Recensie van De olifant van Oostzaan - Erik Bindervoet

Wartaal is waarheid

Erik Bindervoet
De olifant van Oostzaan
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360425
€ 17,90
112 blz.

Eén plaatje zegt meer dan duizend woorden. Het plaatje op het omslag van de bundel De olifant van Oostzaan van Erik Bindervoet wat mij betreft meer dan tweeduizend. Het gaat om een reproductie van The elephant Celebes, van Max Ernst en doet denken aan een stofzuiger. Een stofzuiger die op zijn beurt weer een rare olifant is. Op het internet vinden we de volgende beschrijving (Tate Gallery label, oktober 2016):

The central rotund shape in this painting derives from a photograph of a Sudanese corn-bin, which Ernst has transformed into a sinister mechanical monster. Ernst often re-used found images, and either added or removed elements in order to create new realities, all the more disturbing for being drawn from the known world. The work’s title comes from a childish German rhyme that begins: ‘The elephant from Celebes has sticky, yellow bottom grease’. The painting’s inexplicable combinations, such as the headless female figure and the elephant-like creature, suggest images from a dream and the Freudian technique of free association.’

Ernst kreeg het voor elkaar om ‘beelden uit een droom’ te suggereren. Beelden die normaal niet bij elkaar horen brengen, door ze bij elkaar te zetten, een bevreemdend effect teweeg. Dit moet Bindervoet hebben aangesproken.
De olifant van Oostzaan is, zoals de tekst op de achterflap zegt, één zeer lang, verhalend gedicht. Een SLURF misschien (Super Lang Uitgerekt Rariteiten Frutsel). Níet te verwarren met de slurf van de olifant die met zijn lange snuit een verhaaltje uitblies. Meer een slurf à la het internet: eentje waardoor we worden opgezogen. Op het internet door een aandacht slurpende stroom van informatie en in het gedicht door een kakofonie van personages en gebeurtenissen (wat op hetzelfde neerkomt).
Waar gaat het in dit gedicht over? Antwoord: dáárover. Het antwoord op de vraag is informatie. Het gedicht gaat over ‘een hotel in de polder, bedreigd door een gruwelstorm van informatie.’ Als we tenminste mogen geloven wat op de achterflap staat. En de achterflap moeten wij altijd geloven. Tenminste zolang wij ons zelf geen oordeel gevormd hebben.
Maar zoals ik al zei: het is een vrij lang gedicht (pakweg 100 bladzijden). Dus er staat nog veel meer in. Alles gedekt door de paraplu ‘informatie’.
Wat is informatie eigenlijk? Wikipedia: informatie (van Latijn informare: ‘vormgeven, vormen, instrueren’) is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. Interpreteren en integreren van informatie resulteert in kennis.
Leuke definitie. Vooral het eerste deel ervan. Weten we meteen dat veel van de ‘informatie’ die via het internet tot ons komt van een bedenkelijk niveau is, omdat onze onzekerheid en de ‘onbepaaldheid der dingen’ er ‘bepaald’ niet beter op worden.
Interessant duo: poëzie en informatie. Beide zijn interpreteerbaar, maar waar ambivalentie informatie vertroebelt, bloeit juist de poëzie. Een ramp voor een informaticadeskundige lijkt een zegen voor een dichter.
Het zou me niet verbazen als De olifant van Oostzaan aan deze (on)gelukkige omstandigheid zijn ontstaan te danken heeft. De chaotische wijze waarop informatie (vaak door elkaar en ongevraagd) op ons afkomt brengt hilarische en absurde situaties teweeg. Poëzie! moet Eric Bindervoet hebben gedacht. Poëzie die ontstaat door kortsluiting:

Er is kortsluiting.
Tussen de regels knettert
Interferentie.
Wat zijn dit voor boodschappen?
Wat wordt hier medegedeeld?

Beelden die in taal bij elkaar of door elkaar staan beïnvloeden elkaar net zo goed als de beelden op het schilderij van Ernst. Door interferentie ontstaan nieuwe betekenissen (iets waar dichters gretig gebruik van maken). Heerlijk voor het poëtisch gehalte van een tekst, maar desastreus voor de duidelijkheid. Toch gaat het (denk ik) bij Bindervoet niet alleen om de lol van het scheppen van poëzie uit ‘crashende informatie’. Er zit ook iets treurigs in de bonte stoet van personages die een schitterend ongeluk in dit gedicht staan te beleven. Er is – om te beginnen – sprake van nostalgie. Bijvoorbeeld in de eerste regels van het gedicht, waar de komende storm (van informatie) al stiekem in sommige woordjes verstopt wordt aangekondigd:

Bushalte de Kolk.
Waar Molen de Olifant
Stond, lang geleden,
En later badhuis annex
Verpleeghuis Ons Verpleeghuis, […]

Waar Ole Bouman
Nog een tijdje heeft gewoond,
De historicus
Die zijn geliefde uitschold
Voor lul als zij iets fout deed,

Zoals bijvoorbeeld
De kat van ome Willem
Opzetten terwijl
Hij om In een rijtuigie
Had gevraagd, heel duidelijk,

Staat nu een hotel.
Een hoog gebouw met kamers,
Een rechthoekig blok,
Uitgehouwen in de lucht
Van Oostzaan in Noord-Holland,

Het hotel dat geteisterd gaat worden door een ‘storm van informatie’ staat op een riskante plek. Een plek die vroeger veel wind ving. Er stond niet voor niets een molen. ‘Molen de Olifant’, die werd aangedreven door gewone wind. In een tijd dat er nog niet zoveel redenen voor misverstanden waren. Het leven ging nog niet zo snel – informatie ging nog niet zo snel, moet ik zeggen – en de kans op een ontsporing was misschien wat kleiner. Maar de basis van wat er komen ging was er al wel. Een molen (kolk) draait. Zoals ook een storm – een orkaan met een oog – draait. De dichter moet zich hebben gerealiseerd dat molens in de literatuur vaker gebruikt worden als beelden voor (beginnende) waanzin. Bij alle personages die hij noemt zit ook een zekere meneer Quichot.

Niet alleen nostalgie speelt de dichter parten. Ook de tegenstelling die hij – simpelaar – voelt met de ingewikkelde buitenwereld die als een storm van informatie op hem afkomt, valt hem zwaar. Daarmee gepaard gaat immers de miscommunicatie die mensen van elkaar dreigt te vervreemden. Wanneer iedereen in het hotel voor de storm aan het schuilen is en er van alles gebeurt schrijft hij:

Ik ben maar een simpelaar
Hou ervan als jij zegt ‘kook van jou’
Wij houden van elkaar
‘Houden van’ voor mij is dat ik hou

En dat ben jij nou
Laat je niet meer gaan
Jou heb ik en hou ik
Dicht tegen mij aan

Liefde blijkt uiteindelijk het tegengif. Maar de storm raast door. Het schilderij van Ernst wandelt als een levende nachtmerrie door het gedicht:

En over het land
Dreunde een log gevaarte
Van blik en beton,
Een monsterlijk wezen dat
Alles wat op zijn pad kwam

Vertrapte en met
Een stalen stofzuigerslurf
Opzoog en verzwolg
In zijn holle bolle bast
Ter vertering en vermaak.

Gehoornd was het beest
En het had ook slagtanden,
Een schaafmachine
Op zijn rug en de lege
Ogen van een gasmasker.

En de schaaf was ook
Een nietpistool en een schip
En het beest was ook
Een graansilo uit Soedan
En een tank uit W.O. I.

Een archetypisch beeld? Een metafoor voor de storm? Wie weet wat het is. Bindervoet lijkt er in elk geval door gefascineerd. Al wijdt hij er geen duizend woorden aan. Of toch? Zijn hele gedicht heeft iets van het schilderij van Ernst. En tegelijkertijd is het ook een hotel: een hotel waarin wij als lezers worden bestookt met informatie (zo werkt de ambivalentie, die in dit fragment wordt benadrukt). Iets verderop lezen we:

En de boom sprak: bij
Oververhitting krijgt u
Meer informatie dan er
Grenstoestanden zijn en gaat
De samenhang verloren,

De verstrengeling,
De lijn die ons bij elkaar
Houdt. En de steen sprak:
Spoken bestaan niet. Maar de
Kromme en de boom spraken:

Helder. Duidelijk.
En de verstrengeling sprak:
En vice versa.
En er verschenen strepen
En er klonk statische ruis

Maar het beest ging door
En zoog het landschap
Kaal en woest en leeg
En het was aarde donker –
De kievit was zijn nest kwijt.

Een ogenblik waarop het mis gaat. Een virus? Een DDoS aanval? Misschien gewoon een crash, waardoor onze computer vastloopt. En daarop volgend: een terugkeer naar de toestand van vóór de (digitale) schepping; het scherm (het landschap) dat weer kaal en woest en ledig wordt: aarde donker.
Molen de Olifant is verdwenen. Daar kwam The elephant Celebes voor in de plaats. Met een soort stofzuigerslang als slurf. Een stalen slang waarmee het beest volgens de dichter ‘alles wat op zijn pad kwam opzoog en verzwolg in zijn holle bolle bast’. Ja, een stofzuiger denkt niet na over keuzes. Hoewel: hier wijkt de dichter toch af van het schilderij dat hij beschrijft. Het beest op het schilderij van Ernst heeft een gasmasker om en steekt zijn slurf in zichzelf (mogelijk zijn achterste). Is dat om zijn eigen stank niet te hoeven ruiken? Een gasmasker als filter voor het eigen ego, zoiets? Nu ja, het gaat waarschijnlijk om een beeld voor onze status quo! Zowel bij het schilderij, als in dit gedicht. En als we het over een soort stofzuiger hebben: is er een leegte in ons hoofd? Een nihilistisch vacuüm (mogelijk veroorzaakt door een geloofscrisis) waardoor we alles maar binnen laten komen en ons geen raad meer weten als het teveel wordt? Een informatiecrash heeft ook iets weg van een zwart gat waarin de meest uiteenlopende zaken op elkaar gedrukt worden. Ons hoofd als zwart gat en hotel tegelijk; ons hoofd als de riskante plek waar het om gaat en waar alles (om) draait bij het verzamelen van informatie!

Tot zover een interpretatie van de informatie die dit gedicht tenslotte óók is. Er zal ongetwijfeld nog veel meer over te zeggen zijn. Maar ik moet er een eind aan breien. Net zoals de dichter doet door te suggereren dat zijn gedicht een perpetuum mobile is en dat men de tekst kan blijven lezen tot het moment van overlijden (ja, ik zal daar gek zijn).

Het knappe van Bindervoets gedicht is dat het vragen oproept. Want antwoorden geven: dat is een heel andere zaak. Dat zou maar informatie zijn. Een gedicht is daar te ambivalent voor.

***
Erik Bindervoet (1962) publiceerde zeven dichtbundels, waaronder Voor altijd voor het eerst (2008), Het spook van de vrijheid (2010), De mond van de waarheid (2013) en Het vuil van de schoonheid (2015).
Samen met Robbert-Jan Henkes schreef hij onder meer Waar wij voor zijn en tegen en Bloemsdag; zij verzorgden verder geprezen vertalingen van Finnegans WakeUlyssesHamletKoning Lear en van de songteksten van The Beatles en Bob Dylan.

Recensie van Het vuil van de schoonheid - Erik Bindervoet

De poëzie van een verbolgen Chinees

Erik Bindervoet
Het vuil van de schoonheid
Uitgever: De Harmonie
2015
ISBN 9789076174327
€ 15,90
96 blz.

 
Je moet het nooit doen. Je moet ze niet lezen eigenlijk: rugteksten. Ze vertellen zelden of nooit de waarheid over een boek. Ze zijn wervend bedoeld. Ze proberen je over te halen om een boek te kopen, een hoger doel hebben ze niet. Maar wat blijken ze vaak vermakelijk wanneer je een boek gelezen hebt.
Op de rug van de dichtbundel Het vuil van de schoonheid van Erik Bindervoet staat o.a.: ‘Onweerstaanbaar grappig, de Volkskrant’. Ik had dat tekstje natuurlijk al gelezen voordat ik de bundel opensloeg, en met een bepaalde verwachting begon te lezen. Maar toen ik de bundel uit had, had hooguit een flauwe glimlach mijn lippen gekruld. Nu is er de mogelijkheid dat ik geen gevoel voor humor heb, ofwel een totaal ander gevoel voor humor dan de Volkskrant-recensent. Waarschijnlijk het laatste. Ik had mij hoofdzakelijk geërgerd aan de keren dat Bindervoet probeerde anderen belachelijk te maken.
Ik zal er een paar voorbeelden van geven en daarmee tegelijkertijd een indruk van de bundel als geheel. In ‘Vrij naar’ schrijft Bindervoet:

Uit de cursus: Leren Omgaan Met Kritiek 1 (Vrij naar een nare Chinees (Han Shan))

Meneer Wang heeft de Buddingh’prijs gewonnen.
Hij vindt m’n ugly gedichten maar niks.

Hij zegt dat ik maar doorouwehoer tot ik een gedicht heb
En dat ik de juiste techniek ontbeer.

Hij noemt het existentieel-filosofisch getob
   op middelmatig niveau.
Zonder progressie of ontwikkeling.
Omdat ik gewoon maar zeg wat me voor de bek komt.

Ik lach om wat hij poëzie noemt: versjes
Van een blinde vink die lauwtjes de zon prijst.

Goed kunnen schrijven is geen verdienste voor een dichter, net zomin als goed kunnen timmeren dat is voor een timmerman. Maar sommige timmermannen zijn ware kunstenaars, evenals sommige dichters. Van die ambitie heeft Bindervoet geen last; daar staat hij boven, blijkt uit het volgende ‘gedicht’:

Uit de cursus: Leren Omgaan Met Kritiek 2 (Ook vrij naar een Chinees (dezelfde nare Han Shan))

Meneer Jansz heeft de wereldcup gewonnen.
Hij vindt onze Bob Dylan vertalingen maar niks.
Verschrikkelijk zelfs.
Je kan duidelijk zien dat wij geen popmuzikanten zijn.

De juiste emotie ontbreekt.
Zegt hij.

Maar hij kan het weten: met zijn kleutermuziek
Heeft hij al menige gevoelige snaar geraakt.

Maar dat is niet waarom ik zo moet lachen:
De juiste emotie.

Welke kunstenaar heeft het ooit over
De juiste emotie?

Bob Dylan in elk geval niet.

Ironie? Vast. Ik zal het niet over de juiste emotie hebben, maar over de toon van deze gedichten; de verongelijktheid die ervan af straalt. Kom dichter/vertaler Bindervoet niet te na, want hij neemt wraak. En hij verkoopt het als poëzie. Nog slecht geschreven poëzie ook, al kreeg hij er een werkbeurs voor van het Nederlands Letterenfonds. Dát is niet waarom ik niet kan lachen, maar omdat hij het heeft over ‘versjes’ en ‘kleutermuziek’ maar blijkbaar niet in de gaten heeft hoe kinderachtig het is wat hij hier zelf onderneemt:

Uit de cursus: Leren Omgaan Met Kritiek 3 (Wederom vrij naar een Chinees (weer die vermaledijde Han Shan))

De immens populaire levensliedjeszanger Frank Boeijen
Heeft moeite
Met onze vertalingen
Van de Kronieken van Bob Dylan.

Die vindt hij dramatisch.
Het ritme is cruciaal, zegt hij.

Daarom móét je hem in het Engels lezen.
Maar misschien moeten we Franks liedjes

Ook eens omzetten naar het Engels
Om te zien wat ervan overblijft

Van dat schorre aftandse gesnotter
Uit een verkouden kanarie.

Ik wist niet dat Bindervoet samen met Henkes ook vertalingen van Nederlands naar Engels had gemaakt, maar hij schrijft het zelf: ‘Maar misschien moeten we Franks liedjes/ook eens omzetten naar het Engels’ (..) Erg veel zorg besteedde hij niet aan zijn tekst.

Om de dichter niet tekort te doen wil ik graag vermelden waarover hij schrijft. Veel over de stad, d.w.z. Amsterdam. Hij schrijft over de Beulingstraat, de Keizersgracht, de Brouwersgracht, het Westerpark, de Hofwijck, de Prinsenhofsteeg nummer vier, de Pijp, de Reguliersbreestraat, de Kerkstraat, de Oranje Vrijstaat, Het OLVG aan het Oosterpark, de Brouwersgracht bij nacht, hoek Sweelinckstraat, Albert Cuypmarkt, de lijnbaanbusbaan, de Leliegracht, hoek Prinsengracht, Jasmijngracht, enz.
Buiten al die namen, er volgen er nog vele, ook verzonnen namen als Pooiersgracht, Hoerengracht, Stoflonggracht, erg grappig allemaal, om niet te zeggen: geniaal bedacht. Soms gebeurt er zelfs wat in een van die straten:

(..)
Mannen zijn allemaal verschrikkelijke zielige klootzakken.
De dag van een enkeling kon niet meer stuk
Toen een hoer naar hem zwaaide
Op de Ruysdaelkade,
Niet wuivend of
Verwelkomend,
Maar alsof ze hem kietelde
In de lucht.
(..)

Bindervoet dicht ook over heel veel mensen:
Willem Holleeder, Roald Dahl, Tjitske (Jansen), Rutger Kopland, Julius Caesar, Beatrix, mevrouw Beerepoot, mevrouw Beentjes, Raspoetin, Mevr. Gras, Dhr. Bruinsma, Dhr. Van der Grift, – moet ik nog doorgaan? Ik ben pas halverwege blz. 14 van de bundel die, zoals je wel weet, begint op pagina zeven – Elton John, Jan Ritsema, Amparo Lopez Oviedo, Wendela, James Joyce, Bergkamp, Rijkaard, Seneca; ik ben al op blz. 29 van de 92 bladzijden die de bundel telt.
Meer dan namen worden die namen niet. Als wij niet al iets van ze wisten, dan kwamen we dankzij Bindervoet niets van zijn gasten te weten.

Onder al zijn figuranten kwam ik er één tegen die mij erg aan Bindervoet zelf deed denken: Wammes Waggel, één van de personages in Marten Toonders Bommelboeken, een gans die altijd vrolijk is, in voor een lolletje, totdat hij zijn zin niet krijgt of gedwarsboomd wordt, en dan nogal kinderachtig kan reageren. Voor mij is Bindervoet ‘de Wammes Waggel van de Nederlandse poëzie’.

Laat mij tot slot het titelgedicht citeren waarin de eerder genoemde Amparo Lopez Oviedeo, naast Bindervoet zelf, de hoofdrol speelt:

Het vuil van de schoonheid

We stonden in een oerwoud van afval.
Dood speelgoed. Lijken van poppen
Afgedekt door witte badhanddoeken.
Ik zoende haar op haar blote schouder.
Ze heette Amparo Lopez Oviedeo
En ze vond het mooi
Dat we na een busreisje van een week
Al zo vertrouwd met elkaar waren.
Perfecte Spaanse schone. Lange benen.
Zwart haar. Zwarte bikini.
Alleen haar bovengebit zat los.

‘Enigjes!’

***
Erik Bindervoet (1962) publiceerde zeven dichtbundels, waaronder Voor altijd voor het eerst(2008), Het spook van de vrijheid (2010) en De mond van de waarheid (2013).
Samen met Robbert-Jan Henkes schreef hij onder meer Waar wij voor zijn en tegen en Bloemsdag; zij verzorgden verder geprezen vertalingen van Finnegans Wake, Ulysses, Hamlet, Koning Lear en van de songteksten van The Beatles en Bob Dylan. 

Recensie van De mond van de waarheid - Erik Bindervoet

De omfloerste arrogantie van Langpootmug

Erik Bindervoet
De mond van de waarheid
Uitgever: De Harmonie
2013
ISBN 9789076168425
€ 15,90
88 blz.

Soms is het triest dat je als recensent verplicht bent om een bundel verschillende keren te lezen.
Toen ik de dichtbundel DE MOND VAN DE WAARHEID open sloeg las ik:

DE EGO – EMO

Het beest is muf.
Het feest is duf.
De geest is suf.
Wie keest heeft puf.
Wat leest de juf?

Ik schoot in de lach. En las verder. De vijfde strofe gaat zo :

De last is heet.
De gast heeft weet.
De spast ruikt zweet.
De cast is great.
Wie wast hun reet?

Het lachen was mij toen al enigszins vergaan. Het was toch wel een beetje erg flauw. Maar er wachtten mij nog enkele dijenkletsers zoals:

LENTESYMPHONIE

Roekoe roekoe
Zongen de dichters
In de bomen.
fiedeldie fiedeldoe fiedelda
Fiedelden de violen
In de ovens.
Niiiii twonnnnng!
Sprongen de meisjesharten
In hun dromen.
Scrôot scrût wangwang ecke!
Basten de mannenscrotums
In het oude Rome.

Want de lente was in het land gekomen.

Ik geef toe: ik schoot ik in de lach. Maar toen kende ik hem: de grap.
De rugtekst vermeldt dat hij ‘In het spook van de vrijheid’ verschillende stijlen bleek te beheersen: licht absurdistisch, liefdessonnetten en autobiografische praatpoëzie. ‘Vooral de sonnetten zijn fraai. Bindervoet doet denken aan de Portugese dichter Pessoa.’ (HDC Media)

Ook in DE MOND VAN DE WAARHEID staan sonnetten. Op zoek dus naar de Hollandse Pessoa.

ORANJESLUIZEN

We gingen Tjitske haar verjaardag vieren
En ik verloor mijn zonnebril.
Er zweefde meeuwen boven mij als gieren,
Een meerkoetje slaakte schril een kwade gil.

Ik was verduisterd van de dijk gerold
En vederlicht verlicht weer opgestaan,
Alsof het kilste ijs ter wereld smolt
Omdat mijn voorzetstuk was afgegaan.

Er iets van merken deed ik pas in Oost.
Ik zei de jarige gedag, getroost
Aanvaardde ik de terugtocht waar zij stond.

Ik wist precies waar ik gevallen was,
De berm van stukgevroren, pisgeel gras
Waar ik mijn zonnescherm ontzet hervond.

En ik ben ontzet dat een talent als Bindervoet zijn talent zo vergooit. Deed hij maar denken aan Pessoa! Al zou hij maar zijn idolen als voorbeeld nemen: al probeerde hij maar om in de richting van een Joyce te komen, iets te schrijven, iets geestigs, dat in de verte mag ruiken naar Carroll… Iets intelligents waar Pound hem een schouderklopje voor zou hebben gegeven.

TABLEAU DE LA TROUPE – Fabeldieren in rouw om doctor Boktor,
ontploft in een web van woorden en toen weder
opgeflonkerd als avondster in het firmament der dichteren.

Ze waren er allemaal,
Na de dienst,
Op het terras van het Praathuis,
Tegenover de Dierenbosse Boekwinkel,
In de neerslachtige zomerzon.
Spekkie Bigmans was er, de stadsdichter van Amsterdam
Die, met recensentenoog om zich heen spiedend,
Zat af te geven op ‘het gesnotter’
Van Rambam de Brilslang,
De stadsdichter van Nederland
En de wijste van de dieren des velds;

Dit gaat over de uitvaartdienst van Gerrit Komrij, en Ramsey Nasr door emotie overmand, die probeerde zijn gedicht voor de door hem bewonderde dode dichter voor te dragen.
Elke aanwezige schrijver kreeg een door Bindervoet bedachte naam: Dieter Foxma, Jack Hals, Flappie de Blurphond, Maarten de Doorbitch, enz., drie pagina’s lang. Leuk?
Dat was dit bij eerste lezing al niet. Op wel meer plaatsen blijkt dat naar beneden trappen een hobby van Bindervoet is: gemakkelijke prooien uit de jaren zestig en zeventig, zoals Gert en Hermien Timmermans, De Volendamse Cats, B.Z.N., George Baker, ook nog Jan Smit…

Ik vind het tragisch, dat een talent als Bindervoet zich blijkbaar zo moet verlagen om iemand te zijn. En dat hij blijkbaar verder niets te melden heeft. Laten we deze bundel vergeten, en hopen op betere tijden voor Bindervoet, waarin hij op zichzelf kan staan, niet meer verbitterd en verliteratuurd is, en met zijn hart kan schrijven. Heb ik hem tekort gedaan? Dan tot slot nog dit:

LTTLE JESUS

In een kamer in een woning in Veghel
Klimt een Jezusje van zijn crucifix
En trekt de wijde wereld in.
Eerst steelt hij een proefpaasstolletje
Bij de bakker.
Dan wordt hij achterna gezeten
Door een nijdige spreeuw
En de kat
Van de bakker
Die hij alle drie bekeert.

Leuk?

***
Van Erik Bindervoet verschenen eerder de dichtbundels Tijdelijk zelfportret met hoofd en plaatsbepaling, oranje (genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs) De saaiste jongen ter wereld, Aap, Voor altijd voor het eerst en Het spook van de vrijheid.
Samen met Robbert-Jan Henkes schreef hij onder meer Waar wij voor zijn en tegen en Bloemsdag en maakte hij vertalingen van Finnegans Wake, Hamlet en de songteksten van The Beatles en Bob Dylan.

Recensie van Het spook van de vrijheid - Erik Bindervoet

Uitstekend gemaakte kitsch

Erik Bindervoet
Het spook van de vrijheid
Uitgever: De Harmonie
2010
ISBN 9789061699484
€ 15,90
86 blz.

Erik Bindervoet is bekend geworden door de opvallende vertaalprojecten die hij, vaak met kompaan Robbert-Jan Henkes, aanpakt. Liedteksten van Bob Dylan en The Beatles, romans van James Joyce: Bindervoet is ambitieus. Ook als dichter schuwt hij een groot project niet, getuige zijn lange gedicht Aap (2002 – bij dit gedicht schreef Bindervoet trouwens, ter gelegenheid van de presentatie van Hout van Bas Belleman een epiloog die onder de titel ‘Epiloog voor B. B.’ is opgenomen in Het spook van de vrijheid). Daarom was ik bij het lezen van het eerste deel (‘Pessoa in het Vondelpark’) van Het spook van de vrijheid een beetje teleurgesteld. Bindervoets stijl van dichten hangt in zijn lichtvoetigheid altijd een beetje tegen het melige aan, maar met de korte gedichten waar Het spook van de vrijheid mee opent lijkt hij het zich toch echt een beetje te makkelijk gemaakt te hebben:

Dichter in New York

Stel
Het zijn geen auto’s die je
‘s Nachts
Hoort of gele taxi’s
Of politiesirenes
Maar wervelwinden van duiven
Gestreepte anemonen op wieltjes
Achternagezeten door een apatosaurus
Of cirkels en balken
Die terugkeren naar de werkelijkheid
Van een slapend meisje bij het raam?

Veel beelden, veel referenties naar de wereldliteratuur, maar wat staat er nou eigenlijk? Een apatosaurus, een slapend meisje, politiesirenes, het riekt naar effectbejag. In het gedicht dat deze afdeling zijn titel leende lezen we:

Ik ruk een tak van een boom
En weet dat ik elke keer
Als ik de tak in het zand plant
Een gedicht heb.

Bindervoet zal het vast ironisch bedoelen, maar het geeft wel goed het gevoel weer dat ik bij deze gedichten heb.
Niet dat er in dit eerste deel geen aardige gedichten staan. Als hij mededichters op de hak neemt is Bindervoet bijzonder geestig, zoals in ‘De Tjitske-cyclus’, waarin hij spot met Koerikoeloem, de tweede bundel van Tjitske Jansen (waar ik destijds ook het een en ander over te zeggen had):

Tjitskes dichtkunst

Een lezer vroeg op een gegeven moment aan Tjitske:
“Als ik niks in mijn hoofd heb, wat moet ik dan doen?”
Tjitske antwoordde:
“Gooi het eruit.”
De lezer vroeg:
“Maar ik heb niks, hoe kan ik het er dan uitgooien?”
En Tjitske antwoordde:
“Draag het er dan uit.”

Verderop in de bundel moet ook Anna Enquist het ontgelden: ‘Ze loeide over het eiland, / Waar het altijd waait. / Het was Anna E. / Zij had verdriet / En zij sprak de waarheid / Want zij had verdriet / En zij sprak de waarheid.’ (uit: ‘Paarse puntschoenen van vroeger’)

De volgende afdeling, ‘Toonladder naar de maan’, opent met de gelijknamige, rijmende, liedtekst en bevat verder rijmende en niet-rijmende sonnetten. De gekozen vormen geven Bindervoet uitgebreid de gelegenheid om te laten zien hoe geestig hij is en hoe hij de kneepjes van het dichtersambacht beheerst, maar ook hier ontbreekt meestal diepgang. Er is wel heel veel kitsch. Kunstige, uitstekend gemaakte kitsch, maar toch vind ik er niet zo veel aan:

Hadden mijn woorden voeten
Dan liep ik naar je toe
Ik beklom de hoogste ladder
En zong dan Love me do

(uit: Toonladder naar de maan)

De dagen vallen minder zwaar, ‘t is vreemd:
Ze zijn, als jij op dit moment, ontheemd
En wij door liefde, met geluk, bevrijd.

(uit: Blonde zon)

Het spook van de vrijheid wordt pas echt interessant na een pagina of 50, als de derde en laatse afdeling ‘Scènes uit een vorig leven’ begint. De lichtvoetigheid blijft, maar er komen diepgang en meerduidigheid bij. ‘In zekere zin heb ik mooie paarse schoenen’, opent het lange gedicht (‘Scènes uit een vorig leven’ bevat veel lange, proza-achtige gedichten) ‘Paarse puntschoenen van vroeger’. En Bindervoet blijft natuurlijk een dichter met een bijzonder ontwikkeld taalgevoel:

Mediterrane automobilisten karren af en aan
Dwars door de met met geluid verzwaarde lucht gevulde hitte.
Ze scheuren de hoek om
Zonder richting-
Aanwijzer maar met -sgevoel.

Het spook van de vrijheid is een onevenwichtige bundel. Enerzijds laat Bindervoet zien dat hij een erudiet en vakkundig dichter is en levert hij een groot aantal interessante gedichten af,  anderzijds staat er ook veel in deze bundel dat, hoe virtuoos ook, eigenlijk te ‘dun’ is.