Perk als reden zich vrijwillig te onderwerpen aan strenge vormregels. Het zou een lijfspreuk van Dèr Mouw geweest kunnen zijn. Jan Kuijper noemde de bundel niet voor niets Mijn taalorkest, Dèr Mouws typering van zijn eigen poëzie. In zijn nawoord geeft Kuijper een kort, helder overzicht van het gebruik van metrum vanaf de zestiende eeuw en de manier waarop Dèr Mouw daarmee omging. Hij was een meester in de spanning tussen metriek en ritme, bijvoorbeeld door het gebruik van anti-metrieën die de inhoud ondersteunen: ‘IJl ligt de wilgenschaduw op de wei / het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker’.

Om misverstanden te voorkomen: Dèr Mouw was geen zweverig dichter. Hij kon zeer aards zijn, voor zijn tijd soms seksueel expliciet, hij paarde humor aan diepe ernst, hij kon extatisch schrijven en ook zeer nuchter. Het is niet verwonderlijk dat de latere mannen van Forum hem waardeerden.

***
Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita) (2018). Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper. Uitgeverij Vantilt, 183 blz. € 19,95

 

Meleagros, Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes

Wie Catullus waardeert, zal ook van de Griekse liefdesdichter Meleagros houden. De esthetisch-decadent Oscar Wilde bewonderde hem; datzelfde gold voor Couperus en ongetwijfeld ook voor de jonge Jacob Israël de Haan. Wat hen aantrok was de hartstochtelijke liefde van het lyrisch ik, niet alleen voor vrouwen, maar vooral die voor opgroeiende jongens – de bekende Griekse liefde.
Paul Claes vertaalde de epigrammen van de in Syrië geboren dichter, die leefde van 135 tot ongeveer 70 v. Chr.  en voorzag ze van een inleiding en toelichting. Bitterzoete liefde heet de bundel en die titel is goedgekozen:

Bitterzoet

Hij is een lieve jongen. Zelfs zijn naam klinkt zalig:
Myiskos. Waarom zou hij niet mijn liefste zijn?
Hij is heel mooi, ja hemels mooi. Soms is hij lastig,
maar dan verzoet mijn liefde wel de bittere pijn.

De toelichting van Claes: ‘De verkleinnaam Myiskos (zie 18)  betekent ‘muisje’ of ‘vliegje’ (zie 23). De paradox van de bitterzoete liefde is een leidmotief (zie 47)’. Reve had dit gedicht kunnen schrijven, net als het gedicht ‘Liefdesdroom’, waarvan de eerste regels luiden: ‘Een heerlijk droombeeld van een glimlachende jongen / van achttien jaar oud die zijn reismantel nog droeg’. Het blijft bij die droom, uiteraard zou ik zeggen.

Epigrammen waren oorspronkelijk korte gedichten op een gedenkteken, graf, beeld of gebruiksvoorwerp, maar, schrijft Claes, vanaf ‘de vierde eeuw v. Chr. dienden epigrammen als entertainment bij feesten en drinkpartijen. Het speelse genre werd in de hellenistische periode bijzonder populair. De beknopte vorm bood ruimte voor uiteenlopende thema’s: epigrammen waren beurtelings graf- of treurdichten, liefdesverzen, wij- of votiefgedichten, beschrijvingen en spotverzen.’
Bij Meleagros ging het om momentopnames in de liefde: ‘verrassing, verleiding, bewondering, extase, hunkering, verbeelding, ontgoocheling en weemoed.’ Het lyrisch ik moet niet gelijk gesteld worden met de dichter. In de antieke cultuur was dat niet gebruikelijk: literatuur en leven werden strikt gescheiden.

Veel gedichten zijn opvallend humoristisch. Verrassend is de gelijkenis van ‘De beker’ met ‘Aan Betsy’ van Piet Paaltjens:

De beker

De beker lacht verrukt nu het praatzieke mondje
van mijn liefdesvriendin Zenofila hem vond.
Ach, mocht zij ook haar lippen op mijn lippen drukken
om in één teug mijn ziel te zuigen uit mijn mond.

Een aanwinst, deze vertaling.

***
Meleagros (2018). Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes. Atheneum – Polak & Van Gennep. 183 blz. € 12,50

 

Paul Claes, Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers

Na jarenlange ervaring als autodidact vertaler heeft Paul Claes een aantal vertaalregels opgesteld die hij goed kon gebruiken als eveneens autodidact docent, omdat bepaalde fouten systematisch terugkeren.  Hij constateerde dat beginnende vertalers vaak ongewild een tussentaal hanteren: het vertaals. Aan de ene kant moet je zo precies mogelijk vertalen wat er staat, maar aan de andere kant moeten er vaak zinnen ingrijpend worden veranderd om ze natuurlijk te laten klinken. Dat betekent niet dat je vrij moet vertalen, maar juist. Dat doet me denken aan een opmerking van mijn leraar Frans die ik nooit vergeten ben: ‘Vertalen is meer een kwestie van Nederlands dan Frans’. Strikte regels zijn het overigens niet. Als je goede redenen hebt om er vanaf te wijken, moet je dat vooral doen.

Claes gaat in op de regels voor het vertalen uit het Frans, Engels en Latijn en geeft een aantal tips voor het vertalen van gebonden verzen; zijn collega’s Frans Denissen en Adam Heylen namen het Italiaans voor hun rekening. Duits ontbreekt: voor die taal kon hij niemand vinden die de tijd had om mee te werken.
De hoofdstukken hebben een eenvoudige, effectieve opbouw: basisverschillen (abstracte formulering, personificatie en aanhechting bijvoorbeeld) en specifieke verschillen, zoals lidwoord, adjectief en substantief.  De auteurs geven zeer veel voorbeelden, wat het tot een ideaal handboekje maakt.

Vermakelijk zijn soms de ‘valse vrienden’: ‘woorden die qua vorm op Nederlandse woorden lijken, maar toch een andere betekenis hebben.’ Ze worden vaak klakkeloos overgenomen. Zo betekent ‘aussi’ aan het begin van de zin ‘daarom, dan ook’, een bonbon is een snoepje en een ‘candidature’ vrijwel altijd een sollicitatie. In het Engels (18 pagina’s valse vrienden!) is de juiste vertaling van ‘actual’ eigenlijk, feitelijk, echt of onderhavig. Leuk is het Italiaanse ‘casino’: als je daarnaar vraagt, denkt men dat je naar een bordeel wilt. Het kan overigens ook rotzooi of lawaai betekenen.

Boeiend is ook het laatste hoofdstuk, de ‘Wenken voor het  vertalen van gebonden verzen’. In de toelichting ‘Tekst en vertaling’ van Bitterzoete liefde zien we hoe Claes te werk gaat: ‘De epigrammen bestaan uit elegische disticha, combinaties van hexameters en pentameters. Nederlandse versies laten zich lastig in die maat dwingen. In plaats daarvan kies ik dan ook voor afwisselend vrouwelijke en mannelijke alexandrijnen. In kortere gedichten voeg ik vaak rijm toe om het epigramkarakter te versterken.’ De reden geeft hij in Gouden vertaalregels: het overnemen van de oorspronkelijke versificatie kan leiden tot ongelukkige constructies in de doeltaal. Als je vormvast wilt blijven – dat hoeft niet per se, Frans van Dooren heeft de Divina Commedia met goede argumenten in proza vertaald – zul je daarom zo creatief moeten zijn, dat je zowel de vorm als de eenheid recht doet.

Ook dit boekje is een aanwinst.

***
Paul Claes (2018). Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers. Uitgeverij Vantilt, 190 blz. € 19,50